Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:5753

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
17-07-2018
Datum publicatie
17-07-2018
Zaaknummer
10/997001-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De verdachte, werkzaam als ‘treasury en control’ manager bij Vestia, heeft jarenlang in strijd met het binnen die woningcorporatie geldende beleid gebruik gemaakt van een ‘ introducing broker’ bij het aangaan van derivaatcontracten met banken.

Dit was een lucratieve situatie voor de verdachte. Hij kreeg de helft van de provisie (fee) die deze broker van de banken ontving, doorbetaald. De verdachte heeft dit verzwegen voor zijn werkgever. Ook heeft hij gegevens uit e-mail correspondentie verwijderd om te voorkomen dat zijn werkgever achter de betrokkenheid van deze broker zou komen. De verdachte heeft in de periode van 2004 tot en met 2010 een bedrag van ruim € 10 miljoen aan steekpenningen ontvangen. Hij heeft dit geld onder andere uitgegeven aan zijn huis, de inrichting van zijn tuin en interieur, exclusieve wijnen en andere luxe artikelen.

De verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden wegens (passieve) niet-ambtelijke omkoping, oplichting, valsheid in geschrift en gewoontewitwassen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 1

Parketnummer: 10/997001-12

Datum uitspraak: 17 juli 2018

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte 1] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres: [adres verdachte] , [woonplaats verdachte] ,

raadsman mr. J. Spijkerman, advocaat te ’s-Gravenhage.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzittingen van achtereenvolgens 6 juni en 24 november 2016, 24, 30 en 31 mei 2018, 6 juni 2018 en 3 juli 2018.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte (hierna: [naam verdachte 1] ) is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding, zoals deze op de terechtzittingen van 6 juni 2016 en 24 mei 2018 overeenkomstig de vorderingen van de officieren van justitie is gewijzigd.

De tekst van de gewijzigde tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officieren van justitie

De officieren van justitie mrs. M.J. Dontje en A. Rogaar hebben gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het onder 1, 2, 3 en 4 tenlastegelegde;

  • -

    veroordeling van [naam verdachte 1] tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaar met aftrek van voorarrest.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Inleiding

De volgende feiten en omstandigheden kunnen op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen als vaststaand worden aangemerkt. Deze feiten hebben op de terechtzitting niet ter discussie gestaan en kunnen zonder nadere motivering dienen als vertrekpunt voor de beoordeling van de bewijsvraag.

[naam verdachte 1] is afgestudeerd registeraccountant. Hij is in 1997 in dienst getreden bij (de voorloper van) de Stichting Vestia Groep (hierna: Vestia), een woningcorporatie die haar werkzaamheden uitvoert binnen het door de overheid gereguleerde terrein van de sociale woningbouw.

Reeds vóór de in de tenlastelegging onder 1, 2, 3 en 4 genoemde periodes bekleedde

[naam verdachte 1] bij Vestia de functie van ‘treasury & control’ manager. Volgens het binnen Vestia geldende financieel beleid was hij in deze hoedanigheid bevoegd om namens Vestia geldleningsovereenkomsten en zogenoemde derivaatcontracten1 met banken af te sluiten.

De derivaatcontracten werden door [naam verdachte 1] per telefoon gesloten en door de banken op band vastgelegd. Daarna werd de overeengekomen transactie door de desbetreffende bank bevestigd in een zogenoemde ‘pre-confirmation’ (voorlopige bevestiging) die per e-mail aan [naam verdachte 1] werd gestuurd.

De uiteindelijke formele bevoegdheid om namens Vestia dergelijke contracten te sluiten lag niet bij [naam verdachte 1] , maar bij het bestuur van Vestia. [naam algemeen directeur Vestia] , algemeen directeur van Vestia, was degene die de (uiteindelijke) contracten altijd namens Vestia ondertekende.

Bij het aangaan van een aantal van bovengenoemde contracten (voornamelijk derivaten) is de medeverdachte [naam verdachte 2] en/of de door hem bestuurde besloten vennootschap [naam bedrijf 1] , ook handelende onder de naam [naam bedrijf 2] (beiden hierna samen of afzonderlijk ook wel aangeduid als: [naam verdachte 2] ), als ‘introducing broker’ van de desbetreffende banken opgetreden.
heeft de helft van de door hem in verband met deze transacties van de banken ontvangen provisies (‘fees’) doorbetaald aan [naam verdachte 1] en overgemaakt naar een daartoe door [naam verdachte 1] geopende inzake-rekening (“inzake [naam bankrekening] ”). Aldus heeft [naam verdachte 2] in de onder 1 tenlastegelegde periode van 6 september 2004 tot en met 10 april 2012 een geldbedrag van in totaal € 10.419.866,- aan [naam verdachte 1] (door)betaald.

[naam verdachte 1] heeft zijn leidinggevenden bij Vestia, te weten [naam algemeen directeur Vestia] en [naam directeur financiën] (directeur Financiën), niet van deze (door)betalingen (die door hem als neveninkomsten worden aangeduid) in kennis gesteld.

Daarnaast heeft [naam verdachte 1] uit een aantal door hem van BNP Paribas en Citi Bank per e-mail ontvangen pre-confirmations de daarin opgenomen mededeling dat sprake was van een feebetaling aan (onder andere) [naam bedrijf 1] ( [naam bedrijf 2] ) verwijderd. Ook heeft hij enkele keren het zakelijk e-mailadres van [naam verdachte 2] , [naam medeverdachte] en [naam bedrijf 2] verwijderd. Dit heeft hij gedaan voordat hij deze e-mailberichten doorstuurde naar de backoffice van Vestia ( [naam backoffice-medewerkster] ).

De sinds december 2005 geldende integriteitscode van Vestia vergt van werknemers opgave van (financiële) belangen in bedrijven en instellingen waarmee Vestia zaken doet. Ook vermeldt de integriteitscode dat werknemers van Vestia nevenwerkzaamheden dienen op te geven en dat geschenken of giften in geld of natura niet worden geaccepteerd, met als uitzondering alledaagse geschenken.

4.2

Bewijsoverwegingen ten aanzien van feit 1

[naam verdachte 1] wordt kort gezegd verweten dat hij zich in de periode van 6 september 2004 tot en met 10 april 2012 schuldig heeft gemaakt aan passieve niet ambtelijke omkoping.

Standpunt verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit. Daartoe is aangevoerd dat ten aanzien van de door [naam verdachte 1] van [naam verdachte 2] ontvangen betalingen geen sprake was van enige concrete door [naam verdachte 1] in het kader van zijn dienstbetrekking voor [naam verdachte 2] verrichte (tegen)prestatie. Hij heeft slechts aan [naam verdachte 2] de tip gegeven om niet van Vestia, maar van de desbetreffende bank een fee te bedingen ter zake van tussen Vestia en banken gesloten (derivaat)contracten bij de totstandkoming waarvan hij, [naam verdachte 2] , als introducing broker was betrokken. [naam verdachte 2] maakte vervolgens gebruik van dit advies en betaalde als tegenprestatie daarvoor aan [naam verdachte 1] de helft van de fees door die hij in verband met bovenbedoelde contracten van de banken ontving.

[naam verdachte 1] heeft zich bij het sluiten van derivaatcontracten voor Vestia nimmer laten leiden door zijn afspraak met [naam verdachte 2] dat wanneer [naam verdachte 2] bij de totstandkoming van die overeenkomsten zou optreden als introducing broker, [naam verdachte 2] een deel van de door hem ter zake daarvan te ontvangen fees zou doorbetalen aan [naam verdachte 1] .

