Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:5871

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
19-07-2018
Datum publicatie
19-07-2018
Zaaknummer
10/960401-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Pride-zaken; veroordeling voor deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven, gevangenisstraf 4 jaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 1

Parketnummer: 10/960401-16

Datum uitspraak: 19 juli 2018

Verstek

Verkort vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,

niet ingeschreven in de basisregistratie personen en zonder bekende feitelijke woon- of

verblijfplaats in Nederland.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 23 maart 2017, 22 juni 2017, 30 januari 2018 en 5 juli 2018.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officieren van justitie mrs. L.B. Haneveld en J.F. de Boer (hierna: de officier van justitie) hebben gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het tenlastegelegde, te weten zowel deelneming aan een terroristische organisatie als training voor terrorisme;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren;

  • -

    de gevangenneming van de verdachte.

4 Aanwezigheidsrecht

Uit het dossier komt naar voren dat de verdachte gedurende de periode waarin de zittingen plaatsvonden zich in het strijdgebied in Syrië heeft bevonden. Hij is op geen van de terechtzittingen verschenen.

De rechtbank stelt voorop dat het aanwezigheidsrecht één van de meest fundamentele rechten van een verdachte is, dat valt binnen het in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) verankerde recht op een eerlijk proces. Uitgangspunt is dan ook dat zoveel mogelijk in het werk wordt gesteld om de verdachte ter terechtzitting aanwezig te laten zijn. Zeker indien de verdachte heeft aangegeven bij zijn berechting aanwezig te willen zijn of wanneer hij (in het buitenland) is gedetineerd, kunnen belangen van slachtoffers of het algemene belang van een berechting binnen redelijke termijn niet opwegen tegen het aanwezigheidsrecht, ook niet als de verdachte wel aanwezig is geweest bij een eerdere procedure (EHRM 14 februari 2017, appl. no. 30749/12, Hokkeling v. The Netherlands, r.o. 62).

Toch behoort berechting buiten aanwezigheid van de verdachte tot de mogelijkheden. Uit de jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens valt, kort samengevat, af te leiden dat een berechting buiten de aanwezigheid van de verdachte niet in strijd is met artikel 6 van het EVRM indien de verdachte ondubbelzinnig afstand heeft gedaan van zijn aanwezigheidsrecht dan wel zich onttrekt aan berechting. In dat laatste geval is in elk geval wel vereist dat de verdachte op de hoogte is van de tegen hem ingestelde strafvervolging en de autoriteiten zich in het bijzonder hebben ingespannen om de verdachte op de hoogte te brengen van de lopende procedure.

De rechtbank oordeelt als volgt.

De verdachte heeft geen afstand gedaan van zijn aanwezigheidsrecht. De rechtbank kan niet met voldoende mate van zekerheid vast stellen dat de verdachte op de hoogte is van de tegen hem ingestelde strafzaak, zodat niet gezegd kan worden dat hij zich heeft onttrokken aan zijn berechting. De vraag die vervolgens rijst, is of zich een situatie voordoet die gelijk te stellen is aan een onttrekking aan berechting.

Indien, zoals naar Nederlands recht, berechting buiten aanwezigheid van de verdachte mogelijk is, zal in het uiterste geval moeten worden aanvaard dat een strafgeding buiten aanwezigheid van de verdachte wordt gevoerd, ook als niet vast staat dat de verdachte van het bestaan van het geding op de hoogte is. Die consequentie wordt in elk geval aanvaard als de verdachte, die mede door eigen toedoen onvindbaar is, voldoende mogelijkheden zijn geboden om bij zijn strafzaak aanwezig te zijn, omdat andere, zwaarwegende belangen de doorslag geven. Daarbij kan worden gedacht aan het belang dat de samenleving heeft bij openbare berechting binnen redelijke termijn en aan belangen van slachtoffers, familieleden van de verdachte of anderen.

