Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:6027

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
25-07-2018
Datum publicatie
02-08-2018
Zaaknummer
C/10/511909 / HA ZA 16-1000
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bevoegdheidsincident. Internationale bevoegdheid. Commuun internationaal bevoegdheidsrecht. Rv. Vermogensschade. Handlungsort. Erfolgsort.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven

zaaknummer / rolnummer: C/10/511909 / HA ZA 16-1000

Vonnis van 25 juli 2018

in de zaak van

[eiser] , handelend onder de naam CSC STRATEGY & FINANCE

wonende te [woonplaats] ,

eiser in de hoofdzaak,

verweerder in het incident,

advocaat mr. M.R. Maathuis te Amsterdam,

tegen

1. de vennootschap naar het recht van de Kaaiman Eilanden

TIGRIS WATER FUND L.P.,

gevestigd te Grand Cayman, Kaaiman Eilanden,

2. de vennootschap naar het recht van Singapore

TIGRIS WATER FUND PTE. LTD.,

gevestigd te Singapore, Republiek Singapore,

3. de vennootschap naar het recht van Singapore

ODYSSEY CAPITAL PTE. LTD.,

gevestigd te Singapore, Republiek Singapore,

4. de vennootschap naar het recht van Singapore

TIGRIS INFRASTRUCTURE PARTNERS PTE. LTD.,

gevestigd te Singapore, Republiek Singapore,

5. [gedaagde 5],

wonende te [woonplaats] ,

6. [gedaagde 6]

wonende te [woonplaats] ,

gedaagden,

eiseressen in het incident,

advocaat mr. M.C. van Leyenhorst te Leiden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding ban 29 juni 2016;

  • -

    de akte houdende overlegging van producties 1 tot en met 15 van eiser (hierna: [eiser] );

  • -

    de incidentele conclusie van gedaagden houdende exceptie van onbevoegdheid, subsidiair tot gefaseerde procesvoering;

  • -

    de bij faxbericht van de advocaat van gedaagden van 11 juli 2017 in het geding gebrachte productie 1 van gedaagden;

  • -

    de incidentele conclusie van antwoord van [eiser] ;

  • -

    de akte overlegging producties (onbevoegdheidsincident) van gedaagden, met producties 2 tot en met 5;

  • -

    de akte overlegging producties van [eiser] , met producties 16 tot en met 19;

  • -

    de pleitnota van de advocaten van gedaagden;

  • -

    de pleitaantekeningen van mr. Maathuis;

  • -

    het proces-verbaal van de pleidooizitting van 19 oktober 2017;

  • -

    de brief van de advocaat van gedaagden van 25 oktober 2017, met vier bijlagen.

1.2.

Partijen hebben vonnis gevraagd.

2 De vordering in de hoofdzaak

2.1.

[eiser] vordert dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:

  1. gedaagden hoofdelijk zal veroordelen tot betaling aan hem van US$ 6.000.000, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van opeisbaarheid van de vordering, althans vanaf de dag van verzuim, althans vanaf de dag van de dagvaarding, tot de dag van de algehele voldoening;

  2. gedaagden hoofdelijk zal veroordelen tot betaling aan hem van een bedrag van € 6.775 aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van verzuim tot de dag van de algehele voldoening;

  3. gedaagden hoofdelijk zal veroordelen in de proceskosten, waaronder de kosten van beslaglegging, onder de bepaling dat (i) de proceskosten en de kosten van beslaglegging voldaan dienen te worden binnen veertien dagen na het in dezen te wijzen vonnis en, voor het geval voldoening niet binnen deze termijn plaatsvindt, (ii) te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf bedoelde termijn voor voldoening, alsmede (iii) in de nakosten ten bedrage van € 131 dan wel € 199 ingeval betekening plaatsvindt.

2.2.

Hieraan legt [eiser] – samengevat weergegeven – het volgende ten grondslag:

2.2.1.

