Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:6128

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
26-04-2018
Datum publicatie
31-07-2018
Zaaknummer
10/000617-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak van zware mishandeling en de subsidiair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling. Wel is bewezen dat de verdachte een mishandeling heeft gepleegd. Veroordeling tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 dagen, waarvan 28 voorwaardelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 2

Parketnummer: 10/000617-18

Datum uitspraak: 26 april 2018

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres verdachte] , [woonplaats verdachte] ,

raadsvrouw mr. P.C.E. van den Hoek, advocaat te Rotterdam.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 13 april 2018.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. S.M. Scheer heeft gevorderd:

  • -

    vrijspraak van het primair ten laste gelegde;

  • -

    bewezenverklaring van het subsidiair ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 dagen met aftrek van voorarrest, waarvan 28 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar en een taakstraf voor de duur van 120 uren.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Vrijspraak zonder nadere motivering van het primair ten laste gelegde

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het primair ten laste gelegde niet wettig en overtuigend is bewezen, zodat de verdachte daarvan zonder nadere motivering zal worden vrijgesproken.

4.2.

Bewijswaardering

4.2.1.

Standpunt officier van justitie

Naar het oordeel van de officier van justitie is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot zware mishandeling.

4.2.2.

Beoordeling

Op basis van het dossier stelt de rechtbank vast dat op 1 januari 2018 een worsteling heeft plaatsgevonden tussen de verdachte en de aangeefster [naam slachtoffer] (zijn toenmalige vriendin). In de uren voorafgaand de worsteling hebben beiden (aanmerkelijke hoeveelheden) alcohol en drugs gebruikt. In de vroege ochtend kregen de verdachte en zijn vriendin ruzie, waarna de worsteling ontstond. Zowel de verdachte als zijn vriendin verklaren over specifieke geweldshandelingen. Op onderdelen verschillen hun verklaringen echter van elkaar.

Verklaring aangeefster

De aangeefster heeft verklaard dat zij de verdachte op zijn wang heeft geslagen. De verdachte heeft vervolgens zijn arm in een nekklem om haar nek geslagen. Hij pakte haar meermalen bij haar keel en kneep haar keel dicht. Ook pakte hij haar meermalen bij haar lichaam beet. Hij heeft haar bij haar haren gepakt en het huis uitgesleept. Ten slotte heeft verdachte haar (linker)duim vastgepakt en naar achter geduwd; het desbetreffende middenhandsbeentje is gebroken.

Verklaring verdachte

De verdachte heeft verklaard dat de aangeefster boos was en zijn huis sloopte. Hij wilde haar toen het huis uitzetten. Hij heeft haar van achteren met een nekklem beetgepakt en heeft haar naar de gang gesleurd. Daar zijn zij op de grond gevallen. De verdachte heeft de aangeefster toen bij haar benen gepakt en de voordeur uit gesleept. De aangeefster heeft hem geslagen en geschopt. De verdachte ontkent de keel van de aangeefster te hebben dichtgeknepen. Hij ontkent ook dat hij haar duim naar achteren heeft geduwd. Volgens de verdachte zou het letsel aan de duim van de aangeefster kunnen zijn ontstaan tijdens de worsteling of doordat zij, nadat hij haar het huis had uitgewerkt, nog een halfuur tegen de voordeur heeft gebonkt en getrapt.

Overweging

De rechtbank overweegt dat buiten de aangeefster en de verdachte niemand de worsteling heeft gezien. Hun verklaringen lopen op bepaalde punten uiteen. Het letsel van de aangeefster, zoals dat is beschreven in de FARR-verklaring, strookt met de geweldshandelingen die door de verdachte zijn bekend. De FARR-verklaring biedt echter onvoldoende aanknopingspunten om aan te nemen dat de verdachte de aangeefster aan haar haren naar buiten heeft gesleept, keel heeft dichtgeknepen en haar (linker)duim naar achter heeft geduwd op de wijze zoals de aangeefster heeft verklaard. De rechtbank gaat daarom uit van de handelingen waarover de verdachte heeft verklaard en die, voor een groot deel, ook door de aangeefster onderschreven worden. Dat betreft het omklemmen van de nek met één arm terwijl de verdachte achter de aangeefster stond, het vastpakken van het lichaam en het aan haar benen over de grond slepen van de aangeefster. Het letsel van de aangeefster valt redelijkerwijs toe te rekenen aan deze geweldshandelingen. De rechtbank is van oordeel dat met het uitvoeren van deze handelingen geen aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel is ontstaan. De verdachte zal daarom ook worden vrijgesproken van het subsidiair ten laste gelegde. Wel is bewezen dat de verdachte zijn vriendin heeft mishandeld.

