Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:6085

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
17-07-2018
Datum publicatie
25-07-2018
Zaaknummer
10/997006-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Valsheid in geschrift. De verdachte rechtspersoon wordt veroordeeld tot een geldboete van € 50.000,-.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 1

Parketnummer: 10/997006-14

Datum uitspraak: 17 juli 2018

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte rechtspersoon:

[naam verdachte rechtspersoon] ,

gevestigd aan de [vestigingsadres verdachte rechtspersoon] , [vestigingsplaats verdachte rechtspersoon] ,

ter terechtzitting vertegenwoordigd door de medeverdachte [naam medeverdachte 1] ,

raadsman mr. J.W. Soeteman, advocaat te Amsterdam.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzittingen van achtereenvolgens 6 juni 2016, 24 en 29 mei 2018, 5, 6 en 11 juni 2018 en 3 juli 2018.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte rechtspersoon (hierna: [naam verdachte rechtspersoon] ) is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officieren van justitie

De officieren van justitie mrs. M.J. Dontje en A. Rogaar hebben gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het tenlastegelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte rechtspersoon tot een geldboete van € 52.500,-.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Inleiding

De volgende feiten en omstandigheden kunnen op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting als vaststaand worden aangemerkt.

[naam verdachte rechtspersoon] is in september 2007 opgericht door de medeverdachte [naam medeverdachte 1] en een compagnon. [naam verdachte rechtspersoon] adviseert cliënten op het gebied van risicomanagement en treasury- management in meest brede zin van het woord. Opdrachtgevers van [naam verdachte rechtspersoon] bestonden uit zorginstellingen en uit woningcorporaties waarbij [naam verdachte rechtspersoon] , in de persoon van [naam medeverdachte 1] , werd ingezet als lid van de treasury-commissie.

Eind 2007 heeft [naam verdachte rechtspersoon] met twee woningcorporaties, De Woonplaats en Portaal, een overeenkomst van opdracht gesloten. Op grond van deze overeenkomsten verleende [naam medeverdachte 1] als deskundig extern treasury-adviseur advies over het door de corporaties te voeren treasury-beleid.

Omstreeks 2007 is [naam verdachte rechtspersoon] een samenwerking aangegaan met de medeverdachten [naam medeverdachte 2] en [naam medeverdachte 3] , althans hun B.V.’s ( [naam bedrijf 1] respectievelijk [naam bedrijf 2] ), onder de gezamenlijke handelsnaam [naam onderneming] (hierna ook aangeduid als [naam onderneming] ). [naam verdachte rechtspersoon] zou daarbij [naam onderneming] promoten als makelaar in financiële producten zoals onder andere derivaten, terwijl [naam onderneming] harerzijds [naam verdachte rechtspersoon] als financieel adviseur zou promoten. Voor de omzet (‘fees’) die [naam onderneming] dankzij deze samenwerking genereerde, zou zij [naam verdachte rechtspersoon] belonen door middel van doorbetaling van een gedeelte van die fees.

De woningcorporaties Portaal en De Woonplaats zijn dergelijke gezamenlijke cliënten geworden, waarvoor [naam onderneming] aan [naam verdachte rechtspersoon] een fee heeft (door)betaald. Aanvankelijk heeft [naam onderneming] 50% van de door haar van de banken ontvangen fees die betrekking hadden op transacties met De Woonplaats en Portaal doorbetaald aan [naam verdachte rechtspersoon] . Later is dit percentage gewijzigd naar 33 1/3 %.

Ter zake van haar aandeel in voormelde fees zond [naam verdachte rechtspersoon] steeds aan zowel [naam medeverdachte 2] c.q. [naam bedrijf 1] als aan [naam medeverdachte 3] c.q. [naam bedrijf 2] een (door [naam medeverdachte 1] opgemaakte) factuur onder de vermelding “bemiddeling financiering”. Op deze facturen werd aan elk van hen de helft van het aan [naam verdachte rechtspersoon] (door) te betalen aandeel in de desbetreffende fee in rekening gebracht.