Bij dagvaarding stelde [eiser] dat hij op 15 november 2010 een overeenkomst had gesloten met zowel gedaagde Tigris Water Fund L.P. (hierna: TWF LP) als gedaagde Tigris Water Fund Pte. Ltd. (hierna TWF PL) met betrekking tot het verwerven van investeerders in het toen nog op te richten fonds Tigris. Vanaf zijn conclusie van antwoord in het incident neemt [eiser] het standpunt in dat hij die overeenkomst slechts met TWF LP heeft gesloten. De rechtbank gaat voorbij aan de opmerking van [eiser] bij pleidooi dat hij (ook) met gedaagde [gedaagde 5] (hierna: [gedaagde 5] ) en gedaagde [gedaagde 6] (hierna: [gedaagde 5] ) heeft gecontracteerd, omdat [eiser] nalaat te stellen dat en waarom hij heeft mogen aannemen dat [gedaagde 5] en/of [gedaagde 5] daarbij voor zichzelf handelden (en niet namens een rechtspersoon, zoals TWF LP).

2.2.2.

Op grond van deze overeenkomst heeft [eiser] recht op een aandeel in de manager van het Tigris waterfonds (“10% of the Management Team’s share in the General Partner”) wanneer [eiser] een investeerder bereid zou hebben gevonden om te investeren in dat fonds. Deze vergoeding wordt hierna aangeduid als de Success Fee. De Success Fee heeft een waarde van US$ 6.000.000.

2.2.3.

[eiser] heeft voldaan aan zijn verplichtingen onder de overeenkomst en is dus gerechtigd tot de Success Fee.

2.2.4.

TWF LP komt haar verbintenissen onder de overeenkomst niet na door [eiser] de Success Fee niet te verschaffen of de waarde ervan aan hem te betalen.

2.2.5.

Odyssey Capital Pte. Ltd. (hierna: Odyssey), Tigris Infrastructure Partners Pte. Ltd. (hierna: TIP PL), Young en [gedaagde 5] handelen onrechtmatig door te bewerkstelligen dat TWF LP haar contractuele verbintenissen jegens [eiser] niet nakomt.

2.2.6.

[eiser] lijdt schade door het mislopen van de Success Fee. Deze schade beloopt US$ 6.000.000.

2.2.7.

Daarom zijn (of: is ieder van) gedaagden hoofdelijk verplicht om dat bedrag aan [eiser] te betalen.

2.2.8.

De Nederlandse rechter heeft rechtsmacht op grond van artikel 6 aanhef en onder a en onder e Rv en deze rechtbank is relatief bevoegd op grond van artikel 109 Rv.

3 Het geschil in het incident

3.1.

Gedaagden vorderen dat de rechtbank, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:

primair: zich onbevoegd zal verklaren kennis te nemen van de vorderingen van [eiser] ;

subsidiair: zal bepalen dat eerst de ontvankelijkheid van [eiser] in zijn vorderingen uit hoofde van overeenkomst zal worden beoordeeld en pas daarna de overige onderdelen van diens vorderingen;

meer subsidiair: zal bepalen dat tussentijds hoger beroep wordt toegestaan van het vonnis van deze rechtbank indien daarin het primair en subsidiair gevorderde wordt afgewezen;

primair en subsidiair: [eiser] zal veroordelen in de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente van artikel 6:119 BW indien deze kosten niet worden voldaan binnen veertien dagen na de datum van het in dezen te wijzen vonnis.

3.2.

Hieraan leggen gedaagden – samengevat weergegeven – het volgende ten grondslag.

3.2.1.

De Nederlandse rechter heeft geen rechtsmacht om kennis te nemen van de vorderingen van [eiser] , onverschillig of dit vorderingen zijn uit overeenkomst of uit onrechtmatige daad.

[eiser] heeft tegen TWF LP (en TWF PL) een vordering ingesteld op grond van een overeenkomst en tegen Odyssey, TIP PL, Young en [gedaagde 5] een vordering op grond van een onrechtmatige daad.

3.2.2.

Er is geen rechtsmacht ten aanzien van de gestelde vordering uit overeenkomst, omdat:

  • -

    i) [eiser] geen overeenkomst heeft gesloten met (een van) de gedaagden;

  • -

    ii) het aanbod van zijn zijde, waar [eiser] de overeenkomst op baseert, namelijk de als productie 3 door [eiser] in het geding gebrachte brief van 15 november 2010, niet van [eiser] afkomstig is, maar van de besloten vennootschap CSC Strategy & Finance at Work B.V.; voor zover al moet worden aangenomen dat deze brief van 15 november 2010 heeft geresulteerd in enige overeenkomst, is de overeenkomst gesloten met deze vennootschap en niet met [eiser] ;

  • -

    iii) CSC Strategy & Finance at Work B.V. weliswaar eind 2014 opgehouden te bestaan, maar daarmee haar rechten niet zijn overgegaan op [eiser] , die immers slechts de (indirecte) aandeelhouder van deze vennootschap was.