De door [naam verdachte 1] van [naam verdachte 2] ontvangen betalingen waren geen giften, maar neveninkomsten. [naam verdachte 1] handelde door de ontvangst van deze neveninkomsten niet anders dan dat hij zonder die neveninkomsten zou hebben gedaan. Bovendien was binnen Vestia niet duidelijk of (en zo ja, welke) neveninkomsten gemeld dienden te worden.

Op grond van de binnen Vestia geldende integriteitscode verkeerde [naam verdachte 1] oprecht in de veronderstelling dat weliswaar nevenwerkzaamheden moesten worden gemeld, maar dat een dergelijke verplichting niet gold voor neveninkomsten. [naam verdachte 1] heeft de door hem van [naam verdachte 2] ontvangen doorbetalingen dan ook niet in strijd met de goede trouw verzwegen tegenover zijn werkgever Vestia.

Beoordeling

Artikel 328ter Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) ziet op het actief en passief omkopen van personen werkzaam in de private sector. Het eerste lid van artikel 328ter Sr heeft betrekking op passieve omkoping en luidde ten tijde van de tenlastegelegde periode - voor zover hier van belang - als volgt:

“Hij die, anders dan als ambtenaar, werkzaam zijnde in dienstbetrekking of optredend als lasthebber, naar aanleiding van hetgeen hij in zijn betrekking of bij de uitvoering van zijn last heeft gedaan of nagelaten dan wel zal doen of nalaten, een gift (…) aanneemt en dit aannemen in strijd met de goede trouw verzwijgt tegenover zijn werkgever of lastgever, wordt gestraft met (…).”

De bestanddelen zullen achtereenvolgens worden besproken.

Werkzaam in dienstbetrekking

Vast staat dat [naam verdachte 1] in de tenlastegelegde periode als treasury & control manager in (civielrechtelijke) dienstbetrekking - derhalve niet als ambtenaar - werkzaam was bij Vestia.

Naar aanleiding van hetgeen hij in zijn betrekking heeft gedaan of nagelaten dan wel zal doen of nalaten

In dit verband is van belang dat [naam verdachte 2] bij de FIOD onder andere heeft verklaard dat hij zich afhankelijk voelde van [naam verdachte 1] en daardoor van Vestia. De omzet van zijn onderneming bestond voor ongeveer tweederde deel uit Vestia-gerelateerde fees. Voor het kunnen verwerven van deze fees was hij afhankelijk van [naam verdachte 1] , die hem richting de banken kon beschermen of afbreken. Als [naam verdachte 1] hem niet bij deze transacties had betrokken, dan had [naam verdachte 2] niet kunnen onderhandelen met die banken. Zonder zijn (door)betalingen aan [naam verdachte 1] zou [naam bedrijf 2] niet zo succesvol zijn geweest, aldus [naam verdachte 2] .

Uit deze verklaring van [naam verdachte 2] volgt dat de door [naam verdachte 1] van [naam verdachte 2] ontvangen (door)betalingen wel degelijk betrekking hadden op een door [naam verdachte 1] in het kader van zijn dienstbetrekking bij Vestia te verrichten (tegen)prestatie ten behoeve van [naam verdachte 2] . Namelijk, het door [naam verdachte 1] , vanuit zijn functie van treasury & control manager, laten optreden van [naam verdachte 2] als introducing broker bij het door [naam verdachte 1] ten behoeve van Vestia sluiten van (met name) derivaatcontracten.

De omstandigheid dat [naam verdachte 1] , zoals betoogd, bij het sluiten van die derivaatcontracten altijd het belang van Vestia voorop heeft gesteld en zich daarbij niet heeft laten leiden door zijn afspraak met [naam verdachte 2] , doet aan het voorgaande niet af. Het behartigen van de belangen van Vestia bij het aangaan van die contracten sluit immers niet uit dat hij daarnaast tevens zijn eigen financieel belang kon dienen.

Giften

De term gift ziet op elk overdragen aan een ander van iets wat voor die ander waarde heeft.

Daarvan is in het onderhavige geval sprake in de vorm van geldbedragen van in totaal

€ 10.419.866,- die [naam verdachte 2] aan [naam verdachte 1] heeft (door)betaald.

Verzwijgen in strijd met de goede trouw

De strafbaarheid van passieve niet ambtelijke omkoping is afhankelijk gesteld van het in strijd met de goede trouw door de ontvanger verzwijgen van de hem geboden voordelen tegenover zijn werkgever. De wetgever verwoordde het destijds in de Memorie van Antwoord2 aldus:

“(…) dat de vraag of het verzwijgen in strijd was met de goede trouw, naar algemene maatstaven zal dienen te worden beoordeeld. Het criterium van de goede trouw is, anders gezegd, objectief. (…) Van essentieel belang is, of de ondergeschikte heeft gezwegen waar hij naar objectieve maatstaf tot spreken verplicht was geweest. Niet zijn goede trouw, maar de goede trouw is doorslaggevend. Deze strenge eis noodzaakt de ondergeschikte om, in geval van twijfel aan de toelaatbaarheid van de gift of belofte, zijn principaal te raadplegen.”.

[naam verdachte 1] heeft, in strijd met de integriteitscode van Vestia, jegens Vestia verzwegen dat hij van [naam verdachte 2] een deel van de fees doorbetaald kreeg die [naam verdachte 2] had verdiend ter zake van Vestia gerelateerde transacties. Het door de verdediging in dit verband gevoerde verweer dat [naam verdachte 1] geen nevenwerkzaamheden heeft verricht, maar slechts een tip aan [naam verdachte 2] heeft gegeven waarvoor hij neveninkomsten ontving, wordt verworpen aangezien dit een semantische discussie betreft, die aan de kern van het verwijt voorbij gaat. Immers, ieder redelijk denkend werknemer zal zich duidelijk realiseren dat als hij bij het sluiten van derivaatcontracten ten behoeve van zijn werkgever tevens een eigen financieel belang heeft, er sprake is van belangenverstrengeling die moet worden gemeld aan de werkgever. Dit klemt te meer wanneer, zoals in dit geval, het bedrag aan doorbetalingen dat [naam verdachte 1] in totaal (bruto) van [naam verdachte 2] ontving meer dan het tienvoudige bedroeg van het salaris dat hij bij Vestia in dezelfde periode ontving. [naam verdachte 1] heeft de door hem van [naam verdachte 2] ontvangen geldbedragen - die als steekpenningen worden aangemerkt - in strijd met de goede trouw tegenover zijn werkgever Vestia verzwegen, terwijl hij naar objectieve maatstaven tot spreken verplicht was.

Conclusie

Door het in strijd met de goede trouw voor Vestia verzwijgen van de door hem van [naam verdachte 2] ontvangen geldbedragen, heeft [naam verdachte 1] het vertrouwen dat Vestia in hem als werknemer moest kunnen stellen geschonden en aldus heeft hij Vestia bedrogen. Dit bedrog kan, nu aan alle bestanddelen van artikel 328ter Sr is voldaan, als ‘passieve niet ambtelijke omkoping’ wettig en overtuigend worden bewezen.

4.3

Bewijsoverwegingen ten aanzien van feit 2

[naam verdachte 1] wordt verweten dat hij, in de periode van 30 september 2008 tot en met 25 maart 2011, samen met [naam verdachte 2] , Vestia heeft opgelicht door Vestia onder valse voorwendselen te bewegen tot het aangaan van de in de tenlastelegging onder I tot en met VI vermelde derivaatcontracten.