4.3.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het meer subsidiair ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

hij op 1 januari 2018 te [woonplaats verdachte]

zijn levensgezel, [naam slachtoffer] ,

heeft mishandeld door

- de keel vast te klemmen en vervolgens de keel dicht te

klemmen en

- het lichaam krachtig vast te pakken en

- het lichaam over de grond te slepen .

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.

5 Strafbaarheid feit

Het bewezen feit levert op:

mishandeling, begaan tegen zijn levensgezel.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het feit is dus strafbaar.

6 Strafbaarheid verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten.

De verdachte is dus strafbaar.

7 Motivering straf

7.1.

Algemene overweging

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

7.2.

Feit waarop de straf is gebaseerd

De verdachte heeft zijn vriendin mishandeld. Hij heeft haar beetgepakt om haar naar buiten te sleuren. Ook heeft hij haar over de grond gesleept. In de worsteling die tussen hen is ontstaan, heeft het slachtoffer aanmerkelijk letsel opgelopen, zij het dat dit niet als zwaar lichamelijk letsel gekwalificeerd kan worden. Dat rekent de rechtbank de verdachte aan.

De rechtbank weegt in het voordeel van de verdachte mee dat het slachtoffer zelf ook een aandeel had in de worsteling en de hevige ruzie die daaraan vooraf ging, waarbij het interieur van de woning van de verdachte forse schade heeft opgelopen. Dat neemt echter niet weg dat de verdachte veel te ver is gegaan en dat hij verantwoordelijk is voor het letsel dat bij het slachtoffer is ontstaan.

Sinds het incident is er geen contact tussen geweest tussen de verdachte en het slachtoffer. Inmiddels heeft de verdachte een nieuwe vriendin. Het slachtoffer is naar Nederland geëmigreerd en heeft nauwelijks sociale contacten. De verdachte heeft verklaard dat hij dat erg voor haar vindt en dat hij open staat voor contact met haar.

7.3.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

7.3.1.

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 20 maart 2018, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

7.3.2.

Rapportages

Bouman GGZ, afdeling reclassering heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 13 maart 2018. Dit rapport houdt het volgende in. Er speelden al langer (communicatieve) problemen tussen de verdachte en zijn partner. Het recidiverisico is laag/gemiddeld. Het toezicht in het kader van de schorsing van de voorlopige hechtenis is goed verlopen. De reclassering adviseert een straf op te leggen zonder bijzondere voorwaarden.

Psycholoog J.J. van der Weele heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 12 maart 2018. De psycholoog rapporteert dat bij de verdachte ten tijde van het ten laste gelegde geen sprake was van een ziekelijke stoornis of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens. Overmatig middelengebruik kan risico verhogend werken, maar het recidiverisico wordt als laag ingeschat. De verdachte behoeft geen bijzondere zorg of toezicht.

7.4.

Conclusies van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

Nu de rechtbank het meer subsidiair ten laste gelegde bewezen heeft verklaard, zal de straf aanzienlijk lager zijn dan door de officier van justitie gevorderd.

Gelet op al het voorgaande zal de rechtbank aan de verdachte een deels voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen, en het onvoorwaardelijke deel beperken tot de duur van het voorarrest.

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf passend en geboden.

8 Vordering benadeelde partij / schadevergoedingsmaatregel

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [naam benadeelde] , ter zake van het primair ten laste gelegde feit. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 403,24 aan materiële schade en een vergoeding van € 750,00 aan immateriële schade.

8.1.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot toewijzing van de vordering.

8.2.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft aangevoerd dat de verdachte de materiële schade wil vergoeden. Ten aanzien van de immateriële schade is betoogd dat niet valt vast te stellen of al het letsel van de benadeelde partij is veroorzaakt door de verdachte. Aangevoerd is dat behandeling van de vordering voor wat de immateriële schade betreft, een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert en dat de benadeelde partij in dat deel van de vordering niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

8.3.