Aldus zijn door [naam verdachte rechtspersoon] in de tenlastegelegde periode van 16 juni 2008 tot en met 25 oktober 2010 12 facturen gericht aan [naam bedrijf 1] en 12 facturen aan [naam bedrijf 2] Het totaal gefactureerde bedrag bedroeg voor zowel [naam bedrijf 1] als [naam bedrijf 2] € 478.581,33. Deze facturen zijn opgenomen in de administratie van [naam verdachte rechtspersoon] .

4.2

Bewijsoverwegingen

Standpunt openbaar ministerie

Aangevoerd is dat de 24 facturen vals zijn. De vermelding “bemiddeling financiering” op die facturen is onjuist omdat [naam verdachte rechtspersoon] , althans [naam medeverdachte 1] , helemaal niet heeft bemiddeld. Dat heeft [naam onderneming] gedaan. De facturen zijn opgemaakt om de ontvangen steekpenningen administratief af te dekken.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit.

Aangevoerd is dat de door [naam verdachte rechtspersoon] opgemaakte facturen verband houden met de afspraak die is gemaakt tussen haar en [naam onderneming] , namelijk het doorbetalen aan [naam verdachte rechtspersoon] van een deel van de fee die [naam onderneming] ontving voor bemiddeling tussen Portaal of De Woonplaats enerzijds en diverse banken anderzijds bij de totstandkoming van derivaatcontracten tussen hen.
De omschrijving “bemiddeling financiering” dekt daarom de lading.

Voorts is aangevoerd dat zowel [naam verdachte rechtspersoon] (in de persoon van [naam medeverdachte 1] ) als [naam medeverdachte 2] en
[naam medeverdachte 3] wisten waarop de facturen betrekking hadden, zodat er bij [naam verdachte rechtspersoon] geen sprake is geweest van een oogmerk om [naam onderneming] , als ontvanger van de facturen, te misleiden.

Beoordeling

De in de tenlastelegging bedoelde facturen zijn door [naam medeverdachte 1] , in zijn hoedanigheid van bestuurder tevens feitelijk leidinggever van [naam verdachte rechtspersoon] , voor en namens deze vennootschap opgesteld. Nu deze door [naam medeverdachte 1] verrichte handelingen hebben plaatsgevonden in de sfeer van (de rechtspersoon) [naam verdachte rechtspersoon] , kunnen deze aan [naam verdachte rechtspersoon] worden toegerekend.

Over de feitelijke gang van zaken bestaat in dezen geen discussie. Vast staat dat [naam verdachte rechtspersoon] [naam onderneming] heeft geïntroduceerd bij opdrachtgevers Portaal en De Woonplaats. [naam onderneming] heeft vervolgens bemiddeld tussen Portaal dan wel De Woonplaats enerzijds en diverse banken anderzijds bij de totstandkoming van diverse (derivaat)contracten tussen genoemde woningcorporaties en die banken. Dit betekent dat de omschrijving “bemiddeling financiering” die door [naam medeverdachte 1] op de facturen van [naam verdachte rechtspersoon] is vermeld, ziet op werkzaamheden die weliswaar zijn verricht, maar niet door haar, [naam verdachte rechtspersoon] . In zoverre stemt de omschrijving op de facturen dus niet overeen met de werkelijkheid en zijn die facturen vals.

De valse facturen zijn - door [naam medeverdachte 1] - opgenomen in de administratie van [naam verdachte rechtspersoon] , terwijl hij ( [naam medeverdachte 1] ) - en daarmee [naam verdachte rechtspersoon] - wist dat de accountant de jaarrekeningen en de aangiften vennootschapsbelasting op basis van die administratie opmaakte. Daarmee is het op grond van artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht vereiste oogmerk om de valse facturen als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken een gegeven.

Medeplegen

Van dit onderdeel zal vrijspraak volgen nu [naam medeverdachte 1] , met wie volgens het openbaar ministerie [naam verdachte rechtspersoon] dit feit in vereniging zou hebben gepleegd, van dit feit zal worden vrijgesproken.

