Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:5752

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
17-07-2018
Datum publicatie
17-07-2018
Zaaknummer
10/997000-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft jarenlang steekpenningen betaald aan de ‘treasury en control’ manager van Vestia. De verdachte trad op als ‘introducing broker’ voor banken bij het afsluiten van derivaatcontracten tussen de banken en de woningcorporatie. Hij heeft de helft van de provisie (fee) die hij daarvoor van de banken ontving aan die treasury en control manager van Vestia doorbetaald, in totaal een bedrag van € 9.202.500,-.

Daarnaast heeft de verdachte samen met zijn zakenpartner gedurende een aantal jaren steekpenningen betaald aan de extern financieel adviseur, die door de woningcorporaties Portaal en De Woonplaats was ingeschakeld als lid van hun treasury commissie. (Er is sprake van een lasthebber.)

Ook heeft de verdachte in zijn hoedanigheid van feitelijk leidinggever van zijn Holding ten aanzien van de door hem betaalde steekpenningen opzettelijk onjuiste (geconsolideerde) aangiften vennootschapsbelasting gedaan. Als gevolg hiervan heeft de verdachte ongeveer € 2.500.000,- te weinig belasting afgedragen. Beroep op de inkeerregeling slaagt niet.

De verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden wegens (medeplegen van) actieve niet-ambtelijke omkoping, het feitelijk leiding geven aan het door zijn B.V. voeren van een onjuiste administratie en het opzettelijk doen van onjuiste aangiften vennootschapsbelasting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 1

Parketnummer: 10/997000-12

Datum uitspraak: 17 juli 2018

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte 2] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres: [adres verdachte] , [woonplaats verdachte] ( [land verdachte] ),

raadsman mr. W.J. Koops, advocaat te ’s-Gravenhage.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzittingen van achtereenvolgens 6 juni en 24 november 2016, 24, 25, 29, 30, 31 mei 2018, 6 juni 2018 en 3 juli 2018.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte (hierna: [naam verdachte 2] ) is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding, zoals deze op de terechtzittingen van 6 juni 2016 en 24 mei 2018 overeenkomstig de vorderingen van de officieren van justitie is gewijzigd.

De tekst van de gewijzigde tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officieren van justitie

De officieren van justitie mrs. M.J. Dontje en A. Rogaar hebben gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het onder 1 tot en met 8 tenlastegelegde;

  • -

    veroordeling van [naam verdachte 2] tot een gevangenisstraf voor de duur van 57 maanden met aftrek van voorarrest.

4 Inleiding

De volgende feiten en omstandigheden kunnen op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen als vaststaand worden aangemerkt. Deze feiten hebben op de terechtzitting niet ter discussie gestaan en kunnen zonder nadere motivering dienen als vertrekpunt voor de beoordeling van de bewijsvraag.

[naam verdachte 2] is een ‘financial broker’ (makelaar in financiële producten zoals onder andere derivaten), die goed bekend is geraakt met de financieringsbehoeften van woning-corporaties.

In 2000 is [naam verdachte 2] zijn eigen onderneming, [naam bedrijf 1] . , gestart. Omstreeks 2004 is hij een samenwerkingsverband aangegaan met de medeverdachte [naam medeverdachte 1] en diens onderneming [naam bedrijf 2] . [naam verdachte 2] c.q. [naam bedrijf 1] . handelde vanaf mei 2005 ook onder de naam [naam bedrijf 3] .

[naam verdachte 2] is via zijn B.V. als ‘introducing broker’ opgetreden voor een aantal banken bij het aangaan van geldleningsovereenkomsten en zogenoemde derivaatcontracten1 tussen die banken en diverse woningcorporaties, waaronder de Stichting Vestia Groep (hierna: Vestia).

Hij ontving daarvoor - via [naam bedrijf 1] . - een provisie (‘fee’) van de banken.

De medeverdachte [naam verdachte 1] bekleedde ten tijde van de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten bij Vestia de functie van ‘treasury & control’ manager, in welke hoedanigheid hij bevoegd was om voor Vestia geldleningsovereenkomsten en derivaatcontracten te sluiten.

Vanuit genoemde positie, met de daarbij behorende invloed, wist [naam verdachte 1] [naam verdachte 2] c.q. diens onderneming bij een groot aantal banken als introducing broker te introduceren en telkens weer in die positie ertussen te schuiven.

In geval [naam verdachte 2] betrokken was bij de totstandkoming van (met name) een derivaatcontract tussen een bank en Vestia, dan liet hij zich - op aanraden van [naam verdachte 1] - ter zake van die transactie (niet door Vestia, maar) door de betrokken bank een fee betalen. Na ontvangst van dergelijke fees betaalde hij daarvan de helft door aan [naam verdachte 1] , die speciaal voor dat doel een bankrekening, “ [naam bankrekening] ” genaamd, had geopend.

In de onder 1 tenlastegelegde periode van 3 april 2006 tot en met 15 december 2010 gaat het om een totaalbedrag van € 9.202.500,- dat [naam verdachte 2] via zijn B.V. heeft doorbetaald aan

[naam verdachte 1] .

[naam verdachte 2] heeft de door hem aan [naam verdachte 1] gedane (door)betalingen als kosten in mindering gebracht op de bedrijfswinsten van [naam bedrijf 1] . Die aldus verlaagde bedrijfswinsten heeft hij vervolgens opgegeven in de door hem namens [naam bedrijf 4] . (als “moeder” van een fiscale eenheid met daarin o.a. opgenomen de “dochter” [naam bedrijf 1] .) gedane aangiften vennootschapsbelasting (hierna: Vpb) over de jaren 2007, 2008, 2009 en 2010.

In de administratie van [naam bedrijf 1] . zijn geen facturen opgenomen voor bovenbedoelde aan [naam verdachte 1] gedane (door)betalingen.

[naam verdachte 2] is, via zijn B.V., niet alleen als introducing broker voor banken opgetreden in relatie tot Vestia, maar ook met betrekking tot diverse andere woningcorporaties, waaronder Portaal en De Woonplaats.

Omstreeks 2007 is [naam verdachte 2] samen met [naam medeverdachte 1] een samenwerking aangegaan met
de medeverdachte [naam medeverdachte 2] , die via de besloten vennootschap [naam bedrijf 5] als extern adviseur lid was van de treasury-commissie van Portaal en
De Woonplaats. Binnen die samenwerking heeft [naam medeverdachte 2] klanten, leningen en derivaattransacties aangebracht bij [naam verdachte 2] en [naam medeverdachte 1] , die de daaruit voortvloeiende fees hebben gedeeld met [naam medeverdachte 2] door via hun B.V.’s betalingen te doen aan [naam bedrijf 5] .

Deze betalingen waren gerelateerd aan fees die [naam verdachte 2] en [naam medeverdachte 1] van banken hadden ontvangen in verband met tussen die banken en genoemde woningcorporaties gesloten geldleningsovereenkomsten en derivaattransacties, bij de totstandkoming waarvan [naam verdachte 2] en/of [naam medeverdachte 1] als introducing broker dan wel als tussenpersoon betrokken waren geweest.

Aanvankelijk is door [naam verdachte 2] en [naam medeverdachte 1] , althans hun beider B.V.’s, gezamenlijk 50% (ieder 25%) van de door hen ontvangen fees voor transacties die door de banken zijn aangegaan met beide genoemde woningcorporaties, doorbetaald aan [naam medeverdachte 2] , althans [naam bedrijf 5] . Later is dit percentage gewijzigd naar 33 1/3%.
In de periode van 16 juni 2008 tot en met 25 oktober 2010 heeft [naam medeverdachte 2] , althans [naam bedrijf 5] deze fees bij de B.V.’s van [naam verdachte 2] en [naam medeverdachte 1] in rekening gebracht. Hij heeft hiervoor in totaal 24 facturen verstuurd waarin als omschrijving “bemiddeling financiering” is vermeld. In de administratie van [naam bedrijf 1] . zijn 12 van deze facturen aangetroffen.

5 Geldigheid dagvaarding ten aanzien van feit 5

[naam verdachte 2] wordt verweten dat hij zich, in de periode van 20 juni 2005 tot en met heden, schuldig heeft gemaakt aan het feitelijk leiding geven aan het door [naam bedrijf 1] . voeren van een onjuiste administratie omdat er geen facturen met betrekking tot de doorbetaalde fees aan [naam verdachte 1] in die administratie zijn opgenomen.

Standpunt verdediging

Bepleit is dat de dagvaarding voor zover die ziet op het onder feit 5 tenlastegelegde nietig dient te worden verklaard. De pleegperiode die onder feit 5 wordt genoemd, luidt “op een of meer tijdstippen in de periode van 2005 tot en met heden.” De tenlastegelegde pleegperiode is daarmee te onbepaald, nu de verdediging niet weet waartegen verweer moet worden gevoerd.

Beoordeling

Vooropgesteld wordt dat het aan [naam verdachte 2] als feitelijk leidinggever van [naam bedrijf 1] . onder feit 5 verweten delict een omissiedelict betreft. Het gaat hier immers om een strafbaar gesteld nalaten, namelijk het opzettelijk nalaten van de verplichting om een administratie te voeren overeenkomstig de daaraan bij of krachtens de belastingwet gestelde eisen (artikel 68, eerste lid, onder d, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) jo. artikel 69, eerste lid, AWR).

Dit omissiedelict duurt in beginsel voort tot het moment waarop alsnog aan de verplichting tot het voeren van een administratie overeenkomstig de daaraan bij of krachtens de belastingwet gestelde eisen wordt voldaan. Waar ten tijde van het uitbrengen van de dagvaarding (nog) niet aan deze verplichting was voldaan, zodat op dat moment het omissiedelict nog voortduurde, was de in de tenlastelegging genoemde einddatum “tot en met heden” niet alleen feitelijk juist, maar in dit geval ook voldoende duidelijk.

