Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:6084

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
17-07-2018
Datum publicatie
25-07-2018
Zaaknummer
10/997003-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De verdachte, werkzaam als extern financieel adviseur voor de woningcorporaties Portaal en De Woonplaats, heeft jarenlang steekpenningen aangenomen. Uitleg begrip lasthebber.

Vrijspraak valsheid in geschrift omdat het bedrijf van de verdachte als dader moet worden aangemerkt. Vrijspraak valselijk opmaken brief wegens ontbreken bewijsbestemming.

De verdachte wordt veroordeeld voor (passieve) niet-ambtelijke omkoping tot een taakstraf voor de duur van 240 uren en een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden voorwaardelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 1

Parketnummer: 10/997003-14

Datum uitspraak: 17 juli 2018

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte]

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres: [adres verdachte] , [woonplaats verdachte] ,

raadsman mr. J.W. Soeteman, advocaat te Amsterdam.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzittingen van achtereenvolgens 6 juni 2016, 24 en 29 mei 2018, 5, 6 en 11 juni 2018 en 3 juli 2018.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte (hierna: [naam verdachte] ) is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officieren van justitie

De officieren van justitie mrs. M.J. Dontje en A. Rogaar hebben gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde;

  • -

    veroordeling van [naam verdachte] tot een gevangenisstraf voor de duur van 17 maanden met aftrek van voorarrest.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Inleiding

De volgende feiten en omstandigheden kunnen op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen als vaststaand worden aangemerkt. Deze feiten hebben op de terechtzitting niet ter discussie gestaan en kunnen zonder nadere motivering dienen als vertrekpunt voor de beoordeling van de bewijsvraag.

Tot 1 september 2007 is [naam verdachte] in dienst van [naam accountantkantoor] werkzaam geweest als treasury-adviseur. Daarna is hij samen met een compagnon een eigen onderneming, [naam medeverdachte rechtspersoon] . (hierna: [naam medeverdachte rechtspersoon] ), begonnen.

[naam medeverdachte rechtspersoon] adviseerde cliënten op het gebied van risicomanagement en treasury-management in de meest brede zin van het woord. Opdrachtgevers van [naam medeverdachte rechtspersoon] bestonden uit zorginstellingen en uit woningcorporaties, waarbij [naam medeverdachte rechtspersoon] , in de persoon van [naam verdachte] , werd ingezet als lid van de treasury-commissie. Eind 2007 heeft [naam medeverdachte rechtspersoon] met twee woningcorporaties, De Woonplaats en Portaal, een overeenkomst van opdracht gesloten.

Op grond van deze overeenkomsten verleende [naam verdachte] als deskundig extern treasury-adviseur advies over het door de corporaties te voeren treasury-beleid. Beslissingsbevoegdheid had hij niet, die verantwoordelijkheid rustte bij het bestuur of de treasury-commissie.

Omstreeks 2007 is [naam medeverdachte rechtspersoon] een samenwerking aangegaan met de medeverdachten [naam medeverdachte 1] en [naam medeverdachte 2] , althans hun beider B.V.’s ( [naam bedrijf 1] respectievelijk [naam bedrijf 2] ), onder de gezamenlijke handelsnaam [naam onderneming] (hierna: [naam onderneming] ). Partijen kwamen overeen dat [naam medeverdachte rechtspersoon] [naam onderneming] zou promoten als makelaar in financiële producten zoals onder andere derivaten, terwijl [naam onderneming] harerzijds [naam medeverdachte rechtspersoon] als financieel adviseur zou promoten.

Voor de omzet (‘fees’) die [naam onderneming] dankzij deze samenwerking genereerde, zou zij [naam medeverdachte rechtspersoon] belonen door middel van doorbetaling van een gedeelte van die fees.

De woningcorporaties Portaal en De Woonplaats zijn dergelijke gezamenlijke cliënten geworden, waarvoor [naam onderneming] aan [naam medeverdachte rechtspersoon] een fee heeft (door)betaald. Aanvankelijk heeft [naam onderneming] 50% van de door haar van de banken ontvangen fees die betrekking hadden op transacties met De Woonplaats en Portaal doorbetaald aan [naam medeverdachte rechtspersoon] . Later is dit percentage gewijzigd naar 33 1/3 %.

Ter zake van haar aandeel in voormelde fees zond [naam medeverdachte rechtspersoon] steeds aan zowel [naam medeverdachte 1] c.q. [naam bedrijf 1] als aan [naam medeverdachte 2] c.q. [naam bedrijf 2] een factuur onder de vermelding “bemiddeling financiering”. Op deze facturen werd aan elk van hen de helft van het aan [naam medeverdachte rechtspersoon] (door) te betalen aandeel in de desbetreffende fee in rekening gebracht.

Aldus is door [naam onderneming] c.q. (de B.V.’s van) [naam medeverdachte 1] en [naam medeverdachte 2] in de tenlastegelegde perioden aan [naam medeverdachte rechtspersoon] ter zake van fees gerelateerd aan Portaal een bedrag betaald van totaal
€ 494.830,- en ter zake van fees gerelateerd aan De Woonplaats een bedrag van totaal
€ 255.830,-.

Geen van beide woningcorporaties is door [naam verdachte] geïnformeerd over deze door hem via [naam medeverdachte rechtspersoon] van [naam onderneming] ontvangen fees.