In de tenlastelegging worden drie oplichtingsmiddelen genoemd:

  1. [naam verdachte 1] en [naam verdachte 2] hebben in strijd met de waarheid tegenover Vestia de indruk gewekt dat [naam verdachte 1] enkel de belangen van Vestia behartigde bij het door hem voor Vestia onderhandelen over en het aangaan van derivaatcontracten;

  2. [naam verdachte 1] en [naam verdachte 2] hebben voor Vestia verzwegen dat [naam verdachte 1] - door de omkopingsrelatie die hij met [naam verdachte 2] had - een eigen financieel belang had bij de door hem voor Vestia gesloten derivaatcontracten waarbij [naam verdachte 2] als introducing broker optrad;

  3. [naam verdachte 1] heeft - met medeweten van [naam verdachte 2] - door hem aangepaste pre-confirmation

e-mails naar de backoffice van Vestia verstuurd, zodat de betrokkenheid van [naam verdachte 2] en de aan deze door banken betaalde fees niet meer zichtbaar waren,

waardoor Vestia werd bewogen tot het aangaan van derivaatcontracten, ofwel tot het aangaan van schulden.

Standpunt openbaar ministerie

Aangevoerd is dat uit de door [naam algemeen directeur Vestia] , [naam directeur financiën] en [voorzitter raad van commisarissen van Vestia]3 bij de FIOD en/of tegenover de rechter-commissaris afgelegde getuigenverklaringen blijkt dat Vestia de derivaatcontracten niet zou hebben gesloten als Vestia had geweten dat in strijd met het financieel statuut gebruik werd gemaakt van een tussenpersoon ( [naam verdachte 2] ) en had geweten dat [naam verdachte 2] de helft van de fees die hij in verband met het sluiten van deze contracten van banken ontving doorbetaalde aan [naam verdachte 1] . Door (het verzwijgen van) deze handelwijze door [naam verdachte 1] en [naam verdachte 2] is Vestia bewogen tot het aangaan van die derivaatcontracten. Immers, Vestia verkeerde in de veronderstelling dat er naast de belangen van Vestia geen andere persoonlijke financiële belangen een rol speelden bij het sluiten van de derivaatcontracten. [naam verdachte 1] en [naam verdachte 2] hebben Vestia in de waan gelaten dat [naam verdachte 1] enkel het belang van Vestia diende, terwijl [naam verdachte 2] ondertussen steekpenningen aan [naam verdachte 1] betaalde ter zake van de desbetreffende voor Vestia afgesloten derivaatcontracten. Ook hield [naam verdachte 1] - met medeweten van [naam verdachte 2] - de inzet van [naam verdachte 2] en de feebetaling aan [naam verdachte 2] voor Vestia verborgen door daarop betrekking hebbende informatie uit van banken ontvangen e-mails te verwijderen voordat hij die e-mails doorstuurde naar de backoffice van Vestia.

Op grond van voormelde feiten en omstandigheden concludeert het openbaar ministerie dat [naam verdachte 1] en [naam verdachte 2] zich als medeplegers schuldig hebben gemaakt aan oplichting van Vestia door het gebruik van listige kunstgrepen, een samenweefsel van verdichtsels en een valse hoedanigheid.

Standpunt verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit. Daartoe is onder meer aangevoerd dat de drie in de tenlastelegging genoemde oplichtingshandelingen afzonderlijk, noch in onderling verband en samenhang bezien als oplichtingsmiddel(en) zoals bedoeld in artikel 326 Sr kunnen worden aangemerkt, omdat deze middelen uitsluitend betrekking hebben op het verhullen en verzwijgen van de omkoping. [naam verdachte 1] heeft die middelen ingezet met als doel om zijn dienstverband met Vestia in stand te houden, maar door deze middelen is Vestia niet tot ander handelen bewogen dan het handelen waarop haar geldende (vooraf goedgekeurde) financieel beleid reeds was gericht. Het dossier bevat geen enkel aanknopingspunt dat Vestia voor een andere beleggingsstrategie zou hebben gekozen indien [naam verdachte 1] niet (door [naam verdachte 2] ) was omgekocht.

Beoordeling

Voorop wordt gesteld dat uit de aparte strafbaarstelling van omkoping naast oplichting, kan worden afgeleid dat niet in alle gevallen van omkoping ook sprake is van oplichting4.

Een van de vragen die in het licht van het verwijt van oplichting op grond van artikel 326, eerste lid, Sr gesteld moet worden, is of Vestia door de tenlastegelegde oplichtingsmiddelen, die alle in directe relatie staan tot de niet ambtelijke omkoping van [naam verdachte 1] , is bewogen tot het aangaan van de derivaatcontracten.

Het eerste middel betreft het zich in strijd met de waarheid voordoen als iemand die enkel de belangen van Vestia zal behartigen en komt er op neer dat [naam verdachte 1] zich heeft voorgedaan als een werknemer die te goeder trouw is. Dit kan als oplichtingsmiddel worden aangemerkt als dat berust op voldoende specifieke gedragingen die in de desbetreffende context erop zijn gericht bij het beoogde slachtoffer een onjuiste voorstelling van zaken in het leven te roepen teneinde daarvan misbruik te maken. Bijvoorbeeld het gebruik maken van een in het maatschappelijk verkeer gebruikelijk vast patroon. Daarvan is hier evenwel geen sprake zodat dit middel niet als oplichtingsmiddel kan worden aangemerkt.

Het tweede middel, het verzwijgen van het financieel belang bij het aangaan van derivaatcontracten, kan in geval van bijkomende omstandigheden als oplichtingsmiddel worden aangemerkt.

Die bijkomende omstandigheid is vervat in het derde middel. [naam verdachte 1] heeft de feebetaling aan hem, en de betrokkenheid van [naam verdachte 2] bij (derivaat)transacties uit het zicht van Vestia gehouden, door de informatie dienaangaande te verwijderen uit de pre-confirmation e-mails. Door deze informatie aan Vestia te onthouden werd door hem jegens Vestia een onjuiste voorstelling van zaken gegeven die, was Vestia met die informatie wel bekend geweest, er toe zou hebben geleid dat zij de genoemde derivaatcontracten niet, althans niet onder deze condities, zou hebben gesloten. Het meest pregnant komt dit naar voren in de e-mailwisseling betreffende een transactie van Vestia met Société Générale d.d. 29 maart 2011 (D-418) waarin een broker fee wordt vermeld, evenals de naam van die broker, [naam bedrijf 1] [naam backoffice-medewerkster] reageert op dit door haar ontvangen contract met de woorden: "We don't sign this one, because we don't use a broker at all. Maybe you make a mistake and this is for another party?". Wanneer [naam verdachte 1] haar de volgende dag laat weten dat hij het heeft geregeld en dat zij het oude contract kan verscheuren, schrijft zij hem dat zij dat contract niet eens heeft uitgedraaid, zo oneens was zij het daarmee.

Dat het niet de bedoeling was contracten te sluiten bij de totstandkoming waarvan een tussenpersoon of broker betrokken was, volgt ook uit de verklaringen van de getuigen [naam algemeen directeur Vestia] en [naam directeur financiën] . Vestia had, aldus [naam algemeen directeur Vestia] , juist de functie van een broker/tussenpersoon uitgeschakeld ter voorkoming van extra kosten voor Vestia. Een broker/tussenpersoon zou de behoefte hebben om extra omzet te maken, dus die zal streven naar meer transacties. Bovendien is niet bekend wat voor een relatie zo'n broker/tussenpersoon heeft met de uiteindelijke financier. Dit uitgangspunt van Vestia komt ook tot uitdrukking in haar financieel statuut, waarin is bepaald dat Vestia heeft gekozen voor treasury management waarbij de operationele activiteiten in eigen beheer worden uitgevoerd.

