Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:5765

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
17-07-2018
Datum publicatie
17-07-2018
Zaaknummer
10/960003-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Pride-zaken; veroordeling voor deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven, gevangenisstraf 6 jaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 1

Parketnummer: 10/960003-16

Datum uitspraak: 17 juli 2018

Tegenspraak

Verkort vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,

niet ingeschreven in de basisregistratie personen, zonder bekende woon- of verblijfplaats in Nederland,

gemachtigd raadsvrouw mr. A.L. Gaillard, advocaat te Rotterdam.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 23 maart 2017, 22 juni 2017, 30 januari 2018 en 3 juli 2018.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officieren van justitie mrs. J.B. Haneveld en J.L. de Boer, (hierna te noemen: de officier van justitie) hebben gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaar met bevel tot gevangenneming van de verdachte.

4 Aanwezigheidsrecht

Uit het dossier komt naar voren dat de verdachte gedurende de periode waarin de zittingen plaatsvonden zich in het strijdgebied in Syrië heeft bevonden. Hij is op geen van de terechtzittingen verschenen.

De rechtbank stelt voorop dat het aanwezigheidsrecht één van de meest fundamentele rechten van een verdachte is, dat valt binnen het in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) verankerde recht op een eerlijk proces. Uitgangspunt is dan ook dat zoveel mogelijk in het werk wordt gesteld om de verdachte ter terechtzitting aanwezig te laten zijn. Zeker indien de verdachte heeft aangegeven bij zijn berechting aanwezig te willen zijn of wanneer hij (in het buitenland) is gedetineerd, kunnen belangen van slachtoffers of het algemene belang van een berechting binnen redelijke termijn niet opwegen tegen het aanwezigheidsrecht, ook niet als de verdachte wel aanwezig is geweest bij een eerdere procedure (EHRM 14 februari 2017, appl. no. 30749/12, Hokkeling v. The Netherlands, r.o. 62).

Toch behoort berechting buiten aanwezigheid van de verdachte tot de mogelijkheden. Uit de jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens valt, kort samengevat, af te leiden dat een berechting buiten de aanwezigheid van de verdachte niet in strijd is met artikel 6 van het EVRM indien de verdachte ondubbelzinnig afstand heeft gedaan van zijn aanwezigheidsrecht dan wel zich onttrekt aan berechting. In dat laatste geval is in elk geval wel vereist dat de verdachte op de hoogte is van de tegen hem ingestelde strafvervolging en de autoriteiten zich in het bijzonder hebben ingespannen om de verdachte op de hoogte te brengen van de lopende procedure.

De rechtbank oordeelt als volgt.

Gedurende de procedure heeft de rechtbank de zaak van de verdachte enkele malen aangehouden onder meer teneinde hem in de gelegenheid te stellen om aanwezig te zijn bij zijn behandeling. Dit mede naar aanleiding van uitingen van zijn kant dat hij bij de behandeling van zijn zaak aanwezig zou willen zijn. Soms zijn deze uitingen, zoals in de brief van 5 juli 2017 die hij aan de rechtbank heeft gericht, niet eenduidig over de vraag of de verdachte zelf aanwezig wil zijn bij de zitting. In het laatste jaar heeft de verdachte soms de indruk gewekt dat hij pogingen zou doen om richting Nederland te reizen. Op de regiezitting van 30 januari 2018 heeft verdachtes (toenmalige) raadsman te kennen gegeven dat de verdachte bij de zitting aanwezig wilde zijn. De rechtbank heeft toen overwogen dat de verdachte de dagvaarding kent, op de hoogte is van de zittingsdatum en kennelijk ook beschikt over het dossier. Op de zitting van 3 juli 2018 heeft de verdachte via zijn (gemachtigde) raadsvrouw niet kenbaar gemaakt zich te verzetten tegen de inhoudelijke behandeling.

Niet gezegd kan worden dat de verdachte ondubbelzinnig afstand heeft gedaan van zijn aanwezigheidsrecht.