De Woonplaats heeft, naar aanleiding van de betrokkenheid van [naam onderneming] bij de Vestia-affaire, [naam verdachte] gevraagd naar de relatie tussen [naam medeverdachte rechtspersoon] en [naam onderneming] . [naam verdachte] heeft hierop namens [naam medeverdachte rechtspersoon] bij brief van 5 juni 2012 geantwoord dat door [naam medeverdachte rechtspersoon] geen vergoeding was ontvangen van [naam onderneming] die direct te relateren was aan door De Woonplaats gesloten derivaatovereenkomsten en/of geldleningen.

4.2

Bewijsoverwegingen ten aanzien van feit 1

[naam verdachte] wordt kort gezegd verweten dat hij zich, in de periode van 26 juni 2008 tot en met 30 november 2012, schuldig heeft gemaakt aan passieve niet ambtelijke omkoping.

Standpunt verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit. Daartoe is primair aangevoerd dat voor de uitleg van de termen lastgever en lasthebber in artikel 328ter Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) moet worden aangesloten bij de betekenis die daaraan wordt gegeven in het civiele recht.

Het begrip lastgeving is gedefinieerd in artikel 7:414 Burgerlijk Wetboek. Gelet op die definitie kan [naam verdachte] niet worden aangemerkt als lasthebber en valt hij daarmee ook niet onder de strafbaarstelling van artikel 328ter Sr. [naam verdachte] was nergens toe bevoegd, hij adviseerde. Hij ging geen overeenkomsten aan, verrichtte geen rechtshandelingen en al helemaal niet vanuit een verplichting.

Subsidiair, voor het geval [naam verdachte] naar het oordeel van de rechtbank wel is aan te merken als lasthebber in de zin van artikel 328ter Sr, is betoogd dat uit het dossier niet blijkt welke door hem jegens zijn lastgevers verzwegen handeling(en) [naam verdachte] bij de uitvoering van zijn last zou hebben gedaan of nagelaten. Hij heeft slechts [naam onderneming] bij beide woningcorporaties geïntroduceerd, en hen van advies gediend. Hij is niet betrokken geweest bij door bemiddeling van [naam onderneming] tot stand gekomen concrete transacties tussen de beide woningcorporaties en de banken.

Meer subsidiair is vrijspraak bepleit omdat niet kan worden bewezen dat [naam verdachte] in privé giften heeft aangenomen. [naam medeverdachte rechtspersoon] , niet [naam verdachte] , was degene die gelden heeft ontvangen en die facturen verzond. [naam onderneming] heeft deze facturen betaald op de bankrekening van [naam medeverdachte rechtspersoon] .

Meest subsidiair is aangevoerd dat [naam verdachte] [naam medeverdachte 1] en [naam medeverdachte 2] niet heeft gevraagd om de door hen aan [naam medeverdachte rechtspersoon] gedane feebetalingen tegenover Portaal en De Woonplaats te verzwijgen. Evenmin hebben [naam medeverdachte 1] en [naam medeverdachte 2] [naam verdachte] verzocht om die betalingen jegens genoemde woningcorporaties te verzwijgen. [naam verdachte] zelf vond, zoals hij heeft verklaard, deze feebetalingen in zijn relatie tot Portaal en De Woonplaats niet relevant. Hij heeft er dus wel over nagedacht, maar niet zodanig getwijfeld dat hij (uiteindelijk) aanleiding zag om deze feebetalingen aan genoemde woningcorporaties te melden. Voor [naam verdachte] was het helder dat er geen relatie was tussen de inhoud van zijn werk en de inkomsten van [naam medeverdachte rechtspersoon] , aldus de verdediging.

Beoordeling

Artikel 328ter Sr ziet op het actief en passief omkopen van personen werkzaam in de private sector, waarbij de strafbaarheid van deze gedraging afhankelijk is gesteld van:

  1. bij passieve omkoping: het in strijd met de goede trouw door de ontvanger verzwijgen van de hem geboden voordelen tegenover zijn werkgever of lastgever;

  2. ij actieve omkoping: de aanname van de aanbieder dat zijn gift of belofte door de ontvanger tegenover zijn werkgever of lastgever zal worden verzwegen.

Het eerste lid van artikel 328ter Sr heeft betrekking op passieve omkoping en luidde ten tijde van de tenlastegelegde periode - voor zover van belang - als volgt:

“Hij die, anders dan als ambtenaar, werkzaam zijnde in dienstbetrekking of optredend als lasthebber, naar aanleiding van hetgeen hij in zijn betrekking of bij de uitvoering van zijn last heeft gedaan of nagelaten dan wel zal doen of nalaten, een gift (…) aanneemt (...) en dit aannemen (…) in strijd met de goede trouw verzwijgt tegenover zijn werkgever of lastgever, wordt gestraft met (…).”

De bestanddelen zullen achtereenvolgens en in volgorde van de met betrekking tot die bestanddelen gevoerde verweren worden besproken.

Daderschap (hij die…)

Ofschoon als meer subsidiair verweer door de verdediging aan de orde gesteld, zal de rechtbank allereerst de vraag bespreken, wie in deze zaak - [naam verdachte] of [naam medeverdachte rechtspersoon] - als dader van het onder 1 tenlastegelegde feit moet worden aangemerkt. In dit verband overweegt de rechtbank als volgt.