Dat de pre-confirmation e-mails op zichzelf van geringe betekenis waren bij het sluiten van contracten, doet aan het voorgaande niet af. Evenmin als het feit dat [naam verdachte 1] , zoals door de verdediging is betoogd, bevoegd was en volledige vrijheid had om binnen de geldende beleidskaders de onderhavige transacties te sluiten. Van belang is slechts dat die (oorspronkelijke) pre-confirmation e-mails informatie bevatten die voor Vestia van wezenlijke betekenis was voor het aangaan van contracten, terwijl [naam verdachte 1] deze informatie buiten beeld wilde houden. Niet omdat deze informatie bij Vestia tot onnodige vragen en discussie zou kunnen leiden, zoals [naam verdachte 1] heeft verklaard, maar om de positie van [naam verdachte 2] , als onmisbare schakel voor het doorbetalen van ontvangen fees aan [naam verdachte 1] , veilig te stellen.

Of Vestia ten gevolge van het handelen van [naam verdachte 1] financieel nadeel heeft geleden, kan in het midden blijven evenals de vraag of Vestia op andere wijze op de hoogte had kunnen komen van de betrokkenheid van [naam verdachte 2] en de feebetaling.

Conclusie

Gelet op het voorgaande, in samenhang bezien met de wettige bewijsmiddelen die zijn opgenomen in bijlage II bij dit vonnis, is wettig en overtuigend bewezen dat [naam verdachte 1] zich schuldig heeft gemaakt aan oplichting van Vestia.

Ten aanzien van het tenlastegelegde medeplegen met [naam verdachte 2] zal vrijspraak volgen, nu niet is gebleken dat ook [naam verdachte 2] , als medepleger van [naam verdachte 1] , zich schuldig heeft gemaakt aan oplichting van Vestia.

4.4

Bewijsoverwegingen ten aanzien van feit 3

[naam verdachte 1] wordt kort gezegd verweten dat hij zich in de periode van 6 januari 2009 tot en met 30 september 2011 meermalen schuldig heeft gemaakt aan valsheid in geschrift.

Standpunt verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit. Aangevoerd is dat de door [naam verdachte 1] aangepaste pre-confirmation e-mails voor niemand binnen Vestia enige betekenis hadden en daarom niet als bewijs van enig feit dienden. Vestia was al gebonden aan een derivaattransactie op het moment dat [naam verdachte 1] deze mondeling (per telefoon) bevestigde. De pre-confirmation die op deze mondelinge toezegging volgde, was enkel een bevestiging van de reeds afgesloten transactie en had als zodanig geen zelfstandige bewijsfunctie. Daarna volgde de schriftelijke vastlegging van de tussen partijen gemaakte afspraken, het contract, dat zowel door de bank als [naam algemeen directeur Vestia] diende te worden ondertekend en dat als zodanig ook bewijswaarde had. Daarnaast had [naam verdachte 1] ook niet het oogmerk dat de pre-confirmation e-mails tot bewijs van enig feit zouden worden gebruikt.

Beoordeling

Bij de vraag naar de bewijsbestemming van een geschrift als bedoeld in artikel 225 Sr gaat het om de aard van het geschrift en de functie die het geschrift in het maatschappelijk verkeer pleegt te vervullen, in samenhang bezien met zijn inhoud.

De pre-confirmation was de schriftelijke vastlegging van een eerder per telefoon door

[naam verdachte 1] gesloten mondelinge overeenkomst. Volgens de verklaring van [naam backoffice-medewerkster] was de informatie uit de pre-confirmation leidend voor de verificatie van hetgeen in het schriftelijke contract (confirmation) stond dat enige tijd later werd ontvangen. De pre-confirmation e-mails - die onderdeel uitmaakten van de bedrijfsadministratie - dienden ter controle of wat was vastgelegd in het uiteindelijke schriftelijke contract overeenkwam met de telefonisch afgesloten transactie. Van die transactie maakte de fee aan de introducing broker, [naam verdachte 2] , onderdeel uit.

Uit het vorenstaande volgt dan ook dat de pre-confirmation e-mails een bewijsbestemming hadden.

Eveneens acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat [naam verdachte 1] het oogmerk had om de vervalste pre-confirmation e-mails als echt en onvervalst te gebruiken. Dit ligt reeds besloten in het feit dat [naam verdachte 1] precies die onderdelen uit de pre-confirmation e-mails verwijderde waaruit de (verzwegen) betrokkenheid van [naam verdachte 2] en de tussen hen bestaande omkopingsrelatie zouden kunnen blijken.

Conclusie

Gelet op het vorenstaande, in samenhang bezien met de wettige bewijsmiddelen die zijn opgenomen in bijlage II bij dit vonnis, is wettig en overtuigend bewezen dat [naam verdachte 1] zich schuldig heeft gemaakt aan het meermalen plegen van valsheid in geschrift.

4.5

Bewijsoverwegingen ten aanzien van feit 4

Standpunt openbaar ministerie

Aangevoerd is dat [naam verdachte 1] zich, in de periode van 6 januari 2004 tot en met 10 april 2012, schuldig heeft gemaakt aan (gewoonte)witwassen van de door hem van [naam verdachte 2] ontvangen steekpenningen ten bedrage van in totaal € 10.419.866,-. [naam verdachte 1] heeft de criminele herkomst van dit geld trachten te verhullen door het geld te ontvangen op een speciaal daarvoor door hem geopende “inzake-rekening” ( [naam bankrekening] ), waardoor het voor derden niet zichtbaar was dat [naam verdachte 1] de houder van deze rekening was. [naam verdachte 1] heeft vervolgens een deel van dit bedrag, te weten € 7.457.171,83, gebruikt/omgezet door het te besteden aan onder meer zijn woning, tuin en luxegoederen.

Standpunt verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit. Aangevoerd is dat het voor derden wel zichtbaar was dat de [naam bankrekening] -rekening op naam van [naam verdachte 1] stond, omdat zijn naam en adres op de bankafschriften van de [naam bankrekening] -rekening waren vermeld. Dit onderdeel van de tenlastelegging kan daarom niet worden bewezen. Verder had geen van de tenlastegelegde handelingen tot doel de werkelijke herkomst van het ontvangen geld te verhullen terwijl, volgens vaste rechtspraak, het enkele voorhanden hebben en omzetten van het geld niet voldoende is om te kunnen worden gekwalificeerd als witwassen.

Beoordeling

[naam bankrekening] -rekening

Met de verdediging is de rechtbank van oordeel dat onderdeel 4-I van de tenlastelegging voor zover inhoudende: “waarbij voor (een) derde(n) niet zichtbaar was/is dat hij, verdachte, de houder van deze inzake rekening was/is”, niet wettig en overtuigend kan worden bewezen. Daartoe is het volgende redengevend.

Uit bankafschriften die horen bij de bankrekening van [naam bedrijf 1] , blijkt dat als [naam bedrijf 1] een bedrag naar de [naam bankrekening] -rekening overmaakte, uit deze bankafschriften (van [naam bedrijf 1] ) niet bleek dat de tegenrekening (voormelde [naam bankrekening] -rekening) van [naam verdachte 1] was. Op de bankafschriften van de [naam bankrekening] -rekening werd wel vermeld dat deze rekening op naam stond van [naam verdachte 1] en tevens stond daarop zijn adres. In zoverre was het dus voor “derden” wél kenbaar dat [naam verdachte 1] de houder van de [naam bankrekening] -rekening was.

Van dit onderdeel van de tenlastelegging zal [naam verdachte 1] dan ook worden vrijgesproken.