Conclusie

Het verweer wordt verworpen. De dagvaarding ten aanzien van het onder feit 5 tenlastegelegde, is geldig.

6 Ontvankelijkheid openbaar ministerie ten aanzien van de feiten 4 en 5

[naam verdachte 2] wordt onder feit 4 verweten dat hij zich, in de periode van 26 september 2008 tot en met 28 juni 2011, schuldig heeft gemaakt aan het feitelijk leiding geven aan fiscale fraude van [naam bedrijf 4] . (als “moeder” van een fiscale eenheid met daarin opgenomen “dochter” [naam bedrijf 1] .).

[naam bedrijf 4] . heeft over de jaren 2007 tot en met 2010 opzettelijk onjuiste aangiften Vpb gedaan, omdat de aan [naam verdachte 1] doorbetaalde fees ten onrechte als inkoopkosten van de winst zijn afgetrokken met als gevolg dat door [naam bedrijf 4] . te weinig belasting is betaald, aldus het openbaar ministerie.

Standpunt verdediging

Bepleit is dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging van de feiten 4 en 5, omdat [naam verdachte 2] een beroep toekomt op de zogenoemde inkeerregeling, die is neergelegd in artikel 69, derde lid, AWR.

Beoordeling

Juridisch kader

Op grond van artikel 69, derde lid, AWR vervalt het recht tot strafvervolging indien de belastingschuldige alsnog een juiste en volledige aangifte doet, dan wel juiste en volledige inlichtingen, gegevens of aanwijzingen verstrekt vóórdat hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat de onjuistheid of onvolledigheid bij de autoriteiten bekend is of bekend zal worden. De ratio van deze bepaling is, te bevorderen dat overtreders tot inkeer komen en alsnog de wettelijk verschuldigde belasting aan de fiscus betalen.

Voor een succesvol beroep op de inkeerregeling is van belang dat het herstel van de begane fouten van dien aard is dat zij de aanvankelijk onjuiste of onvolledige aangifte dan wel de aanvankelijk onjuiste of onvolledige informatie juist en volledig maakt. Dit dient op zodanige wijze te geschieden dat het voor de Belastingdienst redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat de betrokkene daarmee zijn eerdere onjuiste aangifte(n) of verstrekte informatie rectificeert. Met andere woorden, het alsnog voldoen aan de fiscale verplichtingen moet ook als zodanig kenbaar worden gemaakt aan de fiscus.

Ten aanzien van feit 4

Vast staat dat [naam verdachte 2] zich op 15 maart 2012 bij de FIOD heeft gemeld. Hij heeft in het verhoor op die dag verklaard dat hij in de periode 2004 tot en met 2010 geldbedragen heeft overgemaakt aan [naam verdachte 1] .

Hij heeft verder - desgevraagd - op 23 maart 2012 verklaard dat deze bedragen jaarlijks als inkoopkosten van de omzet in de boekhouding van [naam bedrijf 1] . zijn verantwoord, en dat deze inkoopkosten in de desbetreffende aangiften Vpb van [naam bedrijf 4] ., de moedermaatschappij van de fiscale eenheid waartoe [naam bedrijf 1] . behoorde, ten laste van de winst zijn gebracht. Daarop is hem medegedeeld dat hij tevens werd verdacht van het opzettelijk indienen van onjuiste aangiften Vpb ten name van [naam bedrijf 4] . (artikel 69 AWR, ten laste gelegd als feit 4). Nadien zijn geen verbeterde aangiften Vpb namens [naam bedrijf 4] . gedaan.

Anders dan de verdediging heeft gesteld, is de rechtbank van oordeel dat [naam verdachte 2] niet tot een volledige inkeer is gekomen. Vóórafgaand aan, noch tijdens het verhoor op 23 maart 2012 heeft [naam verdachte 2] kenbaar gemaakt dat hij de intentie had om verbeterde aangiften Vpb namens [naam bedrijf 4] . in te dienen. Verder geldt dat, indien ervan wordt uitgegaan dat door of namens hem kort na zijn verklaring op 23 maart 2012 de intentie tot inkeer is uitgesproken (hetgeen overigens niet uit het dossier blijkt), niet is gebleken dat [naam verdachte 2] vervolgens op voldoende voortvarende wijze aan dit voornemen uitvoering heeft gegeven. Het enkele feit dat de FIOD nadien (deels door middel van inbeslagneming) over de administratie en boekhouding van [naam bedrijf 4] . kwam te beschikken, is in dit verband onvoldoende. Een concrete toelichting van de zijde van [naam verdachte 2] over de aard en omvang van de aan te brengen correcties voor de heffing van de Vpb is immers daarop niet gevolgd.

Het voorgaande geldt eens te meer nu uit het dossier blijkt dat de verdediging later tegenover de Belastingdienst het standpunt heeft ingenomen dat de kostenaftrek in de aangiften Vpb van [naam bedrijf 4] . ter zake van de betalingen aan [naam verdachte 1] wél toelaatbaar was. Dit standpunt staat haaks op de (pas sinds juni 2016 ingenomen) stelling van de verdediging dat [naam verdachte 2] in 2012 tot volledige inkeer was gekomen.

Nu geen verbeterde aangiften Vpb zijn gedaan en evenmin duidelijk kenbaar is gemaakt dat [naam verdachte 2] eerdere onjuiste aangiften Vpb of verstrekte informatie rectificeerde, faalt het beroep op de inkeerregeling.

De verdediging heeft verder bepleit dat van [naam verdachte 2] niet mocht worden verwacht dat hij verbeterde aangiften Vpb voor [naam bedrijf 4] . zou doen, omdat pas door strafrechtelijk onderzoek duidelijk zou worden of de betalingen aan [naam verdachte 1] als giften in de zin van artikel 328ter van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) dienden te worden aangemerkt, en daarmee als niet-aftrekbare kosten voor de heffing van de Vpb. Dit betoog gaat niet op, nu de inkeerbepaling, gelet op de ratio daarvan, geen ruimte biedt voor het stellen van een dergelijke voorwaarde.

Gelet op het voorgaande kunnen de overige verweren van de verdediging onbesproken blijven.

Ten aanzien van feit 5

Zoals hiervoor reeds uiteen is gezet, is hier sprake van een voortdurend omissiedelict. Uit de redactie van artikel 69, derde lid, AWR blijkt dat de inkeermogelijkheid niet voor alle misdrijven in artikel 69 AWR opgaat. De inkeerbepaling geldt alleen voor het verbeteren van het opzettelijk onjuist of onvolledig aangifte doen of van het opzettelijk onjuist of onvolledig verstrekken van inlichtingen, gegevens en aanwijzingen. Omissiedelicten, waaronder het onderhavige opzettelijk nalaten van de verplichting om een administratie te voeren, zijn dus als categorie uitgesloten van de inkeermogelijkheid van artikel 69, derde lid, AWR.

Conclusie

Het verweer wordt verworpen. Het openbaar ministerie is ontvankelijk in zijn vervolging van de feiten 4 en 5.

7 Waardering van het bewijs

7.1

Ten aanzien van feit 1

Nu dit feit door [naam verdachte 2] is bekend, zal dit feit zonder nadere bespreking bewezen worden verklaard, met dien verstande dat hij van ‘medeplegen’ zal worden vrijgesproken. Dienaangaande wordt nog het volgende overwogen.

Aangezien alle uitvoeringshandelingen van feit 1 door [naam verdachte 2] zelf zijn verricht, terwijl de rechtspersoon [naam bedrijf 1] . feitelijk met hem kan worden vereenzelvigd, kan reeds om deze reden geen sprake zijn van medeplegen van dit feit door [naam verdachte 2] en genoemde rechtspersoon. Dit leidt tot de vraag wie van beiden ( [naam verdachte 2] of [naam bedrijf 1] .) als dader moet worden aangemerkt van voormeld strafbaar feit. De rechtbank is van oordeel dat [naam verdachte 2] , derhalve niet [naam bedrijf 1] ., in dezen als dader heeft te gelden. Dit omdat niet-ambtelijke omkoping niet binnen de doelomschrijving van genoemde rechtspersoon valt, althans tot haar normale bedrijfsactiviteiten behoort, en er ook overigens geen, althans onvoldoende feiten en omstandigheden zijn gebleken die nopen tot het oordeel dat voormelde uitvoeringshandelingen in redelijkheid aan [naam bedrijf 1] . dienen te worden toegerekend. In het onderhavige geval is het veeleer zo dat [naam verdachte 2] (het banktegoed van) “zijn” B.V. slechts als instrument heeft gebruikt bij het door hem plegen van de omkoping van [naam verdachte 1] .

7.2

Vrijspraak ten aanzien van feit 2

[naam verdachte 2] wordt verweten dat hij samen met [naam verdachte 1] , Vestia heeft opgelicht ter zake het aangaan van de in de tenlastelegging onder I tot en met VI vermelde derivaatcontracten. In de tenlastelegging worden drie oplichtingsmiddelen genoemd:

  1. [naam verdachte 1] en [naam verdachte 2] hebben in strijd met de waarheid tegenover Vestia de indruk gewekt dat [naam verdachte 1] enkel de belangen van Vestia behartigde bij het door hem voor Vestia onderhandelen over en het aangaan van derivaatcontracten;

  2. [naam verdachte 1] en [naam verdachte 2] hebben voor Vestia verzwegen dat [naam verdachte 1] - door de omkopingsrelatie die hij met [naam verdachte 2] had - een eigen financieel belang had bij de door hem voor Vestia gesloten derivaatcontracten waarbij [naam verdachte 2] als introducing broker optrad;

  3. [naam verdachte 1] heeft - met medeweten van [naam verdachte 2] - door hem aangepaste pre-confirmation

e-mails naar de backoffice van Vestia verstuurd, zodat de betrokkenheid van [naam verdachte 2] en de aan deze door banken betaalde fees niet meer zichtbaar waren,

waardoor Vestia werd bewogen tot het aangaan van derivaatcontracten, ofwel tot het aangaan van schulden.