Ten tijde van de tenlastegelegde gedragingen (passieve niet-ambtelijke omkoping) was [naam verdachte] (mede)aandeelhouder en (middellijk) bestuurder van [naam medeverdachte rechtspersoon] . In laatstgenoemde hoedanigheid had [naam verdachte] grote, zo niet bepalende invloed op de feitelijke gang van zaken binnen [naam medeverdachte rechtspersoon] en kon hij beschikken over de bankrekening(en) van deze vennootschap. Het is [naam verdachte] geweest die bovenvermelde afspraken met [naam medeverdachte 1] en [naam medeverdachte 2] heeft gemaakt over het door laatstgenoemden (gedeeltelijk) doorbetalen aan [naam medeverdachte rechtspersoon] van fees ter zake van door hun bemiddeling tussen Portaal en De Woonplaats gesloten geldlenings-overeenkomsten en derivaatcontracten. Afspraken waarbij [naam verdachte] , die immers kon beschikken over de bankrekening(en) van [naam medeverdachte rechtspersoon] , een duidelijk eigen belang had.

Omkopen en/of (zoals in dit geval) omgekocht worden, valt niet binnen de doelomschrijving van [naam medeverdachte rechtspersoon] en behoort evenmin tot haar normale bedrijfsactiviteiten. Het was niet [naam medeverdachte rechtspersoon] , maar veeleer [naam verdachte] die belang had bij de tenlastegelegde passieve omkoping en die daarbij [naam medeverdachte rechtspersoon] slechts als instrument heeft gebruikt. Nu ook overigens niet is gebleken van feiten of omstandigheden die nopen tot het oordeel dat deze omkoping in redelijkheid aan [naam medeverdachte rechtspersoon] dient te worden toegerekend, heeft niet [naam medeverdachte rechtspersoon] , maar [naam verdachte] als dader van het onder 1 tenlastegelegde feit te gelden.

Optredend als lasthebber

Anders dan door de verdediging is bepleit, dient voor de uitleg van het begrip lasthebber in artikel 328ter Sr geen aansluiting moet worden gezocht bij de definitie van het begrip lastgeving in het civiele recht. Aan begrippen die in het strafrecht voorkomen, dient zoveel mogelijk een autonome betekenis te worden toegekend die tegemoet komt aan de strekking van de desbetreffende strafrechtelijke regeling.1 Bij de interpretatie van het begrip lasthebber is dan ook het achterliggend beschermd belang van doorslaggevende betekenis. Het gaat er om de zuiverheid van de betrekking tussen werkgever of lastgever en werknemer of lastnemer te beschermen en de publieke moraal.

Hoewel na de wetswijziging in 2015 het beschermd belang van artikel 328ter Sr is verruimd en aldus ook een ruimere betekenis toekomt aan het begrip lasthebber, werd ook reeds vóór die wijziging aan het begrip lasthebber reeds een ruime betekenis toegekend. In de literatuur2 wordt bijvoorbeeld gesteld dat de begrippen werkgever en lastgever dienen te worden geïnterpreteerd als “degene tegenover wie iemand in de private sector verantwoording schuldig is voor zijn werkzaamheden”.

In het licht van deze uitleg kan [naam verdachte] , die op grond van overeenkomsten van opdracht namens [naam medeverdachte rechtspersoon] advieswerkzaamheden verrichtte voor beide woningcorporaties, ook ten tijde van het hem tenlastegelegde, worden aangemerkt als lasthebber.

Het door de verdediging ten aanzien van dit bestanddeel gevoerde verweer wordt daarom verworpen.

Naar aanleiding van hetgeen hij bij de uitvoering van zijn last heeft gedaan of nagelaten dan wel zal doen of nalaten

Als adviseur en lid van de treasury-commissie van De Woonplaats en Portaal ontwikkelde [naam verdachte] onder meer beleid, stelde hij verbeterplannen op en gaf hij advies over treasury gerelateerde onderwerpen en advies rond transactievoorstellen. Ook bood hij ondersteuning bij de uitvoering van genomen besluiten over deze onderwerpen. Het door [naam verdachte] aan zijn opdrachtgevers gegeven advies om in het contact met de banken bij het aangaan van transacties gebruik te maken van [naam onderneming] , past binnen dit kader en valt dan ook binnen de aan [naam medeverdachte rechtspersoon] verstrekte last, waarvan de feitelijke uitvoering door [naam verdachte] werd gedaan.

[naam verdachte] had aldus invloed op de totstandkoming en ook op het behoud van de relatie tussen [naam onderneming] en beide woningcorporaties. Hij heeft in dat verband via [naam medeverdachte rechtspersoon] de in de tenlastelegging genoemde geldbedragen van [naam onderneming] aangenomen. De omstandigheid dat [naam verdachte] ten aanzien van de door De Woonplaats en Portaal met banken te sluiten transacties niet beslissingsbevoegd was, doet aan het voorgaande niet af.

Het door de verdediging ten aanzien van dit bestanddeel gevoerde verweer wordt verworpen.

Gift(en) aannemen

De term gift ziet op elk overdragen aan een ander van iets wat voor die ander waarde heeft.

Daarvan is in het onderhavige geval sprake in de vorm van geldbedragen van in totaal

€ 464.830,- ter zake van Portaal en € 233.330,- ter zake van De Woonplaats, die door [naam medeverdachte 1] en [naam medeverdachte 2] (ieder voor de helft) aan [naam medeverdachte rechtspersoon] zijn (door)betaald.

Gelet op hetgeen hierboven over het daderschap van [naam verdachte] is overwogen, kan hij worden aangemerkt als degene die de tenlastegelegde giften heeft ontvangen. Dit betekent dat het door de verdediging ten aanzien van dit bestanddeel gevoerde verweer wordt verworpen.