De zaak tegen de verdachte is vier maal aangebracht. Op basis van de (processen-verbaal over de) pogingen tot uitreiking van de dagvaarding en oproepingen kan worden vastgesteld dat de verdachte beweerdelijk is afgereisd naar een strijdgebied, waaruit hij niet wilde terugkeren, dan wel terugkeer op zijn minst genomen moeilijk zou zijn. De rechtbank constateert verder dat de officier van justitie aan zijn inspanningsverplichting om contact te krijgen met de verdachte inhoud heeft gegeven in de eerste plaats door meermalen via het sociale medium Facebook, gericht op Mosul in Irak, advertenties te sturen met als inhoud dat Nederlandse strijders in het desbetreffende gebied strafrechtelijk worden vervolgd en aanduiding van de mogelijkheid om kennis te nemen van de precieze inhoud van de dagvaarding. Dit bericht is vele malen gedeeld en aangenomen mag worden dat dit in brede kring van betrokkenen, waartoe ook de verdachte beweerdelijk behoort, bekend is geworden. In de tweede plaats zijn oproepingen aangeboden aan de ouders van de verdachte, die deze in ontvangst hebben genomen. De rechtbank is van oordeel dat de officier van justitie aldus in voldoende mate aan zijn inspanningsverplichting heeft voldaan.

Er staan zwaarwegende belangen op het spel. De officier van justitie verwijt de verdachte dat hij heeft deelgenomen aan een terroristische organisatie in Syrië en/of Irak. Dit soort feiten vormen een ernstige verstoring van de rechtsorde; zij hangen direct samen met een van de grootste uitdagingen waarvoor Nederland en andere landen in Europa en de desbetreffende regio zich zien gesteld, namelijk de opvang van mensen uit die regio die vluchten voor oorlogsgeweld. Het is maatschappelijk gezien van groot belang dat in deze zaken zichtbaar recht wordt gedaan.

De rechtbank oordeelt op grond van het bovenstaande, dat de afwezigheid van de verdachte bij de behandeling van de strafzaak moet worden gelijkgesteld aan de zaken waarin de verdachte zich aan de berechting onttrekt, nu hij kennelijk welbewust naar een strijdgebied is afgereisd, daar voor de justitiële autoriteiten, hoewel die zich in het bijzonder hebben ingespannen om de dagvaarding en oproepingen uit te reiken, onbereikbaar is en de openbare berechting in deze zaak een zwaarwegend, maatschappelijk belang vormt. De zaak zal kan derhalve bij verstek worden afgedaan.

5 Waardering van het bewijs

Algemeen

Voor strafbare deelneming aan een organisatie met een terroristisch oogmerk als bedoeld in artikel 140a Sr is vereist dat de verdachte weet, in de zin van onvoorwaardelijk opzet, dat de organisatie het oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven. Uit jurisprudentie volgt dat van deelneming aan een criminele (terroristische) organisatie sprake is indien een betrokkene behoort tot het samenwerkingsverband en een aandeel heeft in, dan wel ondersteuning biedt aan, gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie. Elke bijdrage aan een organisatie kan strafbaar zijn. Een dergelijke bijdrage kan bestaan uit het (mede)plegen van enig misdrijf, maar ook uit het verrichten van hand- en spandiensten, en (dus) het verrichten van handelingen die op zichzelf niet strafbaar zijn, zolang van bovenbedoeld aandeel of ondersteuning kan worden gesproken. Indien vast staat dat de verdachte deel heeft uitgemaakt van een organisatie met het oogmerk tot het plegen van terroristische misdrijven, staat daarmee ook vast dat hij een aandeel heeft gehad in de verwezenlijking van het terroristische oogmerk (rechtbank Rotterdam, 23 maart 2017, ECLI:NL:RBROT:2017: 2258). Dit geldt eens te meer nu een organisatie met het oogmerk tot het plegen van terroristische misdrijven, anders dan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven zonder meer, geen legitiem doel kan hebben en derhalve ook geen activiteiten die op zichzelf legitiem kunnen zijn. Daarom bestaat in dit soort gevallen geen noodzaak om te onderscheiden tussen verschillende vormen van deelneming. Dat betekent evenwel niet, dat het enkele verblijven en vestigen in het strijdgebied dat onder controle staat van een organisatie met het oogmerk tot het plegen van terroristische misdrijven meebrengt dat de verdachte ook deelneemt aan die organisatie. Anders gezegd, burgerschap onder de macht van een terroristische organisatie brengt niet automatisch lidmaatschap van die organisatie mee (rechtbank Rotterdam, 13 november 2017, ECLI:NL:RBROT:2017:8858).