Voor zover het verwijt onder 4-I van de tenlastelegging erop ziet dat [naam verdachte 1] de door [naam verdachte 2] betaalde steekpenningen van totaal € 10.419.866,- heeft ontvangen op een privérekening bij de ABN AMRO Bank onder vermelding van “ [naam bankrekening] ”, wordt geconcludeerd dat dit onderdeel van de tenlastelegging weliswaar kan worden bewezen, maar als zodanig geen witwashandeling oplevert. Immers, die steekpenningen zijn afkomstig uit eigen misdrijf - de door [naam verdachte 1] gepleegde niet ambtelijke omkoping en oplichting - in welk geval er tevens sprake dient te zijn van een gedraging van [naam verdachte 1] die gericht is geweest op het verbergen of verhullen van de criminele herkomst daarvan. Het enkel ontvangen van die steekpenningen op zijn eigen bankrekening levert echter niet een zodanige gedraging (verhullingshandeling) op.

Gelet hierop zal [naam verdachte 1] ten aanzien van dit onderdeel van het onder 4-I tenlastegelegde worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Uitgaven

[naam verdachte 1] bekent dat hij het geld dat hij van [naam verdachte 2] op zijn [naam bankrekening] -rekening heeft ontvangen onder meer heeft uitgegeven aan de verbouwing en inrichting van zijn woning en tuin, het aflossen van zijn hypotheek en de aanschaf van luxe goederen, zoals merkkleding, exclusieve wijnen en geluids- en beeldapparatuur. Totaal is door [naam verdachte 1] ter zake hiervan een bedrag van € 7.457.171,83 uitgegeven.

Met betrekking tot dit deel van de door [naam verdachte 1] op zijn [naam bankrekening] -rekening ontvangen steekpenningen is derhalve wél sprake van bijkomende gedragingen van [naam verdachte 1] die gericht zijn geweest op het verbergen of verhullen van de criminele herkomst van het geld. De steekpenningen zijn door hem omgezet, overgedragen en gebruikt, en zijn aldus deel gaan uitmaken van het reguliere financiële en economische verkeer. Deze gedragingen kunnen dan ook worden gekwalificeerd als witwashandelingen.

Conclusie

Gelet op de duur van de bewezenverklaarde periode, de verschillende verrichte witwashandelingen en de frequentie waarmee bedragen werden witgewassen, in samenhang bezien met de wettige bewijsmiddelen die zijn opgenomen in bijlage II bij dit vonnis, is wettig en overtuigend bewezen dat [naam verdachte 1] van witwassen (van een geldbedrag van in totaal € 7.457.171,83) een gewoonte heeft gemaakt.

4.6

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat [naam verdachte 1] het onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

1.

Hij in de periode van 6 september 2004

tot en met 10 april 2012 te Rijnsburg en Hazerswoude-Dorp en Rotterdam

en Laren en Blaricum, (telkens) anders dan als ambtenaar, te weten als Treasury en Control manager werkzaam zijnde in dienstbetrekking bij Stichting Vestia Groep, naar aanleiding van hetgeen hij, verdachte, in zijn dienstbetrekking heeft gedaan of nagelaten dan

wel zal doen of nalaten gift(en), te weten de betaling van geldbedrag(en) tot een totaalbedrag van Euro 10.419.866, - van [naam verdachte 2] heeft aangenomen en dit aannemen in strijd met de goede trouw (telkens) heeft verzwegen tegenover zijn werkgever.

2.

Hij in de periode 30 september 2008

tot en met 25 maart 2011 te Rotterdam, in elk geval in Nederland, met het oogmerk om zich

wederrechtelijk te bevoordelen, telkens door listige kunstgrepen, Stichting Vestia Groep heeft bewogen

I

tot het aangaan van een schuld, te weten het aangaan van een derivaatcontract / swapcontract met Fortis Bank d.d. 2 oktober 2008 (trade date) met een nominale waarde van Euro 50.000.000,- met kenmerk [naam kenmerk 1] (zie: D-614) en

II

tot het aangaan van een schuld, te weten het aangaan van een derivaatcontract / swapcontract met Deutsche Bank d.d. 30 september 2008 (trade date) met een nominale waarde van Euro 50.000.000,- met kenmerk [naam kenmerk 2] (zie: D-609) en

III

tot het aangaan van een schuld, te weten het aangaan van een derivaatcontract / swapcontract met Deutsche Bank d.d. 2 oktober 2008 (trade date) met een nominale waarde van Euro 50.000.000,- met kenmerk [naam kenmerk 3] (zie: D-611) en

IV

tot het aangaan van een schuld, te weten het aangaan van een derivaatcontract / swapcontract met Deutsche Bank d.d. 3 oktober 2008 (trade date) met een nominale waarde van Euro 50.000.000,- met kenmerk [naam kenmerk 4] (zie: D-613) en

V

tot het aangaan van een schuld, te weten het aangaan van twee (2)derivaatcontract(en) / swapcontract(en) met Citi Bank d.d. 6 januari 2009 (trade date) met een nominale waarde van (telkens) Euro 25.000.000,- met kenmerk [naam kenmerk 5] (zie: D-341) en

VI

tot het aangaan van een schuld, te weten het aangaan van vijf (5)derivaatcontract(en) / swapcontract(en) met BNP Paribas d.d. 13 januari 2010 (trade date) met een nominale waarde van (telkens) Euro 50.000.000,- met kenmerk [naam kenmerk 6] en [naam kenmerk 7] en [naam kenmerk 8] en [naam kenmerk 9] en [naam kenmerk 10] (zie: D-300 en
D-301 en D-302 en D-303 en D-304) en

VII

hebbende verdachte (telkens) met vorenomschreven

oogmerk - zakelijk weergegeven - listiglijk en bedrieglijk opzettelijk

en

aan de Raad van Commissarissen van Stichting Vestia Groep en/of de Raad van

Bestuur van Stichting Vestia Groep en/of aan de heer [naam algemeen directeur Vestia] en/of de

heer [naam directeur financiën] , (al dan niet binnen de treasury-commissie) van de

Stichting Vestia Groep verzwegen dat hij, verdachte, financieel belang heeft,

dan wel zal hebben bij het aangaan van de derivaatcontracten / swapcontracten

(te weten het ontvangen van een deel van de fee van [naam verdachte 2] / [naam bedrijf 1]

(handelend onder de naam [naam bedrijf 2] ), welke fee door een bank werd

betaald aan [naam verdachte 2] / [naam bedrijf 1] indien er een derivaatcontract /

swapcontract tot stand was gekomen tussen die bank en Stichting Vestia Groep,

en

(pre-)confirmation) e-mailberichten, waarin een gedeelte van de

oorspronkelijke tekst (te weten de zinsnede waarin stond geschreven dat er

"een fee is/was/zal worden betaald aan [naam bedrijf 1]

en/of [naam bedrijf 2] en/of [naam bedrijf 2] ", althans woorden van die aard en/of strekking)

is/was verwijderd/weggehaald, verstuurd aan/naar [naam backoffice-medewerkster] (medewerkster

Treasury administratie van Stichting Vestia Groep) (zie o.a. D-296 en D-299 in

combinatie met D-300 en/of D-301 en/of D-302 en/of D-303 en/of D-304),

waardoor Stichting Vestia Groep (telkens) werd bewogen tot het hierboven

omschreven aangaan van een schuld;

3.