Verzwijgen in strijd met de goede trouw

De strafbaarheid van passieve omkoping is afhankelijk gesteld van het in strijd met de goede trouw door de ontvanger verzwijgen van de hem geboden voordelen tegenover zijn lastgever. De wetgever verwoordde het destijds in de Memorie van Antwoord3 aldus:

“(…) dat de vraag of het verzwijgen in strijd was met de goede trouw, naar algemene maatstaven zal dienen te worden beoordeeld. Het criterium van de goede trouw is, anders gezegd, objectief. (…) Van essentieel belang is, of de ondergeschikte heeft gezwegen waar hij naar objectieve maatstaf tot spreken verplicht was geweest. Niet zijn goede trouw, maar de goede trouw is doorslaggevend. Deze strenge eis noodzaakt de ondergeschikte om, in geval van twijfel aan de toelaatbaarheid van de gift of belofte, zijn principaal te raadplegen.”.

[naam verdachte] heeft de door [naam medeverdachte rechtspersoon] van [naam onderneming] ontvangen geldbedragen verzwegen voor zijn opdrachtgevers Portaal en De Woonplaats. Daarmee heeft hij in ieder geval gehandeld in strijd met de integriteitscodes die door deze woningcorporaties werden gehanteerd. Voor zover deze niet voor hem zouden gelden omdat hij niet bij deze woningcorporaties in dienst was, heeft voor [naam verdachte] te gelden dat het voor hem als onafhankelijk adviseur evident moet zijn geweest dat hij het financieel belang van [naam medeverdachte rechtspersoon] bij het sluiten van transacties met tussenkomst van [naam onderneming] , met het oog op mogelijke belangenverstrengeling, diende te melden bij zijn opdrachtgevers. Immers, de onafhankelijkheid van [naam verdachte] als adviseur was door die betalingen in het geding, te meer nu het succes van [naam medeverdachte rechtspersoon] hoofdzakelijk werd bepaald door de omvang van de betalingen die van [naam onderneming] werden ontvangen.

De beoordeling of de betalingen van [naam onderneming] aan [naam medeverdachte rechtspersoon] in de visie van de beide woningcorporaties als opdrachtgever geoorloofd waren, was niet aan [naam verdachte] maar aan zijn opdrachtgevers. Overigens heeft hij toen daarnaar door De Woonplaats werd gevraagd, in zijn brief van 5 juni 2012 ontkend dat hij geldbedragen van [naam onderneming] heeft ontvangen die direct te relateren waren aan door De Woonplaats gesloten derivaatcontracten en/of leningen.

[naam verdachte] heeft de door hem van [naam onderneming] ontvangen geldbedragen in strijd met de goede trouw tegenover de woningcorporaties verzwegen, terwijl hij naar objectieve maatstaven tot spreken verplicht was.

Conclusie

Door het in strijd met de goede trouw voor Portaal en De Woonplaats verzwijgen van de van [naam onderneming] ontvangen geldbedragen, heeft [naam verdachte] het vertrouwen dat zijn opdrachtgevers in hem, als onafhankelijk adviseur moesten kunnen stellen geschonden en aldus heeft hij beide woningcorporaties bedrogen. Dit bedrog kan als ‘passieve niet ambtelijke omkoping’ wettig en overtuigend worden bewezen, aangezien aan alle bestanddelen van artikel 328ter Sr is voldaan.

4.2

Vrijspraak ten aanzien van feit 2

Standpunt openbaar ministerie

Aangevoerd is dat de 24 facturen van [naam medeverdachte rechtspersoon] , die door [naam verdachte] zijn opgemaakt, vals zijn. De vermelding “bemiddeling financiering” op die facturen is onjuist, omdat [naam medeverdachte rechtspersoon] , althans [naam verdachte] , helemaal niet heeft bemiddeld. Dat heeft [naam onderneming] gedaan.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit.

Beoordeling

De rechtbank stelt vast dat [naam verdachte] wordt verweten dat hij samen met [naam medeverdachte rechtspersoon] valse facturen heeft opgemaakt. Valsheid in geschrift ten aanzien van diezelfde facturen staat ook op de tenlastelegging van [naam medeverdachte rechtspersoon] , die afzonderlijk is gedagvaard.

De rechtspersoon [naam medeverdachte rechtspersoon] kan slechts door middel van natuurlijke personen handelen. In dit geval zijn alle uitvoeringshandelingen door [naam verdachte] zelf verricht, terwijl de rechtspersoon [naam medeverdachte rechtspersoon] feitelijk met [naam verdachte] kan worden vereenzelvigd. Binnen die rechtspersoon was [naam verdachte] immers de enige natuurlijke persoon die daarin werkzaam was (behoudens formeel zijn compagnon die zijn werkzaamheden verrichtte in zijn eigen B.V.). Reeds om die reden kan geen sprake zijn van medeplegen van dit feit door [naam verdachte] en [naam medeverdachte rechtspersoon] , aangezien dit ertoe zou leiden dat [naam verdachte] de feiten heeft medegepleegd met zichzelf.

De vraag die dan rijst is wie van beiden, [naam verdachte] of [naam medeverdachte rechtspersoon] , als dader moet worden aangemerkt van voormeld strafbaar feit.

Daarbij is van belang dat de facturen zijn gesteld op naam van de rechtspersoon, de betalingen op die facturen zijn ontvangen op de bankrekening van de rechtspersoon en die facturen voorhanden en verwerkt waren in de administratie van die rechtspersoon.