3.2.3.

Er is geen rechtsmacht ten aanzien van de gestelde vordering uit onrechtmatige daad, omdat:

  • -

    i) gelet op de gestelde grondslag, frustreren c.q. weigeren van de nakoming van de gestelde overeenkomst, de vordering afhankelijk is van het al dan niet bestaan van de gestelde overeenkomst;

  • -

    ii) [eiser] op grond van de gestelde overeenkomst niets te vorderen heeft, zodat de door [eiser] gestelde vordering uit onrechtmatige daad ook niet bestaan;

  • -

    iii) [eiser] geen partij is bij de door hem gestelde overeenkomst, kan hij geen schade hebben geleden als gevolg van een onrechtmatige daad die bestaat uit het frustreren c.q. weigeren van de nakoming van deze overeenkomst;

  • -

    iv) [eiser] geen (indirect) aandeelhouder meer van CSC Strategy & Finance at Work B.V. is;

  • -

    v) het gestelde schadebrengende feit zich niet in Nederland heeft voorgedaan; het Handlungsort is namelijk volgens de stellingen van [eiser] niet gelegen in Nederland, aangezien [gedaagde 5] , [gedaagde 5] , Odyssey en TIP PL geen woonplaats hebben in Nederland; ook het Erfolgsort ligt niet in Nederland, omdat de schade volgens [eiser] bestaat uit het door hem mislopen van de Success Fee, welke vergoeding volgens hem bestaat uit een belang van 10% in de manager van het Tigris fonds, terwijl deze manager een vennootschap in Singapore is; de gestelde omstandigheid dat [eiser] (indirect) vermogensschade in Nederland lijdt omdat hij de Succes Fee niet geleverd krijgt, maakt Nederland niet het Erfolgsort; datzelfde geldt voor wat betreft een vordering tot vervangende schadevergoeding.

3.2.4.

Voor zover de rechtbank oordeelt dat, in het kader van de beoordeling van de rechtsmacht, onvoldoende is komen vast te staan dat [eiser] niet de contractspartij van TWF LP is, verzoeken gedaagden de rechtbank te beslissen dat over deze vraag eerst en separaat verder wordt geprocedeerd en geoordeeld. Immers, zolang niet vaststaat dat TWF LP de contractuele wederpartij van [eiser] is bij de door [eiser] gestelde overeenkomst, zou het inefficiënt zijn om reeds een processueel debat te voeren over vragen over niet-nakoming van contractuele verbintenissen, het bestaan en de omvang van schade en dergelijke.

3.3.

[eiser] concludeert tot afwijzing van de vorderingen van gedaagden, met veroordeling van gedaagden in de proceskosten en de nakosten, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis.

3.4.

Tot zijn verweer tegen de primaire vordering van gedaagden voert [eiser] de volgende argumenten aan.

3.4.1.

De Nederlandse rechter heeft wel rechtsmacht en deze rechtbank heeft wel bevoegdheid ten aanzien van de vordering uit overeenkomst, om de volgende redenen.

In de brief van 15 november 2010 heeft [eiser] het over “I” en “My”, waarmee hij zichzelf bedoelt en niet enig ander. [eiser] heeft deze brief bovendien persoonlijk ondertekend en niet namens CSC Strategy & Finance at Work B.V. Gelet op de e-mails van 15 en 16 november 2010 (productie 4 van [eiser] ) hebben gedaagden, in ieder geval [gedaagde 5] en [gedaagde 5] , dit ook zo begrepen. [eiser] is dus de contractspartij. De omstandigheid dat [eiser] de brief van 15 november 2010 op briefpapier van CSC Strategy & Finance at Work B.V. heeft gesteld maakt dat niet anders.

Subsidiair, voor zover komt vast te staan dat niet [eiser] maar CSC Strategy & Finance at Work B.V. de overeenkomst is aangegaan, stelt [eiser] zich op het standpunt dat de rechten uit die overeenkomst op hem zijn overgegaan, omdat [eiser] de door CSC Strategy & Finance at Work B.V. gedreven onderneming vanaf eind 2014 als eenmanszaak heeft voortgezet.