Conclusie

Op grond van het voorgaande, in samenhang bezien met de wettige bewijsmiddelen die zijn opgenomen in bijlage II van dit vonnis, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat [naam verdachte rechtspersoon] zich schuldig heeft gemaakt aan het valselijk opmaken van totaal 24 facturen.

4.3

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat [naam verdachte rechtspersoon] het tenlastegelegde heeft begaan op die wijze dat:

Zij in de periode van 16 juni 2008 tot en met 25 oktober 2010 te Lelystad, in elk geval in Nederland,

twaalf (12) factur(en) van haar, verdachte, gericht aan [naam bedrijf 1] ten bedrage
van in totaal Euro 478.581,33 (te weten: D-014 en D-011 en D-009
en D-027 en D-023 en D-024 en D-025 en D-021 en D-019 en D-041 en D-036 en D-034)

en

twaalf (12) factur(en) van haar, verdachte, gericht aan [naam bedrijf 2] ten bedrage van in totaal Euro 478.581,33 (te weten: D-096 en D-095 en D-094 en D-098 en D-101
en D-100 en D-099 en D-102 en D-103 en D-105 en D-104 en D-106)

zijnde geschrift(en) die bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt immers heeft zij, verdachte, valselijk en in strijd met de waarheid -zakelijk weergegeven- op die factur(en) vermeld dat door haar, verdachte, werkzaamheden en/of diensten (te weten: "bemiddeling financiering") zijn verricht ten behoeve van [naam bedrijf 1] en/of [naam bedrijf 2] , terwijl in werkelijkheid die
werkzaamheden en/of diensten niet door haar, verdachte, zijn verricht ten behoeve van [naam bedrijf 1] en/of [naam bedrijf 2]

en (telkens)

op die factur(en) factuurbedrag(en) vermeld die in werkelijkheid geen betrekking hebben op die in die factur(en) vermelde werkzaamheden en/of diensten,

zulks (telkens) met het oogmerk om die geschrift(en) als echt en

onvervalst te gebruiken en door anderen te doen gebruiken.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. [naam verdachte rechtspersoon] moet daarvan worden vrijgesproken.

4.4

Strafbaarheid feiten

Het bewezenverklaarde levert op:

valsheid in geschrift, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. De feiten zijn dus strafbaar.

5 Strafbaarheid verdachte rechtspersoon

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van [naam verdachte rechtspersoon] uitsluit. [naam verdachte rechtspersoon] is dus strafbaar.

6 Motivering straf

Algemene overweging

De straf die aan [naam verdachte rechtspersoon] wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de draagkracht van [naam verdachte rechtspersoon] . Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Feiten waarop straf is gebaseerd

De medeverdachte [naam medeverdachte 1] , bestuurder tevens feitelijk leidinggever van [naam verdachte rechtspersoon] , heeft in zijn hoedanigheid van treasury-adviseur van twee woningcorporaties in een periode van twee jaar meerdere keren steekpenningen aangenomen van de medeverdachten [naam medeverdachte 2] en [naam medeverdachte 3] . Om de werkelijke aard van deze betalingen te verhullen, heeft hij valse facturen opgemaakt. Deze facturatie verliep via en op naam van zijn bedrijf, [naam verdachte rechtspersoon] . [naam verdachte rechtspersoon] heeft in totaal bijna een miljoen euro gefactureerd aan [naam medeverdachte 2] en [naam medeverdachte 3] , althans hun B.V.’s.

Aldus heeft [naam verdachte rechtspersoon] onder een schijn van legale bedrijfsvoering deelgenomen aan het financieel economisch verkeer. [naam verdachte rechtspersoon] heeft door zo te handelen misbruik gemaakt van het vertrouwen dat in het maatschappelijk verkeer moet kunnen worden gesteld in de juistheid van schriftelijke stukken met een bewijsbestemming, zoals facturen. De rechtbank neemt dit [naam verdachte rechtspersoon] kwalijk.