De rechtbank concludeert hieruit dat al deze gedragingen liggen in de sfeer van de rechtspersoon. Een conclusie die steun vindt in de omstandigheid dat [naam medeverdachte rechtspersoon] afzonderlijk voor het opmaken van deze facturen wordt vervolgd. Zij zal daarom [naam medeverdachte rechtspersoon] als dader aanmerken van deze feiten en [naam verdachte] vrijspreken.

Om [naam verdachte] in deze situatie strafrechtelijk aansprakelijk te kunnen stellen voor deze gedragingen die liggen in de sfeer van de rechtspersoon, had het op de weg van het openbaar ministerie gelegen om [naam verdachte] aan te merken als degene die daaraan feitelijke leiding heeft gegeven.

Conclusie

[naam verdachte] zal worden vrijgesproken van het hem onder feit 2 tenlastegelegde.

4.3

Vrijspraak ten aanzien van feit 3

Ten aanzien van voornoemde brief van 5 juni 2012 wordt [naam verdachte] verweten dat hij valsheid in geschrift heeft gepleegd, al dan niet in vereniging.

Standpunt openbaar ministerie

[naam verdachte] heeft zich samen met [naam medeverdachte rechtspersoon] schuldig gemaakt aan valsheid in geschrift, door in een brief van 5 juni 2012 aan De Woonplaats een onjuiste mededeling te doen. De mededeling in die brief dat door [naam medeverdachte rechtspersoon] geen vergoeding is ontvangen die direct te relateren is aan doro De Woonplaats afgesloten derivaten en/of leningen, is pertinent onjuist.

Beoordeling

Doorslaggevende betekenis komt in deze zaak toe aan het antwoord op de vraag of de brief van 5 juni 2012 kan worden aangemerkt als een geschrift dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen.

Bij de vraag naar de bewijsbestemming gaat het om de aard van het geschrift en de functie die het geschrift in het maatschappelijk verkeer pleegt te vervullen, in samenhang bezien met zijn inhoud. In dit geval is sprake van een brief, geschreven naar aanleiding van een verzoek om informatie door De Woonplaats. Een brief heeft naar zijn aard op zichzelf, anders dan bijvoorbeeld een diploma, rijbewijs, werkgeversverklaring of factuur, niet zonder meer een bewijsbestemming. Ook het feit dat in die brief, om de waarheid te verhullen, een onjuiste mededeling is opgenomen ten aanzien van de door [naam onderneming] aan [naam medeverdachte rechtspersoon] betaalde vergoeding maakt dit niet anders. Over de functie van de brief, behoudens dat zij het antwoord was op een vraag van De Woonplaats, biedt het dossier en het behandelde ter terechtzitting geen verdere aanknopingspunten en is niets bekend. Hieruit volgt dat niet kan worden vastgesteld dat de onderhavige brief een bewijsbestemming had.

Conclusie

Het onder 3 tenlastegelegde is niet wettig en overtuigend bewezen, zodat [naam verdachte] daarvan zal worden vrijgesproken.

5 Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat [naam verdachte] het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan op die wijze dat:

1.

Hij omstreeks de periode van 26 juni 2008 tot en met 30 november 2012 te Lelystad en/of Utrecht, in elk geval in Nederland, (telkens) anders dan als ambtenaar, te weten als lasthebber van woningcorporatie Portaal (als lid van de Treasury Commissie van Portaal in de functie van extern adviseur), naar aanleiding van hetgeen hij, verdachte, bij

de uitvoering van zijn last heeft gedaan of nagelaten dan wel zal doen of

nalaten gift(en), te weten de betaling van een totaalbedrag van Euro 494.830,-, van [naam medeverdachte 1] (via [naam bedrijf 1] , handelend onder de naam [naam onderneming] (ten bedrage van Euro 247.415,-) en [naam medeverdachte 2] (via [naam bedrijf 2]

(ten bedrage van Euro 247.415,-)) heeft aangenomen en dit aannemen in

in strijd met de goede trouw (telkens) heeft verzwegen tegenover zijn lastgever

en

Hij omstreeks de periode van 26 juni 2008 tot en met 31 juli 2014 te Lelystad en/of Enschede, in elk geval in Nederland, (telkens) anders dan als ambtenaar, te weten als lasthebber van woningcorporatie De Woonplaats (als lid van de Treasury Commissie van De Woonplaats in de functie van extern adviseur), naar

aanleiding van hetgeen hij, verdachte, bij de uitvoering van zijn last heeft

gedaan of nagelaten dan wel zal doen of nalaten gift(en), te weten

de betaling van een totaalbedrag van Euro 255.830,-, , van [naam medeverdachte 1] (via [naam bedrijf 1]

, handelend onder de naam [naam onderneming] (ten bedrage van Euro

127.915,-) en [naam medeverdachte 2] (via [naam bedrijf 2] (ten bedrage van Euro 127.915,-)) heeft

aangenomen en dit aannemen in strijd met de goeder trouw (telkens) heeft

verzwegen tegenover zijn lastgever.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. [naam verdachte] moet ook daarvan worden vrijgesproken.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. [naam verdachte] is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

6 Strafbaarheid feiten

Het bewezenverklaarde levert op:

1.

anders dan als ambtenaar, optredend als lasthebber, naar aanleiding van hetgeen hij bij de uitvoering van zijn last heeft gedaan en/of nagelaten dan wel zal doen of nalaten, een gift aannemen en dit aannemen in strijd met de goede trouw verzwijgen tegenover zijn lastgever, meermalen gepleegd;

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. De feiten zijn dus strafbaar.