De vraag die de rechtbank vervolgens stelt is of de verdachte zich aan de berechting heeft onttrokken dan wel of zich een situatie voordoet die gelijk is aan een onttrekking aan berechting.

Indien, zoals naar Nederlands recht, berechting buiten aanwezigheid van de verdachte mogelijk is, zal in het uiterste geval moeten worden aanvaard dat een strafgeding buiten aanwezigheid van de verdachte wordt gevoerd. Die consequentie wordt in elk geval aanvaard als de verdachte, die mede door eigen toedoen onvindbaar is, voldoende mogelijkheden zijn geboden om bij zijn strafzaak aanwezig te zijn, omdat andere, zwaarwegende belangen de doorslag geven. Daarbij kan worden gedacht aan het belang dat de samenleving heeft bij openbare berechting binnen redelijke termijn en aan belangen van slachtoffers, familieleden van de verdachte of anderen.

De rechtbank heeft vastgesteld dat de verdachte op de hoogte is van de tegen hem ingestelde strafzaak en de verschillende zittingen. Hij heeft regelmatig contact met media over zijn verblijf in het strijdgebied.

De zaak tegen de verdachte is vier maal aangebracht. Op basis van de (processen-verbaal over de) pogingen tot uitreiking van de dagvaarding en oproepingen kan worden vastgesteld dat de verdachte beweerdelijk is afgereisd naar een strijdgebied, waaruit hij niet wilde terugkeren, dan wel terugkeer op zijn minst genomen moeilijk zou zijn. De rechtbank constateert verder dat de officier van justitie aan zijn inspanningsverplichting om contact te krijgen met de verdachte voldoende inhoud heeft gegeven.

Er staan daarnaast zwaarwegende belangen op het spel. De officier van justitie verwijt de verdachte dat hij heeft deelgenomen aan (een) terroristische organisatie(s) in Syrië en/of Irak. Dit soort feiten vormen een ernstige verstoring van de rechtsorde; zij hangen direct samen met een van de grootste uitdagingen waarvoor Nederland en andere landen in Europa zich zien gesteld, namelijk de opvang van mensen uit die regio die vluchten voor oorlogsgeweld. Het is maatschappelijk gezien van groot belang dat in deze zaken zichtbaar recht wordt gedaan.

De rechtbank oordeelt op grond van het bovenstaande, dat de afwezigheid van de verdachte bij de behandeling van de strafzaak moet worden gelijkgesteld aan de zaken waarin de verdachte zich aan de berechting onttrekt, nu hij kennelijk welbewust naar een strijdgebied is afgereisd, zich daar voor de justitiële autoriteiten, hoewel die zich in het bijzonder hebben ingespannen om de dagvaarding en oproepingen uit te reiken, onbereikbaar houdt en de openbare berechting in deze zaak een zwaarwegend, maatschappelijk belang vormt.

Hieruit volgt de zaak buiten aanwezigheid van de verdachte kan worden behandeld.

5 Waardering van het bewijs

5.1.

Bewijswaardering

5.1.1.

Standpunt verdediging

Aangevoerd is dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van de hem ten laste gelegde feiten. Er is onvoldoende bewijs in het dossier dat de verdachte heeft deelgenomen aan een terroristische organisatie en een terrorisme-training heeft gevolgd.

De raadsvrouw stelt zich op het standpunt dat de mediaberichten geen wettig bewijsmiddel zijn. Sommige publicaties zijn gebaseerd op anonieme bronnen en daarvan kan de betrouwbaarheid niet worden getoetst. Andere journalisten zouden via social media contact hebben gehad met de verdachte, waarbij evenmin kan worden getoetst of zij daadwerkelijk met de verdachte hebben gesproken. Nu de officier van justitie niet heeft geïnvesteerd in een eigen onderzoek naar aanleiding van de verschenen berichten in de media, dienen deze stukken voor het bewijs te worden uitgesloten. Voorts moet niet met de bril van nu gekeken worden naar de motieven van de verdachte om uit te reizen in 2013.