3.4.2.

De Nederlandse rechter heeft wel rechtsmacht en deze rechtbank heeft wel bevoegdheid ten aanzien van de vordering uit onrechtmatige daad, om de volgende redenen.

Hier is sprake van (afgeleide) schade van een aandeelhouder van een vennootschap die wordt toegebracht door een derde.

Weliswaar is het Handlungsort niet gelegen in Nederland (maar in Singapore vanwege de woonplaats van de daders), maar het Erfolgsort is wel gelegen in Nederland. De schade die [eiser] lijdt bestaat uit het mislopen van de Success Fee. Dit is in de kern genomen een financiële aanspraak en niet zozeer een aanspraak op aandelen in de (rechtspersoon van de) General Partner. Maar voor zover de afspraak tot betaling van de Success Fee op zichzelf al niet heeft te gelden als een afspraak tot betaling van een financiële vergoeding, vordert [eiser] vervangende schadevergoeding. Door de betaling van deze schadevergoeding aan [eiser] te frustreren handelen gedaagden onrechtmatig, terwijl deze niet-betaling leidt tot schade die [eiser] lijdt in Nederland.

Wat betreft het in Nederland gelegen Erfolgsort in de zin van art 6 sub e Rv is voldoende dat de schade zich in Nederland kan voordoen.

3.5.

De argumenten die [eiser] aanvoert tot zijn verweer tegen de subsidiaire en meer subsidiaire vordering van gedaagden zullen waar nodig bij de beoordeling worden behandeld.

4 De beoordeling

4.1.

Er is sprake van een internationaal geval, omdat [eiser] in Nederland woont en de gedaagden op de Kaaiman Eilanden en in Singapore gevestigd zijn of hun woonplaats hebben.

De gedaagden hebben in hun eerste processtuk, derhalve tijdig, beroep gedaan op het ontbreken van rechtsmacht van de Nederlandse rechter.

De rechtbank dient dan ook te beoordelen of zij internationaal bevoegd is.

4.2.

Zoals gezegd, stelt [eiser] zich (uiteindelijk) op het standpunt dat zijn wederpartij bij de door hem gestelde overeenkomst van 15 november 2010 uitsluitend TWF LP is. De op een overeenkomst gebaseerde vordering van [eiser] is dus uitsluitend gericht tegen TWF LP.

De op een onrechtmatige daad gegronde vordering van [eiser] is gericht tegen Odyssey, TIP PL, [gedaagde 5] en [gedaagde 5] .

Van een vordering van [eiser] tegen TWF PL lijkt geen sprake meer te zijn. In ieder geval heeft [eiser] niet gesteld dat en waarom TWF PL als zijn contractuele wederpartij verplicht moet worden geacht om de Success Fee dan wel vervangende schadevergoeding aan hem te betalen, evenmin dat en waarom TWF PL enige buiten-contractuele aansprakelijkheid jegens hem heeft.

4.3.

Daargelaten dat van een vordering tegen TWF PL geen sprake meer lijkt te zijn, laten de vorderingen van [eiser] tegen ieder van gedaagden laten zich kwalificeren als burgerlijke of handelszaken.

4.4.

Tussen Nederland enerzijds en de Kaaiman Eilanden respectievelijk Republiek Singapore anderzijds noch tussen [eiser] enerzijds en ieder van de gedaagden anderzijds gold ten tijde van het uitbrengen van de dagvaarding of thans enige regeling van internationale rechterlijke bevoegdheid in burgerlijke of handelszaken.

Een forumkeuze tussen [eiser] enerzijds en (een of meer van) de gedaagden anderzijds is gesteld noch gebleken.

Het vorenstaande brengt mee dat de vraag of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft, beantwoord moet worden aan de hand van de regels van het commune Nederlandse internationale bevoegdheidsrecht, waarvan de artikelen 2 tot en met 10 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) deel uitmaken.

4.5.

Aangezien geen van de gedaagden woonplaats (plaats van vestiging) in Nederland heeft, kan de woonplaats niet leiden tot rechtsmacht van de Nederlandse rechter (vgl. artikel 2 Rv).

4.6.