Standpunt openbaar ministerie

Aangevoerd is dat uit de door [naam getuige 1] , [naam getuige 2] en [naam getuige 3]2 bij de FIOD en/of tegenover de rechter-commissaris afgelegde getuigenverklaringen blijkt dat Vestia de derivaatcontracten niet zou hebben gesloten als Vestia had geweten dat in strijd met het financieel statuut gebruik werd gemaakt van een tussenpersoon ( [naam verdachte 2] ) en had geweten dat [naam verdachte 2] de helft van de fees die hij in verband met het sluiten van deze contracten van banken ontving doorbetaalde aan [naam verdachte 1] . Door (het verzwijgen van) deze handelwijze door [naam verdachte 1] en [naam verdachte 2] is Vestia bewogen tot het aangaan van die derivaatcontracten. Immers, Vestia verkeerde in de veronderstelling dat er naast de belangen van Vestia geen andere persoonlijke financiële belangen een rol speelden bij het sluiten van de derivaatcontracten. [naam verdachte 1] en [naam verdachte 2] hebben Vestia in de waan gelaten dat [naam verdachte 1] enkel het belang van Vestia diende, terwijl [naam verdachte 2] ondertussen steekpenningen aan [naam verdachte 1] betaalde ter zake van de desbetreffende voor Vestia afgesloten derivaatcontracten. Ook hield [naam verdachte 1] - met medeweten van [naam verdachte 2] - de inzet van [naam verdachte 2] en de feebetaling aan [naam verdachte 2] voor Vestia verborgen door daarop betrekking hebbende informatie uit van banken ontvangen e-mails te verwijderen voordat hij die e-mails doorstuurde naar de backoffice van Vestia.

Op grond van voormelde feiten en omstandigheden concludeert het openbaar ministerie dat [naam verdachte 1] en [naam verdachte 2] zich als medeplegers schuldig hebben gemaakt aan oplichting van Vestia door het gebruik van listige kunstgrepen, een samenweefsel van verdichtsels en een valse hoedanigheid.

Beoordeling

De rechtbank kan het openbaar ministerie in dit standpunt niet volgen.

Een van de vragen die in het licht van het verwijt van oplichting op grond van artikel 326, eerste lid, Sr moet worden gesteld is of Vestia door de tenlastegelegde oplichtingsmiddelen, die alle in directe relatie staan tot de niet-ambtelijke omkoping van [naam verdachte 1] , is bewogen tot het aangaan van de derivaatcontracten.

Het eerste middel betreft het zich in strijd met de waarheid voordoen als iemand die enkel de belangen van Vestia zal behartigen en komt er op neer dat [naam verdachte 1] zich heeft voorgedaan als een werknemer die te goeder trouw is. Dit kan als oplichtingsmiddel worden aangemerkt als dat berust op voldoende specifieke gedragingen die in de desbetreffende context erop zijn gericht bij het beoogde slachtoffer een onjuiste voorstelling van zaken in het leven te roepen teneinde daarvan misbruik te maken. Bijvoorbeeld het gebruik maken van een in het maatschappelijk verkeer gebruikelijk vast patroon. Daarvan is hier evenwel geen sprake zodat dit middel niet als oplichtingsmiddel kan worden aangemerkt.

Het tweede middel, het verzwijgen van het financieel belang bij het aangaan van derivaatcontracten is op zichzelf niet als oplichtingsmiddel aan te merken, maar dat kan anders zijn wanneer sprake is van bijkomende omstandigheden.

Die bijkomende omstandigheid is vervat in het derde middel. Ten aanzien hiervan kan echter niet worden vastgesteld dat [naam verdachte 2] hieraan een bijdrage heeft geleverd van zodanige betekenis dat sprake is van de voor medeplegen vereiste bewuste en nauwe samenwerking. De pre-confirmation e-mails werden door de banken rechtstreeks aan [naam verdachte 1] gestuurd. [naam verdachte 1] vervalste deze e-mails door daaruit onderdelen te verwijderen en stuurde deze door naar de back-office van Vestia. [naam verdachte 2] had hierin feitelijk geen aandeel. Mogelijk heeft [naam verdachte 2] van deze handelwijze van [naam verdachte 1] wel wetenschap gehad, in het licht van het feit dat hij volgens zijn verklaring wist dat Vestia niet op de hoogte was van zijn betrokkenheid bij door Vestia gesloten derivaatcontracten. Dit is echter onvoldoende om te kunnen concluderen dat er sprake is van medeplegen.

Conclusie

Gelet op het vorenstaande zal [naam verdachte 2] van het (mede)plegen van oplichting worden vrijgesproken.

7.3

Vrijspraak ten aanzien van feit 3

Standpunt openbaar ministerie

Het openbaar ministerie acht wettig en overtuigend bewezen dat [naam verdachte 2] zich, in de periode van 1 januari 2007 tot en met 14 februari 2013, samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan gewoontewitwassen. Daartoe is het volgende aangevoerd.

De Vestia-gerelateerde fees die [naam verdachte 2] via zijn B.V. ontving, zijn van misdrijf afkomstig. Immers, de ontvangst van deze fees door [naam verdachte 2] kan niet los worden gezien

van de omkooprelatie tussen [naam verdachte 2] en [naam verdachte 1] , omdat die fees zijn ontvangen in de constellatie van die omkoping. [naam verdachte 2] kon de fees alleen verdienen dankzij de omkoping van [naam verdachte 1] .

Nu vermenging heeft plaatsgevonden van dit illegaal verdiende vermogen met legaal verdiend vermogen, dient het gehele vermogen van [naam bedrijf 1] . te worden aangemerkt als middellijk gedeeltelijk van misdrijf afkomstig.
Dat maakt dat de handelingen die [naam verdachte 2] vervolgens heeft verricht met het vermogen van [naam bedrijf 1] ., witwashandelingen zijn, overeenkomstig artikel 420bis Sr. [naam verdachte 2] heeft een bedrag van € 5.349.000,- willen veiligstellen door overboekingen van geldbedragen van de bankrekening van [naam bedrijf 1] . naar zijn privérekening en van zijn privérekening naar de bankrekeningen van familieleden en diverse Zwitserse bankrekeningen.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit.

Beoordeling

Voor een bewezenverklaring van witwassen moet - onder meer - komen vast te staan dat het in de tenlastelegging genoemde voorwerp “afkomstig is uit enig misdrijf” als bedoeld in artikel 420bis Sr. Hiervan is in beginsel pas sprake indien het genoemde voorwerp afkomstig is uit een misdrijf gepleegd voorafgaand aan de in bedoeld artikel genoemde delictsgedragingen. Er dient sprake te zijn van een oorzakelijk verband tussen enerzijds de wederrechtelijke onttrekking van een voorwerp aan de heerschappij van de rechthebbende (het gronddelict) en anderzijds de verkrijging van dat goed door de witwasser.3

Het openbaar ministerie heeft als gronddelict voor het witwassen aangewezen de aan

[naam verdachte 2] verweten niet-ambtelijke omkoping, alsmede het voorts aan [naam verdachte 2] verweten medeplegen van oplichting van Vestia.

Omdat [naam verdachte 2] van de aan hem verweten oplichting wordt vrijgesproken, kan dit feit niet als gronddelict voor het witwassen dienen.

De vraag die vervolgens voorligt, is of de Vestia-gerelateerde fees die [naam verdachte 2] van de banken heeft ontvangen, kunnen worden aangemerkt als afkomstig uit de door hem gepleegde omkoping.

De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend. Weliswaar is aannemelijk dat er een verband bestaat tussen het betalen van steekpenningen door [naam verdachte 2] aan [naam verdachte 1] en een aantal Vestia-gerelateerde derivaatcontracten waarbij [naam verdachte 2] als broker is betrokken en waarvoor aan hem door de banken een fee is betaald. Op grond daarvan kan echter niet worden gesteld dat deze door [naam verdachte 2] van de banken ontvangen feebetalingen afkomstig zijn van enig misdrijf. Immers, deze fees zijn door de banken aan [naam verdachte 2] betaald voor door hem verrichte werkzaamheden op basis van onderliggende remisierovereenkomsten met elk van die banken en hebben dus als zodanig een legale grondslag.4

Conclusie

Nu de door [naam verdachte 2] ontvangen feebetalingen een legale herkomst hebben en niet kunnen niet worden aangemerkt als zijnde afkomstig uit enig misdrijf, zal hij worden vrijgesproken van het hem tenlastegelegde (medeplegen van) witwassen.

7.4

Bewezenverklaring ten aanzien van de feiten 4 en 5

Het onder 4 en 5 tenlastegelegde is door [naam verdachte 2] bekend. Deze feiten zullen zonder nadere bespreking bewezen worden verklaard, met dien verstande dat de rechtbank ten aanzien van feit 5 als pleegperiode bewezen acht de periode van 20 juni 2005 tot 3 april 2012.

Laatstgenoemde datum is de datum waarop de administratie van [naam bedrijf 1] . op het kantooradres in Laren door de FIOD in beslag is genomen. Vanaf die datum kan [naam verdachte 2] als feitelijk leidinggever niet langer aansprakelijk worden gehouden voor het opzettelijk niet voeren van een administratie overeenkomstig de daaraan bij of krachtens de belastingwet gestelde eisen, nu hij vanaf die datum feitelijk niet meer beschikte over die administratie.

Ten aanzien van feit 4 wordt nog overwogen dat ten aanzien van het tenlastegelegde ‘medeplegen’ vrijspraak zal volgen, onder verwijzing naar hetgeen hierover in dit verband onder feit 1 is overwogen.