5.1.2.

Beoordeling

Deelneming aan een organisatie met een terroristisch oogmerk

Voor strafbare deelneming aan een organisatie met een terroristisch oogmerk als bedoeld in artikel 140a Sr is vereist dat de verdachte weet, in de zin van onvoorwaardelijk opzet, dat de organisatie het oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven. Uit jurisprudentie volgt dat van deelneming aan een criminele (terroristische) organisatie sprake is indien een betrokkene behoort tot het samenwerkingsverband en een aandeel heeft in, dan wel ondersteuning biedt aan, gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie. Elke bijdrage aan een organisatie kan strafbaar zijn. Een dergelijke bijdrage kan bestaan uit het (mede)plegen van enig misdrijf, maar ook uit het verrichten van hand- en spandiensten, en (dus) het verrichten van handelingen die op zichzelf niet strafbaar zijn, zolang van bovenbedoeld aandeel of ondersteuning kan worden gesproken. Indien vast staat dat de verdachte deel heeft uitgemaakt van een organisatie met het oogmerk tot het plegen van terroristische misdrijven, staat daarmee ook vast dat hij een aandeel heeft gehad in de verwezenlijking van het terroristische oogmerk (rechtbank Rotterdam, 23 maart 2017, ECLI:NL:RBROT:2017: 2258). Dit geldt eens te meer nu een organisatie met het oogmerk tot het plegen van terroristische misdrijven, anders dan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven zonder meer, geen legitiem doel kan hebben en derhalve ook geen activiteiten die op zichzelf legitiem kunnen zijn. Daarom bestaat in dit soort gevallen geen noodzaak om te onderscheiden tussen verschillende vormen van deelneming. Dat betekent evenwel niet, dat het enkele verblijven en vestigen in het strijdgebied dat onder controle staat van een organisatie met het oogmerk tot het plegen van terroristische misdrijven meebrengt dat de verdachte ook deelneemt aan die organisatie. Anders gezegd, burgerschap onder de macht van een terroristische organisatie brengt niet automatisch lidmaatschap van die organisatie mee (rechtbank Rotterdam, 13 november 2017, ECLI:NL:RBROT:2017:8858).

Het bovenstaande brengt mee, dat voor bewijs van strafbare deelname aan een organisatie met een terroristisch oogmerk, dat wil zeggen aan de Islamitische Staat (IS) of haar voorgangers dan wel aan Jabath al-Nusra (hierna te noemen: JaN) of de opvolgende organisaties, bewijs van aanwezigheid in de desbetreffende strijdgebieden niet volstaat. Er dient aanvullend bewijs te zijn in de vorm van bijvoorbeeld een afbeelding of een (telefoon)gesprek waaruit ondubbelzinnig blijkt dat de verdachte deelneemt aan een dergelijke organisatie.

In de zaak tegen de verdachte stelt de rechtbank het volgende vast.

Op 27 maart 2013 heeft de vader van de verdachte bij de politie aangifte gedaan van de vermissing van de verdachte. Bij de aangifte heeft de vader een dvd overhandigd met kennelijk een afscheidsboodschap van de verdachte aan zijn ouders. In die boodschap deelt de verdachte mee dat hij aan de roep van Allah gehoor heeft gegeven, en dat het een weloverwogen besluit is om zijn Broeders en Zusters te verdedigen. De verdachte meldt voorts: “jullie wisten dat ik de verschillende fronten van de Jihad volgde”. Uit de aangifte van de vader blijkt dat hij op grond van berichten van zijn zoon ervan uitgaat dat deze naar Syrië is gereisd.

