Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:6083

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
17-07-2018
Datum publicatie
25-07-2018
Zaaknummer
10/997003-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft samen met zijn zakenpartner gedurende een aantal jaren steekpenningen betaald aan de extern financieel adviseur van de woningcorporaties Portaal en De Woonplaats.

De verdachte wordt veroordeeld voor niet-ambtelijke omkoping tot een geldboete van € 50.000,- en een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden voorwaardelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 1

Parketnummer: 10/997003-12

Datum uitspraak: 17 juli 2018

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] ( [geboorteland verdachte] ) op [geboortedatum verdachte] ,

zonder bekende feitelijke woon- of verblijfplaats in Nederland,

raadsvrouw mr. K. Versteeg, advocaat te Rotterdam.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzittingen van achtereenvolgens 6 juni en 24 november 2016, 24 en 29 mei 2018, 5, 6 en 7 juni 2018 en 3 juli 2018.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte (hierna: [naam verdachte] ) is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officieren van justitie

De officieren van justitie mrs. M.J. Dontje en A. Rogaar hebben gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het onder 1, 2, 3 en 4 tenlastegelegde;

  • -

    veroordeling van [naam verdachte] tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden.

4 Bewijswaardering

4.1

Inleiding

De volgende feiten en omstandigheden kunnen op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen als vaststaand worden aangemerkt. Deze feiten en omstandigheden hebben ter terechtzitting niet ter discussie gestaan en kunnen zonder nadere motivering dienen als vertrekpunt voor de beoordeling van de bewijsvraag.

[naam verdachte] is - na een dienstverband bij het Waarborgfonds Sociale Woningbouw - in 2003 een eenmanszaak begonnen als agent voor leningen aan woningcorporaties. Later is de eenmanszaak omgezet in de besloten vennootschap [naam bedrijf 1] . Enig aandeelhouder en bestuurder van deze vennootschap is [naam bedrijf 2] , waarvan [naam verdachte] enig aandeelhouder en bestuurder is. De statutaire naam [naam bedrijf 1] . is per 4 juli 2013 gewijzigd in [naam bedrijf 3] .

Rond 2004 is [naam verdachte] gaan samenwerken met de medeverdachte [naam medeverdachte 1] . [naam verdachte] en [naam medeverdachte 1] werkten als een team en gingen vaak samen naar banken en woningcorporaties om te bezien of zij een rol konden spelen bij de financieringsbehoeften van die woningcorporaties. [naam medeverdachte 1] had zijn onderneming ondergebracht in een besloten vennootschap, [naam bedrijf 4] . Nadat [naam verdachte] en [naam medeverdachte 1] waren gaan samenwerken, trad [naam bedrijf 4] . namens hen beiden naar buiten toe op onder de gezamenlijk handelsnaam [naam bedrijf 1] (hierna ook: [naam bedrijf 1] ).

[naam verdachte] en [naam medeverdachte 1] kwamen overeen dat alle contracten tussen banken en woningcorporaties, bij de totstandkoming waarvan één van hen was opgetreden als bemiddelaar of adviseur, op naam werden gezet van [naam bedrijf 4] . c.q. [naam bedrijf 1] .
De banken betaalden de aan deze transacties gerelateerde ‘fees’ (provisies) aan [naam bedrijf 4] . [naam verdachte] factureerde vervolgens via zijn eigen B.V. ( [naam bedrijf 1] .) aan [naam bedrijf 4] zijn met [naam medeverdachte 1] overeengekomen aandeel in die fees. Tussen [naam verdachte] en [naam medeverdachte 1] bestond de afspraak dat de door hen verdiende fees op 50/50 basis werden verdeeld, met uitzondering van de derivaatcontracten1 waarbij de Stichting Vestia Groep (hierna: Vestia) betrokken was. [naam verdachte] heeft geen (aandeel in) fees ontvangen voor derivaatcontracten die door bemiddeling van [naam medeverdachte 1] tussen Vestia en banken zijn gesloten.

De medeverdachte [naam medeverdachte 2] is tot 1 september 2007 in dienst van PWC accountants werkzaam geweest als treasury-adviseur. Daarna is hij samen met een compagnon een eigen onderneming, [naam medeverdachte rechtspersoon] (hierna: [naam medeverdachte rechtspersoon] ), begonnen. [naam medeverdachte rechtspersoon] adviseerde cliënten op het gebied van risicomanagement en treasury-management in de meest brede zin van het woord. Opdrachtgevers van [naam medeverdachte rechtspersoon] bestonden onder andere uit woningcorporaties, waarbij [naam medeverdachte 2] namens [naam medeverdachte rechtspersoon] werd ingezet als lid van de treasury-commissie. Eind 2007 heeft [naam medeverdachte rechtspersoon] met twee woningcorporaties, De Woonplaats en Portaal, een overeenkomst van opdracht gesloten. Op grond van deze overeenkomsten verleende [naam medeverdachte 2] als deskundig extern treasury-adviseur advies over het door die corporaties te voeren treasury-beleid. Formele beslissingsbevoegdheid had [naam medeverdachte 2] daarbij niet, die verantwoordelijkheid rustte bij het bestuur of de treasury-commissie.

Omstreeks 2007 is [naam medeverdachte rechtspersoon] een samenwerking aangegaan met [naam medeverdachte 1] en [naam verdachte] , c.q. met [naam bedrijf 1] . [naam medeverdachte rechtspersoon] zou daarbij [naam bedrijf 1] promoten als makelaar in financiële producten zoals onder andere derivaten, terwijl [naam bedrijf 1] harerzijds [naam medeverdachte rechtspersoon] als financieel adviseur zou promoten. Voor de omzet (‘fees’) die [naam bedrijf 1] dankzij deze samenwerking genereerde, zou zij [naam medeverdachte rechtspersoon] een vergoeding betalen in de vorm van doorbetaling aan [naam medeverdachte rechtspersoon] van een gedeelte van die fees. [naam medeverdachte 2] heeft uit hoofde van deze afspraak [naam bedrijf 1] als makelaar in financiële producten naar voren geschoven bij de woningcorporaties Portaal en De Woonplaats.

Aanvankelijk hebben [naam verdachte] en [naam medeverdachte 1] , via hun beider B.V.’s, gezamenlijk 50% (elk van hen afzonderlijk 25%) van de fees die zij van de banken ontvingen ter zake van transacties met deze twee woningcorporaties doorbetaald aan [naam medeverdachte rechtspersoon] .
Later is dit percentage gewijzigd naar 33 1/3 %.

In de periode van 25 september 2008 tot en met 19 november 2010 hebben zowel [naam medeverdachte 1] als [naam verdachte] elk via hun B.V.’s aan [naam medeverdachte rechtspersoon] een bedrag van in totaal € 349.080,- (door)betaald.

[naam medeverdachte 2] c.q. [naam medeverdachte rechtspersoon] zond (de B.V.’s van) [naam medeverdachte 1] en [naam verdachte] ter zake van bovenbedoelde betalingen facturen onder de vermelding “bemiddeling financiering”.