Ten aanzien van de vorderingen van [eiser] gebaseerd op de gestelde overeenkomst met TWF LP overweegt de rechtbank het volgende.

4.6.1.

Ten aanzien van vorderingen gebaseerd op overeenkomst tegen een buitenlandse gedaagde komt de Nederlandse rechter ingevolge artikel 6 aanhef en onder a Rv rechtsmacht toe indien de verbintenis die aan de eis of het verzoek ten grondslag ligt in Nederland is uitgevoerd of moet worden uitgevoerd.

In het geval van de verstrekking van diensten is deze plaats van uitvoering in Nederland gelegen indien de diensten volgens de overeenkomst in Nederland verstrekt werden of verstrekt hadden moeten worden, tenzij anders is overeengekomen, zo is bepaald in artikel 6a aanhef en onder b Rv. Daartoe moet onderzocht worden of de diensten die [eiser] ingevolge de gestelde overeenkomst diende te verstrekken volgens deze overeenkomst verstrekt werden of verstrekt hadden moeten worden in Nederland. Die vraag beantwoordt de rechtbank als volgt.

4.6.2.

Voor de regeling van artikel 6 aanhef en onder a Rv en artikel 6a aanhef en onder b Rv hebben model gestaan artikel 5 sub 1 van de Verordening (EG) Nr. 44/2001 van de Raad betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken van 22 december 2000 (Brussel I-Vo) en haar voorgangster artikel 5 sub 1 van het op 27 september 1968 te Brussel gesloten Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (EEX-Verdrag). Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie inzake het begrip ‘diensten’ in deze regelingen volgt dat het in ieder geval moet gaan om een activiteit waarvoor een tegenprestatie in de vorm van een vergoeding is overeengekomen (HvJ EU 14 november 2013 – Krjeci/Ollbrich ; zaak C-469/12; ECLI:EU:C:2013:788).

4.6.3.

[eiser] stelt dat zijn in de brief van 15 november 2010 neergelegde aanbod is aanvaard door TWF LP met als resultaat de overeenkomst waarop [eiser] zijn onderhavige vorderingen baseert. Voor de aanvaarding van zijn aanbod door TWF LP verwijst [eiser] naar zijn als productie 4 overgelegde correspondentie.

4.6.4.

De brief van 15 november 2010, gesteld op briefpapier van CSC Strategy & Finance at Work B.V., luidt als volgt:

“Asia Water and Clean Environment Fund

C/o [gedaagde 5] CEO

Singapore

Per Email: [e-mail adres]

Rotterdam, 15 November 2010

Re: Financial Advisory Mandate WCEF

Dear Sir,

Following our recent pleasant discussions I would herewith like to offer my advisory services to further the establishment of the Asia Water and Clean Environment Fund (WCEF).

To my understanding WCEF will invest primarily in early stage projects and in expansion equity of companies in the water and clean energy sectors in Asia. At present you have identified an excellent management team with a unique combination of banking expertise, deal origination capabilities and infrastructure operating company experience. Whilst the Business Concept is near completion, investors and primarily the Anchor Investor / Fund Manager, are not yet identified nor secured. The prospective Fund Manager would ideally come in as a substantial investor, pay for the development cost and requires only a modest (minority) equity stake in the Management Company.

1 would be happy to partner with you to further develop and instigate the WCEF concept and have the responsibility for identifying and securing:

• the Anchor Investor / Fund Manager (GP);

• additional Financiers (LPs);

• development budget, if not (fully) serviced by the Fund Manager.

For my possible remuneration we came to an understanding along the following lines;

• a success fee of 10% of the total Management Team’s share in the management Company, upon securing the Fund Manager / Anchor Investor or additional Financiers;

• a retainer fee if development budget is available.

We further agreed to cooperate along the same lines for the possible establishment of a Business Trust that might function as a promising exit vehicle for WCEF.

I would be happy to accept a Board position if you feel it would strengthen the credibility of WCEF and/or the Business Trust. If the WCEF were operational, l would like to assist with structuring individual transactions and secure project finance If so needed.

For the level of retainer fees payable I guess it greatly depends on the possible financier and his willingness to pay during the development phase. A fee ranging between EUR 600 - 1.000 per day for a fixed number of days might be acceptable. Perhaps it would be better to present an overall retainer (per month) for the full development team and discuss the split between ourselves.