Het bovenstaande brengt mee, dat voor bewijs van strafbare deelname aan een organisatie met een terroristisch oogmerk, dat wil zeggen aan de Islamitische Staat (IS) of haar voorgangers dan wel aan Jabhat al-Nusra (JaN) of de opvolgende organisaties, bewijs van aanwezigheid in de desbetreffende strijdgebieden niet volstaat. Er dient aanvullend bewijs te zijn in de vorm van bijvoorbeeld een afbeelding of een (telefoon)gesprek waaruit ondubbelzinnig blijkt dat de verdachte deelneemt aan een dergelijke organisatie.

Bijzonder

Op 12 mei 2015 heeft de moeder van de verdachte bij de politie gemeld dat haar zoon mogelijk naar Syrië was gereisd. Zij heeft tegenover de politie verklaard dat haar zoon zich ongeveer zes jaar daarvoor was gaan verdiepen in de Islam. Hij had in de daarop volgende jaren een aantal malen aangegeven dat hij naar Syrië wilde gaan.

Op 12 mei 2015 heeft de moeder een spraakbericht ontvangen van haar zoon waarin deze vertelde dat hij onder andere naar Syrië ging om de moslims te helpen en bij hen te zijn. Hij wilde absoluut niet terugkomen. Op de door de verdachte achtergelaten laptop werden documenten met jihadistische ideologie aangetroffen, waaronder een rechtvaardiging om onder een jihadistische vlag/voor een groepering te strijden.

In mails aan zijn moeder beschrijft hij veel van zijn dagelijkse situatie. De verdachte zat eerst in Syrië en later in Irak. In een mail van 18 juli 2015 schrijft de verdachte aan zijn moeder dat hij zijn telefoons heeft moeten inleveren. Op 21 juli 2015 mailt hij dat hij in een villa met 10 broeders woonde, tijdens zijn trainingen met 40 broeders woonde, zwom in de Tigris en beschreef hij de fysieke trainingen waaraan hij deelnam. Volgens zijn moeder was dat in Mosul, Irak en had de verdachte tijdens die trainingen gevraagd om zijn autismeverklaring op te sturen. Sinds die tijd werkte de verdachte in een keuken en kreeg hij daarvoor betaald. De verdachte vertelde dat er geen hulpdiensten waren maar dat ‘Isis’ nu voor hem zorgde. Verder kon hij niet zeggen waar hij woonde aangezien er dagelijks drones boven hen vliegen en omdat al die landen die tegen hen vechten de telefoons en communicatie in de gaten houden om te kunnen bombarderen. Ook vertelde de verdachte in de mail dat hij niet meer terug naar Nederland komt omdat hij dan een ongeloof zou begaan en dat de mensen daar heel blij met ‘Isis’ zijn.

De rechtbank stelt vast dat uit de verklaringen van de moeder van de verdachte ondubbelzinnig blijkt dat hij deelneemt aan een terroristische organisatie. Opmerking verdient dat de verdachte materieel de enige bron is van deze informatie. Ondersteuning van de juistheid van deze informatie vindt de rechtbank enerzijds in het gegeven dat de uitingen van de verdachte op opeenvolgende momenten zijn gedaan en anderzijds in de informatie uit de laptop van de verdachte. Daarin staan, als gezegd, documenten met jihadistische ideologie en een rechtvaardiging om te strijden. Het afreizen naar Syrië en Irak en deelname aan IS sluiten daar rechtstreeks op aan. De rechtbank neemt bovendien in aanmerking dat de mededelingen van de verdachte over hoe het hem in het strijdgebied is vergaan en met betrekking tot zijn concrete leefomstandigheden, spontaan zijn, gedetailleerd en authentiek overkomen. De feiten en omstandigheden die hij noemt, sluiten aan bij hetgeen bekend is omtrent de situatie in het gebied onder het regime van IS.