Voor zover deze facturen aan de B.V. van [naam verdachte] ( [naam bedrijf 1] .) waren gericht, zijn ze opgenomen in de administratie van deze B.V.

[naam medeverdachte 2] heeft bovenbedoelde door hem c.q. [naam medeverdachte rechtspersoon] van (de B.V.’s van) [naam medeverdachte 1] en [naam verdachte] ontvangen betalingen nimmer aan De Woonplaats en/of Portaal gemeld.

4.2

Vrijspraak ten aanzien van feit 1

Feiten

[naam medeverdachte 1] heeft de helft van de fees die hij ontving voor door banken met Vestia gesloten derivaatcontracten, doorbetaald aan zijn contactpersoon bij Vestia, de medeverdachte

[naam medeverdachte 3] , die daar als ‘treasury & control’ manager” werkzaam was. [naam medeverdachte 3] had in zijn positie invloed op de totstandkoming van die derivaatcontracten (waarbij [naam medeverdachte 1] als ‘introducing broker’ werd ingeschakeld) en om die reden betaalde [naam medeverdachte 1] hem. Het was [naam medeverdachte 1] duidelijk dat [naam medeverdachte 3] Vestia niet op de hoogte had gesteld van de betalingen die hij van [naam medeverdachte 1] ontving. In de periode van 3 april 2006 tot en met 15 december 2010 heeft [naam medeverdachte 1] , althans zijn B.V., een bedrag van in totaal € 9.202.500,- doorbetaald aan [naam medeverdachte 3] .

De rechtbank heeft in haar vonnis van 17 juli 2018 in de strafzaak tegen [naam medeverdachte 1] geoordeeld dat wettig en overtuigend is bewezen dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan niet-ambtelijke omkoping van [naam medeverdachte 3] , een misdrijf dat strafbaar is gesteld in artikel 328ter, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (Sr), en hem ter zake daarvan veroordeeld. [naam medeverdachte 1] is in datzelfde vonnis vrijgesproken van de mede aan hem tenlastegelegde oplichting van Vestia.

Standpunt openbaar ministerie

Het openbaar ministerie acht wettig en overtuigend bewezen dat [naam verdachte] zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen. Daartoe is het volgende aangevoerd.

De Vestia-gerelateerde fees die [naam medeverdachte 1] via zijn B.V. ontving, zijn van misdrijf afkomstig. Immers, de ontvangst van deze fees door [naam medeverdachte 1] kan niet los worden gezien

van de omkooprelatie tussen [naam medeverdachte 1] en [naam medeverdachte 3] , omdat die fees zijn ontvangen in de constellatie van die omkoping. [naam medeverdachte 1] kon de fees alleen verdienen dankzij de omkoping van [naam medeverdachte 3] .

Nu vermenging heeft plaatsgevonden van dit illegaal verdiende vermogen met legaal verdiend vermogen, dient het gehele vermogen van [naam bedrijf 4] . te worden aangemerkt als middellijk gedeeltelijk van misdrijf afkomstig. Dat maakt dat de bedragen die [naam medeverdachte 1] aan [naam verdachte] heeft overgemaakt uit het vermogen van [naam bedrijf 4] . van misdrijf afkomstig zijn. [naam verdachte] heeft, terwijl hij wist dat een deel van het vermogen van [naam bedrijf 4] . geen legale herkomst had, een totaalbedrag van
€ 2.689.410,- ontvangen uit het besmette vermogen van [naam bedrijf 4] . en een groot deel van dit bedrag uitgegeven.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft gemotiveerd weersproken dat de Vestia-gerelateerde fees die

[naam medeverdachte 1] van de banken heeft ontvangen uit misdrijf afkomstig zijn en heeft vrijspraak bepleit.

Beoordeling

Door het openbaar ministerie is bij requisitoir het standpunt ingenomen dat als gronddelict voor het witwassen naast de omkoping van [naam medeverdachte 3] door [naam medeverdachte 1] (onderzoek Klaproos), ook aansluiting moet worden gezocht bij de omkoping door [naam bedrijf 1] van [naam medeverdachte 2] en het voorhanden hebben van valse facturen in de administratie van [naam bedrijf 1] . (onderzoek Egelantier).

Het in de tenlastelegging genoemde bedrag van € 2.689.410, - waarvan [naam verdachte] witwassen wordt verweten, houdt rechtstreeks verband met de Vestia gerelateerde feebetalingen die door [naam bedrijf 4] . aan [naam bedrijf 1] . zijn doorbetaald. Het dossier biedt geen enkele aanwijzing dat daarnaast bij het witwassen ook de feiten uit het onderzoek Egelantier een rol hebben gespeeld. Naar het oordeel van rechtbank dienen om die reden bij de beoordeling van dit feit de omkoping van [naam medeverdachte 2] en het voorhanden hebben van valse facturen als gronddelict voor het witwassen buiten beschouwing te blijven.

Voor een bewezenverklaring van witwassen moet - onder meer - komen vast te staan dat het in de tenlastelegging genoemde voorwerp “afkomstig is uit enig misdrijf” als bedoeld in artikel 420bis Sr. Hiervan is in beginsel pas sprake indien het genoemde voorwerp afkomstig is uit een misdrijf gepleegd voorafgaand aan de in bedoeld artikel genoemde delictsgedragingen. Er dient sprake te zijn van een oorzakelijk verband tussen enerzijds de wederrechtelijke onttrekking van een voorwerp aan de heerschappij van de rechthebbende (het gronddelict) en anderzijds de verkrijging van dat goed door de witwasser.2

Het openbaar ministerie heeft als gronddelict voor het witwassen aangewezen de aan

[naam medeverdachte 1] verweten niet-ambtelijke omkoping, alsmede het voorts aan [naam medeverdachte 1] verweten medeplegen van oplichting van Vestia.

Omdat [naam medeverdachte 1] van de aan hem verweten oplichting wordt vrijgesproken, kan dit feit niet als gronddelict voor het witwassen dienen.

De vraag die vervolgens voorligt, is of de Vestia-gerelateerde fees die [naam medeverdachte 1] van de banken heeft ontvangen, kunnen worden aangemerkt als afkomstig uit de door hem gepleegde omkoping.

De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend. Weliswaar is aannemelijk dat er een verband bestaat tussen het betalen van steekpenningen door [naam medeverdachte 1] aan [naam medeverdachte 3] en een aantal Vestia-gerelateerde derivaatcontracten, waarbij [naam medeverdachte 1] als broker is betrokken en waarvoor hij van de banken een fee heeft ontvangen. Op grond daarvan kan echter niet worden gesteld dat deze door [naam medeverdachte 1] van de banken ontvangen feebetalingen afkomstig zijn van enig misdrijf. Immers, deze fees zijn door de banken aan [naam medeverdachte 1] betaald voor door hem verrichte werkzaamheden op basis van onderliggende remisierovereenkomsten met elk van die banken en hebben dus als zodanig een legale grondslag.3

Conclusie

Nu de door [naam medeverdachte 1] ontvangen feebetalingen een legale herkomst hebben en niet kunnen niet worden aangemerkt als zijnde afkomstig uit enig misdrijf, zal [naam verdachte] worden vrijgesproken van het hem tenlastegelegde witwassen.