Hij in de periode van 6 januari 2009 tot en met 30 september 2011 te Rotterdam, zeven (7), (pre-)confirmation) e-mailberichten van een vertegenwoordiger/medewerker van BNP Paribas (in de persoon van [naam vertegenwoordiger/medewerker BNP Paribas] ) (te weten D-292 en D-299 en D-308 en D-313

en D-319 en D-327 en D-333)

en

acht (8), (pre-)confirmation) e-mailberichten van een vertegenwoordiger/medewerker van Citi Bank (in de persoon van [naam vertegenwoordiger/medewerker Citi Bank] ) (te weten: D-340 en D-345 en D-350 en D-354

en D-362 enD-368 en D-375 en D-380)

zijnde (telkens) (een) geschrift dat bestemd was om tot bewijs

van enig feit te dienen heeft vervalst ,immers heeft hij, verdachte, valselijk (telkens) in die (pre-)confirmation) e-mailberichten een gedeelte van de oorspronkelijke tekst (te weten de zinsnede waarin stond geschreven dat er "een fee is/was/zal worden betaald aan [naam bedrijf 1] en/of [naam bedrijf 2] en/of [naam bedrijf 2] ", althans woorden van die

aard en/of strekking, verwijderd/weggehaald en in een aantal van die

(pre-)confirmation) e-mailberichten het (zakelijke) e-mailadres

van [naam verdachte 2] en/of [naam medeverdachte] en/of [naam bedrijf 2] (dat was opgenomen in

de CC-aanhef/regel) verwijderd/weggehaald

zulks (telkens) met het oogmerk om dat geschrift als echt en

onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken.

4.

Hij in de periode van 6 september 2004 tot en met 10 april 2012 te Hazerswoude-Dorp, in elk geval in Nederland, een voorwerp, te weten geldbedrag(en) tot een totaal bedrag van –Euro 10.419.866,-,

voorhanden heeft gehad en heeft verworven en heeft omgezet en heeft overgedragen en van die geldbedrag(en) gebruik heeft gemaakt

I

door die geldbedrag(en) te ontvangen op een ABN AMRO inzake rekening [bankrekeningnummer] onder vermelding van

" [naam bankrekening] ",

en (vervolgens)

II

door met een (gedeelte van) die geldbedrag(en) (te weten:

Euro 7.457.171,83) de verbouwing en de inrichting van zijn, verdachtes, woning met daarbij behorende tuin en de aankoop/afschaf van (exclusieve) wijnen en wijnbenodigheden en kleding en geluids- en/of beeldapparatuur en de afbetaling van zijn,

verdachtes, hypotheek te financieren (zie: l-AH-015), terwijl hij, verdachte, wist dat die

geldbedrag(en) geheel of gedeeltelijk -onmiddellijk of middellijk- afkomstig waren uit enig misdrijf, terwijl hij, verdachte, daarvan een gewoonte

heeft gemaakt.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. [naam verdachte 1] moet daarvan worden vrijgesproken.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. [naam verdachte 1] is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

5 Strafbaarheid feiten

Het bewezenverklaarde levert op:

ten aanzien van feit 1:

anders dan als ambtenaar, werkzaam zijnde in dienstbetrekking, naar aanleiding van hetgeen hij in zijn dienstbetrekking heeft gedaan of nagelaten dan wel zal doen of nalaten, een gift aannemen en dit aannemen in strijd met de goede trouw verzwijgen tegenover zijn werkgever, meermalen gepleegd;

ten aanzien van feit 2:

oplichting, meermalen gepleegd;

ten aanzien van feit 3:

valsheid in geschrift, meermalen gepleegd;

ten aanzien van feit 4 onder II:

van het plegen van witwassen een gewoonte maken.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. De feiten zijn dus strafbaar.

6 Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van [naam verdachte 1] uitsluit. [naam verdachte 1] is dus strafbaar.

7 Motivering straf

Algemene overweging

De straf die aan [naam verdachte 1] wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van [naam verdachte 1] . Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Feiten waarop de straf is gebaseerd

[naam verdachte 1] , de aangewezen man binnen Vestia die zich bezig hield met het treasury-beleid van deze woningcorporatie, bekleedde jarenlang een positie waarin hij alle vrijheid kreeg om naar eigen inzicht en goeddunken, binnen de kaders van het treasury-beleid van Vestia, derivaatcontracten af te sluiten met banken. Vanuit die positie, met de daarbij behorende invloed, introduceerde hij [naam verdachte 2] bij een groot aantal banken als introducing broker en maakte hij van hem in die positie gebruik bij het aangaan van derivaatcontracten met de banken. [naam verdachte 1] profiteerde hiervan ruimschoots: hij kreeg de helft van de fees die [naam verdachte 2] van de banken ontving. Het ging aanvankelijk om (relatief) kleine geldbedragen, in contanten of door middel van het gebruik van de pinpas van [naam verdachte 2] . Vanaf september 2004 liet [naam verdachte 1] de bedragen overmaken naar een speciaal daarvoor geopende bankrekening, de [naam bankrekening] -rekening en de bedragen werden in de loop der jaren steeds hoger. Waar [naam verdachte 1] in het jaar 2004 op de [naam bankrekening] -rekening van [naam verdachte 2] een bedrag van € 170.000,- ontving, groeide dat in 2010 uit tot een bedrag van ruim € 3 miljoen. Al met al heeft hij in de periode van 2004 tot en met 2010 een bedrag van ruim € 10 miljoen van [naam verdachte 2] ontvangen. Hij heeft in die jaren buitengewoon riant geleefd van dit geld. Het is uitgegeven aan onder meer zijn huis, de inrichting van zijn tuin en interieur, exclusieve wijnen en andere luxe artikelen.

De zeer verantwoordelijke functie van [naam verdachte 1] en de daarbij behorende (vergaande) bevoegdheden van [naam verdachte 1] binnen Vestia gingen gepaard met een groot vertrouwen dat Vestia in hem had gesteld. Binnen Vestia ging men ervan uit dat [naam verdachte 1] alleen handelde in het belang van Vestia. Vestia wist ook niet beter: [naam verdachte 1] verzweeg voor Vestia niet alleen de geldbedragen die hij van [naam verdachte 2] ontving, maar hield ook de positie van [naam verdachte 2] als introducing broker bewust bij Vestia buiten beeld. Onder andere door iedere verwijzing naar [naam verdachte 2] uit pre-confirmation e-mails te verwijderen om vervolgens die vervalste e-mails door te sturen naar de back-office van Vestia.

Zo is jarenlang - gelet op de sleutelpositie die [naam verdachte 1] bij Vestia bekleedde, zijn vergaande bevoegdheden en de enorme bedragen die hij gedurende die periode aan steekpenningen ontving - sprake geweest van belangenverstrengeling in de meest ernstige vorm. [naam verdachte 1] heeft daarmee op grove wijze misbruik gemaakt van het vertrouwen dat Vestia in hem had gesteld en gehandeld in strijd met de integriteit en openheid die de wetgever heeft beoogd te beschermen in de relatie tussen werkgever en werknemer.

[naam verdachte 1] heeft niet alleen het vertrouwen dat Vestia in hem had op ernstige wijze geschonden. Hij heeft met zijn handelwijze ook het vertrouwen dat het publiek heeft in (de leiding van) semipublieke instellingen op het spel gezet. Ook dit wordt hem zeer kwalijk genomen.

Bij de behandeling van zijn zaak ter zitting heeft [naam verdachte 1] nauwelijks ervan blijk gegeven dat hij beseft dat zijn handelwijze - op zijn zachtst gezegd - laakbaar was. Hij heeft volhard in zijn standpunt dat hij de betalingen van [naam verdachte 2] niet aan Vestia diende te melden en heeft lang volgehouden dat hij geen enkel eigen financieel belang had bij de totstandkoming van derivaatcontracten. Het is dan ook zeer de vraag of [naam verdachte 1] doordrongen is van de ernst van de door hem gepleegde strafbare feiten.

Ten slotte hecht de rechtbank er in dit verband aan te vermelden dat in deze strafzaak aan de rechtbank niet de vraag ter beoordeling is voorgelegd of Vestia financieel nadeel heeft ondervonden van de handelwijze van [naam verdachte 1] .

Straf

Gezien de ernst van de feiten kan - mede vanuit het oogpunt van algemene preventie en vergelding - niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Bij het bepalen van de duur daarvan heeft de rechtbank ook acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd.