7 Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van [naam verdachte] uitsluit. [naam verdachte] is dus strafbaar.

8 Motivering straffen

Algemene overweging

De straffen die aan [naam verdachte] worden opgelegd, zijn gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van [naam verdachte] . Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Feiten waarop de straffen zijn gebaseerd

[naam verdachte] heeft jarenlang het vertrouwen dat door de woningcorporaties Portaal en

De Woonplaats in hem werd gesteld, als onafhankelijk extern adviseur en deskundige bij die woningcorporaties, geschaad. Hij introduceerde [naam onderneming] bij beide woningcorporaties, maar verzweeg de steekpenningen die hij van [naam onderneming] ontving voor transacties die met tussenkomst van [naam onderneming] werden gesloten tussen de respectievelijke corporaties en diverse banken. De door [naam verdachte] gegeven adviezen waren gelet op deze belangenverstrengeling niet meer onafhankelijk terwijl zijn opdrachtgevers daarop wel vertrouwden. Zelfs toen hem in 2012 door De Woonplaats expliciet werd gevraagd naar de relatie tussen hem en [naam onderneming] , antwoordde hij per brief met een leugen.

Al met al heeft hij in ruim zes jaar tijd een bedrag van ruim € 750.000,- aan steekpenningen van [naam onderneming] ontvangen. Een bedrag dat vele malen hoger was dan de vergoeding die hij in dezelfde periode voor zijn advieswerkzaamheden van de woningcorporaties ontving.

[naam verdachte] heeft met zijn handelen niet alleen het vertrouwen van beide woningcorporaties geschonden, maar ook schade toegebracht aan het vertrouwen dat door de maatschappij in het algemeen gesteld moet kunnen worden in een onafhankelijk extern adviseur.

Straffen

Gezien de ernst van de feiten is, mede vanuit het oogpunt van algemene preventie en vergelding in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend. Om na te noemen redenen zal in deze zaak echter worden volstaan met het opleggen van een taakstraf en een voorwaardelijke gevangenisstraf.

Deze op te leggen straffen dienen te worden bezien tegen de achtergrond dat de strafbedreiging op omkoping tot 1 april 2010 maximaal een jaar gevangenisstraf bedroeg. Met ingang van 1 april 2010 is de maximum straf verhoogd naar twee jaar gevangenisstraf en sinds 1 januari 2015 bedraagt de strafbedreiging op omkoping vier jaar gevangenisstraf. De verhoging van de strafbedreiging is mede ingegeven doordat de wetgever de afgelopen jaren meer gewicht is gaan toekennen aan integer handelen en de noodzaak in de pas te blijven lopen met internationale regelgeving op het gebied van anti-corruptie. De rechtbank zal rekening houden met dit, in de loop der tijd gewijzigd inzicht van de wetgever over de strafwaardigheid van dit feit, en aansluiting zoeken bij de wijze waarop de wetgever blijkens de in de te onderscheiden tijdvakken van de bewezenverklaarde pleegperiode geldende strafmaxima aankeek tegen passieve omkoping.

Met de bestaande media-aandacht voor deze zaak, waarbij [naam verdachte] met naam en toenaam in de krant wordt genoemd, zal de rechtbank in licht matigende zin rekening houden. Die aandacht vloeit voor een belangrijk deel voort uit het feit dat het onderzoek in deze strafzaak is gekoppeld aan het onderzoek Klaproos waarvan de Vestia affaire de aanleiding vormde. Vermoedelijk was deze aandacht er niet geweest indien de zaken uit beide onderzoeken afzonderlijk waren aangebracht.

Ook heeft de rechtbank acht geslagen op de omstandigheid dat [naam verdachte] een blanco strafblad heeft.

Redelijke termijn

De rechtbank constateert dat sprake is van een schending van de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Tussen het moment waarop [naam verdachte] in redelijkheid kon verwachten dat hij zou worden vervolgd - 20 augustus 2014 (datum waarop de rechter-commissaris toestemming heeft gegeven voor een doorzoeking in zijn woning) - en het vonnis van de rechtbank, zijn bijna vier jaren verstreken. Daarom houdt de rechtbank rekening met een overschrijding van de redelijke termijn met bijna twee jaren.

Slotsom

Gelet op alle hiervoor genoemde omstandigheden, acht de rechtbank een taakstraf van 240 uren passend en geboden. Daarnaast zal de rechtbank aan [naam verdachte] een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden opleggen. Deze voorwaardelijke gevangenisstraf heeft mede ten doel om hem ervan te weerhouden zich in de toekomst wederom aan strafbare feiten schuldig te maken.

9 Vorderingen benadeelde partijen

Als benadeelde partijen hebben zich in het geding gevoegd de woningstichtingen Portaal en De Woonplaats ter zake van het onder 1 tenlastegelegde feit.

De benadeelde partij [naam benadeelde 1] , [adres benadeelde 1] , [woonplaats benadeelde 1], vordert een vergoeding van € 494.830,- aan materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.

De benadeelde partij [naam benadeelde 2] , [adres benadeelde 2] , [woonplaats benadeelde 2], vordert een vergoeding van € 255.830,- aan materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.