4.3

Vrijspraak ten aanzien van feit 2

Feiten

De medeverdachte [naam medeverdachte 4] was in de tenlastegelegde periode in dienst bij Fortis Bank (Nederland) N.V. (hierna: Fortis) in de functie van Sector Head 1. In die hoedanigheid was hij betrokken bij het sluiten van een groot aantal derivaatcontracten tussen Fortis en Vestia. [naam medeverdachte 1] is via zijn B.V., [naam bedrijf 4] . (ook) handelende onder de naam [naam bedrijf 1] , bij de totstandkoming van de meeste van die derivaatcontracten opgetreden als introducing broker voor Fortis. Voor ieder derivaatcontract dat tot stand kwam tussen Fortis en Vestia en waarbij [naam bedrijf 1] was betrokken, ontving [naam bedrijf 1] een fee van Fortis.

Standpunt openbaar ministerie

Het openbaar ministerie acht wettig en overtuigend bewezen dat [naam verdachte] zich tezamen en in vereniging met [naam medeverdachte 1] in de periode van 25 november 2008 tot en met 14 september 2009 schuldig heeft gemaakt aan niet-ambtelijke omkoping van [naam medeverdachte 4] . Daartoe is het volgende aangevoerd.

[naam medeverdachte 4] heeft meerdere keren bij [naam medeverdachte 1] en [naam verdachte] een deel van de door [naam bedrijf 1] van Fortis ontvangen fee geclaimd als beloning voor bewezen diensten. Uit diverse provisieoverzichten, die [naam medeverdachte 4] heeft opgesteld en aan [naam bedrijf 1] heeft gestuurd, en uit verklaringen die [naam medeverdachte 1] hierover heeft afgelegd, blijkt dat [naam medeverdachte 1] eenmaal € 5.000,- en twee maal € 10.000,- heeft betaald en [naam verdachte] een bedrag van € 28.249,- aan [naam medeverdachte 4] heeft betaald. [naam medeverdachte 4] heeft de ontvangst van deze bedragen, in strijd met de binnen Fortis geldende algemene gedragsregels, niet aan zijn werkgever gemeld.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit.

Beoordeling

De in de tenlastelegging genoemde geldbedragen zijn afkomstig uit een provisieoverzicht dat [naam medeverdachte 4] als bijlage bij een e-mailbericht van 14 september 2009 aan [naam bedrijf 1] heeft gestuurd. In het provisieoverzicht is een aftreksom gemaakt: de vier bedragen zijn in mindering gebracht op een hoofdsom en achter de uitkomst van die som staat vermeld “saldo openstaand”.

Vast staat dat [naam medeverdachte 1] één keer een geldbedrag van ongeveer € 5.000,- in contanten aan [naam medeverdachte 4] heeft betaald, maar dit hield volgens de verklaring van zowel [naam medeverdachte 4] als [naam medeverdachte 1] geen verband met de € 5.000,- in het provisieoverzicht en stond los van de werkzaamheden van [naam medeverdachte 4] bij Fortis. De betaling was volgens beiden een tegemoetkoming in de kosten die [naam medeverdachte 4] zou moeten maken voor de beoogde start van zijn eigen bedrijf in samenwerking met [naam bedrijf 1] . Ook zou deze betaling pas op een latere datum hebben plaatsgevonden dan in september 2009, namelijk eind 2009/begin 2010.

Over mogelijke andere betalingen die vanuit [naam bedrijf 1] aan [naam medeverdachte 4] zouden zijn gedaan heeft [naam medeverdachte 1] wisselend verklaard. Aanvankelijk zegt hij dat het “zou kunnen” dat hij nog een betaling heeft gedaan, maar in de kern komen zijn verdere verklaringen erop neer dat hij niet weet of [naam verdachte] en hij andere bedragen hebben betaald; hij heeft naar eigen zeggen geen concrete herinnering eraan. [naam verdachte] heeft ontkend dat hij een bedrag aan [naam medeverdachte 4] heeft betaald en ook [naam medeverdachte 4] heeft weersproken dat hij meer dan één keer een bedrag van [naam bedrijf 1] heeft ontvangen.

Over het provisieoverzicht van september 2009 en ook de overige provisieoverzichten die zich in het dossier bevinden heeft [naam medeverdachte 4] verklaard dat hij deze maakte om te berekenen wat hij in het kader van de beoogde samenwerking met [naam bedrijf 1] zou kunnen verdienen, hetgeen wordt bevestigd door [naam medeverdachte 1] .

Op grond van het voorgaande komt de rechtbank tot het oordeel dat niet kan worden vastgesteld of de in het provisieoverzicht van september 2009 opgenomen provisiegelden ook daadwerkelijk aan [naam medeverdachte 4] zijn betaald. Voor zover [naam medeverdachte 4] een bedrag van

€ 5.000,- heeft ontvangen van [naam medeverdachte 1] , kan ten aanzien daarvan niet worden vastgesteld dat het om een betaling gaat die hij heeft aangenomen “naar aanleiding van hetgeen hij in zijn betrekking heeft gedaan of nagelaten dan wel zal doen of nalaten.

Conclusie

[naam verdachte] zal worden vrijgesproken van de hem tenlastegelegde niet ambtelijke omkoping van [naam medeverdachte 4] .

4.4

Bewijsoverweging ten aanzien van feit 3

[naam verdachte] wordt kort gezegd verweten dat hij samen met [naam medeverdachte 1] [naam medeverdachte 2] , die werkzaam was als [naam functie 1] en lid van de treasury-commissie bij de woningcorporaties Portaal en De Woonplaats, heeft omgekocht.

[naam medeverdachte 1] en [naam verdachte] (althans hun B.V.’s) zouden ieder de helft van de fee, die zij verdienden op transacties met Portaal en De Woonplaats, aan [naam medeverdachte 2] hebben doorbetaald. Het betreft een totaalbedrag van € 464.830,- (ieder € 232.415,-) ter zake van Portaal en een totaalbedrag van € 233.330,- (ieder € 116.665,-) ter zake van De Woonplaats.

Standpunt verdediging

De raadsvrouw heeft bepleit dat [naam verdachte] dient te worden vrijgesproken van dit feit. Primair is aangevoerd dat voor de uitleg van de termen lastgever en lasthebber in artikel 328ter Sr moet worden aangesloten bij de betekenis die daaraan wordt gegeven in het civiele recht. Het begrip lastgeving is gedefinieerd in artikel 7:414 Burgerlijk Wetboek. Gelet op die definitie kan [naam medeverdachte 2] niet worden aangemerkt als lasthebber en valt hij daarmee ook niet onder de strafbaarstelling van artikel 328ter Sr. [naam medeverdachte 2] was nergens toe bevoegd, hij adviseerde. Hij ging geen overeenkomsten aan, verrichtte geen rechtshandelingen en al helemaal niet vanuit een verplichting.

