Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:6081

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
26-07-2018
Datum publicatie
26-07-2018
Zaaknummer
10/710269-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Doodslag. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan doodslag. Hij heeft op uiterst gewelddadige wijze met een hamer op het lichaam van het slachtoffer ingeslagen. Vervolgens heeft hij bij het slachtoffer, die inmiddels in verzwakte toestand verkeerde, een spanband om de nek/hals gedaan, deze met veel kracht aangesnoerd en aan een deurklink vastgebonden, waarna het slachtoffer door verwurging is komen te overlijden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JERF 2018/312
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 1

Parketnummer: 10/710269-17

Datum uitspraak: 26 juli 2018

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] ( [geboorteland verdachte] ) op [geboortedatum verdachte] ,

laatstelijk woonachtig [adres verdachte] , [woonplaats verdachte] ,

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Rotterdam, locatie De Schie,

raadsman mr. R. van ʼt Land, advocaat te Breda.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 12 juli 2018.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. J. Boender heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het impliciet primair ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 jaar met aftrek van voorarrest.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Partiële vrijspraak van de impliciet primair ten laste gelegde “voorbedachte raad” (moord)

4.1.1.

Standpunt officier van justitie

De officier heeft zich op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend bewezen is dat de verdachte heeft gehandeld met voorbedachten rade, zodat tot een bewezenverklaring dient te worden gekomen van de impliciet primair ten laste gelegde moord op het slachtoffer.

Tussen het slaan met de hamer en het wurgen heeft de verdachte bedacht dat hij handschoenen aan wilde doen, omdat het aantrekken van de spanband om de nek van het slachtoffer pijn en wonden aan zijn handen zou kunnen veroorzaken. Dit betreft een weloverwogen daad. Verder heeft de verdachte verklaard dat hij de spanband om de nek van het slachtoffer heeft gedaan en heeft aangesnoerd met het doel het slachtoffer ‘een beetje uit te schakelen’, met het doel dat hij ‘een beetje bewusteloos’ zou worden, zodat het gevecht ten einde zou komen. Hieruit volgt dat de verdachte de tijd heeft gehad en ook heeft genomen om na te denken over zijn handelen en de gevolgen van zijn beslissing. Hij heeft bewust de beslissing genomen het slachtoffer uit te schakelen en daarvoor een methode gekozen waarvan hij wist dat die tot de dood van het slachtoffer kon leiden.

4.1.2.

Beoordeling

Voor bewezenverklaring van het bestanddeel ‘voorbedachte raad’ moet komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit – hetgeen in de tenlastelegging gewoonlijk met de termen ‘kalm beraad en rustig overleg’ wordt aangeduid – en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.
Bij de vraag of sprake is van voorbedachte raad gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval, waarbij de rechter het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten. De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt een belangrijke objectieve aanwijzing, maar behoeft de rechter niet ervan te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen.

Gebleken is dat getuige [naam getuige 1] , coördinator van het bedrijf waar de verdachte werkte, de verdachte omstreeks 5.35 uur in de ochtend, kort voor het gewelddadige incident tussen de verdachte en het slachtoffer, nog heeft gezien toen hij hem een paar werkhandschoenen kwam brengen. Getuige [naam getuige 2] , verdachtes buurman, heeft omstreeks 5.55 uur de politie laten bellen, nadat hij geschreeuw uit de woning van de verdachte had gehoord en hij vervolgens bloed zag. Op het moment van bellen was het volgens [naam getuige 2] weer stil in de woning van de verdachte. Nadat de politie ter plaatse was gekomen, trof zij de verdachte en het vermoedelijk toen al overleden slachtoffer aan. Dat betekent dat het incident maximaal 20 minuten heeft geduurd.

[naam getuige 1] heeft verklaard dat de verdachte op het moment van het afgeven van de handschoenen heel relaxt op hem overkwam. Gelet hierop en aangezien daar ook overigens in het dossier geen aanwijzingen voor zijn (zoals een langslepende ruzie of een afrekening in het criminele circuit), acht de rechtbank aannemelijk dat er op dat moment nog niets aan de hand was en er bij de verdachte geen sprake was van een (vooropgezet) plan om het slachtoffer, met wie hij immers bevriend was, van het leven te beroven.