Look forward receiving your response.

Kind regards,

[ondertekening]

[eiser] ”.

4.6.5.

In dit voorstel is sprake van activiteiten die aangeboden worden tegen een tegenprestatie, derhalve ‘diensten’ in voormelde zin. Indien het aanbod om zodanig diensten te verstrekken is aanvaard, zoals [eiser] stelt, is aan de eerste voorwaarde van artikel 6 aanhef en onder a Rv, respectievelijk artikel 6a aanhef en onder b Rv voldaan.

4.6.6.

Voor bevoegdheid ingevolge artikel 6a aanhef en onder b Rv is voorts vereist dat de diensten ‘volgens de overeenkomst’ in Nederland werden verstrekt of hadden moeten worden verstrekt. Derhalve dient de plaats van verstrekking van de diensten te worden bepaald aan de hand van hetgeen partijen zijn overeengekomen en in de overeenkomst hebben vastgelegd. De enkele omstandigheid dat de diensten – achteraf bezien – in Nederland zijn verstrekt brengt nog niet mee dat deze ‘volgens de overeenkomst’ in Nederland werden verstrekt of hadden moeten worden verstrekt.

4.6.7.

Noch in de brief van 15 november 2010, noch in de correspondentie van productie 4 is enige plaats aangeduid waar [eiser] de overeengekomen diensten zou moeten verstrekken. Die brief en die correspondentie laten de mogelijkheid open dat [eiser] zijn diensten elders zou verstrekken. Daarom kan niet geconcludeerd worden dat de diensten ‘volgens de overeenkomst’ in Nederland werden verstrekt of hadden moeten worden verstrekt.

4.6.8.

De Nederlandse rechter kan derhalve geen rechtsmacht ontlenen aan het bepaalde in artikel 6a aanhef en onder b Rv.

4.7.

De vraag die vervolgens moet worden beantwoord is of de Nederlandse rechter bevoegd is op grond van artikel 6 aanhef en onder a Rv. Die vraag beantwoordt de rechtbank als volgt.

4.7.1.

Voor de rechtsmacht van de Nederlandse rechter op grond van artikel 6 aanhef en onder a Rv is vereist dat aan het gevorderde een contractuele verbintenis ten grondslag ligt die in Nederland moet worden uitgevoerd.

Aan het vereiste van een contractuele verbintenis die aan het gevorderde ten grondslag ligt is ook voldaan indien geen nakoming wordt gevorderd van een contractuele verbintenis, maar – zoals in de onderhavige zaak – van een wettelijke verbintenis tot vervangende schadevergoeding wegens de niet-nakoming van de desbetreffende contractuele verbintenis (vgl. het ter uitleg van artikel 5 sub 1 EEX-Verdrag gewezen arrest HvJ EG 6 oktober 1976 – De Bloos/Bouyer, zaak 14/76; ECLI:EU:C:1976:134). Uit hetzelfde arrest en recentere rechtspraak van het HvJ volgt dat de plaats of het land van uitvoering steeds is de plaats of het land waar de oorspronkelijke contractuele verbintenis diende te worden uitgevoerd.

4.7.2.

Derhalve dient de rechtbank te onderzoeken waar de tegenprestatie voor de diensten van [eiser] diende te worden verstrekt.

4.7.3.

In het aanbod van [eiser] in de brief van 15 november 2010, waarvan [eiser] stelt dat TWF LP het heeft aanvaard in de van productie 4 deel uitmakende correspondentie, wordt de tegenprestatie als volgt omschreven: “a success fee of 10% of the total Management Team’s share in the management Company upon securing the Fund Manager / Anchor lnvestor or additional Financiers”.

Levert dat een verbintenis op die in Nederland moet worden nagekomen in de zin van artikel 6 aanhef en onder a Rv?

4.7.4.

Uit de bewoordingen daarvan (met name “share in the management Company”) volgt dat de Success Fee niet een te betalen bedrag in geld of dergelijke vormt, maar een aandeel in een rechtspersoon dan wel vennootschap. De betreffende rechtspersoon of vennootschap zou niet in Nederland gevestigd zijn of worden – daarover bestaat tussen partijen geen verschil van mening – maar in Republiek Singapore of de Kaaiman Eilanden. Zoals gedaagden terecht betogen, zal de levering van dat aandeel niet in Nederland, maar elders, moeten plaatsvinden. De verbintenis tot het verstrekken van de Success Fee dient derhalve niet in Nederland te worden uitgevoerd.