Subsidiair, voor het geval [naam medeverdachte 2] naar het oordeel van de rechtbank wel is aan te merken als lasthebber in de zin van artikel 328ter Sr, is betoogd dat uit het dossier niet blijkt welke door hem jegens zijn lastgevers verzwegen handeling(en) [naam medeverdachte 2] bij de uitvoering van zijn last zou hebben gedaan of nagelaten die in relatie staan tot de door hem van [naam bedrijf 1] ontvangen geldbedragen. Hij heeft slechts [naam bedrijf 1] bij beide woningcorporaties geïntroduceerd, en hen van advies gediend. Bij door bemiddeling van [naam bedrijf 1] tot stand gekomen concrete transacties tussen de beide woningcorporaties en de banken is [naam medeverdachte 2] niet betrokken geweest.

De betalingen die door [naam bedrijf 1] aan [naam medeverdachte rechtspersoon] zijn gedaan hadden niets te maken met het lasthebberschap van [naam medeverdachte 2] bij Portaal en De Woonplaats.

Overigens is [naam verdachte] richting de bestuurders van beide woningcorporaties steeds open geweest over zijn verdiensten.

Ten slotte is aangevoerd dat voor zover door [naam verdachte] giften/betalingen zijn gedaan, deze niet zijn gedaan aan [naam medeverdachte 2] maar aan [naam medeverdachte rechtspersoon] .

Beoordeling

Artikel 328ter Sr ziet op het actief en passief omkopen van personen werkzaam in de private sector, waarbij de strafbaarheid van deze gedraging afhankelijk is gesteld van:

  1. bij passieve omkoping: het in strijd met de goede trouw door de ontvanger verzwijgen van de hem geboden voordelen tegenover zijn werkgever of lastgever;

  2. bij actieve omkoping: de aanname van de aanbieder dat zijn gift of belofte door de ontvanger tegenover zijn werkgever of lastgever zal worden verzwegen.

Het tweede lid van artikel 328ter Sr heeft betrekking op actieve omkoping en luidde ten tijde van de tenlastegelegde periode (tot 1 januari 2015) als volgt:

“Met gelijke straf wordt gestraft hij die aan iemand die, anders dan als ambtenaar, werkzaam is in dienstbetrekking of optreedt als lasthebber, naar aanleiding van hetgeen deze in zijn betrekking of bij de uitvoering van zijn last heeft gedaan of nagelaten dan wel zal doen of nalaten, een gift of belofte doet (…) van die aard of onder zodanige omstandigheden, dat hij redelijkerwijs moet aannemen dat deze de gift of belofte in strijd met de goede trouw zal verzwijgen tegenover zijn werkgever of lastgever.”

De bestanddelen zullen achtereenvolgens worden besproken.

Optredend als lasthebber

De rechtbank is, anders dan de verdediging, van oordeel dat voor de uitleg van het begrip lasthebber in artikel 328ter Sr geen aansluiting moet worden gezocht bij de definitie van het begrip lastgeving in het civiele recht. Aan begrippen die in het strafrecht voorkomen, dient zoveel mogelijk een autonome betekenis te worden toegekend die tegemoet komt aan de strekking van de desbetreffende strafrechtelijke regeling.4 Bij de interpretatie van het begrip lasthebber is dan ook het achterliggend beschermd belang van doorslaggevende betekenis. Het gaat om bescherming van de zuiverheid van de betrekking tussen werkgever of lastgever en werknemer of lastnemer en de publieke moraal.

In dit licht komt aan het begrip lasthebber een ruime betekenis toe. Zo is bijvoorbeeld niet vereist dat er een overeenkomst van lastgeving is gesloten. Er kan al sprake zijn van lastgeving wanneer iemand verantwoording schuldig is voor zijn werkzaamheden tegenover zijn opdrachtgever.

[naam medeverdachte 2] , die op grond van overeenkomsten van opdracht namens [naam medeverdachte rechtspersoon] advieswerkzaamheden verrichte voor beide woningcorporaties, kan dan ook worden aangemerkt als lasthebber in de zin van het artikel 328ter Sr, geldend tijde van de tenlastegelegde gedragingen.

Het door de verdediging ten aanzien van dit bestanddeel gevoerde verweer wordt daarom verworpen.

Naar aanleiding van hetgeen hij bij de uitvoering van zijn last heeft gedaan of nagelaten dan wel zal doen of nalaten

Als adviseur en lid van de treasury-commissie van De Woonplaats en Portaal ontwikkelde [naam medeverdachte 2] onder meer beleid, stelde hij verbeterplannen op en gaf hij advies over treasury gerelateerde onderwerpen en advies rond transactievoorstellen. Ook bood hij ondersteuning bij de uitvoering van genomen besluiten over deze onderwerpen. Het door [naam medeverdachte 2] aan zijn opdrachtgevers gegeven advies om in het contact met de banken bij het aangaan van transacties gebruik te maken van [naam bedrijf 1] , past binnen dit kader en valt dan ook binnen de aan [naam medeverdachte rechtspersoon] verstrekte last, waarvan de feitelijke uitvoering door [naam medeverdachte 2] werd gedaan.

[naam medeverdachte 2] had aldus invloed op de totstandkoming en ook op het behoud van de relatie tussen [naam bedrijf 1] en beide woningcorporaties en hij heeft in dat verband via [naam medeverdachte rechtspersoon] de in de tenlastelegging genoemde geldbedragen van [naam bedrijf 1] aangenomen. De omstandigheid dat [naam medeverdachte 2] ten aanzien van de door De Woonplaats en Portaal met banken te sluiten transacties niet beslissingsbevoegd was, doet aan het voorgaande niet af.

Het door de verdediging ten aanzien van dit bestanddeel gevoerde verweer wordt verworpen.

Gift

De term gift ziet op elk overdragen aan een ander van iets wat voor die ander waarde heeft. Daarvan is in het onderhavige geval sprake in de vorm van geldbedragen van in totaal

€ 464.830,- ter zake van Portaal en € 233.330,- ter zake van De Woonplaats, die door [naam bedrijf 4] . en [naam bedrijf 1] . (ieder voor de helft) aan [naam medeverdachte rechtspersoon] zijn (door)betaald.