Conclusie

Uit het vorenstaande volgt dat de verdachte door uit te reizen naar Syrië en zich daar als strijder aan te sluiten bij IS tot het samenwerkingsverband van die organisatie is gaan behoren en dat hij gedurende de ten laste gelegde periode een aandeel heeft gehad in de verwezenlijking van het oogmerk van die organisatie.

Uit het dossier blijkt niet dat de verdachte dit tezamen en in vereniging met (een) ander(en) heeft gedaan. De verdachte zal in zoverre dan ook worden vrijgesproken van het hem tenlastegelegde medeplegen.

Bewezenverklaring

Aldus is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan op die wijze dat:

hij

in de periode van 12 mei 2015 tot en met 20 februari 2017 te Syrië en Irak,

heeft deelgenomen aan een organisatie, namelijk Islamitische Staat

(IS), welke organisatie tot oogmerk had het plegen van terroristische misdrijven, te weten,

A. het opzettelijk brand stichten en/of een ontploffing teweegbrengen,

terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of gevaar voor zwaar

lichamelijk letsel en/of levensgevaar voor een ander te duchten is en/of dit

feit iemands dood ten gevolge heeft (zoals bedoeld in artikel 157 Wetboek van

Strafrecht), (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in

artikel 176a van het Wetboek van Strafrecht) en/of

B. doodslag (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in

artikel 288a van het Wetboek van Strafrecht) en/of

C. moord (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel

289 jo. 83 van het Wetboek van Strafrecht) en/of

D. de samenspanning en/of opzettelijke voorbereiding van en/of bevordering tot

eerder vermelde misdrijven (zoals bedoeld in artikel 176a en/of 289a en/of

96 lid 2 van het Wetboek van Strafrecht) en/of

E. het voorhanden hebben van een of meerdere wapens en/of munitie van de

categorieën II en/of III (zoals bedoeld in artikel 26 lid 1 van de Wet wapens

en munitie) (te) begaan met een terroristisch oogmerk en/of met het oogmerk om

een terroristisch misdrijf voor te bereiden of gemakkelijk te maken (zoals

bedoeld in artikel 55 lid 1 en/of lid 5 van de Wet wapens en munitie)

en

hij

in de periode van 12 mei 2015 tot en met 20 februari 2017 te Syrië en/of Irak,

- kennis en/of vaardigheden heeft verworven ;

tot het plegen van een terroristisch misdrijf en/of een misdrijf ter

voorbereiding en/of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf.

immers heeft verdachte deelgenomen aan

(gevechts)trainingen en daarmee voorbereidingen getroffen voor de

deelname aan de gewapende strijd in Syrië en/of Irak.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

De overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan is gegrond op de redengevende inhoud van het voorgaande en op de inhoud van de wettige bewijsmiddelen, houdende tot bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Het vonnis zal in die gevallen waarin de wet dit vereist worden aangevuld met een later bij dit vonnis te voegen bijlage met daarin de inhoud dan wel de opgave van de bewijsmiddelen.

6 Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:

de eendaadse samenloop van

deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven

en

het opzettelijk kennis of vaardigheden tot het plegen van een terroristisch misdrijf en/of een misdrijf ter voorbereiding of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf verwerven.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het feit is dus strafbaar.

7 Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

8 Motivering straf

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Op 12 mei 2015 liet de verdachte zijn moeder via een WhatsApp-bericht weten dat hij was uitgereisd naar Syrië. Uit de daarop volgende berichten van de verdachte bleek dat de verdachte aldaar was gaan deelnemen aan de terroristische organisatie Islamitische Staat (IS). In juli 2015 bericht de verdachte zijn ouders vervolgens dat hij in Irak verblijft en dat hij trainingen volgt. IS zorgt voor hem, aldus de verdachte. Na een periode van training is de verdachte gaan werken in een keuken, waarvoor hij honderd dollar per maand ontvangt.

