Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:6049

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
30-03-2018
Datum publicatie
31-07-2018
Zaaknummer
10/652016-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Aanrijding van een fietser door een automobilist. De rechtbank is van oordeel dat de aanrijding aan de schuld van de verdachte te wijten is. Veroordeling tot een taakstraf voor de duur van 120 uren en ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van zes maanden, waarvan twee voorwaardelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 3

Parketnummer: 10/652016-17

Datum uitspraak: 30 maart 2018

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] ( [land verdachte] ) op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres verdachte] , [woonplaats verdachte]

raadsman mr. S. Visser, advocaat te Hendrik-Ido-Ambacht.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 30 maart 2018.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. E.J.V. Pols heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 120 uren, alsmede een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van negen maanden.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Bewijswaardering

4.1.1.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft vrijspraak van het primair ten laste gelegde bepleit. Aangevoerd is dat de gedragingen van de verdachte (het linksaf slaan waar dat niet mocht en het niet zien van de fietser) geen overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet opleveren.

4.1.2.

Beoordeling

De volgende feiten en omstandigheden kunnen op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen als vaststaand worden aangemerkt. Deze feiten hebben op de terechtzitting niet ter discussie gestaan en kunnen zonder nadere motivering dienen als vertrekpunt voor de beoordeling van de bewijsvraag.

Op 25 oktober 2016 reed de verdachte in zijn auto op de Ringdijk te Rotterdam in de richting van de Peppelweg. Op de kruising met de Wilgenlei besloot hij opeens linksaf te slaan. Hij heeft vervolgens niet gezien dat op het naast de rijbaan liggende fietspad een fietser, mevrouw [naam slachtoffer] , rechtdoor de kruising opreed en heeft (derhalve) geen voorrang aan haar verleend. Hij is met zijn auto tegen haar aangereden waardoor zij ernstig letsel heeft bekomen. Dit letsel - waaronder een verbrijzelde elleboog - betreft zwaar lichamelijk letsel.

Schuld

De verdachte sloeg met zijn auto linksaf waar hij niet linksaf mocht slaan. Volgens de verdachte was hij daarvan niet op de hoogte. De rechtbank is van oordeel dat hij dat wel had behoren te weten. Voor de verdachte bij de kruising aankwam, is hij langs twee gebodsborden gereden waarop de verplichte rijrichting stond aangegeven. De verdachte heeft deze borden kunnen en moeten zien. Naast deze overtreding heeft de verdachte geen voorrang verleend aan de fietser, die komende vanuit dezelfde rijrichting als de verdachte links naast hem het kruispunt opreed.

De verdachte heeft verklaard dat hij in de spiegel en over zijn schouder heeft gekeken, om te controleren of hij kon afslaan en dat hij niets heeft gezien. Op basis van de foto’s van de kruising, die zich in het dossier bevinden, overweegt de rechtbank dat het zicht op het fietspad vanaf de rijbaan onbelemmerd is. De verdachte had de fietser kunnen en moeten zien. De rechtbank gaat ervanuit dat de onverhoedse beweging waarmee de verdachte is afgeslagen, waarover verschillende getuigen hebben verklaard, eraan heeft bijgedragen dat de verdachte de fietser niet heeft gezien.

Gelet op het geheel van de gedragingen van de verdachte, en de aard en de ernst van de overtredingen door hem begaan, beschouwt de rechtbank verdachtes verkeersgedrag als aanmerkelijk onvoorzichtig. Het ongeval is aan zijn schuld te wijten.

4.1.3.

Conclusie

Bewezen is dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet.

4.2.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

hij op 25 oktober 2016 te Rotterdam als verkeersdeelnemer,

namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), zich zodanig

heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft

plaatsgevonden door met dat motorrijtuig aanmerkelijk,

onvoorzichtig te rijden op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Ringdijk,

welk genoemd rijgedrag hierin heeft bestaan dat hij, verdachte, toen daar,

in strijd met een, middels bebording aangegeven, verplicht te volgen

rijrichting, te weten rechtdoor,

op de kruising van die Ringdijk met de Wilgenlei plotseling en met een

krachtige stuurbeweging naar links is afgeslagen en

aldus doende zich niet voldoende ervan heeft vergewist of zich op of ter

hoogte van die kruising overig verkeer bevond en

niet heeft opgemerkt dat een fietser, die op het links van de rijbaan gelegen

fietspad reed in dezelfde rijrichting als hij, verdachte, inmiddels doende was

de kruising rechtdoorgaand over te steken en

die fietser niet heeft laten voorgaan en

in botsing is gekomen met die fietser,

als gevolg waarvan die fietser ten val is gekomen,

waardoor die fietser, genaamd [naam slachtoffer] , zwaar lichamelijk letsel (te

weten een elleboogbreuk en een wond op de onderbuik) werd toegebracht.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

5 Strafbaarheid feit

Het bewezen feit levert op:

Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het feit is dus strafbaar.