De hoogte van de op te leggen gevangenisstraf dient voorts te worden bezien tegen de achtergrond dat de strafbedreiging op omkoping tot 1 april 2010 maximaal een jaar gevangenisstraf bedroeg. Met ingang van 1 april 2010 is de maximumstraf verhoogd naar twee jaar gevangenisstraf en sinds 1 januari 2015 bedraagt de strafbedreiging op omkoping ten hoogste vier jaar gevangenisstraf. De verhoging van de strafbedreiging is mede ingegeven doordat de wetgever de afgelopen jaren meer gewicht is gaan toekennen aan integer handelen en de noodzaak in de pas te blijven lopen met internationale regelgeving op het gebied van anti-corruptie. De rechtbank zal rekening houden met dit in de loop der tijd gewijzigd inzicht van de wetgever over de strafwaardigheid van dit feit, en aansluiting zoeken bij de wijze waarop de wetgever blijkens de in de te onderscheiden tijdvakken van de bewezenverklaarde pleegperiode geldende strafmaxima aankeek tegen passieve omkoping.

Ook houdt de rechtbank in strafmatigende zin rekening met het feit dat de verschillende bewezenverklaarde feiten voortvloeien uit min of meer hetzelfde feitencomplex.

De bestaande media-aandacht voor deze zaak vormt voor de rechtbank geen aanleiding tot matiging van de op te leggen gevangenisstraf. Hoewel de rechtbank aannemelijk acht dat alle media-aandacht rondom de persoon van [naam verdachte 1] en de daarin reeds verwerkte oordelen een zware wissel op hem en zijn privéleven hebben getrokken, ziet zij die media-aandacht voor deze spraakmakende zaak als onvermijdelijk. Bovendien moet niet uit het oog worden verloren dat die aandacht rechtstreeks samenhangt met de eigen gedragingen van [naam verdachte 1] .

Tot slot heeft de rechtbank acht geslagen op het feit dat [naam verdachte 1] - blijkens een hem betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie van 26 maart 2018 - niet eerder is veroordeeld voor enig strafbaar feit.

Gelet op alle hiervoor genoemde omstandigheden acht de rechtbank in beginsel een gevangenisstraf voor de duur van vijfenveertig maanden passend en geboden.

Redelijke termijn

De rechtbank constateert dat sprake is van een schending van de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Tussen het moment waarop [naam verdachte 1] in redelijkheid kon verwachten dat hij zou worden vervolgd - 11 april 2012 (de datum waarop hij in verzekering is gesteld) - en het vonnis van de rechtbank, zijn ruim zes jaren verstreken. In beginsel is derhalve sprake van een overschrijding van de redelijke termijn met ruim vier jaren. Een niet onbelangrijk deel van deze termijnoverschrijding is evenwel terug te voeren op (het uitvoeren van) de onderzoekswensen van de verdediging.

De rechtbank zal de geconstateerde overschrijding van de redelijke termijn die niet is toe te rekenen aan [naam verdachte 1] , en de daarmee samenhangende ouderdom van de bewezenverklaarde feiten compenseren door vermindering van de op te leggen gevangenisstraf met 20%.

Slotsom

Alles afwegend acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden passend en geboden.

8 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 57, 225, 326, 328ter en 420ter van het Wetboek van Strafrecht.

9 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

10 Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat [naam verdachte 1] de onder 1, 2, 3 en 4 onder I en II tenlastegelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan, met dien verstande dat het onder 4 onder I bewezenverklaarde geen strafbaar feit oplevert en [naam verdachte 1] ten aanzien daarvan wordt ontslagen van alle rechtsvervolging;

verklaart niet bewezen hetgeen aan [naam verdachte 1] meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart [naam verdachte 1] strafbaar;

veroordeelt [naam verdachte 1] tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 (zesendertig) maanden;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. M.C. Franken, voorzitter,

en mrs. J.J. van den Berg en B.A. Cnossen, rechters,

in tegenwoordigheid van mrs. K. Aagaard en J.A.N. Maat, griffiers,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 17 juli 2018.

Bijlage I

Tekst gewijzigde tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

(onderzoek KLAPROOS / gefisnunmer [nummer] ):

Hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 6 september 2004

tot en met 10 april 2012 te Rijnsburg en/of Hazerswoude-Dorp en/of Rotterdam

en/of Laren en/of Blaricum en/of Bussum, in elk geval in Nederland, (telkens)

anders dan als ambtenaar, te weten als Treasury en Control manager werkzaam

zijnde in dienstbetrekking bij Stichting Vestia Groep, naar aanleiding van

hetgeen hij, verdachte, in zijn dienstbetrekking heeft gedaan of nagelaten dan

wel zal doen of nalaten een of meer gift(en), te weten de betaling van een of

meer geldbedrag(en) tot een totaalbedrag van circa Euro 10.419,866 - in elk

geval enig(e) geldbedrag(en), van [naam verdachte 2] (en/of zijn bedrij(f)(vén)) heeft

aangenomen en dit aannemen in strijd met de goede trouw (telkens) heeft

verzwegen tegenover zijn werkgever;

Artikel 328ter lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 328ter lid 1 Wetboek van Strafrecht

2.

(onderzoek KLAPROOS / gefisnumner [nummer] ):

Hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode 30 september 2008

tot en met 25 maart 2011 te Rotterdam en/of Hazerswoude-Dorp en/of Laren en/of

Blaricum, in elk geval in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of

anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander of anderen

wederrechtelijk te bevoordelen, telkens door listige kunstgrepen en door een

samenweefsel van verdichtsels en/of door een het aannemen van een valse hoedanigheid, Stichting Vestia Groep heeft bewogen

I

tot het aangaan van een schuld, te weten het aangaan van een

derivatencontract / swapcontract met Fortis Bank d.d. 2 oktober 2008 (trade

date) met een nominale waarde van Euro 50.000.000,- met kenmerk [naam kenmerk 1]

(zie: D-614)

en/of

II

tot het aangaan van een schuld, te weten het aangaan van een

derivatencontract / swapcontract met Deutsche Bank d.d. 30 september 2008

(trade date) met een nominale waarde van Euro 50.000.000,- met kenmerk

[naam kenmerk 2] (zie: D-609)

en/of

III

tot het aangaan van een schuld, te weten het aangaan van een

derivatencontract / swapcontract met Deutsche Bank d.d. 2 oktober 2008 (trade

date) met een nominale waarde van Euro 50.000.000,- met kenmerk [naam kenmerk 3]

(zie: D-611)

en/of

IV

tot het aangaan van een schuld, te weten het aangaan van een derivatencontract

/ swapcontract met Deutsche Bank d.d. 3 oktober 2008 (trade date) met een

nominale waarde van Euro 50.000.000,- met kenmerk [naam kenmerk 4] (zie: D-613)

en/of

V

tot het aangaan van een schuld, te weten het aangaan van twee (2), althans een

of meer, derivatencontract (en) / swapcontract (en) met Citi Bank d.d. 6 januari

2009 (trade date) met een nominale waarde van (telkens) Euro 25.000.000,- met

kenmerk [naam kenmerk 5] (zie: D-341)

en/of

VI

tot het aangaan van een schuld, te weten het aangaan van vijf (5), althans een

of meer, derivatencontract(en) / swapcontract(en) met BNP Paribas d.d. 13

januari 2010 (trade date) met een nominale waarde van (telkens) Euro

50.000.000,- met kenmerk [naam kenmerk 6] en/of [naam kenmerk 7] en/of [naam kenmerk 8] en/of