Gift van die aard of onder zodanige omstandigheden, dat hij redelijkerwijs moet aannemen dat de omgekochte de gift in strijd met de goede trouw zal verzwijgen tegenover zijn lastgever

De betalingen die door [naam bedrijf 1] aan [naam medeverdachte 2] , althans [naam medeverdachte rechtspersoon] , zijn gedaan vloeiden direct voort uit transacties die Portaal en De Woonplaats, door tussenkomst van [naam bedrijf 1] , met de banken hadden gesloten. Gelet hierop had [naam medeverdachte 2] naast het belang van zijn opdrachtgevers, tevens een eigen financieel belang bij de tussenkomst van [naam bedrijf 1] bij het sluiten van transacties door zijn opdrachtgevers. Dat in zo’n geval sprake is van belangenverstrengeling is evident, evenals het feit dat het vertrouwen van de opdrachtgever in haar opdrachtnemer in ernstige mate zal zijn geschaad bij het bekend worden van die belangenverstrengeling. Onder die omstandigheden kan redelijkerwijs worden aangenomen dat [naam medeverdachte 1] en [naam verdachte] hebben moeten begrijpen dat [naam medeverdachte 2] de door [naam medeverdachte rechtspersoon] van [naam bedrijf 1] ontvangen geldbedragen voor beide woningcorporaties verborgen hield. Dit klemt te meer wanneer daarbij tevens in aanmerking wordt genomen de omvang van de aan [naam medeverdachte 2] c.q. [naam medeverdachte rechtspersoon] betaalde geldbedragen terwijl daarvoor door [naam medeverdachte 2] c.q. [naam medeverdachte rechtspersoon] , geen werkzaamheden zijn verricht.

De omstandigheid dat de betalingen zijn gedaan op de rekening van [naam medeverdachte rechtspersoon] en niet aan [naam medeverdachte 2] , doet aan het voorgaande niet af.

Conclusie

Door het betalen van steekpenningen aan [naam medeverdachte 2] door [naam medeverdachte 1] en [naam verdachte] , zijn Portaal en De Woonplaats bedrogen. Dit bedrog kan, nu aan alle bestanddelen van artikel 328ter Sr is voldaan, als ‘actieve niet-ambtelijke omkoping’ wettig en overtuigend worden bewezen.

4.5

Vrijspraak ten aanzien van feit 4

Standpunt openbaar ministerie

Aangevoerd is dat de 12 facturen van [naam medeverdachte rechtspersoon] die in de administratie van [naam bedrijf 1] . zijn opgenomen, vals zijn. De vermelding “bemiddeling financiering” op die facturen is onjuist omdat niet [naam medeverdachte rechtspersoon] of [naam medeverdachte 2] heeft bemiddeld, maar [naam bedrijf 1] .

Beoordeling

De rechtbank stelt vast dat [naam verdachte] wordt verweten dat hij samen met zijn rechtspersoon [naam bedrijf 1] . 12 valse facturen voorhanden heeft gehad.

De rechtspersoon kan slechts door middel van natuurlijke personen handelen. In dit geval zijn alle uitvoeringshandelingen door [naam verdachte] zelf verricht. Binnen de rechtspersoon [naam bedrijf 1] was [naam verdachte] de enige natuurlijke persoon die daarin werkzaam was, zodat [naam bedrijf 1] . feitelijk met [naam verdachte] kan worden vereenzelvigd. Reeds om die reden kan geen sprake zijn van medeplegen van dit feit door [naam verdachte] en [naam bedrijf 1] . aangezien dit er toe zou leiden dat [naam verdachte] het feit heeft medegepleegd met zichzelf. De vraag die dan rijst is wie van beiden, [naam verdachte] of [naam bedrijf 1] . als dader moet worden aangemerkt van voormeld strafbaar feit. Daarbij is van belang dat de onderhavige facturen zijn gericht aan de rechtspersoon [naam bedrijf 1] ., de betaling van die facturen is gedaan vanaf de rekening van die rechtspersoon en de facturen zijn opgenomen in de administratie van die rechtspersoon. Omdat al deze gedragingen liggen in de sfeer van de rechtspersoon is de rechtbank van oordeel dat [naam bedrijf 1] . als dader van deze feiten dient te worden aangemerkt.

Om in de gegeven situatie [naam verdachte] strafrechtelijk aansprakelijk te kunnen stellen voor de onderhavige strafbare gedragingen, had het op de weg van het openbaar ministerie gelegen om [naam verdachte] aan te merken als feitelijk leidinggever aan deze strafbare gedragingen van [naam bedrijf 1] .

Conclusie

[naam verdachte] zal worden vrijgesproken van de hem tenlastegelegde valsheid in geschrift.

5 Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat [naam verdachte] het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan op die wijze dat:

3.

Hij omstreeks de periode van 25 september 2008 tot en met 19 november 2010 te Laren en Bussum, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander (telkens) aan iemand, te weten [naam medeverdachte 2] , optredend als lasthebber

van woningcorporatie Portaal (als lid van de Treasury Commissie van Portaal in

de functie van [naam functie 1] ), naar aanleiding van hetgeen deze [naam medeverdachte 2]

bij de uitvoering van diens last heeft gedaan of nagelaten dan wel

zal doen of nalaten gift(en), te weten de betaling van

geldbedragen tot een totaalbedrag van Euro 464.830,- (via [naam bedrijf 4] (ten bedrage van Euro 232.415,-) en [naam bedrijf 2] (ten bedrage van Euro 232.415,-)), heeft gedaan van die aard en onder zodanige omstandigheden dat hij, verdachte, en zijn

mededader redelijkerwijs moest(en) aannemen dat die [naam medeverdachte 2] deze

gifte(n) in strijd met de goede trouw zou verzwijgen tegenover zijn lastgever

en

Hij omstreeks de periode van 23 december 2008tot en met 19 november 2010 te Laren en

Bussum, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, (telkens) aan iemand, te weten [naam medeverdachte 2] , optredend als lasthebber van woningcorporatie De

Woonplaats (als lid van de Treasury Commissie van De Woonplaats in de functie

van [naam functie 1] ), naar aanleiding van hetgeen deze [naam medeverdachte 2] bij

de uitvoering van diens last heeft gedaan of nagelaten dan wel zal doen of nalaten gift(en), te weten de betaling van geldbedragen tot een totaalbedrag van Euro 233.330,- (via [naam bedrijf 4] (ten bedrage van Euro 116.665,-) en/of [naam bedrijf 1] (ten bedrage van Euro 116.665,-), heeft gedaan van die aard en onder zodanige omstandigheden dat hij, verdachte, en zijn mededader redelijkerwijs moest(en) aannemen dat die [naam medeverdachte 2] deze gifte(n) in strijd met de goede trouw zou verzwijgen tegenover zijn

lastgever.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. [naam verdachte] moet ook daarvan worden vrijgesproken.

6 Strafbaarheid feiten

Het bewezenverklaarde levert op:


3.

medeplegen van aan iemand die, anders dan als ambtenaar, optredend als lasthebber, naar aanleiding van hetgeen deze bij de uitvoering van zijn last heeft gedaan en/of nagelaten en/of zal doen en/of zal nalaten, een gift doen van die aard en/of onder zodanige omstandigheden, dat hij redelijkerwijs moet aannemen dat deze de gift in strijd met de goede trouw zal verzwijgen tegenover zijn lastgever, meermalen gepleegd;

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. De feiten zijn dus strafbaar.

7 Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van [naam verdachte] uitsluit. [naam verdachte] is dus strafbaar.