Daarnaast is verzocht om [naam verdachte] hoofdelijk te veroordelen tot betaling van de gehele gevorderde bedragen en om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunt benadeelde partijen

Ter toelichting op hun vorderingen hebben de benadeelde partijen bij monde van hun advocaat het volgende aangevoerd.

De vordering van de benadeelde partijen heeft betrekking op de door [naam medeverdachte 1] en [naam medeverdachte 2] aan [naam verdachte] betaalde steekpenningen. [naam medeverdachte 1] en [naam medeverdachte 2] hebben onrechtmatig jegens Portaal en De Woonplaats gehandeld door (ieder) de helft van de door hen - op transacties van Portaal en De Woonplaats - ontvangen provisies door te betalen aan [naam verdachte] .

De benadeelde partijen zijn hierdoor benadeeld. De door [naam medeverdachte 1] en [naam medeverdachte 2] aan [naam verdachte] gedane betalingen hadden ook aan Portaal en De Woonplaats ten goede kunnen komen in de vorm van lagere door de banken aan [naam medeverdachte 1] en [naam medeverdachte 2] uit te keren provisies, en daarmee samenhangend in lagere door die banken aan Portaal en De Woonplaats in rekening te brengen kosten.

Beoordeling

De beoordeling van de door de benadeelde partijen voorgelegde schadevordering is complex en levert een onevenredige belasting van het strafgeding op. De benadeelde partijen zullen daarom in hun vorderingen niet-ontvankelijk worden verklaard. De vorderingen kunnen bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Nu de benadeelde partijen in hun vorderingen niet-ontvankelijk zullen worden verklaard, zullen de benadeelde partijen worden veroordeeld in de kosten die [naam verdachte] ter verdediging van de vorderingen heeft gemaakt, welke kosten tot op heden worden begroot op nihil.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 57 en 328ter van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze bepalingen golden ten tijde van het bewezenverklaarde feit.

11 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

12 Beslissing

De rechtbank:

verklaart niet bewezen dat [naam verdachte] de onder 2 en 3 tenlastegelegde feiten heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart bewezen dat [naam verdachte] de onder 1 tenlastegelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan [naam verdachte] meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem ook daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart [naam verdachte] strafbaar;

veroordeelt [naam verdachte] tot een taakstraf voor de duur van 240 (tweehonderdveertig) uren, waarbij de Reclassering Nederland dient te bepalen uit welke werkzaamheden de taakstraf dient te bestaan;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering wordt gebracht volgens de maatstaf van twee uren per dag, zodat na deze aftrek 234 (tweehonderdvierendertig) uren te verrichten taakstraf resteert;

beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 117 (honderdzeventien) dagen;

veroordeelt [naam verdachte] tevens tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden;

bepaalt dat deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van de proeftijd, die hierbij wordt gesteld op 2 (twee) jaren, na te melden voorwaarde overtreedt;

stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig zal maken;

verklaart de benadeelde partijen:

  • -

    [naam benadeelde 1] , [adres benadeelde 1] , [woonplaats benadeelde 1] , en

  • -

    [naam benadeelde 2] , [adres benadeelde 2] , [woonplaats benadeelde 2] ,

niet-ontvankelijk in de vorderingen;

veroordeelt de benadeelde partijen in de kosten door [naam verdachte] ter verdediging tegen de vorderingen gemaakt, en begroot deze kosten op nihil.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. M.C. Franken, voorzitter,

en mrs. J.J. van den Berg en B.A. Cnossen, rechters,

in tegenwoordigheid van mrs. K. Aagaard en J.A.N. Maat, griffiers,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 17 juli 2018.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

(onderzoek EGELANTIER / gefisnummer [nummer] ):

Hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 26 juni 2008 tot

en met 30 november 2012 te Lelystad en/of Baarn en/of Laren en/of Blaricum

en/of Bussum en/of Veenendaal en/of Utrecht, in elk geval in Nederland,

(telkens) anders dan als ambtenaar, te weten als lasthebber van

woningcorporatie Portaal (als lid van de Treasury Commissie van Portaal in de

functie van extern adviseur), naar aanleiding van hetgeen hij, verdachte, bij

de uitvoering van zijn last heeft gedaan of nagelaten dan wel zal doen of

nalaten een of meer gift (en), te weten de betaling van een of meer

geldbedragen tot een totaalbedrag van circa Euro 494.830,-, in elk geval

enig(e) geldbedrag(en), van [naam medeverdachte 1] (via [naam bedrijf 1] , handelend onder

de naam [naam onderneming] (ten bedrage van circa Euro 247.415,-) en/of [naam medeverdachte 2]

(via [naam bedrijf 2] : met ingang van 4 juli 2013 genaamd [naam bedrijf 3]

(ten bedrage van circa Euro 247.415,-)) heeft aangenomen en dit aannemen in

in strijd met de goede trouw (telkens) heeft verzwegen tegenover zijn lastgever

en/of

Hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 26 juni 2008 tot

en met 31 juli 2014 te Lelystad en/of Laren en/of Blaricum en/of Bussum en/of

Enschede, in elk geval in Nederland, (telkens) anders dan als ambtenaar, te

weten als lasthebber van woningcorporatie De Woonplaats (als lid van de

Treasury Commissie van De Woonplaats in de functie van extern adviseur), naar

aanleiding van hetgeen hij, verdachte, bij de uitvoering van zijn last heeft

gedaan of nagelaten dan wel zal doen of nalaten een of meer gift(en), te weten

de betaling van een of meer geldbedragen tot een totaalbedrag van circa Euro

255.830,-, in elk geval enig(e) geldbedrag(en), van [naam medeverdachte 1] (via [naam bedrijf 1]

, handelend onder de naam [naam onderneming] (ten bedrage van circa Euro

127.915,-) en/of [naam medeverdachte 2] (via [naam bedrijf 2] : met ingang van 4 juli

2013 genaamd [naam bedrijf 3] (ten bedrage van circa Euro 127.915,-)) heeft

aangenomen en dit aannemen in strijd met de goeder trouw (telkens) heeft

verzwegen tegenover zijn lastgever;

Artikel 328ter lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 328ter lid 1 Wetboek van Strafrecht

2.