7.5

Vrijspraak ten aanzien van feit 6

Standpunt openbaar ministerie

Het openbaar ministerie acht wettig en overtuigend bewezen dat [naam verdachte 2] zich samen met [naam medeverdachte 1] , in de periode van 25 november 2008 tot en met 14 september 2009, schuldig heeft gemaakt aan niet-ambtelijke omkoping van de medeverdachte [naam medeverdachte 3] . Daartoe is het volgende aangevoerd.

[naam medeverdachte 3] was in de tenlastegelegde periode in dienst bij Fortis Bank (Nederland) N.V. (hierna: Fortis) in de functie van Sector Head 1. In die hoedanigheid was hij betrokken bij vele financiële transacties tussen Fortis en woningcorporaties.

[naam verdachte 2] en [naam medeverdachte 1] , althans hun respectievelijke vennootschappen (hierna gezamenlijk: [naam bedrijf 2] ) ontvingen een fee van Fortis voor door Fortis afgesloten transacties waarbij [naam bedrijf 2] als tussenpersoon was opgetreden. [naam medeverdachte 3] heeft meerdere keren bij [naam verdachte 2] en [naam medeverdachte 1] een deel van die fee geclaimd als beloning voor bewezen diensten. Uit diverse provisieoverzichten die [naam medeverdachte 3] heeft opgesteld en aan [naam bedrijf 2] heeft gestuurd en ook uit verklaringen die [naam verdachte 2] hierover heeft afgelegd, blijkt dat [naam verdachte 2] eenmaal € 5.000,- en twee maal € 10.000,- aan [naam medeverdachte 3] heeft betaald en dat [naam medeverdachte 1] een bedrag van
€ 28.249,- aan [naam medeverdachte 3] heeft betaald. [naam medeverdachte 3] heeft de ontvangst van deze bedragen, in strijd met de binnen Fortis geldende algemene gedragsregels, niet aan zijn werkgever gemeld.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit.

Beoordeling

De in de tenlastelegging genoemde geldbedragen zijn afkomstig uit een provisieoverzicht dat [naam medeverdachte 3] als bijlage bij een e-mailbericht van 14 september 2009 aan [naam bedrijf 2] heeft gestuurd. In dit provisieoverzicht is een aftreksom gemaakt: vier bedragen zijn in mindering gebracht op een hoofdsom en achter de uitkomst van die som staat vermeld “saldo openstaand”.

Vast is komen staan dat [naam verdachte 2] één keer een geldbedrag van ongeveer € 5.000,- in contanten aan [naam medeverdachte 3] heeft betaald, maar dit hield volgens de verklaring van zowel [naam medeverdachte 3] als [naam verdachte 2] geen verband met de € 5.000,- in het provisieoverzicht en stond los van de werkzaamheden van [naam medeverdachte 3] bij Fortis . De betaling was volgens beiden een tegemoetkoming in de kosten die [naam medeverdachte 3] zou moeten maken voor de beoogde start van zijn eigen bedrijf in samenwerking met [naam bedrijf 2] . Ook zou deze betaling pas op een latere datum hebben plaatsgevonden dan in september 2009, namelijk eind 2009/begin 2010.

Over mogelijke andere betalingen die vanuit [naam bedrijf 2] aan [naam medeverdachte 3] zouden zijn gedaan heeft [naam verdachte 2] wisselend verklaard. Aanvankelijk zegt hij dat het “zou kunnen” dat hij nog een betaling heeft gedaan, maar in de kern komen zijn verdere verklaringen erop neer dat hij niet weet of [naam medeverdachte 1] en hij andere bedragen hebben betaald; hij heeft naar eigen zeggen geen concrete herinnering eraan. [naam medeverdachte 1] heeft ontkend dat hij een bedrag aan [naam medeverdachte 3] heeft betaald en ook [naam medeverdachte 3] heeft weersproken dat hij meer dan één keer een bedrag van [naam bedrijf 2] heeft ontvangen.

Over het provisieoverzicht van september 2009 en ook de overige provisieoverzichten die zich in het dossier bevinden heeft [naam medeverdachte 3] verklaard dat hij deze maakte om te berekenen wat hij in het kader van de beoogde samenwerking met [naam bedrijf 2] zou kunnen verdienen, hetgeen is bevestigd door [naam verdachte 2] .

Op grond van het voorgaande komt de rechtbank tot het oordeel dat niet kan worden vastgesteld of de in het provisieoverzicht van september 2009 opgenomen provisiegelden ook daadwerkelijk aan [naam medeverdachte 3] zijn betaald. Voor zover [naam medeverdachte 3] een bedrag van

€ 5.000,- heeft ontvangen van [naam verdachte 2] , kan ten aanzien daarvan niet worden vastgesteld dat het om een betaling gaat die hij heeft aangenomen “naar aanleiding van hetgeen hij in zijn betrekking heeft gedaan of nagelaten dan wel zal doen of nalaten.

Conclusie

[naam verdachte 2] zal worden vrijgesproken van de hem onder 6 tenlastegelegde niet-ambtelijke omkoping van [naam medeverdachte 3] .

7.6

Bewijsoverwegingen ten aanzien van feit 7

[naam verdachte 2] wordt verweten dat hij, samen met [naam medeverdachte 1] , [naam medeverdachte 2] heeft omgekocht. [naam verdachte 2] en [naam medeverdachte 1] (althans hun vennootschappen) zouden ieder de helft van de fee, die zij verdienden op transacties met Portaal en De Woonplaats, aan [naam medeverdachte 2] hebben doorbetaald. Het betreft een totaalbedrag van € 464.830,- (ieder € 232.415,-) ter zake van Portaal en een totaalbedrag van € 233.330,- (ieder € 116.665,-) ter zake van De Woonplaats.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit. Primair is aangevoerd dat voor de uitleg van de termen lastgever en lasthebber in artikel 328ter Sr moet worden aangesloten bij de betekenis die daaraan wordt gegeven in het civiele recht. Het begrip lastgeving is gedefinieerd in artikel 7:414 Burgerlijk Wetboek. Gelet op die definitie kan [naam medeverdachte 2] niet worden aangemerkt als lasthebber en valt hij daarmee ook niet onder de strafbaarstelling van artikel 328ter Sr. [naam medeverdachte 2] was nergens toe bevoegd, hij adviseerde. Hij ging geen overeenkomsten aan, verrichtte geen rechtshandelingen en al helemaal niet vanuit een verplichting.

Subsidiair, voor het geval [naam medeverdachte 2] naar het oordeel van de rechtbank wel is aan te merken als lasthebber in de zin van artikel 328ter Sr, is betoogd dat uit het dossier niet blijkt welke door hem jegens zijn lastgevers verzwegen handeling(en) [naam medeverdachte 2] bij de uitvoering van zijn last zou hebben gedaan of nagelaten. Hij heeft slechts [naam bedrijf 2] bij beide woningcorporaties geïntroduceerd, en hen van advies gediend. Bij door bemiddeling van [naam bedrijf 2] tot stand gekomen concrete transacties tussen de beide woningcorporaties en de banken is [naam medeverdachte 2] niet betrokken geweest.

De betalingen die door [naam verdachte 2] c.q. [naam bedrijf 1] . aan [naam bedrijf 5] zijn gedaan hadden niets te maken met het lasthebberschap van [naam medeverdachte 2] bij Portaal en De Woonplaats.

Beoordeling

Artikel 328ter Sr ziet op het actief en passief omkopen van personen werkzaam in de private sector, waarbij de strafbaarheid van deze gedraging afhankelijk is gesteld van:

  1. bij passieve omkoping: het in strijd met de goede trouw door de ontvanger verzwijgen van de hem geboden voordelen tegenover zijn werkgever of lastgever respectievelijk;

  2. ij actieve omkoping: de aanname van de aanbieder dat zijn gift of belofte door de ontvanger tegenover zijn werkgever of lastgever zal worden verzwegen.

Het tweede lid van artikel 328ter Sr heeft betrekking op actieve omkoping en luidde ten tijde van de tenlastegelegde periode (tot 1 januari 2015) als volgt:

“Met gelijke straf wordt gestraft hij die aan iemand die, anders dan als ambtenaar, werkzaam is in dienstbetrekking of optreedt als lasthebber, naar aanleiding van hetgeen deze in zijn betrekking of bij de uitvoering van zijn last heeft gedaan of nagelaten dan wel zal doen of nalaten, een gift of belofte doet (…) van die aard of onder zodanige omstandigheden, dat hij redelijkerwijs moet aannemen dat deze de gift of belofte in strijd met de goede trouw zal verzwijgen tegenover zijn werkgever of lastgever.”

De bestanddelen zullen achtereenvolgens worden besproken.

Optredend als lasthebber

Anders dan door de verdediging is bepleit, dient voor de uitleg van het begrip lasthebber in artikel 328ter Sr geen aansluiting te worden gezocht bij de definitie van het begrip lastgeving in het civiele recht. Aan begrippen die in het strafrecht voorkomen, dient zoveel mogelijk een autonome betekenis te worden toegekend die tegemoet komt aan de strekking van de desbetreffende strafrechtelijke regeling.5 Bij de interpretatie van het begrip lasthebber is dan ook het achterliggend beschermd belang van doorslaggevende betekenis. Het gaat er om de zuiverheid van de betrekking tussen werkgever of lastgever en werknemer of lastnemer te beschermen en de publieke moraal.

Hoewel na de wetswijziging in 2015 het beschermd belang van artikel 328ter Sr is verruimd en aldus ook een ruimere betekenis toekomt aan het begrip lasthebber, werd ook reeds vóór die wijziging aan het begrip lasthebber een ruime betekenis toegekend. In de literatuur6 wordt bijvoorbeeld gesteld dat de begrippen werkgever en lastgever dienen te worden geïnterpreteerd als “degene tegenover wie iemand in de private sector verantwoording schuldig is voor zijn werkzaamheden”. In het licht van deze uitleg kan [naam medeverdachte 2] , die op grond van overeenkomsten van opdracht namens [naam bedrijf 5] advieswerkzaamheden verrichtte voor beide woningcorporaties, ook ten tijde van het hem tenlastegelegde, worden aangemerkt als lasthebber.