8 Motivering straffen

Algemene overweging

De straffen die aan [naam verdachte] worden opgelegd, zijn gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van [naam verdachte] . Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Feit waarop de straffen zijn gebaseerd

[naam verdachte] heeft zich samen met zijn zakenpartner [naam medeverdachte 1] een aantal jaren schuldig gemaakt aan omkoping van [naam medeverdachte 2] , die als onafhankelijk [naam functie 1] (lasthebber) werkzaam was voor de woningcorporaties Portaal en De Woonplaats. In totaal heeft [naam verdachte] in de bewezenverklaarde periode samen met [naam medeverdachte 1] een bedrag van € 464.830,- aan steekpenningen ter zake van Portaal en een bedrag van € 233.330,- aan steekpenningen ter zake van De Woonplaats aan [naam medeverdachte 2] betaald. [naam verdachte] en [naam medeverdachte 1] zijn in november 2010 met de betalingen aan [naam medeverdachte 2] gestopt.

Dergelijke omvangrijke giften aan een lasthebber van een woningcorporatie, leiden tot een onaanvaardbare belangenverstrengeling voor die lasthebber. [naam verdachte] heeft met zijn handelen getracht om zijn zakelijke relaties met Portaal en De Woonplaats in de persoon van [naam medeverdachte 2] door betaling van (omvangrijke) steekpenningen te smeren en te bestendigen. Met zijn handelen heeft [naam verdachte] tevens afbreuk gedaan aan het vertrouwen van de maatschappij in de integriteit van de beroepsgroep van financieel adviseurs, waarbinnen hij werkzaam was. De rechtbank neemt het [naam verdachte] kwalijk dat hij daaraan voorbij is gegaan en slechts oog heeft gehad voor zijn eigen financiële belangen.

Straffen

De op te leggen straffen dienen te worden bezien tegen de achtergrond dat de strafbedreiging op omkoping in de periode te rekenen vanaf september 20085 tot heden tot tweemaal toe is verhoogd, van maximaal een jaar tot thans maximaal 4 jaar gevangenisstraf. Deze verhoging van de strafbedreiging is mede ingegeven doordat de wetgever de afgelopen jaren meer gewicht is gaan toekennen aan integer handelen en de noodzaak in de pas te blijven lopen met internationale regelgeving op het gebied van anti-corruptie. De rechtbank zal rekening houden met dit, in de loop der tijd gewijzigd inzicht van de wetgever over de strafwaardigheid van dit feit, en aansluiting zoeken bij de wijze waarop de wetgever blijkens de in de te onderscheiden tijdvakken van de bewezenverklaarde pleegperiode geldende strafmaxima aankeek tegen actieve niet-ambtelijke omkoping.

Bij het bepalen van de straffenmodaliteiten houdt de rechtbank in het voordeel van [naam verdachte] rekening met het tijdverloop in deze zaak. Ook weegt de rechtbank in strafmatigende zin mee dat [naam verdachte] in de media in één adem wordt genoemd met het “omkoopschandaal bij Vestia”, terwijl dat verwijt niet aan [naam verdachte] is gemaakt. De media-aandacht voor deze zaak, zowel aan de start en in de loop van het onderzoek als bij de behandeling van de zaak ter terechtzitting, is het directe gevolg van de aard en de omvang van de verdenkingen tegen [naam medeverdachte 1] en [naam medeverdachte 3] . Het spreekt voor zich dat alle media-aandacht rondom de persoon van [naam verdachte] en de daarin reeds verwerkte oordelen, een zware wissel op hem en zijn privéleven hebben getrokken.

Ten slotte is rekening gehouden met het feit dat [naam verdachte] - blijkens een hem betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie van 26 maart 2018 - niet eerder is veroordeeld voor enig strafbaar feit.

Slotsom

Gelet op alle hiervoor genoemde omstandigheden en het feit dat de rechtbank anders dan het openbaar ministerie de onder 1 (witwassen), 2 (omkoping [naam medeverdachte 4] ) en 3 (valsheid in geschrift) tenlastegelegde feiten niet bewezen acht, acht de rechtbank een geldboete van

€ 50.000,- passend en geboden. Daarnaast zal de rechtbank aan [naam verdachte] een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden opleggen. Deze voorwaardelijke gevangenisstraf heeft mede ten doel om hem ervan te weerhouden zich in de toekomst wederom aan strafbare feiten schuldig te maken.

9 In beslag genomen voorwerpen

Standpunt openbaar ministerie

De officieren van justitie hebben gevorderd dat de banksaldi onder 2 tot en met 6, 8 en 9 op de ‘lijst van in inbeslaggenomen voorwerpen’ verbeurd worden verklaard, omdat deze geldbedragen uit het misdrijf omkoping (feit 2 en 3) afkomstig zijn en/of die geldbedragen met betrekking tot het misdrijf witwassen (feit 1) zijn begaan.

Beoordeling

Volgens de beslaglijst is in het onderzoek Klaproos (en niet in het onderzoek Egelantier), dus ter zake van de feiten 1 en 2, op alle genoemde banksaldi beslag gelegd.

Omdat [naam verdachte] van de tenlastegelegde feiten 1 en 2 zal worden vrijgesproken, wordt de vordering van het openbaar ministerie tot verbeurdverklaring van de in beslag genomen banksaldi afgewezen.

Op de banksaldi genoemd onder de nummers 2 tot en met 5 rust beslag als bedoeld in artikel 94a van het Wetboek van Strafvordering. De rechtbank merkt op dat dit beslag blijft gehandhaafd, niettegenstaande de hiervoor genomen beslissing over dat voorwerp.

Ten aanzien van de banksaldi genoemd onder de nummers 6, 8 en 9 zal een last worden gegeven tot teruggave aan de rechthebbende.

10 Vorderingen benadeelde partijen

Als benadeelde partijen hebben zich in het geding gevoegd de woningstichtingen Portaal en De Woonplaats ter zake van het onder 3 tenlastegelegde feit.

De benadeelde partij [naam benadeelde 1] , [adres benadeelde 1] , [woonplaats benadeelde 1], vordert een vergoeding van € 464.830,- aan materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.

De benadeelde partij [naam benadeelde 2] , [adres benadeelde 2] , [woonplaats benadeelde 2], vordert een vergoeding van € 233.330,- aan materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.

Daarnaast is verzocht om [naam verdachte] hoofdelijk te veroordelen tot betaling van de gehele gevorderde bedragen en om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunt benadeelde partijen

Ter toelichting op hun vorderingen hebben de benadeelde partijen bij monde van hun advocaat het volgende aangevoerd.

De vordering van de benadeelde partijen heeft betrekking op de door [naam medeverdachte 1] en [naam verdachte] aan [naam medeverdachte rechtspersoon] betaalde steekpenningen. [naam medeverdachte 1] en [naam verdachte] hebben onrechtmatig jegens Portaal en De Woonplaats gehandeld door (ieder) de helft van de door hen - op transacties van Portaal en De Woonplaats - ontvangen provisies door te betalen aan [naam medeverdachte rechtspersoon] .

