Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:5930

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
23-04-2018
Datum publicatie
26-07-2018
Zaaknummer
RK 17/3596 en 3597
Rechtsgebieden
Strafprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Kosten rechtbijstand pas vanaf datum intrekking toevoeging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 2

Parketnummer: 10/750045-17

Raadkamernummers: 17/3596 (89 Sv)

17/3597 (591a Sv)

Beschikking van de rechtbank Rotterdam, enkelvoudige raadkamer, op de verzoeken van:

[naam verzoeker] , verzoeker,

geboren op [geboortedatum verzoeker] te [geboorteplaats verzoeker] ,

voor deze zaak domicilie kiezende te (3125 BC) Schiedam, Conradstraat 14, ten kantore van zijn raadsman mr. S.R. Bordewijk.

Procedure

Op 20 november 2017 zijn ingediend twee verzoekschriften met verzoeken op grond van artikel 89 respectievelijk artikel 591a Sv.

De verzoeken zijn op 29 maart 2018 door de raadkamer in het openbaar behandeld. De officier van justitie mr. N. Rose is gehoord. De verzoeker en de raadsman zijn, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

Inhoud verzoeken en standpunt officier van justitie

Verzoek artikel 89 Sv

Het verzoek strekt ertoe dat aan de verzoeker ten laste van de Staat wordt toegekend een bedrag van € 1.245,00 als vergoeding voor de immateriële schade als gevolg van het voorarrest.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van het verzoek tot een bedrag van € 1.135,00. Voor het overige dient het verzoek te worden afgewezen.

Verzoek artikel 591a Sv

Het verzoek strekt ertoe dat aan de verzoeker uit ’s Rijks kas een vergoeding wordt toegekend voor:

  • -

    kosten voor de noodzakelijke verdediging, gevoerd in de strafzaak tegen verzoeker als verdachte, bestaande uit de kosten van de raadsman van € 5.971,35;

  • -

    kosten voor rechtsbijstand, gemaakt in verband met het opstellen en indienen van het verzoekschrift ter hoogte van het forfaitaire bedrag van € 280,00 en bij een behandeling en nadere toelichting in raadkamer ter hoogte van het forfaitaire bedrag van € 550,00.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot matiging van de vergoeding voor de kosten voor de noodzakelijke verdediging in de strafzaak. Er worden kosten in rekening gebracht voor contact met derden en onduidelijk blijft wie dat zijn. Voorts zijn er kosten in de zaak van de medeverdachte opgevoerd. Gesteld wordt dat 3,5 uur niet voor vergoeding in aanmerking komt. Het verzochte bedrag van € 550,00 voor het opstellen, indienen en behandelen van de verzoekschriften komt voor toewijzing in aanmerking.

Feiten

De verzoeker is in de strafzaak met bovengenoemd parketnummer van 27 januari 2017 tot op 30 januari 2017 in verzekering gesteld geweest op verdenking van overtreding van artikel 2 van de Opiumwet. Aansluitend heeft hij tot op 8 februari 2017 in voorlopige hechtenis verbleven waarbij tot 2 februari 2017 aan de verzoeker beperkingen zijn opgelegd.

Op 17 november 2017 heeft de raadsman van verzoeker vernomen dat de strafzaak tegen hem op 18 juli 2017 is geseponeerd.

Beoordeling

Verzoek artikel 89 Sv

Vooropgesteld wordt dat de rechtbank ingevolge artikel 89 Sv op verzoek van de gewezen verdachte - indien de zaak is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel - hem een vergoeding kan toekennen voor de schade welke hij tengevolge van ondergane verzekering, klinische observatie of voorlopige hechtenis heeft geleden. De toekenning van een dergelijke vergoeding heeft ingevolge artikel 90 Sv plaats indien hiervoor naar het oordeel van de rechtbank, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig zijn.

Uit de feiten volgt dat de strafzaak tegen de verzoeker is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel.

Gebleken is dat er ten tijde van de toepassing van de inverzekeringstelling en voorlopige hechtenis voldoende verdenking tegen de verzoeker was om die dwangmiddelen te rechtvaardigen.

Immateriële schade

Alle omstandigheden in aanmerking genomen worden gronden van billijkheid aanwezig geacht om aan de verzoeker een vergoeding voor immateriële schade als gevolg van het voorarrest toe te kennen. De volgende vraag is wat de hoogte van de compensatie moet zijn.