Het door de verdediging ten aanzien van dit bestanddeel gevoerde verweer wordt daarom verworpen.

Naar aanleiding van hetgeen hij bij de uitvoering van zijn last heeft gedaan of nagelaten dan wel zal doen of nalaten

Als adviseur en lid van de treasury commissie van De Woonplaats en Portaal ontwikkelde [naam medeverdachte 2] onder meer beleid, stelde hij verbeterplannen op en gaf hij advies over treasury gerelateerde onderwerpen en advies rond transactievoorstellen. Ook bood hij ondersteuning bij de uitvoering van genomen besluiten over deze onderwerpen. Het door [naam medeverdachte 2] aan zijn opdrachtgevers gegeven advies om in het contact met de banken bij het aangaan van transacties gebruik te maken van [naam bedrijf 2] , past binnen dit kader en valt dan ook binnen de aan [naam bedrijf 5] verstrekte last, waarvan de feitelijke uitvoering door [naam medeverdachte 2] werd gedaan.

[naam medeverdachte 2] had aldus invloed op de totstandkoming en ook op het behoud van de relatie tussen [naam bedrijf 2] en beide woningcorporaties en hij heeft in dat verband via [naam bedrijf 5] de in de tenlastelegging genoemde geldbedragen van [naam bedrijf 2] aangenomen. De omstandigheid dat [naam medeverdachte 2] ten aanzien van de door De Woonplaats en Portaal met banken te sluiten transacties niet beslissingsbevoegd was, doet aan het voorgaande niet af.

Het door de verdediging ten aanzien van dit bestanddeel gevoerde verweer wordt verworpen.

Gift

De term gift ziet op elk overdragen aan een ander van iets wat voor die ander waarde heeft.

Daarvan is in het onderhavige geval sprake in de vorm van geldbedragen van in totaal

€ 464.830,- ter zake van Portaal en € 233.330,- ter zake van De Woonplaats, die door [naam bedrijf 1] . en [naam bedrijf 2] . (ieder voor de helft) aan [naam bedrijf 5] zijn (door)betaald.

Gift van die aard of onder zodanige omstandigheden, dat hij redelijkerwijs moet aannemen dat de omgekochte de gift in strijd met de goede trouw zal verzwijgen tegenover zijn lastgever

De betalingen die door [naam bedrijf 2] aan [naam medeverdachte 2] , althans [naam bedrijf 5] , zijn gedaan vloeiden direct voort uit transacties die Portaal en De Woonplaats, door tussenkomst van [naam bedrijf 2] , met de banken hadden gesloten. Gelet hierop had [naam medeverdachte 2] naast het belang van zijn opdrachtgevers, tevens een eigen financieel belang bij de tussenkomst van [naam bedrijf 2] bij het sluiten van transacties door zijn opdrachtgevers. Dat in zo’n geval sprake is van belangenverstrengeling is evident, evenals het feit dat het vertrouwen van de opdrachtgever in haar opdrachtnemer in ernstige mate zal zijn geschaad bij het bekend worden van die belangenverstrengeling. Onder die omstandigheden kan redelijkerwijs worden aangenomen dat [naam verdachte 2] en [naam medeverdachte 1] begrepen hebben dat [naam medeverdachte 2] de door [naam bedrijf 5] van [naam bedrijf 2] ontvangen geldbedragen voor beide woningcorporaties verborgen hield. Dit klemt te meer wanneer daarbij tevens in aanmerking wordt genomen de omvang van de aan [naam medeverdachte 2] c.q. [naam bedrijf 5] betaalde geldbedragen, terwijl daarvoor door [naam medeverdachte 2] c.q. [naam bedrijf 5] , geen werkzaamheden zijn verricht.

Medeplegen

Gelet op hetgeen hiervoor onder de bewijsoverwegingen ten aanzien van feit 1 is overwogen, is uitsluitend sprake van medeplegen met [naam medeverdachte 1] .

Conclusie

Door het betalen van steekpenningen aan [naam medeverdachte 2] door [naam verdachte 2] en [naam medeverdachte 1] , zijn Portaal en De Woonplaats bedrogen. Dit bedrog kan, nu aan alle bestanddelen van artikel 328ter Sr is voldaan, als ‘actieve niet ambtelijke omkoping’ wettig en overtuigend worden bewezen.

7.7

Vrijspraak ten aanzien van feit 8

Standpunt openbaar ministerie

Aangevoerd is dat de 12 facturen van [naam bedrijf 5] die in de administratie van [naam bedrijf 1] . zijn opgenomen, vals zijn. De vermelding ‘bemiddeling financiering’ op die facturen is onjuist omdat niet [naam bedrijf 5] of [naam medeverdachte 2] heeft bemiddeld, maar [naam bedrijf 2] .

Beoordeling

De rechtbank stelt vast dat [naam verdachte 2] wordt verweten dat hij samen met zijn rechtspersoon [naam bedrijf 1] . 12 valse facturen voorhanden heeft gehad.

De rechtspersoon kan slechts door middel van natuurlijke personen handelen. In dit geval zijn alle uitvoeringshandelingen door [naam verdachte 2] zelf verricht. Binnen de rechtspersoon [naam bedrijf 1] . was [naam verdachte 2] de enige natuurlijke persoon die daarin werkzaam was, zodat [naam bedrijf 1] . feitelijk met [naam verdachte 2] kan worden vereenzelvigd. Reeds om die reden kan geen sprake zijn van medeplegen van dit feit door [naam verdachte 2] en [naam bedrijf 1] . aangezien dit er toe zou leiden dat [naam verdachte 2] het feit heeft medegepleegd met zichzelf. De vraag die dan rijst is wie van beiden, [naam verdachte 2] of [naam bedrijf 1] . als dader moet worden aangemerkt van voormeld strafbaar feit.

Daarbij is van belang dat de onderhavige facturen zijn gericht aan de rechtspersoon [naam bedrijf 1] ., de betaling van die facturen is gedaan vanaf de rekening van die rechtspersoon en de facturen zijn opgenomen in de administratie van die rechtspersoon. Omdat al deze gedragingen liggen in de sfeer van de rechtspersoon is de rechtbank van oordeel dat [naam bedrijf 1] . als dader van deze feiten dient te worden aangemerkt.

Om in de gegeven situatie [naam verdachte 2] strafrechtelijk aansprakelijk te kunnen stellen voor de onderhavige strafbare gedragingen, had het op de weg van het openbaar ministerie gelegen om [naam verdachte 2] aan te merken als feitelijk leidinggever aan deze gedragingen van [naam bedrijf 1] .

Conclusie

[naam verdachte 2] zal worden vrijgesproken van valsheid in geschrift.

8 Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat [naam verdachte 2] het onder 7 ten laste gelegde heeft begaan.

In bijlage III heeft de rechtbank een opgave gedaan van wettige bewijsmiddelen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Met deze opgave wordt volstaan, nu [naam verdachte 2] het bewezen verklaarde onder 1, 4 en 5 heeft bekend en nadien geen vrijspraak is bepleit. Op grond daarvan is wettig en overtuigend bewezen dat [naam verdachte 2] het onder 1, 4 en 5 ten laste gelegde heeft begaan.

[naam verdachte 2] heeft de bewezen verklaarde feiten op die wijze begaan dat:

1.

Hij in de periode van 3 april 2006 tot en met 15 december 2010 te Laren , in elk geval in Nederland, aan iemand, te weten [naam verdachte 1] , die anders dan als ambtenaar, werkzaam is in dienstbetrekking bij Stichting Vestia Groep (in de functie van Treasury en Control manager), naar aanleiding van hetgeen deze [naam verdachte 1] in dienstbetrekking heeft

gedaan en/of nagelaten dan wel zal doen of nalaten, gift(en), te weten de betaling van geldbedrag(en) tot een totaalbedrag van Euro 9.202.500,-, heeft gedaanvan die aard en/of onder zodanige omstandigheden dat hij,verdachte, redelijkerwijs moest aannemen dat die

[naam verdachte 1] deze gift(en) in strijd met de goede trouw zou/zal verzwijgen

tegenover zijn werkgever.

4.

[naam bedrijf 4] . (als “moeder” van een fiscale eenheid met daarin o.a.

opgenomen de “dochter” [naam bedrijf 1] .) in de periode van 26 september 2008 tot en met 28 juni 2011 in Nederland, (telkens) opzettelijk bij de Belastingwet voorziene

aangifte(n), als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten

de aangifte(n) voor vennootschapsbelasting (ten name van de fiscale eenheid

[naam bedrijf 4] .) over de jaren 2007 en 2008 en 2009 en2010, onjuist heeft gedaan immers heeft [naam bedrijf 4] . (telkens) opzettelijk op het bij de Inspecteur der Belastingen of de Belastingdienst te Hilversum (elektronisch) ingeleverde aangiftebiljet(en) vennootschapsbelasting over genoemd(e) jaren 2007 (zie: D-229) en 2008 (zie: D-230) en 2009 (zie: D-231) en 2010 (zie: D-232) een te laag belastbaar bedrag aan belasting opgegeven (door het onterecht aftrekken van

steekpenningen van de winst: te weten de aftrek van Euro 630.000,- aan

steekpenningen in 2007 en de aftrek van Euro 2.030.000,- aan

steekpenningen in 2008 en de aftrek van Euro 3.335.000 - aan

steekpenningen in 2009 en de aftrek van Euro 2.625.000 - aan

steekpenningen in 2010)), terwijl dat feit er (telkens) toe strekte dat te

weinig belasting werd geheven,

aan welk(e) bovenomschreven verboden gedraging(en) hij, verdachte, (telkens) feitelijk leiding heeft gegeven.

5.