Jihadistische strijdgroepen in Syrië en Irak, zoals IS, maken zich op grootschalige en systematische wijze schuldig aan terroristische misdrijven. Op Nederland rust de internationale verplichting om terrorisme te bestrijden, ook als dat in een ander land plaatsvindt. Deelnemen aan de gewapende strijd in Syrië, in welke vorm dan ook, is een terroristisch misdrijf. Terroristische misdrijven worden – ook internationaal – gezien als behorende tot de ernstigste misdrijven. Het oorlogsgeweld in het desbetreffende gebied, waaraan de verdachte heeft deelgenomen, heeft velen op de vlucht gejaagd en stelt Nederland en andere landen in Europa en uit die regio voor een uitdaging, waarvan de maatschappelijke impact niet kan worden onderschat. Het deelnemen aan een terroristische organisatie moet daarom streng worden bestraft.

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 31 mei 2018, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten.

Vanwege de grote dreiging die uitgaat van terroristische organisaties, wordt alleen al de deelneming daaraan bedreigd met een hoge gevangenisstraf. Bij de vaststelling van de duur van de aan de verdachte op te leggen gevangenisstraf laat de rechtbank meewegen dat het hier om een voltooid delict gaat. Naar het oordeel van de rechtbank kan daarom slechts worden volstaan met een gevangenisstraf van aanzienlijke duur.

Bij het bepalen van de duur van de aan de verdachte op te leggen straf houdt de rechtbank rekening met de omstandigheid dat uit het dossier blijkt dat de verdachte als een zeer beïnvloedbare jongeman is beschouwd. De ouders van de verdachte overhandigden ten tijde van hun verhoor aan de politie een verslag van een diagnostisch onderzoek betreffende de verdachte, waaruit blijkt dat de verdachte ondergemiddelde cognitieve vermogens heeft en dat er voldoende aanwijzingen zijn om te kunnen spreken van een autismespectrumstoornis.

Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat deze omstandigheden zullen hebben bijgedragen aan de keuze van de verdachte om naar Syrië en Irak af te reizen. Omtrent de toerekeningsvatbaarheid van de verdachte kan, vanwege de afwezigheid van de verdachte, niet meer worden gezegd dan hetgeen hiervoor is vermeld. Het dossier bevat voldoende aanwijzingen om te concluderen dat de verdachte een weloverwogen keuze heeft gemaakt toen hij in mei 2015 naar Syrië vertrok. Voornoemde omstandigheden ontslaan hem dan ook niet van zijn verantwoordelijkheid voor zijn handelen.

Onbekend is of, en zo ja, welk geweld tegen mensenlevens (of de dreiging daarmee) de verdachte tijdens zijn deelname aan de terroristische organisatie IS daadwerkelijk heeft gepleegd. Uit het dossier komt het beeld naar voren dat de verdachte tijdens zijn training ongeschikt voor de gewapende strijd is bevonden en sindsdien als kok werkzaam is.

Het geheel overziend is aanleiding om aan de verdachte een gevangenisstraf op te leggen van kortere duur dan door de officier van justitie geëist.

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen gevangenisstraf passend en geboden. Tevens zal de gevorderde gevangenneming van de verdachte worden bevolen. Dit bevel is afzonderlijk geminuteerd.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 55 en 140a van het Wetboek van Strafrecht.

10 Bijlage

De in dit vonnis genoemde bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

11 Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte de tenlastegelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) jaren;

Dit vonnis is gewezen door:

mr. J.L.M. Boek, voorzitter,

en mrs. J.J. Bade en D.L. Spierings, rechters,

in tegenwoordigheid van R. Meulendijk, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 19 juli 2018.

De jongste rechter is niet in staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

hij

op één of meerdere tijdstippen in de periode van 12 mei 2015 tot en met

20 februari 2017 te Syrië en/of Irak,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