(onderzoek EGELANTIER / gefisnummer [nummer] ):

Hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 16 juni 2008 tot

en met 25 oktober 2010 te Lelystad en/of Laren en/of Blaricum en/of Bussum, in

elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen,

althans alleen,

twaalf (12), althans een of meer, factu(u)r(en) van [naam medeverdachte rechtspersoon]

en/of hem, verdachte, gericht aan [naam bedrijf 1] en/of [naam medeverdachte 1] ten

bedrage van in totaal circa Euro 478.581,33 (te weten: D-014 en/of D-011

en/of D-009 en/of D-027 en/of D-023 en/of D-024 en/of D-025 en/of D-021 en/of

D-019 en/of D-041 en/of D-036 en/of D-034)

en/of

twaalf (12), althans een of meer, factu(u)r(en) van [naam medeverdachte rechtspersoon]

en/of hem, verdachte, gericht aan [naam bedrijf 2] (vanaf 4 juli 2013

genaamd [naam bedrijf 3] ) en/of [naam medeverdachte 2] ten bedrage van in totaal circa

Euro 478.581,33 (te weten: D-096 en/of D-095 en/of D-094 en/of D-098 en/of

D-101 en/of D-100 en/of D-099 en/of D-102 en/of D-103 en/of D-105 en/of D-104

en/of D-106)

zijnde (telkens) (een) geschrift(en) dat/die bestemd was/waren om tot bewijs

van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt en/of doen opmaken en/of

laten opmaken en/of vervalst en/of doen vervalsen en/of laten vervalsen,

immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) valselijk en/of in

strijd met de waarheid -zakelijk weergegeven-

op/in die factu(u)r(en) vermeld dat door [naam medeverdachte rechtspersoon] en/of

hem, verdachte, werkzaamheden en/of diensten (te weten: "bemiddeling

financiering") zijn verricht ten behoeve van/voor [naam bedrijf 1] en/of [naam medeverdachte 1]

en/of [naam bedrijf 2] en/of [naam medeverdachte 2] , terwijl in werkelijkheid

die werkzaamheden en/of diensten niet, althans niet geheel, door [naam medeverdachte rechtspersoon]

en/of hem, verdachte, zijn verricht ten behoeve van/voor

[naam bedrijf 1] en/of [naam medeverdachte 1] en/of [naam bedrijf 2] en/of [naam medeverdachte 2]

en/of (telkens)

op/in die factu(u)r(en) (een) factuurbedrag(en) vermeld dat/die in

werkelijkheid geen, althans niet volledig, betrekking heeft op die in die

factu(u)r(en) vermelde(n) werkzaamheden en/of diensten,

zulks (telkens) met het oogmerk om dat/die geschrift (en) als echt en

onvervalst te gebruiken en/of door anderen te doen gebruiken;

Artikel 225 lid 1 jo 47 Wetboek van Strafrecht

art 225 lid 1 Wetboek van Strafrecht

3.

(onderzoek EGELANTIER / gefisnummer [nummer] ):

Hij op of omstreeks 5 juni 2012 te Lelystad, in elk geval in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

een brief van hem, verdachte, en/of [naam medeverdachte rechtspersoon] aan

woningcorporatie De Woonplaats (D-064)

zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen,

valselijk heeft opgemaakt en/of doen opmaken en/of laten opmaken en/of

vervalst en/of doen vervalsen en/of laten vervalsen, immers heeft/hebben hij,

verdachte, en/of zijn mededader(s) valselijk en/of in strijd met de waarheid

-zakelijk weergegeven-

in die brief vermeld dat hij, verdachte, en/of [naam medeverdachte rechtspersoon]

geen vergoeding van [naam onderneming] heeft/hebben ontvangen, die gerelateerd is aan door

De Woonplaats afgesloten derivaten en/of leningen, althans woorden van die

aard en/of strekking,

zulks met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken

en/of door anderen te doen gebruiken;

Artikel 225 lid 1 jo 47 Wetboek van Strafrecht

art 225 lid 1 Wetboek van Strafrecht

1 Vgl gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 6 juni 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:5175 (http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2018:5175) r.o. 7.6.1 (mega-onderzoek Mount Nepal) en A-G Dorst in zijn conclusie onder Hoge Raad 6 juli 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD:1370: “dat aan in het Wetboek van Strafrecht voorkomende begrippen die tevens behoren tot het begrippenapparaat van een ander rechtsgebied, niet steeds de betekenis moet worden toegekend die zij in dat andere rechtsgebied hebben. Aan dergelijke begrippen kan en moet juist veelal een autonome betekenis worden gegeven welke tegemoet komt aan de strekking van de desbetreffende strafrechtelijke regeling.”

2 Roording 2002, pagina 147.

3 Kamerstukken II 1965-1966, 8437, nr. 6 – MvA, pagina 2 en 3.