4.7.5.

Derhalve biedt de regeling van artikel 6 aanhef en onder a Rv in dit geval geen rechtsmacht.

4.8.

Enige andere grond voor internationale bevoegdheid van de Nederlandse rechter ten aanzien van een op overeenkomst gegronde vordering van [eiser] is gesteld noch gebleken.

4.9.

Voor zover de vorderingen van [eiser] zijn gebaseerd op verbintenissen uit overeenkomst, mist de Nederlandse rechter dan ook rechtsmacht.

De rechtbank zal zich daarom onbevoegd verklaren om kennis te nemen van de vorderingen tegen TWF LP. Voor zover [eiser] thans nog enige vordering op basis van overeenkomst pretendeert tegen TWF PL, is zodanige vordering hetzelfde lot beschoren.

4.10.

Vervolgens is aan de orde de vraag of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft om kennis te nemen van enige vordering op een buiten-contractuele grond (onrechtmatige daad). Daartoe overweegt de rechtbank het volgende.

4.10.1.

De betreffende regel van commuun internationaal privaatrecht is vastgelegd in artikel 6 aanhef en onder e Rv en luidt als volgt:

De Nederlandse rechter heeft eveneens rechtsmacht in zaken betreffende:

e. verbintenissen uit onrechtmatige daad, indien het schadebrengende feit zich in Nederland heeft voorgedaan of zich kan voordoen.

Voor rechtsmacht ingevolge artikel 6 aanhef en onder e Rv is derhalve vereist dat de ‘plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan of zich kan voordoen’ in Nederland ligt.

4.10.2.

Voor de regeling van artikel 6 aanhef en onder e Rv hebben model gestaan artikel 5 sub 3 van de Brussel I-Vo en haar voorganger artikel 5 sub 3 van het EEX-Verdrag. De wetgever acht het voor de hand liggend dat de rechter bij toepassing van artikel 6 aanhef en onder e Rv de rechtspraak van het Hof van Justitie tot richtsnoer zal nemen (MvT, Parl. Gesch. Herz. Rv, blz. 105). Dat doet de rechtbank dan ook.

Uit de rechtspraak van het HvJ volgt dat deze regeling ziet zowel op de plaats waar de schade is ingetreden als op de plaats van de veroorzakende gebeurtenis. De eisende partij heeft de keuze of hij de verweerder oproept voor de rechter van de plaats waar de schade is ingetreden (“Erfolgsort”) dan wel voor de rechter van de plaats van de veroorzakende gebeurtenis die aan de schade ten grondslag ligt (“Handlungsort”); vgl. HvJ EG 30 november 1976 – Bier/Mines de potasse d’Alsace, zaak 21/76, ECLI:EU:C:1976:166. De woorden ‘plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan’ duiden niet op de plaats waar de gelaedeerde stelt vermogensschade te hebben geleden als gevolg van een door hem geleden, in een andere staat ingetreden aanvankelijke schade (vgl. HvJ EG 19 september 1995 – Marinari/Lloyd’s Bank, C-364/93, ECLI:EU:C:1995:289), evenmin op de plaats waar de gelaedeerde woont of waar zich het centrum van zijn vermogen bevindt op de enkele grond dat hij aldaar financiële schade heeft geleden die voortvloeit uit het in een andere staat ingetreden verlies van vermogen (vgl. HvJ EG 10 juni 2004 – Kronhofer/Maier, C-168/02, ECLI:EU:C:2004:364) en HvJ EU 16 juni 2016 – Universal Music , C-12/15, ECLI:EU:C:2016:449).

4.10.3.

Gezien de stellingen van [eiser] dient in de onderhavige zaak als Handlungsort te worden aangemerkt de plaats waar de nakoming van de contractuele verbintenis tot het betalen van de Success Fee wordt gefrustreerd. Dat is in dit geval de plaats waar het aandeel (“share in the management Company”) diende te worden geleverd. Die plaats ligt, zoals onder 4.7.4 is overwogen, buiten Nederland.