heeft deelgenomen aan een of meer organisatie(s), namelijk Islamitische Staat

(IS), dan wel Islamic State of Iraq and Shaam (ISIS) en/of Islamic State of

Iraq and Levant (ISIL) en/of Tahrir al-Sham (voorheen Jabhat Fateh al-Sham

en/of Jabhat al-Nusra), althans (telkens) een aan IS en/of aan Al Qaida

gelieerde organisatie(s), althans (telkens) (een) organisatie(s) die de

gewapende Jihadstrijd voorstaat/voorstaan, welke organisatie(s) tot oogmerk

had(den) het plegen van terroristische misdrijven, te weten,

A. het opzettelijk brand stichten en/of een ontploffing teweegbrengen,

terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of gevaar voor zwaar

lichamelijk letsel en/of levensgevaar voor een ander te duchten is en/of dit

feit iemands dood ten gevolge heeft (zoals bedoeld in artikel 157 Wetboek van

Strafrecht), (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in

artikel 176a van het Wetboek van Strafrecht) en/of

B. doodslag (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in

artikel 288a van het Wetboek van Strafrecht) en/of

C. moord (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel

289 jo. 83 van het Wetboek van Strafrecht) en/of

D. de samenspanning en/of opzettelijke voorbereiding van en/of bevordering tot

eerder vermelde misdrijven (zoals bedoeld in artikel 176a en/of 289a en/of

96 lid 2 van het Wetboek van Strafrecht) en/of

E. het voorhanden hebben van een of meerdere wapens en/of munitie van de

categorieën II en/of III (zoals bedoeld in artikel 26 lid 1 van de Wet wapens

en munitie) (te) begaan met een terroristisch oogmerk en/of met het oogmerk om

een terroristisch misdrijf voor te bereiden of gemakkelijk te maken (zoals

bedoeld in artikel 55 lid 1 en/of lid 5 van de Wet wapens en munitie)

(artikel 140a Wetboek van Strafrecht)

en/of

hij

op één of meerdere tijdstippen in de periode van 12 mei 2015 tot en met

20 februari 2017 te Syrië en/of Irak,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk

- zich en/of (een) ander(en) gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen

heeft verschaft en/of heeft trachten te verschaffen en/of

- kennis en/of vaardigheden heeft verworven en/of (een) ander(en) heeft

bijgebracht;

tot het plegen van een terroristisch misdrijf en/of een misdrijf ter

voorbereiding en/of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf.

immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) tezamen en in vereniging

met elkaar, althans alleen

A. zich het radicaal extremistisch gedachtegoed van de gewapende Jihadstrijd

met een terroristisch oogmerk gevoerd door de (terroristische) organisatie

Islamitische Staat (IS), dan wel Islamic State of Iraq and Shaam (ISIS) en/of

Islamic State of Iraq and Levant (ISIL) en/of Tahrir al-Sham (voorheen Jabhat

Fateh al-Sham en/of Jabhat al-Nusra), althans (telkens) een aan IS en/of aan

Al Qaida gelieerde organisatie(s), althans (telkens) (een) organisatie(s) die

de gewapende Jihadstrijd voorstaat/voorstaan, eigen gemaakt en/of

B. zich begeven naar en/of verbleven in het strijdgebied in Syrië, in elk

geval één of meer land(en) deel uitmakende van het/een strijdgebied en/of de

gewapende strijd en/of

C. kennis vergaard over gevechtshandelingen en/of deelgenomen aan

(gevechts)trainingen en/of (daarmee/daarbij) voorbereidingen getroffen voor de

deelname aan de gewapende strijd in Syrië en/of Irak, in elk geval één of meer

land(en) deel uitmakende van het/een strijdgebied en/of de gewapende strijd

en/of

D. in Syrië en/of Irak vuurwapen(s), althans een of meer op

(een)(vuur)wapen(s) gelijkend(e) voorwerp(en), gedragen en/of gebruikt,

althans voorhanden gehad en/of

E. in Syrië en/of Irak deelgenomen en/of bijgedragen aan de gewelddadige

Jihadstijd gevoerd door de (terroristische) organisatie Islamitische Staat

(IS), dan wel Islamic State of Iraq and Shaam (ISIS) en/of Islamic State of

Iraq and Levant (ISIL) en/of Tahrir al-Sham (voorheen Jabhat Fateh al-Sham

en/of Jabhat al-Nusra), althans (telkens) een aan IS en/of aan Al Qaida

gelieerde organisatie(s), althans (telkens) (een) organisatie(s) die de

gewapende Jihadstrijd voorstaat/voorstaan;

(artikel 134a Wetboek van Strafrecht)