Beoordeling

Nu is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij door het bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks materiële schade is toegebracht en de gevorderde schadevergoeding door de verdachte niet is weersproken, zal de vordering worden toegewezen.

Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij door het bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks immateriële schade is toegebracht.

Die schade zal naar maatstaven van billijkheid worden vastgesteld op € 300,00, zodat de vordering tot dit bedrag zal worden toegewezen, met afwijzing van hetgeen aan hoofdsom meer is gevorderd.

De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf 1 januari 2018.

Nu de vordering van de benadeelde partij (in overwegende mate) zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

8.4.

Conclusie

De verdachte moet de benadeelde partij een schadevergoeding betalen van € 703,24, vermeerderd met de wettelijke rente en kosten als hieronder in de beslissing vermeld.

Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 300 en 304 van het Wetboek van Strafrecht.

10 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

11 Beslissing

De rechtbank:

verklaart niet bewezen, dat de verdachte het primair en subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen, dat de verdachte het meer subsidiair ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 dagen;

bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 28 dagen niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van de proeftijd, die hierbij wordt gesteld op 2 jaar, na te melden voorwaarde overtreedt;

stelt als algemene voorwaarde:

de veroordeelde zal zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maken;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte, dat bij eerdere beslissing is geschorst;

veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [naam benadeelde] , te betalen een bedrag van € 703, 24 (zegge: zevenhonderddrie euro en vierentwintig cent), bestaande uit € 403,24 aan materiële schade en € 300,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 1 januari 2018 tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

wijst af het door de benadeelde partij meer of anders gevorderde;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij [naam benadeelde] te betalen € 703,24 (hoofdsom, zegge: zevenhonderddrie euro en vierentwintig cent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2018 tot aan de dag van de algehele voldoening; beveelt dat bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal van het bedrag van € 703,24 vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van veertien dagen; toepassing van de vervangende hechtenis heft de betalingsverplichting niet op.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. L. Feraaune, voorzitter,

en mrs. M. Smit en M.M. Dolman, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. E.L. Vedder, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 26 april 2018.

De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 1 januari 2018 te [woonplaats verdachte]

aan [naam slachtoffer]

opzettelijk zwaar lichamelijk letsel,

te weten een breuk in de linker bovenarm en/of een breuk van het

handwortelbeentje dat zich aan de duimzijde van de linker pols bevindt,

heeft toegebracht door meermalen, althans eenmaal

- de (linker) duim vast te pakken en/of (vervolgens) die (linker) duim naar

achteren te duwen/trekken en/of

- het lichaam krachtig beet te pakken en/of

- het lichaam op de grond te gooien/duwen en/of (vervolgens) het lichaam

over de grond te slepen/trekken;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht

of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 1 januari 2018 te [woonplaats verdachte]

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

aan [naam slachtoffer]

opzettelijk

zwaar lichamelijk letsel toe te brengen

met dat opzet die [naam slachtoffer]

meermalen, althans eenmaal

- bij de de keel heeft vast gepakt/geklemd en/of (vervolgens) de keel heeft

dicht geknepen/geklemd/gedrukt en/of (vervolgens) de keel dicht

geknepen/geklemd/gedrukt heeft gehouden en/of

- bij de (linker) duim heeft vastgepakt en/of (vervolgens) die (linker) duim

naar achteren heeft geduwd/getrokken en/of

- krachtig bij het lichaam heeft beetgepakt en/of

- op de grond heeft gegooid/geduwd en/of (vervolgens) het lichaam over de

grond heeft gesleept/getrokken,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling

mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 1 januari 2018 te [woonplaats verdachte]

zijn levensgezel, [naam slachtoffer] ,

heeft mishandeld door meermalen, althans eenmaal

- de keel vast te pakken/klemmen en/of (vervolgens) de keel dicht te

knijpen/drukken/klemmen en/of (vervolgens) de keel dicht

geknepen/gedrukt/geklemd te houden en/of

- het lichaam krachtig vast te pakken en/of

- het lichaam op de grond te gooien/duwen en/of (vervolgens) het lichaam

over de grond te slepen/trekken en/of

- de (linker) duim vast te pakken en/of (vervolgens) die (linker) duim naar

achteren te duwen/trekken.