In een e-mail van de verdachte op 11 mei 2013 aan zijn zuster meldt hij “een berichtje uit Syrië”. Er is een overvloed aan informatie uit apps, door de verdachte ingesproken geluidsbestanden, tweets, e-mail aan familie enerzijds en anderzijds videoboodschappen en een brief van de verdachte zelf, waaruit kan worden afgeleid dat hij in de jaren daarop in Syrië heeft verbleven. De verdachte windt daar geen doekjes om en zoekt kennelijk ook de publiciteit met het oog op de aandacht die hij vraagt voor het leed van de Syrische bevolking. In een brief aan de rechtbank van 5 juli 2017 met vermelding ‘ [naam vermelding] ’ vertelt de verdachte ook dat hij in Syrië verblijft en dat de prioriteit voor hem in religieus en humanitair opzicht in Syrië ligt. In een videoboodschap op 21 mei 2018 gepubliceerd op de website van RTVOost stelt de verdachte dat hij in Syrië is en noemt de datum 21 mei 2018.

Daarnaast bevat het dossier gegevens waaruit in onderlinge samenhang kan worden geconcludeerd dat de verdachte als strijder heeft deelgenomen aan de oorlog in Syrië.

De verdachte heeft in een vroeg stadium voor zijn vertrek tegenover zijn ouders de naam ‘ [islamitische naam verdachte] ’ aangenomen. Er is op 25 januari 2014 een foto gepubliceerd in het tijdschrift Elsevier waarop de verdachte is te zien met een wapen dat lijkt op Kalashnikov. Bij het onderschrift is vermeld dat de verdachte deze foto ook stuurde aan vrienden vanuit Aleppo. Dit sluit aan bij de verklaring van de verdachtes vader dat hij een foto van zijn zoon heeft gezien met een dergelijk wapen in zijn handen. De verdachte staat voorts – kennelijk met zijn instemming – op een foto met iemand die wordt genoemd “de bekende jihadstrijder [naam jihad-strijder] ”, waarop beiden de wijsvinger heffen naar de camera, gepubliceerd in de regionale krant SallandCentraal 17 april 2015. Dat deze publikatie dan wel de naam van de persoon op de foto onjuist zou zijn of de foto niet authentiek blijkt niet uit enige uiting van de verdachte.

Op 28 oktober 2015 heeft de verdachte aan zijn vader, na diens vraag of hij op huizenjacht is in [plaats] , geappt: “Hier in de buurt valt het mee omdat we een tijdelijk verdrag met hen hebben. Zij bombarderen niet en wij bestoken twee dorpen niet die wij omsingeld hebben. Het zoeken van huizen betekent vaak kijken wie er voor de syrische regering werkte en is vertrokken (we hebben tijdens de verovering van [plaats] hele boeken met hun namen gevonden) en die huizen bezichtig je. (…) de huizen van de shi’ieten zijn sowieso voor ons en van degenen die nog steeds met de regering leven.

Een Facebook account onder de naam [naam Facebook-account] , met als woonplaats [plaats] , [plaats] , Syrië, vermeldt bij raadpleging in 2017 de geboortedatum en –plaats van de verdachte. Op dat account zijn in juni en juli 2016 berichten geplaatst over de overwinning van IS, met onder andere als tekst: “Moge Allah IS de overwinning geven op de kuffar”.

In een videoboodschap die op 13 juli 2017 door RTVOost is gepubliceerd zegt de verdachte:

“Ik vind dat de aanklacht tegen mij is onrechtvaardig. Het lidmaatschap van een terroristische organisatie, het in handen hebben van een wapen. Of het toereiken, dicht in de buurt kunnen komen van een wapen. Ja, je bent in een oorlogsgebied. Ik vind het heel erg. Het is bijna, hoe zeg je dat. De aanklacht is bijna wereldvreemd. Je bent in oorlogsgebied. Hoe kan je nou niet in aanraking komen met een vuurwapen. (…)

Vraag het een Nederlandse soldaat, die het je wel kunnen uitleggen. Het is de wacht houden op een front met het regeringsleger van [naam] .”

In een artikel in de Groene Amsterdammer van 28 juni 2018 wordt de verdachte geciteerd: “ik heb twee maanden bij IS gezeten, maar dat was helemaal in het begin.(…) Ik heb voedsel en kleding uitgedeeld, gevochten, de grenzen bewaakt.”

