Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:5936

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
05-04-2018
Datum publicatie
20-07-2018
Zaaknummer
C/10/545456 / JE RK 18-545
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Korte verlenging van de MUHP met opdracht aan de GI onderzoek te doen naar een eventuele terugplaatsing van de kinderen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd

Meervoudige kamer

zaakgegevens: C/10/545456 / JE RK 18-545

datum uitspraak: 5 april 2018

beschikking verlenging ondertoezichtstelling en verlenging uithuisplaatsing

in de zaak van

de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,

hierna te noemen de GI, gevestigd te Rotterdam,

betreffende

[naam minderjarige 1] ,

geboren op [geboortedatum minderjarige 1] 2012 te [geboorteplaats minderjarige 1] , hierna te noemen [voornaam minderjarige 1] ,

[naam minderjarige 2] ,

geboren op [geboortedatum minderjarige 2] 2014 te [geboorteplaats minderjarige 2] , hierna te noemen [voornaam minderjarige 2] .

De rechtbank merkt als belanghebbenden aan:

[naam moeder] ,

hierna te noemen de moeder, wonende te Rotterdam,

[naam pleegouders] ,

hierna te noemen de pleegouders, wonende te Almere.

Het procesverloop

Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:

- de verzoeken met bijlagen van de GI van 22 februari 2018, ingekomen bij de griffie op

23 februari 2018;

- de brief met bijlage van mr. S. R. van Laar van 15 maart 2018, ingekomen bij de griffie op 16 maart 2018;

- het e-mailbericht met bijlagen van mr. S. R. van Laar van 27 maart 2018;

- de brief van de GI van 27 maart 2018.

Op 27 maart 2018 heeft de rechtbank de zaak ter zitting met gesloten deuren behandeld.

Gehoord zijn:

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat mr. S.R. van Laar,

- de pleegouders,

- een vertegenwoordigster van de GI, mw. [naam vertegenwoordigster] .

Opgeroepen en niet verschenen is:

- de vader van [voornaam minderjarige 1] , die als informant is opgeroepen.

De rechtbank heeft bijzondere toegang verleend aan mw. [naam medewerker Leger des Heils 1] en mw. [naam medewerker Leger des Heils 2] van het Leger des Heils.

De feiten
Het ouderlijk gezag over [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] wordt uitgeoefend door de moeder.

[voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] verblijven bij de pleegouders.

Bij beschikking van 2 oktober 2017 is de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2]

verlengd tot 6 april 2018.

Bij beschikking van 20 december 2017 is de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg verlengd tot 6 april 2018.

Het verzoek

De GI heeft verzocht de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] te verlengen voor de duur van een jaar en de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] bij de pleegouders te verlengen voor de duur van zes maanden.

De GI heeft het verzoek ter zitting gehandhaafd en als volgt toegelicht.

Na de vorige zitting heeft de GI besloten om het traject ‘Samen Veilig’ in te zetten. Dit is een intensief traject met als doel het werken aan een thuisplaatsing door het netwerk te betrekken. Onderzocht wordt wat er goed gaat en wat niet, welke afspraken gemaakt kunnen worden en welke hulpverlening ingezet moet worden. Er is inmiddels één bijeenkomst geweest op 20 maart 2018 in Almere. Op 3 april 2018 staat de volgende bijeenkomst gepland in Rotterdam. Daar zullen ook de hulpverleners van het Leger des Heils en de pleegzorgwerker bij zijn. Ook is het laatste contact tussen de moeder en de kinderen langer geweest dan voorheen en zal bij het volgende contactmoment het netwerk van de moeder aanwezig zijn. Overigens is de GI van mening dat een terugplaatsing van de kinderen niet in hun belang is. Er is sprake van een terugkerend patroon en de kinderen, met name [voornaam minderjarige 2] , zijn inmiddels zodanig gehecht dat zij beter in het pleeggezin kunnen opgroeien.