[naam kenmerk 9] en/of [naam kenmerk 10] (zie: D-300 en/of D-301 en/of D-302 en/of D-303

en/of D-304)

en/of

VII

hebbende verdachte en/of zijn mededader(s) (telkens) met vorenomschreven

oogmerk - zakelijk weergegeven - listiglijk en bedrieglijk opzettelijk

- aan de Raad van Commissarissen van Stichting Vestia Groep en/of de Raad van

Bestuur van Stichting Vestia Groep en/of aan de heer [naam algemeen directeur Vestia] en/of de

heer [naam directeur financiën] , (al dan niet binnen de treasury-commissie) van de

Stichting Vestia Groep voorgehouden en/of in strijd met de werkelijkheid de

indruk gewekt dat hij, verdachte, als Treasury en Controle manager van de

Stichting Vestia Groep enkel de belangen van Stichting Vestia Groep zal

behartigen bij het aangaan van en/of het onderhandelen over

derivatencontracten / swapcontracten namens Stichting Vestia Groep

en/of

- aan de Raad van Commissarissen van Stichting Vestia Groep en/of de Raad van

Bestuur van Stichting Vestia Groep en/of aan de heer [naam algemeen directeur Vestia] en/of de

heer [naam directeur financiën] , (al dan niet binnen de treasury-commissie) van de

Stichting Vestia Groep verzwegen dat hij, verdachte, financieel belang heeft,

dan wel zal hebben bij het aangaan van de derivatencontracten / swapcontracten

(te weten het ontvangen van een deel van de fee van [naam verdachte 2] / [naam bedrijf 1]

(handelend onder de naam [naam bedrijf 2] ), welke fee door een bank werd

betaald aan [naam verdachte 2] / [naam bedrijf 1] indien er een derivatencontract /

swapcontract tot stand was gekomen tussen die bank en Stichting Vestia Groep,

en/of

- ( (zogenaamde (pre-)confirmation) e-mailberichten, waarin een gedeelte van de

oorspronkelijke tekst (te weten de zinsnede waarin stond geschreven dat er

"een fee is/was/zal worden betaald aan [naam verdachte 2] en/of [naam bedrijf 1]

en/of [naam bedrijf 2] en/of [naam bedrijf 2] ", althans woorden van die aard en/of strekking)

is/was verwijderd/weggehaald, verstuurd aan/naar [naam backoffice-medewerkster] (medewerkster

Treasury administratie van Stichting Vestia Groep) (zie o.a. D-296 en D-299 in

combinatie met D-300 en/of D-301 en/of D-302 en/of D-303 en/of D-304),

waardoor Stichting Vestia Groep (telkens) werd bewogen tot het hierboven

omschreven aangaan van een schuld;

Artikel 326 jo 47 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 326 lid 1 Wetboek van Strafrecht

3.

(onderzoek KLAPROOS / gefisnummer [nummer] ):

Hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 6 januari 2009

tot en met 30 september 2011 te Rotterdam., in elk geval in Nederland,

zeven (7), althans een of meer, (zogenaamde (pre-)confirmation)

e-mailberichten van een vertegenwoordiger/medewerker van BNP Paribas (in de

persoon van [naam vertegenwoordiger/medewerker BNP Paribas] ) (te weten D-292 en/of D-299 en/of D-308 en/of D-313

en/of D-319 en/of D-327 en/of D-333)

en/of

acht (8), althans een of meer, (zogenaamde (pre-)confirmation)

e-mailberichten van een vertegenwoordiger/medewerker van Citi Bank (in de

persoon van [naam vertegenwoordiger/medewerker Citi Bank] ) (te weten: D-340 en/of D-345 en/of D-350 en/of D-354

en/of D-362 en/of D-368 en/of D-375 en/of D-380)

zijnde (telkens) (een) geschrift(en) dat/die bestemd was/waren om tot bewijs

van enig feit te dienen valselijk heeft opgemaakt en/of doen opmaken en/of

laten opmaken en/of vervalst en/of doen vervalsen en/of laten vervalsen,

Immers heeft hij, verdachte, valselijk en/of in strijd met de waarheid

-zakelijk weergegeven-

(telkens) in die ( zogenaamde (pre-)confirmation) e-mailberichten een

gedeelte van de oorspronkelijke tekst (te weten de zinsnede waarin stond

geschreven dat er "een fee is/was/zal worden betaald aan [naam verdachte 2] en/of

[naam bedrijf 1] en/of [naam bedrijf 2] en/of [naam bedrijf 2] ", althans woorden van die

aard en/of strekking, verwijderd/weggehaald en/of in een aantal van die

(zogenaamde (pre-)confirmation) e-mailberichten het (zakelijke) e-mailadres

van [naam verdachte 2] en/of [naam medeverdachte] en/of [naam bedrijf 2] (welke was opgenomen in

de CC-aanhef/regel) verwijderd/weggehaald

zulks (telkens) met het oogmerk om die/dat geschrift(en) als echt en

onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken

Artikel 225 lid 1 Wetboek van Strafrecht

4.

(onderzoek KLAPROOS / gefisnummer [nummer] ):

Hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 6 september 2004

tot en met 10 april 2012 te Rijnsburg en/of Hazerswoude-Dorp en/of Rotterdam

en/of Laren en/of Blaricum, in elk geval in Nederland, tezamen en in

vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (van) een voorwerp, te

weten een of meer geldbedrag(en) tot een totaal bedrag van circa Euro

10.419.866,-, in elk geval enig geldbedrag,

de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding

en/of de verplaatsing heeft/hebben verborgen/verhuld en/of heeft/hebben

verborgen/verhuld wie de rechthebbende(n) op het/die

voorwerp(en)/geldbedrag(en) was/waren en/of wie het/dat/die voorhanden

heeft/hebben gehad

en/of dat/die voorwerp(en)/geldbedrag(en) voorhanden heeft/hebben gehad, en/of

heeft/hebben verworven en/of heeft/hebben omgezet en/of heeft/hebben

overgedragen en/of van dat/die voorwerp(en)/geldbedrag(en) gebruik

heeft/hebben gemaakt

I

door dit/die voorwerp(en)/geldbedrag(en) te laten overboeken/overmaken c.q. te

ontvangen op een ABN AMRO inzake rekening [bankrekeningnummer] onder vermelding van

" [naam bankrekening] ", waarbij voor (een) derde(n) niet zichtbaar was/is dat hij,

verdachte, de houder van deze inzake rekening was/is (zie: AH-016-l(a) en/of

l-AH-15 en/of l-AH-023)

en/of (vervolgens)

II

door met een (gedeelte van) dit/die voorwerp(en)/geldbedrag(en) (te weten:

circa Euro 7.457.171,83) de verbouwing en/of de renovatie en/of het onderhoud

en/of de inrichting van zijn, verdachtes, woning met daarbij behorende tuin

en/of de aankoop/afschaf van (exclusieve) wijnen en/of wijnbenodigheden en/of

kleding en/of geluids- en/of beeldapparatuur en/of de afbetaling van zijn,

verdachtes, hypotheek te financieren (zie: l-AH-015),

terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) wist(en) dat dit/die

voorwerp(en),/geldbedrag(en) geheel of gedeeltelijk -onmiddellijk of

middellijk- afkomstig was/waren uit enig misdrijf,

terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) daarvan een gewoonte

maakt/maken/heeft/hebben gemaakt;

Artikel 420bis/ter jo 47 Wetboek van Strafrecht

art 420bis lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht

1 Renteruil-overeenkomsten en andere meer complexe financiële producten bedoeld om toekomstige rentelastrisico’s terug te brengen tot rentelastzekerheid.

2 Kamerstukken II 1965-1966, 8437, nr. 6 – MvA, pagina 2 en 3.

3 Voorzitter van de Raad van Commissarissen van Vestia.

4 Hoge Raad 20 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2889 (http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2016:2889), r.o. 2.2.2.