De benadeelde partijen zijn hierdoor benadeeld. Immers, de door [naam medeverdachte 1] en [naam verdachte] aan [naam medeverdachte rechtspersoon] gedane betalingen hadden in plaats van aan [naam medeverdachte rechtspersoon] ook aan hen, Portaal en De Woonplaats, ten goede kunnen komen - in de vorm van lagere door de banken aan [naam medeverdachte 1] en [naam verdachte] uit te keren provisies, en daarmee samenhangend in lagere door die banken aan Portaal en De Woonplaats in rekening te brengen kosten.

Beoordeling

De beoordeling van de door de benadeelde partijen voorgelegde schadevordering is complex en levert een onevenredige belasting van het strafgeding op. De benadeelde partijen zullen daarom in hun vorderingen niet-ontvankelijk worden verklaard. De vorderingen kunnen slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Nu de benadeelde partijen in hun vorderingen niet-ontvankelijk zullen worden verklaard, zullen de benadeelde partijen worden veroordeeld in de kosten die [naam verdachte] ter verdediging van de vorderingen heeft gemaakt, welke kosten tot op heden worden begroot op nihil.

11 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24c, 47, 57 en 328ter van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze bepalingen golden ten tijde van het bewezenverklaarde feit.

12 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

13 Beslissing

De rechtbank:

verklaart niet bewezen dat [naam verdachte] de onder 1, 2 en 4 tenlastegelegde feiten heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart bewezen dat [naam verdachte] de onder 3 tenlastegelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan [naam verdachte] meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem ook daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart [naam verdachte] strafbaar;

veroordeelt [naam verdachte] tot een geldboete van € 50.000,- (vijftigduizend euro), bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door 285 (tweehonderdvijfentachtig) dagen hechtenis;

veroordeelt [naam verdachte] tevens tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) maanden;

bepaalt dat deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van de proeftijd, die hierbij wordt gesteld op 2 (twee) jaren, na te melden voorwaarde overtreedt;

stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig zal maken;


beslist ten aanzien van de voorwerpen, geplaatst op de lijst van inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, als volgt:
- gelast de teruggave aan de rechthebbende van:

 nr. 6: (het tegoed op) de Rabo rekening met nummer [rekeningnummer 1] ten bedrage van € 780,99 t.n.v. [naam bedrijf 3] .;

 nr. 8: (het tegoed op) de Rabo rekening met nummer [rekeningnummer 2] ten bedrage van € 249,44 t.n.v. [naam bedrijf 3] .;

 nr. 9: (het tegoed op) de Rabo rekening met nummer [rekeningnummer 3] ten bedrage van € 745.000,00 t.n.v. [naam bedrijf 3] .;

verklaart de benadeelde partijen:

  • -

    [naam benadeelde 1] , [adres benadeelde 1] , [woonplaats benadeelde 1] , en

  • -

    [naam benadeelde 2] , [adres benadeelde 2] , [woonplaats benadeelde 2] ,

niet-ontvankelijk in de vorderingen;

veroordeelt de benadeelde partijen in de kosten door [naam verdachte] ter verdediging tegen de vorderingen gemaakt, en begroot deze kosten op nihil.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. M.C. Franken, voorzitter,

en mrs. J.J. van den Berg en B.A. Cnossen, rechters,

in tegenwoordigheid van mrs. K. Aagaard en J.A.N. Maat, griffiers,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 17 juli 2018.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

(onderzoek KLAPROOS / gefisnummer [nummer 1] ):

Hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2009

tot en met heden te Bussum en/of Laren en/of Blaricum en/of te Almere, in elk

geval in Nederland, en/of te Bali, in elk geval te Indonesië, tezamen en in

vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (van) een voorwerp, te

weten een of meer geldbedrag(en) tot een totaal bedrag van circa Euro

2.689.410,- (l-AH-017), in elk geval enig (groot) geldbedrag,

de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding

en/of de verplaatsing heeft/hebben verborgen/verhuld en/of heeft/hebben

verborgen/verhuld wie de rechthebbende(n) op het/die

voorwerp(en)/geldbedrag(en) was/waren en/of wie het/dat/die voorhanden

heeft/hebben gehad

en/of dat/die voorwerp(en)/geldbedrag(en) voorhanden heeft/hebben gehad en/of

heeft/hebben verworven en/of heeft/hebben omgezet en/of heeft/hebben

overgedragen en/of van dat/die voorwerp(en)/geldbedrag(en) gebruik

heeft/hebben gemaakt

door met een (gedeelte van) dit/die voorwerp(en)/geldbedrag(en) (te weten:

circa Euro 450.829,- en/of circa Euro 248.152,- en/of Euro 87.173,- )

betalingen te doen aan de Belastingdienst en/of (te weten: circa Euro

376.356,33) betalingen te doen aan [naam medeverdachte rechtspersoon] en/of (te

weten: circa Euro 30.000,-) betalingen te doen aan [naam bedrijf 5] en/of (te

weten: circa Euro 16.916,28) creditcardbetalingen te doen ten behoeve van

o.a. restaurant en/of theater en/of parkeren en/of Esso en/of Shell en/of

Total en/of Transavia en/of TUI Nederland en/of verblijf in Zuid-Afrika en/of

Zweden en/of (te weten: circa Euro 128.581,10) overige (bedrijfs)uitgaven te

doen ten behoeve van o.a. restaurant en/of Vodafone en/of Kamer van

Koophandel en/of KPN en/of Volvo Car en/of Shell en/of Akza Sport en/of

Global Collect en/of Loods 5 en/of Envy Delicatessen en/of Skin Cosmetics

en/of een schildersbedrijf en/of Kids on Tour en/of Organic Food en/of Casa

dei Bambini (zie: l-AH-040)

terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) wist(en), althans

redelijkerwijs moest(en) vermoeden, dat dit/die voorwerp(en)/geldbedrag(en)

geheel of gedeeltelijk -onmiddellijk of middellijk- afkomstig was/waren uit

enig misdrijf,

Artikel 420bis/quater jo 47 Wetboek van Strafrecht

art 420bis lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht

2.

(onderzoek KLAPROOS / gefisnummer [nummer 1] ):

Hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 25 november 2008

tot en met 14 september 2009 te Hellevoetsluis en/of Rotterdam en/of Blaricum

en/of Laren en/of Bussum, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging

met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) aan iemand, te weten [naam medeverdachte 4]

, die anders dan als ambtenaar, werkzaam in dienstbetrekking bij

Fortis Bank (Nederland) NV (in de functie van [naam functie 2] op de afdeling

Public Finance van het Metier Merchant Banking), naar aanleiding van hetgeen

deze [naam medeverdachte 4] in dienstbetrekking heeft gedaan en/of nagelaten dan wel

zal doen of nalaten, (telkens) een of meer gift(en), te weten de betaling van

een of meer geldbedrag (en) (te weten: 1 x circa Euro 5.000,- en/of 2 x circa

Euro 10.000,- en/of 1 x circa Euro 28.249,-) tot een totaalbedrag van circa

Euro 53.249,-, in elk geval enig(e) geldbedrag(en), heeft/hebben gedaan van

die aard en/of onder zodanige omstandigheden dat hij, verdachte, en/of zijn

mededader(s), redelijkerwijs moest(en) aannemen dat die [naam medeverdachte 4] deze

gift(en) in strijd met de goede trouw zou/zal verzwijgen tegenover zijn

werkgever;

Artikel 328ter lid 2 jo 47 Wetboek van Strafrecht

art 328ter lid 1 Wetboek van Strafrecht

3.