Straf

De rechtbank acht voor dit feit oplegging van een onvoorwaardelijke geldboete passend.

Voor het bepalen van de hoogte van de geldboete heeft de rechtbank in matigende zin rekening gehouden met de (door de verdediging gestelde) slechte financiële positie van [naam verdachte rechtspersoon] en het tijdverloop sinds het plegen van de bij dit vonnis bewezenverklaarde feiten.

Tevens is acht geslagen op het feit dat [naam verdachte rechtspersoon] volgens een op haar naam gesteld uittreksel uit de justitiële documentatie van 26 maart 2018 niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten.

De rechtbank constateert dat sprake is van een schending van de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Tussen het moment waarop [naam verdachte rechtspersoon] in redelijkheid kon verwachten dat zij zou worden vervolgd - 20 augustus 2014 (datum waarop de rechter-commissaris toestemming heeft gegeven voor een doorzoeking in de woning van haar (verdachtes) bestuurder [naam medeverdachte 1] ) - en het vonnis van de rechtbank, zijn bijna vier jaren verstreken. Daarom houdt de rechtbank rekening met een overschrijding van de redelijke termijn met bijna twee jaren.

Mede op grond van deze termijnoverschrijding zal de rechtbank de aan [naam verdachte rechtspersoon] op te leggen geldboete beperken tot na te noemen bedrag.

Slotsom

Alles afwegend acht de rechtbank het opleggen van een geldboete van € 50.000,- passend en geboden.

7 Vorderingen benadeelde partijen

Als benadeelde partijen hebben zich ter zake van het tenlastegelegde feit in het geding gevoegd de woningstichtingen Portaal en De Woonplaats.

De benadeelde partij [naam benadeelde 1] , [adres benadeelde 1] , [woonplaats benadeelde 1], vordert een vergoeding van € 494.830,- aan materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.

De benadeelde partij [naam benadeelde 2] , [adres benadeelde 2] , [woonplaats benadeelde 2], vordert een vergoeding van € 255.830,- aan materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.

Daarnaast is verzocht om [naam verdachte rechtspersoon] hoofdelijk aansprakelijk te stellen voor de betaling van het gehele bedrag en om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunt benadeelde partijen

Ter toelichting op hun vorderingen hebben de benadeelde partijen bij monde van hun advocaat het volgende aangevoerd.

De vordering van de benadeelde partijen heeft betrekking op de door [naam medeverdachte 2] en [naam medeverdachte 3] aan [naam verdachte rechtspersoon] betaalde steekpenningen. [naam medeverdachte 2] en [naam medeverdachte 3] hebben onrechtmatig jegens Portaal en De Woonplaats gehandeld door (ieder) de helft van de door hen - op transacties van Portaal en De Woonplaats - ontvangen provisies door te betalen aan [naam verdachte rechtspersoon] . De benadeelde partijen zijn hierdoor benadeeld. Immers, de door [naam medeverdachte 2] en [naam medeverdachte 3] aan [naam verdachte rechtspersoon] gedane betalingen hadden in plaats van aan [naam verdachte rechtspersoon] ook aan hen, Portaal en De Woonplaats, ten goede kunnen komen - in de vorm van lagere door de banken aan [naam medeverdachte 2] en [naam medeverdachte 3] uit te keren provisies, en daarmee samenhangend in lagere door die banken aan Portaal en De Woonplaats in rekening te brengen kosten.

Beoordeling

De beoordeling van de door de benadeelde partijen voorgelegde schadevordering is complex en levert een onevenredige belasting van het strafgeding op. De benadeelde partijen zullen daarom in hun vorderingen niet-ontvankelijk worden verklaard. De vorderingen kunnen bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Nu de benadeelde partijen in hun vorderingen niet-ontvankelijk zullen worden verklaard, zullen de benadeelde partijen worden veroordeeld in de kosten die [naam verdachte rechtspersoon] ter verdediging van de vorderingen heeft gemaakt, welke kosten tot op heden worden begroot op nihil.

8 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 23, 51, 57 en 225 van het Wetboek van Strafrecht.

