Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:5820

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
17-07-2018
Datum publicatie
23-07-2018
Zaaknummer
AWB - 17 _ 6150
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

WW. Schending inlichtingenverplichting. Herziening, terugvordering en boeteoplegging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 1

zaaknummer: ROT 17/6150

uitspraak van de meervoudige kamer van 19 juli 2018 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres,

gemachtigde: mr. F. Üzümҫü,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder,

gemachtigde: mr. M. Molenaar.

Procesverloop

Bij besluit van 18 juli 2017 (primair besluit I) heeft verweerder de uitkering van eiseres op grond van de Werkloosheidswet (WW) en de Toeslagenwet (TW) met ingang van 1 april 2016 herzien en de over de periode van 1 april 2016 tot en met 31 juli 2016 te veel betaalde uitkering tot een bedrag van € 1.924,65 teruggevorderd.

Bij besluit van 18 juli 2017 (primair besluit II) heeft verweerder aan eiseres een boete opgelegd van € 962,33.

Bij besluit van 11 september 2017 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen de primaire besluiten ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 juni 2018. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde.

Overwegingen

1.1

Op 6 mei 2016 heeft eiseres een uitkering op grond van de WW en de TW aangevraagd, onder vermelding dat haar tijdelijke arbeidsovereenkomst met [werkgever] (werkgever) niet is verlengd. Vervolgens heeft verweerder de uitkeringen toegekend voor de periode van 18 april 2016 tot en met 17 juli 2016.

1.2

Naar aanleiding van een melding van Stroomopwaarts dat eiseres vanwege een gepland verblijf in Bulgarije zelf haar werkzaamheden bij werkgever heeft beëindigd, heeft verweerder tot een nader onderzoek besloten, waarvan de resultaten zijn neergelegd in een “Rapport Werknemersfraude” (rapport), met bijlagen, van 22 maart 2017. In het onderzoek is [eindverantwoordelijke] , eindverantwoordelijke van werkgever, bezocht door een inspecteur van verweerder. [eindverantwoordelijke] heeft verklaard dat eiseres, hoewel zij werkzaam had kunnen blijven, met een sms-bericht had aangegeven voorlopig niet meer te komen werken, omdat zij vanwege problemen naar Bulgarije moest gaan. Volgens het rapport is uit het onderzoek verder naar voren gekomen dat uit afschriften van de bankrekening van eiseres in de periode van 26 mei 2016 tot en met 26 september 2016 blijkt van 19 geldopnamen in de plaats [woonplaats] (Bulgarije) en dat op de Facebookpagina van eiseres bij de rubrieken ‘woont in’ en ‘komt uit’ [woonplaats] in Bulgarije is vermeld. Voorts is in een gespreksbevestiging van 1 december 2016 van Stroomopwaarts naar aanleiding van een bijstandsaanvraag van eiseres vermeld dat eiseres desgevraagd verklaarde zelf te zijn gestopt met het werk om meerdere redenen (onregelmatige werktijden, afstanden, nauwelijks werk in de winter en taalproblemen).

2. Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat eiseres haar inlichtingenverplichting heeft geschonden door niet te melden dat zij zelf het initiatief heeft genomen om, vanwege een gepland verblijf in Bulgarije, niet langer werkzaam te zijn bij werkgever. Verweerder is bij de bepaling van de hoogte van het boetebedrag uitgegaan van gewone verwijtbaarheid en heeft daarom de boete beperkt tot 50% van het benadelingsbedrag.

3. Eiseres betwist schending van de inlichtingenverplichting en stelt dat haar seizoenswerk was geëindigd, zodat er sprake was van onvrijwillige werkloosheid. Dit wordt volgens eiseres bevestigd door de door haar overgelegde e-mail van [getuige] , werkzaam bij werkgever. Eiseres betwist dat zij via sms-berichten met de werkgever heeft gecommuniceerd over werkaanbod en het stoppen met de werkzaamheden en stelt dat het op de weg van verweerder had gelegen om de verklaring van [eindverantwoordelijke] op juistheid te controleren door kopieën van de sms-berichten op te vragen. Eiseres meent dat de boete niet in verhouding staat tot de verwijtbaarheid en disproportioneel is. Zij stelt dat zij de boete niet kan betalen en dat geen rekening is gehouden met de hoge schuld die zij aan het Uwv heeft.

De rechtbank oordeelt als volgt.