De standpunten

De moeder heeft zich, deels bij monde van haar advocaat, niet verzet tegen een verlenging van de ondertoezichtstelling. Ten aanzien van de uithuisplaatsing heeft zij naar voren gebracht dat de GI geen onderzoek heeft gedaan naar de vaardigheden van de moeder en de veiligheid van de kinderen bij de moeder. Sterker nog, de GI heeft zelfs een perspectiefbeslissing over de kinderen genomen. Daarmee heeft de GI de beslissingen van de kinderrechter van 2 oktober 2017 en van 20 december 2017 naast zich neergelegd. Het wordt de moeder tegengeworpen dat de kinderen al zo lang bij de pleegouders wonen, maar zij heeft geen kans gekregen om te laten zien dat zij voor de kinderen kan zorgen. Inmiddels heeft zij voldaan aan alle voorwaarden voor een terugplaatsing. De moeder heeft daarom primair verzocht om afwijzing van de machtiging tot uithuisplaatsing. Subsidiair heeft zij verzocht de machtiging tot uithuisplaatsing slechts voor korte duur te verlengen, zodat de kinderen in die periode gefaseerd kunnen terugkeren naar huis. De moeder vindt het goed dat de kinderen, wanneer zij zijn teruggeplaatst, in de weekenden naar de pleegouders gaan.

De pleegouders hebben aangegeven dat het goed gaat met de kinderen. [voornaam minderjarige 1] is erg gehecht aan de moeder. [voornaam minderjarige 2] ziet de pleegouders als haar ouders. De contacten tussen de kinderen en de moeder verlopen goed. De kinderen zijn blij na de bezoeken. De pleegouders verzetten zich niet tegen een terugplaatsing van de kinderen als vast staat dat de moeder voor hen kan zorgen en zij daar veilig zijn. In dat kader dient ook de rol van de nieuwe partner van de moeder onderzocht te worden. De pleegouders willen graag dat hun band met de moeder beter wordt. Voor de kinderen, maar ook omdat zij familie zijn.

De beoordeling

De rechtbank is op grond van de overgelegde stukken en de afgelegde verklaringen van oordeel dat de gronden van de ondertoezichtstelling, zoals gesteld in artikel 1:255 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) nog aanwezig zijn. Het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] wordt daarom toegewezen voor de duur van twaalf maanden.

De rechtbank overweegt over de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing als volgt.

Reeds bij beschikking van 2 oktober 2017 is door de kinderrechter bepaald dat in het kader van een eventuele terugplaatsing onderzocht moet worden of de veiligheid van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] gewaarborgd kan worden bij de moeder. In de beschikking van de kinderrechter van 20 december 2017 is deze opdracht door de kinderrechter herhaald. In die beschikking is tevens overwogen dat de GI daarbij niet kan volstaan met een eigen dossieronderzoek en dat het voor de hand ligt dat de contactregeling in duur en frequentie wordt uitgebreid.

Gebleken is dat de GI een dergelijk onderzoek nog altijd niet heeft ingezet. Het traject ‘Samen Veilig’, dat door de GI zelf wordt aangeboden en naar aanleiding van een dossieranalyse en intern overleg is ingezet, is naar het oordeel van de rechtbank ontoereikend om het voornoemde doel te bereiken. De contactmomenten tussen de kinderen en de moeder worden binnen dit traject immers niet gemonitord, waardoor er geen zicht wordt verkregen op de vaardigheden van de moeder en de veiligheid van de kinderen bij de moeder. Bovendien heeft de GI vooralsnog nagelaten om de rol van de partner van de moeder te onderzoeken, terwijl hij wel op regelmatige basis bij de moeder lijkt te verblijven.