(onderzoek EGELANTIER / gefisnummer 54218):

Hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 25 september

2008 tot en met 19 november 2010 te Lelystad en/of Baarn en/of Laren en/of

Blaricum en/of Bussum en/of Enschede en/of Utrecht, in elk geval in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens)

aan iemand, te weten [naam medeverdachte 2] , optredend als lasthebber van

woningcorporatie Portaal (als lid van de Treasury Commissie van Portaal in de

functie van [naam functie 1] ), naar aanleiding van hetgeen deze [naam medeverdachte 2]

bij de uitvoering van diens last heeft gedaan of nagelaten dan wel

zal doen of nalaten (telkens) een of meer gift(en), te weten de betaling van

een of meer geldbedragen tot een totaalbedrag van circa Euro 464.830,- (via

[naam bedrijf 4] (ten bedrage van circa Euro 232.415,-)) en/of [naam bedrijf 1]

: met ingang van 4 juli 2013 genaamd [naam bedrijf 3] (ten bedrage van circa

Euro 232.415,-)), in elk geval enig(e) geldbedrag(en), heeft gedaan van die

aard en/of onder zodanige omstandigheden dat hij, verdachte, en/of zijn

mededader(s) redelijkerwijs moest(en) aannemen dat die [naam medeverdachte 2] deze

gifte(n) in strijd met de goede trouw zou/zal verzwijgen tegenover zijn

lastgever

en/of

Hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 23 december 2008

tot en met 19 november 2010 te Lelystad en/of Baarn en/of Laren en/of Blaricum

en/of Bussum en/of Enschede, in elk geval in Nederland, tezamen en in

vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) aan iemand, te

weten [naam medeverdachte 2] , optredend als lasthebber van woningcorporatie De

Woonplaats (als lid van de Treasury Commissie van De Woonplaats in de functie

van [naam functie 1] ), naar aanleiding van hetgeen deze [naam medeverdachte 2] bij

de uitvoering van diens last heeft gedaan of nagelaten dan wel zal doen of

nalaten (telkens) een of meer gift(en), te weten de betaling van een of meer

geldbedragen tot een totaalbedrag van circa Euro 233.330,- (via [naam bedrijf 4]

(ten bedrage van circa Euro 116.665,-)) en/of [naam bedrijf 2] ; met

ingang van 4 juli 2013 genaamd [naam bedrijf 3] (ten bedrage van circa Euro

116.665,-)), in elk geval enig(e) geldbedrag(en), heeft gedaan van dien aard

en/of zodanige omstandigheden dat hij, verdachte, en/of zijn mededader(s)

redelijkerwijs moest(en) aannemen dat die [naam medeverdachte 2] deze gifte(n) in

strijd met de goede trouw zou/zal verzwijgen tegenover zijn lastgever;

Artikel 328ter lid 2 jo 47 Wetboek van Strafrecht

art 328ter lid 1 Wetboek van Strafrecht

4.

(onderzoek EGELANTIER / gefisnummer [nummer 2] ):

Hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 16 juni 2008 tot

en met 18 september 2014 te Bussum, in elk geval in Nederland, tezamen en in

vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk voorhanden

heeft gehad

twaalf (12), althans een of meer, factu(u)r(en) van [naam medeverdachte rechtspersoon]

en/of [naam medeverdachte 2] , gericht aan [naam bedrijf 2] (vanaf 4 juli 2013

genaamd [naam bedrijf 3] ) en/of hem, verdachte, ten bedrage van in totaal circa

Euro 478.581,33 (te weten: D-096 en/of D-095 en/of D-094 en/of D-098 en/of

D-101 en/of D-100 en/of D-099 en/of D-102 en/of D-103 en/of D-105 en/of D-104

en/of D-106 )

zijnde (telkens) (een) geschrift(en) dat/die bestemd was/waren om tot bewijs

van enig feit te dienen, terwijl hij verdachte en/of zijn mededader(s)

(telkens) wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden, dat dat/die

geschrift(en) bestemd was/waren tot gebruik als ware dat/die geschrift(en)

echt en onvervalst, en bestaande die valsheid en/of vervalsing (telkens)

hierin

dat op/in die factu(u)r(en) is vermeld dat door [naam medeverdachte rechtspersoon]

en/of [naam medeverdachte 2] werkzaamheden en/of diensten (te weten: "bemiddeling

financiering") zijn verricht ten behoeve van/voor [naam bedrijf 2] , en/of hem,

verdachte, terwijl in werkelijkheid die werkzaamheden en/of diensten niet,

althans niet geheel, door [naam medeverdachte rechtspersoon] en/of [naam medeverdachte 2]

zijn verricht ten behoeve van/voor [naam bedrijf 2] en/of hem,

verdachte,

en/of (telkens)

dat op/in die factu(u)r(en) (een) factuurbedrag(en) is/zijn vermeld dat/die in

werkelijkheid geen, althans niet volledig, betrekking heeft op die in die

factu(u)r(en) vermelde(n) werkzaamheden en/of diensten;

Artikel 225 lid 2 jo 47 Wetboek van Strafrecht

art 225 lid 2 Wetboek van Strafrecht

1 Renteruil-overeenkomsten en andere meer complexe financiële producten bedoeld om toekomstige rentelastrisico’s terug te brengen tot rentelastzekerheid.

2 Zie o.m. Hoge Raad 16 januari 2018, ECLI:NL:HR:2018:35 (https://linkeddata.overheid.nl/front/portal/document-viewer?ext-id=ECLI:NL:HR:2018:35) en de conclusie van AG mr. D.J.C. Aben bij dit arrest, ECLI:NL:PHR:2017:1448 (https://linkeddata.overheid.nl/front/portal/document-viewer?ext-id=ECLI:NL:PHR:2017:1448)

3 Zie ook Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 6 juni 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:5175 (https://linkeddata.overheid.nl/front/portal/document-viewer?ext-id=ECLI:NL:GHARL:2018:5175)

4 Vgl gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 6 juni 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:5175 (http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2018:5175) r.o. 7.6.1 (mega-onderzoek Mount Nepal) en A-G Dorst in zijn conclusie onder Hoge Raad 6 juli 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD:1370: “dat aan in het Wetboek van Strafrecht voorkomende begrippen die tevens behoren tot het begrippenapparaat van een ander rechtsgebied, niet steeds de betekenis moet worden toegekend die zij in dat andere rechtsgebied hebben. Aan dergelijke begrippen kan en moet juist veelal een autonome betekenis worden gegeven welke tegemoet komt aan de strekking van de desbetreffende strafrechtelijke regeling.”

5 Dit is de begindatum van de tenlastegelegde feiten.