Op basis van de tarieven, zoals die door het LOVS worden voorgestaan voor voorarrest dat is ondergaan op of na 1 september 2008, heeft de verzoeker recht op de volgende vergoedingen:

Inverzekeringstelling 27/2 tot 30/1 3 dgn x € 105,00 € 315,00

voorlopige hechtenis met beperkingen 30/1 tot 2/2 3 dgn x € 105,00 € 315,00

voorlopige hechtenis zonder beperkingen 2/2 tot 8/2 6 dgn x € 80,00 € 480,00

totaal € 1.110,00

Besluit

Resumerend zal aan de verzoeker op grond van artikel 89 Sv een schadevergoeding ter hoogte van € 1.110,00 worden toegekend.

Verzoek artikel 591a Sv

Vooropgesteld wordt dat een gewezen verdachte indien de zaak is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht - op grond van artikel 591a juncto artikel 90 Sv in beginsel aanspraak kan maken op vergoeding van de te zijnen laste gekomen kosten voor de rechtsbijstand, zulks voor zover daarvoor gronden van billijkheid aanwezig zijn.

Uit de feiten volgt dat de strafzaak tegen de verzoeker is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.

Kosten voor noodzakelijke verdediging in strafzaak

Bij de beoordeling van het verzoek tot vergoeding van de kosten voor de noodzakelijke verdediging van de verzoeker in de strafzaak wordt vooropgesteld dat de declaratie van de raadsman niet bepalend is voor het beoordelen van het verzoek, maar een belangrijk uitgangspunt vormt dat door de rechtbank wordt betrokken in haar oordeel of er, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig zijn aan de verzoeker een vergoeding toe te kennen voor de kosten voor rechtsbijstand en zo ja, tot welk bedrag.

Verzocht is om vergoeding van het honorarium van de raadsman voor werkzaamheden ten behoeve van de behandeling van de strafzaak tegen de verzoeker ter hoogte van € 5.971,35 Daaraan is een urenspecificatie ten grondslag gelegd.

Ingevolge artikel 44a, eerste lid, van de Wet op de rechtsbijstand (WRB) wordt indien een verdachte in een strafzaak is bijgestaan door een raadsman die op het moment van de verlening van rechtsbijstand is toegevoegd geen kostenvergoeding van een raadsman als bedoeld in artikel 591a, tweede lid, Sv toegekend, tenzij de toevoeging, anders dan na een daartoe ingediende aanvraag, wordt ingetrokken of beëindigd.

Een verdachte kan zich in een strafproces laten bijstaan door een raadsman die hetzij rechtsbijstand verleent op basis van een toevoeging, hetzij op betalende basis. Het bepaalde in artikel 44a WRB brengt mee dat de keuze voor de grondslag van de rechtsbijstand moet worden gemaakt voordat daadwerkelijk rechtsbijstand is verleend . Wanneer sprake is van een last tot toevoeging, moet voorts volstrekte helderheid worden betracht over de vraag of van de op basis van deze last verstrekte toevoeging gebruik wordt gemaakt, dan wel dat de betrokken verdachte door een gekozen raadsman betalend wordt bijgestaan. Dat betekent onder meer dat wanneer de raadsman die op basis van een last aan de verdachte is toegevoegd, de verdachte betalend zal bijstaan, onmiddellijk van deze wijziging van de basis waarop rechtsbijstand wordt verleend, kennis moet worden gegeven aan de voorzitter van het college dat de last heeft afgegeven, en aan de Raad voor Rechtsbijstand.

Op 31 januari 2017 is een last tot toevoeging aan de raadsman verleend. De rechtbank heeft op 21 april 2017 een verzoek van de raadsman (gedateerd 21 februari 2017) ontvangen waarin de raadsman verzoekt een last tot intrekking van de toevoeging te geven nu verzoeker wenst dat hij als gekozen raadsman optreed. Gelet hierop komen de gedeclareerde kosten voor rechtsbijstand tot op 21 april 2017 niet voor vergoeding in aanmerking en zal het verzoek in zoverre worden afgewezen.

De rechtbank volgt de officier van justitie niet in haar standpunt dat de kosten gemaakt voor rechtsbijstand van de raadsman bij het getuigenverhoor van de verzoeker in de zaak van de medeverdachte niet voor vergoeding in aanmerking komt.

Voor vergoeding komen derhalve in aanmerking de kosten voor rechtsbijstand van 26 april 2017 tot en met 6 juli 2017, te weten 4 uur en 15 minuten.

Het te vergoeden bedrag voor de kosten voor rechtsbijstand in de strafzaak komt derhalve uit op een bedrag van € 1.275,00 (4:15 uren x honorarium per uur), te vermeerderen met 5% kantoorkosten (€ 63,75) en 21% BTW (€ 281,14), hetgeen € 1.619,89 maakt.