Niet kan worden uitgesloten dat, zoals de verdachte van meet af aan heeft verklaard, het slachtoffer in eerste instantie de agressor was en hij de verdachte bij terugkomst in zijn woning onverwacht heeft aangevallen. Dit past ook bij de geconstateerde verwonding van de verdachte. De rechtbank acht het aannemelijk dat de verdachte daarom is overgegaan tot het slaan van het slachtoffer met de hamer en dat er op dat moment geen sprake was geweest van kalm beraad en rustig overleg.

Ook daarna is er geen sprake geweest van kalm beraad en rustig overleg. Anders dan de officier van justitie is de rechtbank namelijk van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat de verdachte vervolgens in het tijdsbestek tussen het meermalen slaan met de hamer en het aantrekken van de band om de nek van het slachtoffer, in welk tijdsbestek hij de handschoenen heeft gepakt, daadwerkelijk gelegenheid heeft gehad om na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen handeling, te weten de spanband om de nek van de verdachte doen en aansnoeren, en zich rekenschap te geven van de gevolgen daarvan. Daartoe was dat tijdsbestek eenvoudigweg te kort.

Op grond van het voorgaande acht de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte met voorbedachten rade heeft gehandeld, zodat hij van de impliciet primair tenlastegelegde moord wordt vrijgesproken.

4.2.

Opzet

4.2.1.

Standpunt verdediging

De verdediging stelt zich op het standpunt dat er geen sprake is geweest van (voorwaardelijk) opzet van de verdachte op de dood van het slachtoffer. De verdachte heeft van meet af aan verklaard dat hij heeft gehandeld in paniek en angst en dat hij de spanband om de nek van het slachtoffer heeft gewikkeld en aangesnoerd om het slachtoffer rustig te krijgen en hem te laten stoppen met hem, verdachte, aanvallen. Hij had daarmee dus niet de intentie het slachtoffer te doden.

4.2.2.

Beoordeling

Verbalisant [naam verbalisant] , die het slachtoffer heeft aangetroffen, heeft gerelateerd dat hij geprobeerd heeft de spanband om de nek van het slachtoffer los te maken, maar dat dit hem veel moeite kostte doordat de band zeer strak om de nek gewikkeld zat en wel zo strak, dat de diameter van de nek van het slachtoffer aanzienlijk kleiner was geworden. Op een foto van het slachtoffer die na de verwijdering van de spanband is genomen, is op de hals van het slachtoffer een diep donkergekleurd snoerspoor te zien. Uit het sectierapport volgt dat verwurging de doodsoorzaak is geweest. Hieruit moet worden geconcludeerd dat de verdachte de spanband met aanzienlijke kracht heeft aangesnoerd en de band zeer strak om de nek van het slachtoffer heeft laten zitten. Het door de verdediging geschetste scenario dat de verdachte met het aansnoeren van de spanband heeft beoogd het slachtoffer ‘een beetje uit te schakelen’ en hiermee slechts tot doel had dat het slachtoffer buiten bewustzijn raakte, acht de rechtbank onder deze omstandigheden volstrekt ongeloofwaardig. Het met aanzienlijke kracht aansnoeren van de spanband en het strak om de nek laten zitten daarvan moet naar zijn uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer gericht op de dood van het slachtoffer – het is immers een feit van algemene bekendheid dat een dergelijke wurghandeling zeer wel de dood tot gevolg kan hebben – dat wettig en overtuigend bewezen is dat de verdachte opzet (in de zin van rechtstreeks opzet) op de dood van het slachtoffer heeft gehad.

Op grond hiervan acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de impliciet subsidiair tenlastegelegde doodslag.

4.3.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

hij op 29 augustus 2017 te Rotterdam

opzettelijk een persoon genaamd [naam slachtoffer] van het leven heeft beroofd,

immers heeft verdachte opzettelijk meermalen met kracht met

een hamer op het hoofd van die [naam slachtoffer] geslagen en een spanband om de nek/hals van die [naam slachtoffer] gedaan en daarna die spanband met kracht aangetrokken,

ten gevolge waarvan voornoemde [naam slachtoffer] is overleden.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

5 Strafbaarheid feit en strafbaarheid verdachte

5.1

Strafbaarheid feiten en strafbaarheid verdachte

5.1.1.

Standpunt verdediging

Door de raadsman is primair een beroep gedaan op noodweer, subsidiair op noodweerexces en meer subsidiair op putatief noodweer. Dit zou moeten leiden tot ontslag van alle rechtsvervolging.