De rechtbank kan dit niet billijken en acht het gelet op artikel 3 van het Verdrag inzake de rechten van het kind van belang dat de GI het onderzoek naar een eventuele terugplaatsing van de kinderen intensiveert door de contactregeling tussen de kinderen en de moeder binnen drie maanden uit te breiden, bijvoorbeeld naar logeren in de weekenden en logeren in de meivakantie. Deze contacten dienen geobserveerd en/of gemonitord te worden door een gedragsdeskundige, bijvoorbeeld door de specialistische ambulante hulpverleners van Enver. Het gezinstrainingsprogramma van Enver acht de rechtbank ook een passend traject om zicht te krijgen op de vaardigheden van de moeder. Daarnaast dient de rol van de partner van de moeder onderzocht te worden. Indien inderdaad blijkt dat hij met de moeder woont, of vaak in de woning van de moeder aanwezig is, kan dit van invloed zijn op een eventuele terugplaatsing van de kinderen en dient hij betrokken te worden bij de hulpverlening. De rechtbank benadrukt voorts dat het aan de moeder is om in de komende periode te laten zien dat zij alles op alles zet om de communicatie met de pleegouders te verbeteren.

De rechtbank is van oordeel dat de verlenging van de uithuisplaatsing van de kinderen voor de komende vier maanden noodzakelijk is in het belang van hun verzorging en opvoeding (artikel 1:265c, tweede lid, Burgerlijk Wetboek). Het is immers, gelet op al het voorgaande, nog niet duidelijk of de veiligheid van de kinderen bij de moeder gewaarborgd is. Bovendien maken de kinderen een positieve ontwikkeling door in het pleeggezin en is met name [voornaam minderjarige 2] erg gehecht aan de pleegouders, waardoor een directe terugplaatsing een ernstige inbreuk zal maken op haar ontwikkeling. De rechtbank is met alle partijen van oordeel dat de kinderen niet uit elkaar gehaald moeten worden.

De beslissing wordt voor het overige verzochte aangehouden. Op 18 juli 2018 wil de rechtbank de partijen terug zien en zal bezien worden hoe het met de kinderen gaat en welk vervolgtraject dan geïndiceerd is. De rechtbank verzoekt de GI om uiterlijk twee weken van te voren te rapporteren over het verloop van de contactmomenten tussen de kinderen en de moeder, de rol van de partner van de moeder en de laatste stand van zaken.

De rechtbank geeft tot slot in overweging dat een overdracht van de uitvoering van de ondertoezichtstelling naar het Leger des Heils mogelijk in het belang van de kinderen kan zijn, gelet op de trage inzet van Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond en het wantrouwen dat de moeder in die organisatie heeft. Het Leger des Heils is reeds betrokken bij de moeder en die samenwerking verloopt goed, zo is gebleken uit de stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gebracht. De rechtbank kan een dergelijke beslissing niet ambtshalve nemen.

De beslissing

De rechtbank:

verlengt de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] tot 6 april 2019;

verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg tot 6 augustus 2018;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

en alvorens verder te beslissen:

houdt de beslissing voor het overige verzochte aan en bepaalt dat het verhoor van de GI en de belanghebbenden in deze zaak zal plaatsvinden op 18 juli 2018 te 11:00 uur in het gerechtsgebouw te Rotterdam, Wilhelminaplein 100/125;

de zaak zal op genoemde datum en tijdstip verder worden behandeld door de meervoudige kamer en zal, behoudens onvoorziene omstandigheden, worden behandeld door

mrs. A.C. Enkelaar, C.N. Melkert en P.L. van Dijke, kinderrechters;

bepaalt dat een afschrift van deze beschikking geldt als oproeping van de GI en de belanghebbenden;

verzoekt de GI uiterlijk twee weken voor de genoemde datum de rechtbank de verzochte rapportage te doen toekomen;

Deze beschikking is gegeven door mr. M.J.M. Marseille, voorzitter, tevens kinderrechter,

mr. J.A.M.J. Janssen-Timmermans en mr. A.C. Enkelaar, kinderrechters, in tegenwoordigheid van mr. T. van Loef als griffier en in het openbaar uitgesproken op 5 april 2018.

Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:

- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof
Den Haag.