Kosten rechtsbijstand voor opstellen, indienen en behandelen verzoekschriften

Het verzoek ziet op de vergoeding van kosten voor het opstellen, indienen en behandelen van het op grond van artikel 89 Sv en 591a Sv ingediende verzoekschrift.

Alle feiten en omstandigheden in aanmerking genomen, worden gronden van billijkheid aanwezig geacht om aan de verzoeker voor de kosten voor het opstellen, indienen en behandelen van de op grond van artikel 89 en 591a Sv ingediende verzoekschriften een vergoeding van € 550,00 toe te kennen.

Besluit

Resumerend zal aan de verzoeker op grond van artikel 591a Sv een totale vergoeding van

€ 2.169,89 (€ 1.619,89 + € 550,00) worden toegekend.

Beslissing

De rechtbank:

t.a.v. het onder RK-nummer 17/3596 ingeschreven verzoek:

kent aan de verzoeker ten laste van de Staat een vergoeding toe van € 1.110,00 (zegge: elfhonderd tien euro);

wijst af het meer of anders verzochte.

t.a.v. het onder RK-nummer 17/ 3597ingeschreven verzoek:

kent aan de verzoeker uit ’s Rijks kas een vergoeding toe van € 2.169,89 (zegge: tweeduizend honderdnegenenzestig euro en negenentachtig cent);

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door:

mr. E.A. Poppe-Gielesen, rechter,

in tegenwoordigheid van R.M.T. Verheijde, griffier,

en in het openbaar uitgesproken op 23 april 2018.

Bevelschrift van de fungerend voorzitter van de rechtbank Rotterdam

Bij beschikking van deze rechtbank van 23 april 2018 (RK-nummer: 17/3596) is op de voet van artikel 89 Sv aan

[naam verzoeker] ,

geboren op [geboortedatum verzoeker] te [geboorteplaats verzoeker] ,

een vergoeding ten laste van de Staat toegekend van € 1.110,00 (zegge: elfhonderd tien euro).

Bevolen wordt dat de griffier na het onherroepelijk worden van de beschikking overgaat tot uitbetaling van dit bedrag door overmaking op bankrekeningnummer NL70 ABNA 0562 9653 78 ten name van Stichting Derdengelden Bordewijk Silvis te Schiedam, o.v.v. “Schadevergoeding [naam verzoeker] ”.

Dit bevelschrift is afgegeven op 23 april 2018 door mr. E.A. Poppe-Gielesen, in de hoedanigheid van fungerend voorzitter van deze rechtbank.

Bevelschrift van de rechter in de rechtbank Rotterdam

Bij beschikking van deze rechtbank van 23 april 2018 (RK-nummer: 17/3597) is op de voet van artikel 591a Sv aan

-

[naam verzoeker] ,

geboren op [geboortedatum verzoeker] te [geboorteplaats verzoeker] ,

een vergoeding uit ’s Rijks kas toegekend van € 2.169,89 (zegge: tweeduizend honderdnegenenzestig euro en negenentachtig cent).

Bevolen wordt dat de griffier na het onherroepelijk worden van de beschikking overgaat tot uitbetaling van dit bedrag door overmaking op bankrekeningnummer NL70 ABNA 0562 9653 78 ten name van Stichting Derdengelden Bordewijk Silvis te Schiedam, o.v.v. “Schadevergoeding [naam verzoeker] ”.

Dit bevelschrift is afgegeven op 23 april 2018 door mr. E.A. Poppe-Gielesen, in de hoedanigheid van rechter in deze rechtbank.

RECHTBANK ROTTERDAM

Team straf 2

t.a.v. de bijzondere raadkamer

email: bijzondere.raadkamer.rb.rotterdam@rechtspraak.nl

V E R K L A R I N G

Mr.

raadsman van

verder te noemen cliënt, verklaart hierbij:

dat hij / zij kennis heeft genomen van de beschikking(en) ex artikel(en) 89 en / of 591(a) van het Wetboek van Strafvordering gegeven d.d. (datum beschikking) op verzoek van zijn / haar cliënt voornoemd;

dat hij / zij namens zijn / haar cliënt instemt met het niet betekenen van de hierboven genoemde beschikking(en) aan zijn / haar cliënt;

dat hij / zij namens zijn / haar cliënt afstand doet van het recht om hoger beroep aan te tekenen tegen de hierboven genoemde beschikkingen;

dat hij / zij uitdrukkelijk is gemachtigd door zijn / haar cliënt om namens hem / haar deze verklaring af te leggen en te ondertekenen.

Ondertekening:

Woonplaats

……………………

Datum ondertekening Handtekening

…………………….

Naam

…………………….. ………………………………