5.1.2.

Beoordeling

Voor een geslaagd beroep op noodweer(exces) moet aannemelijk zijn geworden dat het handelen van de verdachte was geboden door de noodzakelijke verdediging van zijn eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding. Voor een geslaagd beroep op putatief noodweer is vereist dat de verdachte redelijkerwijs in de veronderstelling kon verkeren dat sprake was van een (dreigende) ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding.

Zoals hiervoor onder rechtsoverweging 4.1.2. is overwogen, kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden uitgesloten dat het slachtoffer de verdachte onverwachts van achteren heeft gegrepen, op het bed heeft getrokken, met zijn benen in een houdgreep heeft genomen en met een hamer op zijn hoofd geprobeerd heeft te slaan. Dit betreft een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van verdachtes lijf door het slachtoffer waartegen de verdachte zich mocht verdedigen.

Over de verdere toedracht heeft de verdachte het volgende verklaard. Het slachtoffer heeft één keer het hoofd van de verdachte kunnen raken voordat de verdachte de hamer van hem afpakte. Vervolgens heeft de verdachte met de hamer naar achteren geslagen en het slachtoffer meermalen op het hoofd en het lichaam geraakt. Daarna heeft hij zich van het slachtoffer kunnen losmaken en is hij van het bed gesprongen. Het slachtoffer is hem gevolgd, waarna de worsteling zich op de grond voor het bed heeft voortgezet en waarbij het slachtoffer probeerde een spanband om de nek van de verdachte te wikkelen. Uiteindelijk was het slachtoffer dermate verzwakt dat de verdachte zich wederom van hem heeft kunnen bevrijden. Toen de verdachte opstond, voelde hij de spanband die het slachtoffer om de nek van de verdachte had willen wikkelen, om zijn schouder hangen. Hij besloot deze spanband om de nek van het slachtoffer te doen om hem hiermee zodanig ‘uit te schakelen’ dat hij zou stoppen met aanvallen. Hij heeft het licht aangedaan, handschoenen gepakt en deze aangetrokken, zodat hij bij het om- en aansnoeren van de spanband om de nek van het slachtoffer zijn handen niet zou verwonden. Hij heeft vervolgens de spanband om de nek van het slachtoffer gewikkeld en tien seconden aangetrokken, zijnde de tijd die naar zijn inschatting nodig zou zijn om het slachtoffer ‘een beetje bewusteloos’ te maken, zodat hij hem niet meer kon aanvallen. Toen hij hoorde dat het slachtoffer snurkgeluiden maakte, heeft hij de spanband meteen losgelaten. Vervolgens wilde hij uitzoeken of en waar hij zelf gewond was geraakt. Om te kunnen horen of het slachtoffer op zou staan, heeft hij de spanband om de nek van het slachtoffer aan de deurklink vastgebonden, waarna hij naar de douche is gegaan om zich af te spoelen.

Noodweer

Afgezien van de vraag of en in hoeverre de verklaring van de verdachte conform de waarheid is, kan uit het door hem geschetste scenario en de overige bewijsmiddelen niet anders worden afgeleid dan dat op zijn laatst vanaf het (rust)moment na de worsteling op de grond, waarna de verdachte opstond en het licht aandeed, de aanranding voorbij was. Op dat moment was het slachtoffer, zoals volgt uit de verklaring van de verdachte en het sectierapport, door het reeds toegepaste geweld op zijn hoofd en lichaam, waarbij hij veel bloed had verloren, kennelijk al dermate verzwakt dat hij niet meer in staat was om op te staan, zich te verweren, laat staan verdachte aan te vallen. Dit blijkt ook uit de omstandigheid dat de verdachte de handschoenen heeft kunnen pakken en in staat was om de spanband om de nek van het slachtoffer te wikkelen en deze aan te trekken. Dit betekent dat het aansnoeren van de spanband door de verdachte, hetgeen blijkens het sectierapport tot de dood van het slachtoffer heeft geleid, heeft plaatsgevonden toen de noodweersituatie al voorbij was, zodat geen verdediging (meer) noodzakelijk was. Het beroep op noodweer kan daarom niet slagen.