6 Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

7 Motivering straffen

7.1.

Algemene overweging

De straffen die aan de verdachte worden opgelegd, zijn gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

7.2.

Feit waarop de straffen zijn gebaseerd

Het is aan de schuld van de verdachte te wijten dat er een verkeersongeval heeft plaatsgevonden. Hij heeft het slachtoffer aangereden, ten gevolge waarvan zij zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. Zij had een wond in haar onderbuik en een verbrijzelde elleboog. Sinds het ongeval is zij hulpbehoevend geworden. Zij heeft iedere dag veel pijn, kan niet meer fietsen en maar kleine stukjes lopen.

7.3.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

7.3.1.

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 8 maart 2018, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

7.4.

Conclusies van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

Bij het bepalen van de hoogte van de straf heeft de rechtbank gelet op de landelijke oriëntatiepunten straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht. Voor het veroorzaken van een verkeersongeval waarbij sprake is van aanmerkelijke schuld en waarbij het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen, geldt volgens deze oriëntatiepunten als uitgangspunt een taakstraf voor de duur van 120 uren en een ontzegging van de rijbevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 6 maanden. De rechtbank ziet in hetgeen hiervoor is overwogen geen aanleiding af te wijken van dit uitgangspunt. Wel weegt de rechtbank mee dat de verdachte na de zomer kan starten met een nieuwe baan, waarvoor hij zijn rijbewijs nodig heeft. Gelet daarop zal een deel van de ontzegging van de rijbevoegdheid voorwaardelijk worden opgelegd.

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straffen passend en geboden.

8 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

9 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

10 Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte het primair ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 120 (honderdtwintig) uren, waarbij de Reclassering Nederland dient te bepalen uit welke werkzaamheden de taakstraf dient te bestaan;

beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 60 (zestig) dagen;

ontzegt de verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de tijd van 6 (zes) maanden;

bepaalt dat van deze ontzegging de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen een gedeelte, groot 2 (twee) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van de proeftijd, die hierbij wordt gesteld op 2 jaar, na te melden voorwaarde overtreedt;

stelt als algemene voorwaarde:

de veroordeelde zal zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maken.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. G.M. Munnichs, voorzitter,

en mrs. J.A.M.J. Janssen-Timmermans en B.E. Dijkers, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. E.L. Vedder, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 30 maart 2018.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 25 oktober 2016 te Rotterdam als verkeersdeelnemer,

namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), zich zodanig

heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft

plaatsgevonden door met dat motorrijtuig zeer, althans aanmerkelijk,

onvoorzichtig en/of onoplettend en/of onachtzaam en/of met aanmerkelijke

verwaarlozing van de te dezen geboden zorgvuldigheid te rijden op de voor het

openbaar verkeer openstaande weg, de Ringdijk,

welk genoemd rijgedrag hierin heeft bestaan dat hij, verdachte, toen daar,

in strijd met een, middels bebording aangegeven, verplicht te volgen

rijrichting, te weten rechtdoor,

op de kruising van die Ringdijk met de Wilgenlei plotseling en/of met een

krachtige stuurbeweging naar links is afgeslagen en/of

(aldus doende) zich niet (voldoende) ervan heeft vergewist of zich op of ter

hoogte van die kruising overig verkeer bevond en/of

niet heeft opgemerkt dat een fietser, die op het links van de rijbaan gelegen

fietspad reed in dezelfde rijrichting als hij, verdachte, inmiddels doende was

de kruising rechtdoorgaand over te steken en/of

die fietser niet heeft laten voorgaan en/of

in botsing of aanrijding is gekomen met die fietser,

als gevolg waarvan die fietser ten val is gekomen,

waardoor die fietser, genaamd [naam slachtoffer] , zwaar lichamelijk letsel (te

weten een elleboogbreuk en een wond op de onderbuik) of zodanig lichamelijk

letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de

uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;

Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

hij op of omstreeks 25 oktober 2016 te Rotterdam als bestuurder van een

motorrijtuig (personenauto), daarmee rijdende op de voor het openbaar verkeer

openstaande weg, de Ringdijk, zich zodanig heeft gedragen dat gevaar op die

weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die

weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;

welk genoemd gedrag hierin heeft bestaan dat hij, verdachte, toen daar,

in strijd met een, middels bebording aangegeven, verplicht te volgen

rijrichting, te weten rechtdoor,

op de kruising van die Ringdijk met de Wilgenlei plotseling en/of met een

krachtige stuurbeweging naar links is afgeslagen en/of

(aldus doende) zich niet (voldoende) ervan heeft vergewist of zich op of ter

hoogte van die kruising overig verkeer bevond en/of

niet heeft opgemerkt dat een fietser, die op het links van de rijbaan gelegen

fietspad reed in dezelfde rijrichting als hij, verdachte, inmiddels doende was

de kruising rechtdoorgaand over te steken en/of

die fietser niet heeft laten voorgaan en/of

in botsing of aanrijding is gekomen met die fietser.