De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsvrouw dat de feiten in publicaties in de media niet gecontroleerd kunnen worden, nu de hiervoor weergegeven gegevens in onderlinge samenhang gezien elkaar ondersteunen en mede bestaan uit objectiveerbare informatie, zoals geluidsopnames, foto’s en videoboodschappen van de verdachte zelf. Met betrekking tot zijn kennelijke uitingen in de Groene Amsterdammer merkt de rechtbank op dat dit artikel als mede-auteur een oud-klasgenoot van de verdachte vermeldt, en de uitingen die de verdachte daarin kennelijk doet, naar toon, boodschap en objectiveerbare gegevens overigens consistent zijn met de informatie uit het dossier.

IS en JaN een terroristische organisatie

Van een criminele terroristische organisatie is sprake indien deze organisatie beoogt misdrijven met een terroristisch oogmerk te plegen. Dat zijn misdrijven gericht op het aanjagen van vrees van de bevolking dan wel een overheid wederrechtelijk te dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden, dan wel fundamentele politieke, constitutionele, economische of sociale structuren van een land of organisatie ernstig te ontwrichten of te vernietigen.

Islamitische Staat, ook wel Islamitische Staat in Irak en al-Sham (IS(IS)) en Islamitische Staat in Irak en de Levant (ISIL) genoemd en Tahrir al-Sham (voorheen Jabhat Fateh al-Sham en/of JaN), worden internationaal aangemerkt als een (verboden) terroristische organisatie. Deelname aan IS of Tahrir al-Sham dan wel JaN, levert dan ook deelname aan een terroristische organisatie als bedoeld in artikel 140a van het Wetboek van Strafrecht op.

Het moet voor de verdachte volstrekt duidelijk zijn geweest dat IS dan wel JaN het oogmerk hebben (hadden) tot het plegen van terroristische misdrijven. Immers, daargelaten of JaN, zoals door de raadsvrouw betoogd, ten tijde van het afreizen door de verdachte al op de internationale lijst van verboden terroristische organisaties stond, beide organisaties werden in de media voortdurend aangeduid als een terroristische organisatie en ook als zodanig (voor JaN gold dit kort na het vertrek van de verdachte per 13 mei 2013) aangemerkt in internationaal verband door plaatsing op de UN-sanctielijst. Uit de uitingen van de verdachte in zijn berichten aan het thuisfront respectievelijk in de pers blijkt ook dat hij in ieder geval in de eerste jaren de kritische (en door de verdachte als eenzijdig beschouwde) beeldvorming in Nederland respectievelijk de westerse wereld rond deze organisaties bestrijdt en dus daarvan op de hoogte is. De verdachte moet worden nagegeven dat de overwinnaars de geschiedenis schrijven en hun eigen wandaden dan al gauw vergeten, maar dat de verdachte met verwijzing naar misdaden van andere partijen (bijvoorbeeld Assad of derde landen) een andere kijk heeft op de activiteiten en misdaden van deze terroristische organisaties, maakt nog niet dat zijn handelen om die reden niet strafbaar is.

Uit het vorenstaande volgt dat de verdachte door uit te reizen naar Syrië en zich daar als strijder aan te sluiten bij IS respectievelijk JaN tot het samenwerkingsverband van die organisaties is gaan behoren en dat hij gedurende de ten laste gelegde periode een aandeel heeft gehad in de verwezenlijking van het oogmerk van die organisaties.

Training

De vader van de verdachte heeft verklaard dat zijn zoon hem had verteld dat hij in het beginstadium toen hij in Syrië verbleef ‘iets van een training had gehad’.

Uit het rapport “Bestemming Syrië” blijkt dat JaN een opvang- en aanmeldprocedure kent, gevolgd door een periode in een trainingskamp. Dit algemene uitgangpunt dat in ieder geval gold in de periode van de vermoedelijke aankomst van de verdachte in Syrië in 2013, wettigt in samenhang met de overige aanwijzingen in het dossier de conclusie dat de training waar de vader van de verdachte over verklaart betrekking heeft op een dergelijke militaire training.