[naam bedrijf 1] . in de periode van 20 juni 2005 tot en met 3 april 2012 te Laren, in elk geval in Nederland, als degene die ingevolge de Belastingwet verplicht was tot het voeren van een administratie overeenkomstig de daaraan bij of krachtens de Belastingwet gestelde eisen, opzettelijk een zodanige administratie niet heeft gevoerd,

immers door het niet opnemen van factu(u)r(en) in

de administratie van [naam bedrijf 1] . met betrekking tot de betaling van geldbedrag(en) tot een totaalbedrag van Euro 405.000,- in 2005

en Euro 495.000,- in 2006 en Euro 662.500,- in 2007 en Euro 2.010.000,- in 2008 ena Euro 3.250.000,- in 2009 en Euro 3.010.000,- in 2010 (telkens) aan [naam verdachte 1] c.q. [naam bankrekening] , is de administratie zodanig gevoerd dat niet te allen tijde de rechten en/of

verplichtingen en/of de voor de heffing van de belasting overigens van belang

zijnde gegevens van [naam bedrijf 1] . duidelijk blijken,

terwijl dat feit ertoe strekte dat te weinig belasting werd geheven;

aan welk(e) bovenomschreven verboden

gedraging hij, verdachte, feitelijk leiding heeft gegeven.

7.

Hij omstreeks de periode van 25 september 2008 tot en met 19 november 2010 te Laren en Bussum, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander aan iemand, te weten [naam medeverdachte 2] , optredend als lasthebber van woningcorporatie Portaal (als lid van de Treasury Commissie van Portaal in de functie van extern adviseur), naar aanleiding van hetgeen deze [naam medeverdachte 2] bij de uitvoering van diens last heeft gedaan of nagelaten dan wel zal doen of nalaten gift(en), te weten de betaling van

geldbedragen tot een totaalbedrag van Euro 464.830,- (via [naam bedrijf 1] . (ten bedrage van Euro 232.415,-) en [naam bedrijf 2] (ten bedrage van Euro 232.415,-)), heeft gedaan van die aard en onder zodanige omstandigheden dat hij, verdachte, en zijn

mededader redelijkerwijs moest(en) aannemen dat die [naam medeverdachte 2] deze

gifte(n) in strijd met de goede trouw zou verzwijgen tegenover zijn

lastgever

en

Hij omstreeks de periode van 23 december 2008 tot en met 19 november 2010 te Laren en

Bussum , in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, aan iemand, te

weten [naam medeverdachte 2] , optredend als lasthebber van woningcorporatie De

Woonplaats (als lid van de Treasury Commissie van De Woonplaats in de functie

van extern adviseur), naar aanleiding van hetgeen deze [naam medeverdachte 2] bij

de uitvoering van diens last heeft gedaan of nagelaten dan wel zal doen of

nalaten gift(en), te weten de betaling van geldbedragen tot een totaalbedrag van Euro 233.330,- (via [naam bedrijf 1] . (ten bedrage van Euro 116.665,-) en/of [naam bedrijf 2] (ten bedrage van Euro116.665,-)), , heeft gedaan van die aard

en onder zodanige omstandigheden dat hij, verdachte, en zijn

mededader redelijkerwijs moest(en) aannemen dat die [naam medeverdachte 2] deze

gifte(n) in strijd met de goede trouw zou verzwijgen tegenover zijn lastgever.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. [naam verdachte 2] moet ook daarvan worden vrijgesproken.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. [naam verdachte 2] is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

9 Strafbaarheid feiten

Het bewezenverklaarde levert op:

ten aanzien van feit 1:

aan iemand die, anders dan als ambtenaar, werkzaam is in dienstbetrekking, naar aanleiding van hetgeen deze in zijn dienstbetrekking heeft gedaan en/of nagelaten en/of zal doen en/of zal nalaten, een gift heeft gedaan van die aard en/of onder zodanige omstandigheden, dat hij redelijkerwijs moet aannemen dat deze de gift in strijd met de goede trouw zal verzwijgen tegenover zijn werkgever, meermalen gepleegd;

ten aanzien van feit 4:

opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, begaan door een rechtspersoon, terwijl verdachte aan de verboden gedraging feitelijk leiding heeft gegeven, meermalen gepleegd;

ten aanzien van feit 5:

opzettelijk niet voeren van een ingevolge de belastingwet verplicht zijnde administratie overeenkomstig de daaraan bij of krachtens de belastingwet gestelde eisen, begaan door een rechtspersoon, terwijl verdachte aan de verboden gedraging feitelijk leiding heeft gegeven, meermalen gepleegd;

ten aanzien van feit 7:

medeplegen van aan iemand die, anders dan als ambtenaar, optredend als lasthebber, naar aanleiding van hetgeen deze bij de uitvoering van zijn last heeft gedaan en/of nagelaten en/of zal doen en/of zal nalaten, een gift doen van die aard en/of onder zodanige omstandigheden, dat hij redelijkerwijs moet aannemen dat deze de gift in strijd met de goede trouw zal verzwijgen tegenover zijn lastgever, meermalen gepleegd.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. De feiten zijn dus strafbaar.

10 Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van [naam verdachte 2] uitsluit. [naam verdachte 2] is dus strafbaar.

11 Motivering straf

Algemene overweging

De straf die aan [naam verdachte 2] wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van [naam verdachte 2] . Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Feiten waarop de straf is gebaseerd

[naam verdachte 2] heeft jarenlang steekpenningen betaald aan [naam verdachte 1] , die als treasury & control manager bij Vestia vergaand bevoegd was om voor Vestia derivaatcontracten te sluiten. Om als introducing broker te kunnen optreden bij door banken met Vestia te sluiten derivaatcontracten en dusdoende omvangrijke fees te kunnen verdienen, betaalde [naam verdachte 2] de helft van de door hem ontvangen Vestia gerelateerde fees door aan [naam verdachte 1] . Dit terwijl hij moest begrijpen dat [naam verdachte 1] die door hem ontvangen feebedragen uit het zicht hield van zijn werkgever Vestia, omdat evident sprake was van belangenverstrengeling. [naam verdachte 2] heeft al met al ruim 20 miljoen euro aan Vestia gerelateerde fees ontvangen van banken. Daarvan heeft hij de helft aan [naam verdachte 1] doorbetaald, maar wegens verjaring wordt thans een iets lager bedrag, nog steeds ruim 9 miljoen euro, bewezen verklaard.

Zo is jarenlang sprake geweest van een omkopingsrelatie en belangenverstrengeling in de meest ernstige vorm, gelet op de sleutelpositie die [naam verdachte 1] bij Vestia bekleedde, zijn vergaande bevoegdheden en de enorme bedragen die [naam verdachte 2] hem gedurende die periode aan steekpenningen betaalde. [naam verdachte 2] heeft deze situatie jarenlang laten voortbestaan omdat die hem bepaald geen windeieren legde en hij slechts oog had voor zijn eigen financiële belangen. Pas onder druk van onder meer de komst van de anti-bribery wetgeving is hij gestopt met het betalen van steekpenningen aan [naam verdachte 1] .

Niet alleen het vertrouwen van Vestia in haar treasury manager [naam verdachte 1] is geschonden, maar [naam verdachte 2] heeft samen met [naam verdachte 1] ook schade toegebracht aan het vertrouwen dat de maatschappij heeft in woningcorporaties met een semipublieke functie. Ook heeft [naam verdachte 2] het imago van de beroepsgroep van financieel adviseurs, waarbinnen hij werkzaam was, in ernstige mate geschonden.

Naast de omkopingsrelatie met [naam verdachte 1] heeft [naam verdachte 2] tevens samen met zijn zakenpartner [naam medeverdachte 1] een aantal jaren [naam medeverdachte 2] omgekocht, die als onafhankelijk extern adviseur (lasthebber) werkzaam was bij de woningcorporaties Portaal en De Woonplaats. In totaal heeft [naam verdachte 2] samen met [naam medeverdachte 1] een bedrag van € 464.830,- aan steekpenningen ter zake van Portaal en een bedrag van € 233.330,- aan steekpenningen ter zake van De Woonplaats aan [naam medeverdachte 2] betaald. Ook hier was het doel van die betalingen om te kunnen profiteren van de positie die [naam medeverdachte 2] bij beide woningcorporaties had, om bij zoveel mogelijk financiële transacties betrokken te worden en daarvoor fee te ontvangen. Financieel gewin was wederom de drijfveer, waaraan het belang van integer zaken doen ondergeschikt is gemaakt.

Verder heeft [naam verdachte 2] in zijn hoedanigheid van feitelijk leidinggever van [naam bedrijf 4] opzettelijk onjuiste aangiften Vpb gedaan, ten aanzien van de betalingen aan [naam verdachte 1] over de jaren 2007 tot en met 2010. Hij bracht de aan [naam verdachte 1] betaalde steekpenningen ten onrechte als kosten in mindering op de bedrijfswinst van dochtervennootschap [naam bedrijf 1] Ook nadat hij door justitie en de FIOD erop was gewezen dat betaalde steekpenningen sinds 2006 niet in mindering mogen worden gebracht op de winst, heeft [naam verdachte 2] niet terstond alsnog juiste c.q. gecorrigeerde belastingaangiften gedaan. Als gevolg hiervan heeft [naam verdachte 2] ongeveer 2,5 miljoen euro te weinig belasting afgedragen. Hij heeft daarmee zowel de fiscus als de samenleving benadeeld.

Rapportage

De rechtbank heeft kennis genomen van het door Reclassering Nederland over [naam verdachte 2] opgemaakte rapport, gedateerd 8 mei 2018. De reclassering ziet geen aanleiding tot interventie. [naam verdachte 2] heeft een nieuw bestaan opgebouwd in Duitsland en is niet

meer werkzaam in de bancaire sector.

Straf

Gezien de ernst van de feiten kan hierop - mede vanuit het oogpunt van algemene preventie en vergelding - niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Bij het bepalen van de duur daarvan heeft de recht­bank ook acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd.