9 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

10 Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen dat [naam verdachte rechtspersoon] de tenlastegelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan [naam verdachte rechtspersoon] meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt [naam verdachte rechtspersoon] daarvan vrij;

verklaart [naam verdachte rechtspersoon] strafbaar;

veroordeelt [naam verdachte rechtspersoon] tot een geldboete van € 50.000,- (vijftigduizend euro);

verklaart de benadeelde partijen:

  • -

    [naam benadeelde 1] , [adres benadeelde 1] , [woonplaats benadeelde 1] , en

  • -

    [naam benadeelde 2] , [adres benadeelde 2] , [woonplaats benadeelde 2] ,

niet-ontvankelijk in de vorderingen;

veroordeelt de benadeelde partijen in de kosten door [naam verdachte rechtspersoon] ter verdediging tegen de vorderingen gemaakt, en begroot deze kosten op nihil.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. M.C. Franken, voorzitter,

en mrs. J.J. van den Berg en B.A. Cnossen, rechters,

in tegenwoordigheid van mrs. K. Aagaard en J.A.N. Maat, griffiers,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 17 juli 2018.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte rechtspersoon wordt ten laste gelegd dat

(onderzoek EGELANTIER / gefisnummer [nummer] ):

Zij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 16 juni 2008 tot en met 25 oktober 2010 te Lelystad, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

twaalf (12), althans een of meer, factu(u)r(en) van haar, verdachte, en/of [naam medeverdachte 1] gericht aan [naam bedrijf 1] en/of [naam medeverdachte 2] ten bedrage van in totaal circa Euro 478.581,33 (te weten: D-014 en/of D-011 en/of D-009 en/of D-027 en/of D-023 en/of D-024 en/of D-025 en/of D-021 en/of D-019 en/of D-041 en/of D-0369 en/of D-034)

en/of

twaalf (12), althans een of meer, factu(u)r(en) van haar, verdachte, en/of [naam medeverdachte 1] gericht aan [naam bedrijf 2] (vanaf 4 juli 2013 genaamd [naam bedrijf 3] ) en/of [naam medeverdachte 3] ten bedrage van in totaal circa Euro 478.581,33 (te weten: D-096 en/of D-095 en/of D-094 en/of D-098 en/of D-101 en/of D-100 en/of D-099 en/of D-102 en/of D-103 en/of D-105 en/of D-104 en/of D-106)

zijnde (telkens) (een) geschrift(en) dat/die bestemd was/waren om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt en/of doen opmaken en/of laten opmaken en/of vervalst en/of doen vervalsen en/of laten vervalsen, immers heeft/hebben zij, verdachte, en/of haar mededader(s) valselijk en/of in strijd met de waarheid -zakelijk weergegeven-

op/in die factu(u)r(en) vermeld dat door haar, verdachte, en/of [naam medeverdachte 1] werkzaamheden en/of diensten (te weten: "bemiddeling financiering") zijn verricht ten behoeve van/voor [naam bedrijf 1] en/of [naam medeverdachte 2] en/of [naam bedrijf 2] en/of [naam medeverdachte 3] , terwijl in werkelijkheid die werkzaamheden en/of diensten niet, althans niet geheel, door haar, verdachte, en/of [naam medeverdachte 1] zijn verricht ten behoeve van/voor [naam bedrijf 1] en/of [naam medeverdachte 2] en/of [naam bedrijf 2] en/of [naam medeverdachte 3]

en/of (telkens)

op/in die factu(u)r(en) (een) factuurbedrag(en) vermeld dat/die in werkelijkheid geen, althans niet volledig, betrekking heeft op die in die factu(u)r(en) vermelde(n) werkzaamheden en/of diensten,

zulks (telkens) met het oogmerk om dat/die geschrift(en) als echt en onvervalst te gebruiken en/of door anderen te doen gebruiken;

Artikel 225 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Artikel 47 Wetboek van Strafrecht

Artikel 51 Wetboek van Strafrecht

art 225 lid 1 Wetboek van Strafrecht