4.1

Op grond van de in het rapport vermelde onderzoeksbevindingen heeft verweerder aangetoond dat eiseres, anders dan zij heeft vermeld op haar aanvraag, zelf haar werkzaamheden bij werkgever heeft beëindigd. Hetgeen eiseres in beroep heeft aangevoerd doet hieraan niet af. Aan de door eiseres overgelegde verklaring van [getuige] wordt niet die waarde gehecht als eiseres daaraan toekent. Hieruit blijkt immers niet uit hoofde van welke functie deze verklaring is afgelegd, noch in hoeverre [getuige] zicht had op en kennis had van de concrete situatie die tot de beëindiging van de werkzaamheden van eiseres heeft geleid. De stelling dat verweerder nader onderzoek naar de sms-berichten had moeten doen, wordt niet gevolgd. Er was onvoldoende reden voor twijfel aan de verklaring van [eindverantwoordelijke] op dit punt, zulks mede in het licht van de overige - onder 1.2 samengevat weergegeven - onderzoeksbevindingen. Verweerder heeft daarom terecht vastgesteld dat eiseres niet heeft voldaan aan haar inlichtingenverplichting op grond van artikel 25 van de WW.

4.2

Aangezien het niet nakomen van de inlichtingenverplichting op grond van artikel 25 van de WW heeft geleid tot het ten onrechte verlenen van WW-uitkering, was verweerder op grond van artikel 22a, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW en artikel 36, eerste lid, van de WW gehouden de WW-uitkering te herzien (in te trekken) en van eiseres terug te vorderen. In hetgeen eiseres heeft aangevoerd heeft verweerder geen dringende reden hoeven zien om hiervan af te zien.

Op grond van artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a, van de TW verviel daarmee ook de grondslag voor de toeslag op grond van de TW.

4.3

Gelet op wat onder 4.1 en 4.2 is overwogen en gelet op artikel 27a, eerste lid, van de WW, was verweerder in beginsel gehouden eiseres een boete op te leggen.

4.4

Op grond van artikel 2, eerste lid, van het Boetebesluit socialezekerheidswetten (Boetebesluit), wordt de bestuurlijke boete vastgesteld op de hoogte van het benadelingsbedrag. Bij verminderde verwijtbaarheid wordt de bestuurlijke boete verlaagd.

4.5

Verweerder is bij de bepaling van de hoogte van de boete ervan uitgegaan dat geen sprake is van opzet of grove schuld, noch van verminderde verwijtbaarheid (artikel 2, vierde lid, van het Boetebesluit). Dit is terecht. Eiseres heeft de stelling dat de boete niet in verhouding staat tot de mate van verwijtbaarheid niet onderbouwd, terwijl uit de voorhanden gegevens ook niet kan worden afgeleid dat er reden is om een verminderde verwijtbaarheid aan te nemen. Aangezien het benadelingsbedrag hoger is dan € 150,- was verweerder gelet op artikel 2aa van het Boetebesluit overigens ook niet bevoegd te volstaan met een waarschuwing.

4.6

De stelling dat de boete onevenredig is omdat eiseres deze niet kan betalen en verweerder heeft nagelaten de financiële situatie van eiseres, waaronder haar hoge schuld, bij de vaststelling daarvan te betrekken, wordt niet gevolgd.

Uit de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep van 11 januari 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:9 en ECLI:NL:CRVB:2016:10) en artikel 6 van

de Beleidsregel boete werknemer 2017 volgt in een geval als dit dat een betrokkene de boete binnen twaalf maanden uit de vastgestelde aflossingscapaciteit per maand en het eigen vermogen kan voldoen. Eiseres heeft haar stelling echter niet met financiële gegevens onderbouwd. Verweerder heeft onweersproken gesteld dat eiseres desgevraagd geen informatie over haar financiële situatie heeft verstrekt en overigens evenmin medewerking heeft verleend aan het treffen van een betalingsregeling. Tegen deze achtergrond was verweerder niet gehouden nader onderzoek te verrichten naar de financiële situatie van eiseres. De vastgestelde boete is evenredig en passend.

Verweerder heeft overigens geen dringende redenen aanwezig hoeven achten om af te zien van de oplegging van de boete.

5. Het beroep is ongegrond.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H. Bedee, voorzitter, mr. J. de Gans en mr. A.M.E.A. Neuwahl, leden, in aanwezigheid van mr. drs. C.M. Steemers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 juli 2018.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.