De hoogte van de op te leggen gevangenisstraf dient voorts te worden bezien tegen de achtergrond dat de strafbedreiging op omkoping tot 1 april 2010 maximaal een jaar gevangenisstraf bedroeg. Met ingang van 1 april 2010 is de maximum straf verhoogd naar twee jaar gevangenisstraf en sinds 1 januari 2015 bedraagt de strafbedreiging op omkoping vier jaar gevangenisstraf. De verhoging van de strafbedreiging is mede ingegeven doordat de wetgever de afgelopen jaren meer gewicht is gaan toekennen aan integer handelen en de noodzaak in de pas te blijven lopen met internationale regelgeving op het gebied van anti-corruptie. De rechtbank zal rekening houden met dit, in de loop der tijd gewijzigd inzicht van de wetgever over de strafwaardigheid van dit feit, en aansluiting zoeken bij de wijze waarop de wetgever blijkens de in de te onderscheiden tijdvakken van de bewezenverklaarde pleegperiode geldende strafmaxima aankeek tegen actieve niet-ambtelijke omkoping.

In het voordeel van [naam verdachte 2] houdt de rechtbank rekening met het feit dat hij zichzelf bij de FIOD heeft gemeld en openheid van zaken heeft gegeven in met name zijn omkopingsrelatie met [naam verdachte 1] . Hij heeft daarmee verantwoordelijkheid genomen voor zijn eigen strafbare handelen en ook moed getoond om bij een dergelijke geruchtmakende kwestie schuld te bekennen. Met name jegens Vestia voelt hij zich verplicht om bij te dragen aan herstel van geleden schade, wat onder meer heeft geresulteerd in het sluiten van een vaststellingsovereenkomst met Vestia.

De bestaande media-aandacht voor deze zaak vormt voor de rechtbank geen aanleiding om de op te leggen gevangenisstraf te matigen. Hoewel de rechtbank aannemelijk acht dat alle media-aandacht rondom de persoon van [naam verdachte 2] en de daarin reeds verwerkte oordelen, een zware wissel op hem en zijn privéleven hebben getrokken, ziet zij die media-aandacht voor deze spraakmakende zaak als onvermijdelijk. Bovendien moet niet uit het oog worden verloren dat die aandacht rechtstreeks samenhangt met de eigen gedragingen van [naam verdachte 2] .

Daarbij komt dat [naam verdachte 2] ook zelf de publiciteit heeft gezocht door het (laten) schrijven van een boek.

Ook is rekening gehouden met het feit dat [naam verdachte 2] - blijkens een hem betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie van 26 maart 2018 - niet eerder is veroordeeld voor enig strafbaar feit.

Ten slotte hecht de rechtbank eraan te vermelden dat aan haar in deze strafzaak niet de vraag ter beoordeling is voorgelegd of en zo ja, in welke mate, Vestia (rechtstreeks) financieel nadeel heeft ondervonden als gevolg van de handelwijze van [naam verdachte 2] .

Gelet op alle hiervoor genoemde feiten en omstandigheden en het feit dat de rechtbank anders dan gevorderd, [naam verdachte 2] zal vrijspreken van de onder 2 (oplichting), 3 (gewoontewitwassen), 6 (omkoping) en 8 (valsheid in geschrift) tenlastegelegde feiten, acht de rechtbank in beginsel een gevangenisstraf voor de duur van vijfenveertig maanden passend en geboden.

Redelijke termijn

De rechtbank constateert dat sprake is van een schending van de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Tussen het moment waarop [naam verdachte 2] in redelijkheid kon verwachten dat hij zou worden vervolgd - 3 april 2012 (datum waarop de rechter-commissaris toestemming heeft gegeven voor een doorzoeking in zijn woning) - en het vonnis van de rechtbank, zijn ruim zes jaren verstreken. Daarom houdt de rechtbank rekening met een overschrijding van de redelijke termijn met ruim vier jaren. De rechtbank zal de geconstateerde overschrijding van de redelijke termijn, die niet is toe te rekenen aan [naam verdachte 2] , en de daarmee samenhangende ouderdom van de bewezen verklaarde feiten compenseren door vermindering van de op te leggen gevangenisstraf met 20%. Daardoor zou de op te leggen gevangenisstraf 36 maanden bedragen.

‘Melding’

Zoals hiervoor uiteen gezet, houdt de rechtbank in strafmatigende zin ook rekening met het feit dat [naam verdachte 2] zich uit eigen beweging bij justitie heeft gemeld. Om die reden zullen nog zes maanden in mindering worden gebracht op de op te leggen gevangenisstraf.

Slotsom

Alles afwegend acht de rechtbank een gevangenisstraf van 30 maanden passend en geboden.

12 In beslag genomen voorwerpen

Standpunt openbaar ministerie

De officieren van justitie hebben gevorderd dat de banksaldi onder 5, 6 en 10 op de ‘lijst van in inbeslaggenomen voorwerpen’ verbeurd worden verklaard, omdat deze geldbedragen uit het misdrijf omkoping (feit 1) afkomstig zijn en/of die geldbedragen met betrekking tot het misdrijf witwassen (feit 3) zijn begaan.

Beoordeling

Ten aanzien van de in beslag genomen geldbedragen onder 5, 6 en 10 zal een last worden gegeven tot teruggave aan de degene die redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt, omdat die geldbedragen - zoals hiervoor uiteen gezet - niet uit omkoping afkomstig zijn en [naam verdachte 2] van oplichting en witwassen zal worden vrijgesproken.

13 Vorderingen benadeelde partijen

Als benadeelde partijen hebben zich in het geding gevoegd de woningstichtingen Portaal en De Woonplaats ter zake van het onder 7 tenlastegelegde feit.

De benadeelde partij Portaal, gevestigd aan [vestigingsadres 1] , [vestigingsplaats 1], vordert een vergoeding van € 464.830,-- aan materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.

De benadeelde partij De Woonplaats, gevestigd aan [vestigingsadres 2] , [vestigingsplaats 2], vordert een vergoeding van € 233.330,-- aan materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.

Daarnaast is verzocht om [naam verdachte 2] hoofdelijk te veroordelen tot betaling van de gehele gevorderde bedrag en om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunt benadeelde partijen

Ter toelichting op hun vorderingen hebben de benadeelde partijen bij monde van hun advocaat het volgende aangevoerd.

De vordering van de benadeelde partijen heeft betrekking op de door [naam verdachte 2] en [naam medeverdachte 1] aan [naam medeverdachte 2] betaalde steekpenningen. [naam verdachte 2] en [naam medeverdachte 1] hebben onrechtmatig jegens Portaal en De Woonplaats gehandeld door (ieder) de helft van de door hen - op transacties van Portaal en De Woonplaats - ontvangen provisies door te betalen aan [naam medeverdachte 2] .

De benadeelde partijen zijn hierdoor in die zin benadeeld, dat de door [naam verdachte 2] en [naam medeverdachte 1] aan [naam medeverdachte 2] gedane betalingen ook aan hen, Portaal en De Woonplaats, ten goede hadden kunnen komen - in de vorm van lagere door de banken aan [naam verdachte 2] en [naam medeverdachte 1] uit te keren provisies, en daarmee samenhangend in lagere door die banken aan Portaal en De Woonplaats in rekening te brengen kosten.

Beoordeling

De beoordeling van de door de benadeelde partijen voorgelegde schadevordering is complex en levert een onevenredige belasting van het strafgeding op. De benadeelde partijen zullen daarom in hun vorderingen niet-ontvankelijk worden verklaard. De vorderingen kunnen bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Nu de benadeelde partijen in hun vorderingen niet-ontvankelijk zullen worden verklaard, zullen de benadeelde partijen worden veroordeeld in de kosten die [naam verdachte 2] ter verdediging van de vorderingen heeft gemaakt, welke kosten tot op heden worden begroot op nihil.

14 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 47, 51, 57 en 328ter van het Wetboek van Strafrecht en 68 en 69 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, zoals deze bepalingen golden ten tijde van de bewezen verklaarde feiten.

15 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

16 Beslissing

De rechtbank:

verklaart niet bewezen, dat [naam verdachte 2] de onder 2, 3, 6 en 8 tenlastegelegde feiten heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart bewezen, dat [naam verdachte 2] de onder 1, 4, 5 en 7 tenlastegelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan [naam verdachte 2] meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem ook daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart [naam verdachte 2] strafbaar;

veroordeelt [naam verdachte 2] tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 (dertig) maanden;

beslist ten aanzien van de voorwerpen, geplaatst op de lijst van inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, als volgt:
- gelast de teruggave aan de rechthebbende van:

 nr. 5: (het tegoed op) de Rabo spaarrekening met nummer [rekeningnummer 1] ten bedrage van € 104.030,91 t.n.v. [naam kind verdachte 2] ;

 nr. 6 (het tegoed op) de Rabo spaarrekening met nummer [rekeningnummer 2] ten bedrage van € 98.941,15 t.n.v. [naam medeverdachte 4] ;

 nr. 10: (het tegoed op) de Luzerner Kantonalbank AG bankrekening met nummer [rekeningnummer 3] ten bedrage van € 1.572.002,-- t.n.v. [naam vader verdachte 2] ;

verklaart de benadeelde partijen:

  • -

    Portaal, gevestigd aan [vestigingsadres 1] , [vestigingsplaats 1] , en

  • -

    De Woonplaats, gevestigd aan [vestigingsadres 2] , [vestigingsplaats 2] ,

niet-ontvankelijk in de vorderingen;

veroordeelt de benadeelde partijen in de kosten door [naam verdachte 2] ter verdediging tegen de vorderingen gemaakt, en begroot deze kosten op nihil.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. M.C. Franken, voorzitter,

en mrs. J.J. van den Berg en B.A. Cnossen, rechters,

in tegenwoordigheid van mrs. K. Aagaard en J.A.N. Maat, griffiers,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 17 juli 2018.