Noodweerexces

Van een verontschuldigbare overschrijding van de grenzen van noodzakelijke verdediging (noodweerexces) kan ook sprake zijn indien – zoals in het onderhavige geval – op het tijdstip van de aan de verdachte verweten gedraging de noodweersituatie weliswaar is beëindigd en derhalve de noodzaak tot verdediging niet meer bestaat. Daarvoor is nodig dat zijn gedragingen het onmiddellijke gevolg zijn geweest van een hevige gemoedsbeweging die is veroorzaakt door de daaraan voorafgaande wederrechtelijke aanranding. Bij de beantwoording van de vraag of in een concreet geval van een dergelijk ‘onmiddellijk gevolg’ sprake is geweest, komt betekenis toe aan de mate waarin de grenzen van de noodzakelijke verdediging zijn overschreden alsmede aan de aard en de intensiteit van de hevige gemoedsbeweging.

De verdachte heeft verklaard dat hij ook ten tijde van het aantrekken van de spanband nog in paniek en uit angst heeft gehandeld. De rechtbank acht dit niet aannemelijk. Het strookt immers niet met verdachtes verklaring ter zitting dat indien het slachtoffer tijdens de worsteling op de grond op enig moment zou zijn gestopt met aanvallen en hem zijn excuses zou hebben aangeboden, er wat betreft de verdachte niets meer aan de hand zou zijn geweest. Ook het aantrekken van de handschoenen, kennelijk om te voorkomen dat het aansnoeren van de spanband pijn zou doen en wonden zou veroorzaken, en de wurging, waarbij hij tot tien zou hebben geteld, zijn contra-indicaties voor een hevige gemoedsbeweging. Ook de momenten na de wurging, waarin de verdachte de spanband om de deurklink heeft gebonden en naar de douche is gegaan om te kijken in hoeverre hij zelf verwondingen had opgelopen, duiden niet op een hevige gemoedsbeweging. Gelet hierop kan, ook indien van de door de verdachte gestelde feiten wordt uitgegaan, de door hem gepleegde doodslag niet worden aangemerkt als een onmiddellijk gevolg van een door de aanranding veroorzaakte hevige gemoedstoestand. Daarbij kent de rechtbank ook belang toe aan de mate van disproportionaliteit van de bewezenverklaarde wurging. Gelet hierop kan het beroep op noodweerexces niet slagen.

Putatief noodweer

Ook het beroep op putatief noodweer kan niet slagen. Op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting zijn geen feiten en omstandigheden aannemelijk geworden waaruit kan worden afgeleid dat er op het moment van de wurging sprake was van een situatie waarin de verdachte abusievelijk maar verschoonbaar heeft kunnen menen dat er (nog) sprake was van een noodweersituatie. Zoals hiervoor is overwogen was het slachtoffer al voor het moment van de wurging kennelijk zo verzwakt, dat onwaarschijnlijk is dat hij nog iets gedaan of gezegd heeft waaruit de verdachte zou kunnen afleiden hij opnieuw in de aanval zou gaan.

De beroepen op noodweer, noodweerexces en putatief noodweer worden dan ook verworpen.

5.1.3.

Conclusie

Het feit is dus strafbaar en de verdachte is strafbaar.

Het bewezen feit levert op:

doodslag

6 Motivering straf

6.1.

Algemene overweging

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

6.2.

Feit waarop de straf is gebaseerd

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan doodslag. Hij heeft op uiterst gewelddadige wijze met een hamer op het lichaam van het slachtoffer ingeslagen. Verder heeft hij bij het slachtoffer, die inmiddels in verzwakte toestand verkeerde, een spanband om de nek/hals gedaan, deze met veel kracht aangesnoerd en aan een deurklink vastgebonden, waarna het slachtoffer door verwurging is komen te overlijden.

Door dit misdrijf is het slachtoffer het meest fundamentele recht, namelijk het recht op leven, ontnomen. Daaraan voorafgaand moet hij enige tijd in doodsangst hebben verkeerd. Daarnaast heeft de verdachte de nabestaanden van het slachtoffer onherstelbaar leed aangedaan. De emotionele gevolgen die de nabestaanden van het slachtoffer door het handelen van de verdachte hebben ondervonden en nog immer ondervinden blijken uit de schriftelijke slachtofferverklaring van de moeder. Zij en haar naasten zitten met veel vragen over wat er precies is gebeurd, vragen waarop zij waarschijnlijk nooit antwoord zullen krijgen. Delicten als de onderhavige brengen bovendien in de samenleving hevige onrust teweeg en veroorzaken bij betrokkenen voor lange tijd gevoelens van onveiligheid.