Deze verklaring, in relatie tot het feit dat de verdachte zich heeft aangesloten bij een terroristische criminele organisatie en hetgeen daarover in het algemeen bekend is, maakt dat wettig en overtuigen bewezen kan worden verklaard dat de verdachte heeft deelgenomen aan (gevechts)trainingen.

5.1.3.

Conclusie

Bewezen is het ten laste gelegde.

Uit het dossier blijkt niet dat de verdachte dit tezamen en in vereniging met (een) ander(en) heeft gedaan, zodat hij zal worden vrijgesproken van het hem tenlastgelegde medeplegen.

5.2.

Bewezenverklaring

Wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

hij in de periode van 02 maart 2013 tot en met 20 februari 2017 te Syrië

heeft deelgenomen aan een of meer organisatie(s), namelijk Islamitische Staat (IS), dan wel Islamic State of Iraq and Shaam (ISIS) en/of Islamic State of Iraq and Levant (ISIL) en/of Tahrir al-Sham (voorheen Jabhat Fateh al-Sham en/of Jabhat al-Nusra), welke organisatie(s) tot oogmerk heeft/hebben het plegen van terroristische misdrijven, te weten,

A. het opzettelijk brand stichten en/of een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en/of levensgevaar voor een ander te duchten is en/of dit feit iemands dood ten gevolge heeft (zoals bedoeld in artikel 157 Wetboek van Strafrecht), (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 176a van het Wetboek van Strafrecht) en/of

B. doodslag (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 288a van het Wetboek van Strafrecht) en/of

C. moord (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 289 jo. 83 van het Wetboek van Strafrecht) en/of

D. de samenspanning en/of opzettelijke voorbereiding van en/of bevordering tot eerder vermelde misdrijven (zoals bedoeld in artikel 176a en/of 289a en/of 96 lid 2 van het Wetboek van Strafrecht) en/of

E. het voorhanden hebben van een of meerdere wapens en/of munitie van de categorieën II en/of III (zoals bedoeld in artikel 26 lid 1 van de Wet wapens en munitie) (te) begaan met een terroristisch oogmerk en/of met het oogmerk om een terroristisch misdrijf voor te bereiden of gemakkelijk te maken (zoals bedoeld in artikel 55 lid 1 en/of lid 5 van de Wet wapens en munitie)

en

hij in de periode van 02 maart 2013 tot en met 20 februari 2017 te Syrië ,

opzettelijk

- kennis en/of vaardigheden heeft verworven tot het plegen van een terroristisch misdrijf en/of een misdrijf ter voorbereiding en/of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf

immers heeft verdachte

en

deelgenomen aan (gevechts)trainingen .

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de bewezenverklaarde tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan is gegrond op de redengevende inhoud van het voorgaande en op de inhoud van de wettige bewijsmiddelen, houdende tot bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Het vonnis zal in die gevallen waarin de wet dit vereist worden aangevuld met een later bij dit vonnis te voegen bijlage met daarin de inhoud dan wel de opgave van de bewijsmiddelen.

6 Strafbaarheid feit

Het bewezen feit levert op de eendaadse samenloop van:

deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven;

en

zich opzettelijk kennis en/of vaardigheden verwerven tot het plegen van een terroristisch misdrijf en/of een misdrijf ter voorbereiding en/of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het feit is dus strafbaar.

7 Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

8 Motivering straf

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte is na een periode van radicalisering in maart 2013 afgereisd naar Syrië. Hij heeft zich daar weloverwogen aangesloten bij een terroristische strijdgroep, was een gewapende strijder en verblijft tot op de dag van vandaag nog in Syrië.

Voorafgaand aan de deelname aan de gewapende strijd heeft de verdacht in Syrië in een trainingskamp gezeten en kennis en vaardigheden verworven om terroristische misdrijven te plegen. Een dergelijke training omvat allerlei onderdelen, ook theologische vorming en wordt afgesloten met een verplicht sharia-examen voordat iemand ingezet kan worden.