De plaats van het Handlungsort kan in deze zaak derhalve niet leiden tot rechtsmacht van de Nederlandse rechter op grond artikel 6 aanhef en onder e Rv.

4.10.4.

Uit de onder 4.10.2 genoemde rechtspraak van het HvJ volgt dat in het onderhavige geval slechts als Erfolgsort kan worden aangemerkt de plaats waar de initiële schade, de schade die het meest direct in verband staat met het gestelde frustreren van de verstrekking van de Success Fee, is ingetreden. Aangezien, zoals hiervoor is overwogen, de Success Fee buiten Nederland diende te worden verstrekt, is hier geen sprake van een Erfolgsort in Nederland.

4.10.5.

De conclusie is dat voor zover de vorderingen van [eiser] gebaseerd zijn op verbintenissen uit onrechtmatige daad of een andere buiten-contractuele grondslag, de Nederlandse rechter geen rechtsmacht heeft. Dit betreft dus de vorderingen tegen Odyssey, TIP PL, [gedaagde 5] en [gedaagde 5] , alsmede die tegen TWF PL voor zover [eiser] nog een vordering tegen deze pretendeert en hij zodanige vordering op een buiten-contractuele grondslag baseert.

4.11.

Voor zover [eiser] betoogt dat de Nederlandse rechter aan het bepaalde in artikel 9 Rv rechtsmacht kan ontlenen, verwerpt de rechtbank dat betoog. Van [eiser] , die immers stelt met (rechts)personen in de Kaaiman Eilanden en Republiek Singapore zakelijke afspraken te hebben gemaakt, kan in redelijkheid worden gevergd dat hij deze aldaar in rechte betrekt. Geen van de vorderingen heeft enig verband met de Nederlandse rechtssfeer, behalve de omstandigheid dat [eiser] in Nederland woont.

4.12.

Het ten verzoeke van [eiser] op 15 juni 2016 onder FMO gelegde conservatoire derdenbeslag schept geen rechtsmacht, omdat in het beslagrekest het in beslag te nemen goed niet specifiek is omschreven. In het beslagrekest stelde [eiser] niet meer of anders dan “voor zover CSC [lees: [eiser] ] bekend, heeft FMO naar verluidt gelden, goederen en/of geldswaarden van [persoon] onder zich en/of zal deze verkrijgen en/of zijn gelden, goederen en/of geldswaarden aan [persoon] verschuldigd”. Daarmee is niet voldaan aan het vereiste van “uitdrukkelijk .. omschreven” van de tweede volzin van artikel 767 Rv.

4.13.

Gelet op de stellingen die [eiser] aan zijn vorderingen ten grondslag heeft gelegd en op het debat dat partijen gevoerd hebben, missen andere rechtsmachtregels van het commune Nederlandse recht toepassing.

4.14.

De Nederlandse rechter heeft derhalve geen rechtsmacht om kennis te nemen van enige vordering van [eiser] op een of meer van de gedaagden. De rechtbank zal zich onbevoegd verklaren.

Daarmee is tevens het lot van de hoofdzaak bezegeld.

4.15.

Als de in het ongelijk gestelde partij zal [eiser] worden veroordeeld in de proceskosten. De aan de zijde van gedaagden tot aan deze uitspraak gevallen kosten zal de rechtbank begroten op:

  • -

    griffierecht € 1.260,00

  • -

    salaris advocaat € 11.568,00 (3 punten in liquidatietarief VIII)

totaal € 13.828,00.

De veroordeling in de proceskosten omvat een veroordeling in de nakosten.

De rechtbank zal, als gevorderd en niet zelfstandig bestreden, bepalen dat de proceskosten binnen veertien dagen na de uitspraak moeten zijn betaald en zal de proceskostenveroordeling bij voorraad uitvoerbaar verklaren.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van de vorderingen van [eiser] ;

5.2.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten;

begroot de tot deze uitspraak aan de zijde van gedaagden gevallen kosten op € 13.828,00;

bepaalt dat de proceskosten binnen veertien dagen na de datum van dit vonnis moeten zijn betaald;

begroot het nasalaris op € 157,00, te verhogen met een bedrag van € 82,00 ingeval van betekening;

5.3.

verklaart dit vonnis voor zover het een veroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.P. Sprenger en in het openbaar uitgesproken op 25 juli 2018.

901/1928