6.3.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

De rechtbank heeft kennis genomen van:

  • -

    het rapport van het Leger des Heils, Jeugdbescherming en Reclassering, gedateerd 1 november 2017;

  • -

    het rapport van psycholoog drs. J.J. van der Weele, gedateerd 9 november 2017;

  • -

    het rapport van psychiater G.H.E. Van Hoecke, gedateerd 16 november 2017.

Uit deze rapporten komt naar voren dat de verdachte volledig toerekeningsvatbaar kan worden geacht. Indien de verdachte schuldig wordt bevonden, wordt geadviseerd een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen.

De rechtbank is het met deze conclusies eens en neemt deze over.

6.4.

Conclusies van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

Gezien de beschreven ernst van het feit kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een langdurige gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd. De rechtbank zal ten gunste van de verdachte afwijken van de eis van de officier van justitie, omdat de verdachte – anders dan door de officier van justitie is gevorderd – zal worden vrijgesproken van moord. Bovendien wordt in strafverminderende zin rekening gehouden met het feit dat de rechtbank ervan uitgaat dat de doodslag is voorafgegaan door een aanval van het slachtoffer op de verdachte in zijn eigen woning.

Alles afwegend acht de rechtbank een gevangenisstraf van 8 jaar passend en geboden.

7 Vordering benadeelde partij/schadevergoedingsmaatregel

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [naam benadeelde] , nabestaande (moeder) van het slachtoffer [naam slachtoffer] , ter zake van het ten laste gelegde feit. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 4.704,85 aan materiële schade. Ter zitting is de vordering tot vergoeding van € 30.000,- aan immateriële schade ingetrokken.

7.1.

Standpunt officier van justitie en de verdediging

De officier heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij. De verdediging heeft zich aan het oordeel van de rechtbank gerefereerd.

7.2.

Beoordeling

Nu is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij door het bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks (materiële) schade is toegebracht en de gevorderde schadevergoeding de rechtbank ook overigens niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt en door de verdachte niet is weersproken, zal de vordering worden toegewezen.

De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf 12 september 2017, zijnde de datum waarop de schade is ontstaan.

Nu de vordering van de benadeelde partij zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil.

7.3.

Conclusie

De verdachte moet de benadeelde partij een schadevergoeding betalen van € 4.704,85, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 september 2017.

Daarnaast wordt oplegging van schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

8 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 36f en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

9 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

10 Beslissing

De rechtbank:

verklaart niet bewezen, dat de verdachte het impliciet primair ten laste gelegde feit (moord) heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen, dat de verdachte het impliciet subsidiair ten laste gelegde feit (doodslag), zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 (acht) jaar;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;


veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [naam benadeelde] , te betalen een bedrag van € 3.704,85 (zegge: drieduizend zevenhonderdvier euro en vijfentachtig cent), aan materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 12 september 2017 tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij te betalen € 3.704,85 (zegge: drieduizend zevenhonderdvier euro en vijfentachtig cent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 september 2017 tot aan de dag van de algehele voldoening;

beveelt dat bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal van het bedrag van

€ 3.704,85 vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 47 dagen;

toepassing van de vervangende hechtenis heft de betalingsverplichting niet op;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. E. Rabbie , voorzitter,

en mrs. F.A. Hut en R.E. Drenth, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. L. van Dam, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

De oudste rechter, de jongste rechter en de griffier zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 29 augustus 2017 te Rotterdam

opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade een persoon genaamd

[naam slachtoffer] van het leven heeft beroofd,

immers heeft verdachte opzettelijk meermalen, althans eenmaal, met kracht met

een hamer, althans een hard en/of zwaar voorwerp, in/op/tegen het gezicht

en/of hoofd van die [naam slachtoffer] geslagen en/of een spanband, althans een

touw/snoer/ligatuur om de nek/hals van die [naam slachtoffer] gedaan/gebonden/gedraaid

en/of (daarna) die spanband, althans dat/die touw/snoer/ligatuur meermalen,

althans éénmaal met kracht aangetrokken,

tengevolge waarvan voornoemde [naam slachtoffer] is overleden.