Jihadistische strijdgroepen in Syrië, zoals IS en JaN, maken zich op grootschalige en systematische wijze schuldig aan terroristische misdrijven. Op Nederland rust de internationale verplichting om terrorisme te bestrijden, ook als dat in een ander land plaatsvindt. Deelnemen aan de gewapende strijd in Syrië, in welke vorm dan ook, is een terroristisch misdrijf. Terroristische misdrijven worden – ook internationaal – gezien als behorende tot de ernstigste misdrijven. Het oorlogsgeweld in het desbetreffende gebied, waaraan de verdachte heeft deelgenomen, heeft velen op de vlucht gejaagd en stelt Nederland en andere landen in Europa en uit die regio voor een uitdaging, waarvan de maatschappelijke impact niet kan worden onderschat. Het deelnemen aan een terroristische organisatie moet daarom streng worden bestraft.

De verdachte heeft meermalen de media in Nederland te woord gestaan en heeft videoboodschappen op het internet gezet. Er zijn diverse artikelen en berichten verschenen over zijn persoon en zijn verblijf in Syrië. In de brief van de verdachte aan de rechtbank van 5 juli 2017 heeft hij kennelijk onder de aandacht van de rechter willen brengen wat hem beweegt: niet het zaaien van dood en verderf maar het bieden van een helpende hand aan de Syrische bevolking om hun leed te verzachten. Ook heeft de verdachte (onder meer in het artikel in de Groene Amsterdammer) wel aangegeven dat hij de methoden van IS is gaan verwerpen. Hoewel de rechtbank oog wil hebben voor de verschillende – mogelijk ook ideële – motieven die een uitreiziger zoals de verdachte kan hebben, doet zijn betoog niet af aan de constatering dat hij zich volledig heeft overgegeven aan de strijd van de genoemde terroristische organisaties en daartoe de wapens heeft gevoerd.

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 28 mei 2018, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor enig strafbaar feit.

Wegens de grote dreiging die uitgaat van terroristische criminele organisaties, wordt alleen al de deelneming daaraan bedreigd met een hoge gevangenisstraf. Bij de vaststelling van de duur van de aan de verdachte op te leggen gevangenisstraf laat de rechtbank meewegen dat het hier om voltooide delicten gaat en heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. Naar het oordeel van de rechtbank kan daarom slechts worden volstaan met een gevangenisstraf van aanzienlijke duur.

Alle omstandigheden in aanmerking genomen acht de rechtbank een gevangenisstraf van hierna te melden duur passend en geboden. Tevens zal de rechtbank de gevorderde gevangenneming van de verdachte bevelen. Dit bevel is apart geminuteerd.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 55 en 140a van het Wetboek van Strafrecht.

10 Bijlage

De in dit vonnis genoemde bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

11 Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte de ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) jaren.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. J.L.M. Boek, voorzitter,

en mrs. J.J. Bade en D.L. Spierings, rechters,

in tegenwoordigheid van M.J. Grootendorst, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

hij

op één of meerdere tijdstippen in de periode van 02 maart 2013 tot en met

20 februari 2017 te Syrië en/of Irak,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

heeft deelgenomen aan een of meer organisatie(s), namelijk Islamitische Staat

(IS), dan wel Islamic State of Iraq and Shaam (ISIS) en/of Islamic State of

Iraq and Levant (ISIL) en/of Tahrir al-Sham (voorheen Jabhat Fateh al-Sham

en/of Jabhat al-Nusra), althans (telkens) een aan IS en/of aan Al Qaida

gelieerde organisatie(s), althans (telkens) (een) organisatie(s) die de

gewapende Jihadstrijd voorstaat/voorstaan, welke organisatie(s) tot oogmerk

had(den) het plegen van terroristische misdrijven, te weten,

A. het opzettelijk brand stichten en/of een ontploffing teweegbrengen,

terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of gevaar voor zwaar

lichamelijk letsel en/of levensgevaar voor een ander te duchten is en/of dit

feit iemands dood ten gevolge heeft (zoals bedoeld in artikel 157 Wetboek van

Strafrecht), (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in

artikel 176a van het Wetboek van Strafrecht) en/of

B. doodslag (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in

artikel 288a van het Wetboek van Strafrecht) en/of

C. moord (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel

289 jo. 83 van het Wetboek van Strafrecht) en/of

D. de samenspanning en/of opzettelijke voorbereiding van en/of bevordering tot

eerder vermelde misdrijven (zoals bedoeld in artikel 176a en/of 289a en/of

96 lid 2 van het Wetboek van Strafrecht) en/of

E. het voorhanden hebben van een of meerdere wapens en/of munitie van de

categorieën II en/of III (zoals bedoeld in artikel 26 lid 1 van de Wet wapens

en munitie) (te) begaan met een terroristisch oogmerk en/of met het oogmerk om

een terroristisch misdrijf voor te bereiden of gemakkelijk te maken (zoals

bedoeld in artikel 55 lid 1 en/of lid 5 van de Wet wapens en munitie)

(artikel 140a Wetboek van Strafrecht)

en/of

hij

op één of meerdere tijdstippen in de periode van 02 maart 2013 tot en met

20 februari 2017 te Syrië en/of Irak,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk

- zich en/of (een) ander(en) gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen

heeft verschaft en/of heeft trachten te verschaffen en/of

- kennis en/of vaardigheden heeft verworven en/of (een) ander(en) heeft

bijgebracht;

tot het plegen van een terroristisch misdrijf en/of een misdrijf ter

voorbereiding en/of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf.

immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) tezamen en in vereniging

met elkaar, althans alleen

A. zich het radicaal extremistisch gedachtegoed van de gewapende Jihadstrijd

met een terroristisch oogmerk gevoerd door de (terroristische) organisatie

Islamitische Staat (IS), dan wel Islamic State of Iraq and Shaam (ISIS) en/of

Islamic State of Iraq and Levant (ISIL) en/of Tahrir al-Sham (voorheen Jabhat

Fateh al-Sham en/of Jabhat al-Nusra), althans (telkens) een aan IS en/of aan

Al Qaida gelieerde organisatie(s), althans (telkens) (een) organisatie(s) die

de gewapende Jihadstrijd voorstaat/voorstaan, eigen gemaakt en/of

B. zich begeven naar en/of verbleven in het strijdgebied in Syrië, in elk

geval één of meer land(en) deel uitmakende van het/een strijdgebied en/of de

gewapende strijd en/of

C. kennis vergaard over gevechtshandelingen en/of deelgenomen aan

(gevechts)trainingen en/of (daarmee/daarbij) voorbereidingen getroffen voor de

deelname aan de gewapende strijd in Syrië en/of Irak, in elk geval één of meer

land(en) deel uitmakende van het/een strijdgebied en/of de gewapende strijd

en/of

D. in Syrië en/of Irak vuurwapen(s), althans een of meer op

(een)(vuur)wapen(s) gelijkend(e) voorwerp(en), gedragen en/of gebruikt,

althans voorhanden gehad en/of

E. in Syrië en/of Irak deelgenomen en/of bijgedragen aan de gewelddadige

Jihadstijd gevoerd door de (terroristische) organisatie Islamitische Staat

(IS), dan wel Islamic State of Iraq and Shaam (ISIS) en/of Islamic State of

Iraq and Levant (ISIL) en/of Tahrir al-Sham (voorheen Jabhat Fateh al-Sham

en/of Jabhat al-Nusra), althans (telkens) een aan IS en/of aan Al Qaida

gelieerde organisatie(s), althans (telkens) (een) organisatie(s) die de

gewapende Jihadstrijd voorstaat/voorstaan;

(artikel 134a Wetboek van Strafrecht)

art 140a lid 1 Wetboek van Strafrecht