Bijlage I

Tekst gewijzigde tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

(onderzoek KLAPROOS / gefisnummer [nummer 1] ):

Hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 3 april 2006 tot

en met 15 december 2010 te Hazerswoude-Dorp en/of Rotterdam en/of Blaricum

en/of Laren en/of Bussum, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging

met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) aan iemand, te weten

[naam verdachte 1] , die anders dan als ambtenaar, werkzaam is in dienstbetrekking

bij Stichting Vestia Groep (in de functie van Treasury en Control manager),

naar aanleiding van hetgeen deze [naam verdachte 1] in dienstbetrekking heeft

gedaan en/of nagelaten dan wel zal doen of nalaten, (telkens) een of meer

gift(en), te weten de betaling van een of meer geldbedrag(en) tot een

totaalbedrag van circa Euro 9.202.500,-, in elk geval enig(e) geldbedrag(en),

heeft gedaan van die aard en/of onder zodanige omstandigheden dat hij,

verdachte, en/of zijn mededader(s), redelijkerwijs moest(en) aannemen dat die

[naam verdachte 1] deze gift(en) in strijd met de goede trouw zou/zal verzwijgen

tegenover zijn werkgever;

Artikel 328ter lid 2 jo 47 Wetboek van Strafrecht

art 328ter lid 1 Wetboek van Strafrecht

2.

(onderzoek KLAPROOS / gefisnummer [nummer 1] ):

Hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode 30 september 2008

tot en met 25 maart 2011 te Rotterdam en/of Hazerswoude-Dorp en/of Laren en/of

Blaricum, in elk geval in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of

anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander of anderen

wederrechtelijk te bevoordelen, telkens door listige kunstgrepen en door een

samenweefsel van verdichtsels en/of door een het aannemen van een valse hoedanigheid, Stichting Vestia Groep heeft bewogen

I

tot het aangaan van een schuld, te weten het aangaan van een

derivatencontract / swapcontract met Fortis Bank d.d. 2 oktober 2008 (trade

date) met een nominale waarde van Euro 50.000.000,- met kenmerk [naam kenmerk 1]

(zie: D-614)

en/of

II

tot het aangaan van een schuld, te weten het aangaan van een

derivatencontract / swapcontract met Deutsche Bank d.d. 30 september 2008

(trade date) met een nominale waarde van Euro 50.000.000,- met kenmerk

[naam kenmerk 2] (zie: D-609)

en/of

III

tot het aangaan van een schuld, te weten het aangaan van een

derivatencontract / swapcontract met Deutsche Bank d.d. 2 oktober 2008 (trade

date) met een nominale waarde van Euro 50.000.000,- met kenmerk [naam kenmerk 3] (zie:

D-611)

en/of

IV

tot het aangaan van een schuld, te weten het aangaan van een derivatencontract

/ swapcontract met Deutsche Bank d.d. 3 oktober 2008 (trade date) met een

nominale waarde van Euro 50.000.000,- met kenmerk [naam kenmerk 4] (zie: D-613)

en/of

V

tot het aangaan van een schuld, te weten het aangaan van twee (2), althans een

of meer, derivatencontract (en) / swapcontract (en) met Citi Bank d.d. 6 januari

2009 (trade date) met een nominale waarde van (telkens) Euro 25.000.000,- met

kenmerk [naam kenmerk 5] (zie: D-341)

en/of

VI

tot het aangaan van een schuld, te weten het aangaan van vijf (5), althans een

of meer, derivatencontract(en) / swapcontract(en) met BNP Paribas d.d. 13

januari 2010 (trade date) met een nominale waarde van (telkens) Euro

50.000.000,- met kenmerk [naam kenmerk 6] en/of [naam kenmerk 7] en/of [naam kenmerk 8] en/of

[naam kenmerk 9] en/of [naam kenmerk 10] (zie: D-300 en/of D-301 en/of D-302 en/of D-303

en/of D-304)

en/of

VII

hebbende verdachte en/of zijn mededader(s) (telkens) met vorenomschreven

oogmerk - zakelijk weergegeven - listiglijk en bedrieglijk opzettelijk

- aan de Raad van Commissarissen van Stichting Vestia Groep en/of de Raad van

Bestuur van Stichting Vestia Groep en/of aan de heer [naam getuige 1] en/of de

heer [naam getuige 2] , (al dan niet binnen de treasury-commissie) van de

Stichting Vestia Groep voorgehouden en/of in strijd met de werkelijkheid de

indruk gewekt dat [naam verdachte 1] als Treasury en Controle manager van de

Stichting Vestia Groep enkel de belangen van Stichting Vestia Groep zal

behartigen bij het aangaan van en/of het onderhandelen over

derivatencontracten / swapcontracten namens Stichting Vestia Groep

en/of

- aan de Raad van Commissarissen van Stichting Vestia Groep en/of de Raad van

Bestuur van Stichting Vestia Groep en/of aan de heer [naam getuige 1] en/of de

heer [naam getuige 2] , (al dan niet binnen de treasury-commissie) van de

Stichting Vestia Groep verzwegen dat [naam verdachte 1] financieel belang heeft,

dan wel zal hebben bij het aangaan van de derivatencontracten / swapcontracten

(te weten het ontvangen van een deel van de fee van hem, verdachte, / [naam bedrijf 1]

(handelend onder de naam [naam bedrijf 3] ), welke fee door een bank werd

betaald aan hem, verdachte, / [naam bedrijf 1] indien er een

derivatencontract / swapcontract tot stand was gekomen tussen die bank en

Stichting Vestia Groep,

en/of

- ( (zogenaamde (pre-)confirmation) e-mailberichten, waarin een gedeelte van de

oorspronkelijke tekst (te weten de zinsnede waarin stond geschreven dat er

"een fee is/was/zal worden betaald aan hem, verdachte, en/of [naam bedrijf 1]

en/of [naam bedrijf 3] en/of [naam bedrijf 2] ", althans woorden van die aard en/of strekking)

is/was verwijderd/weggehaald, verstuurd aan/naar [naam medewerkster] (medewerkster

Treasury administratie van Stichting Vestia Groep) (zie o.a. D-296 en D-299 in

combinatie met D-300 en/of D-301 en/of D-302 en/of D-303 en/of D-304),

waardoor Stichting Vestia Groep (telkens) werd bewogen tot het hierboven

omschreven aangaan van een schuld;

Artikel 326 jo 47 Wetboek van Strafrecht

art 326 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

3.

(onderzoek KLAPROOS / gefisnummer [nummer 1] ):

Hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2007

tot en met 14 februari 2013 te Laren en/of Blaricum en/of Naarden en/of

Zegveld en/of Bussum, in elk geval in Nederland, en/of te Zurich, in elk

geval in Zwitserland, en/of te Dassel, in elk geval in Duitsland, tezamen en

in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (van) een voorwerp,

te weten een of meer geldbedrag(en) tot een totaal bedrag van circa Euro

5.349.000,-, in elk geval enig (groot) geldbedrag,

de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding

en/of de verplaatsing heeft/hebben verborgen/verhuld en/of heeft/hebben

verborgen/verhuld wie de rechthebbende(n) op het/die

voorwerp(en)/geldbedrag(en) was/waren en/of wie het/dat/die voorhanden

heeft/hebben gehad

en/of dat/die voorwerp(en)/geldbedrag(en) voorhanden heeft/hebben gehad en/of

heeft/hebben verworven en/of heeft/hebben omgezet en/of heeft/hebben

overgedragen en/of van dat/die voorwerp(en)/geldbedrag(en) gebruik

heeft/hebben gemaakt

I

door een gedeelte van dit/die voorwerp(en)/gelbedrag(en) (te weten: circa Euro

1.500.000,-) over te (laten) boeken/maken naar een Zwitserse bankrekening met

nummer [rekeningnummer 4] (UBS AG Bank te Zurich onder relatienummer [nummer relatie 1] )

ten name van hem, verdachte, en/of vervolgens door dat/die

voorwerpen/gelbedrag(en) (te weten: die circa Euro 1.500.000,-, welk bedrag

vanwege o.a. beleggingen inmiddels was opgelopen tot circa Euro 1.560.824,36)

weer over te (laten) boeken/maken naar weer een andere Zwitserse bankrekening

met nummer [rekeningnummer 5] (Luzerner Kantonalbank AG te Zurich onder

relatienummer [nummer relatie 2] ) ten name van [naam vader verdachte 2] (de vader van hem

verdachte) (zie: SFO-l-AH-010)

en/of

II

door een gedeelte van dit/die voorwerp(en)/geldbedrag(en) (te weten: circa

Euro 48.000,-) over te (laten) boeken/maken naar een ING e/o bankrekening met

nummer [rekeningnummer 6] ten name van [naam vader verdachte 2] en/of [naam stiefmoeder] (respectievelijk

de vader en/of stiefmoeder van hem, verdachte) bestemd voor de (vermeende)

aanschaf van een sloep door hem, verdachte, (zie: SFO-l-AH-005)

en/of

III

door een gedeelte van dit/die voorwerp(en)/geldbedrag(en) (te weten: circa

Euro 100.000,-) over te (laten) boeken/maken naar een ING e/o bankrekening met

nummer [rekeningnummer 7] ten name van [naam stiefmoeder] en/of [naam vader verdachte 2] (respectievelijk

de stiefmoeder en/of de vader van hem, verdachte) in eerste instantie bestemd

als een (vermeende) gift voor een klooster in Syrië door hem, verdachte, en/of

(vervolgens) in tweede instantie door hem, verdachte, omgezet in een (vermeende)

geldlening van circa Euro 100.000,- aan die [naam vader verdachte 2] en/of [naam stiefmoeder]

(zie: SFO-l-AH-007)

en/of

IV

door een gedeelte van dit/die voorwerp (en)/geldbedrag (en) (te weten: circa

Euro 93.000,-) over te (laten) boeken/maken naar een ING bankrekening met

rekeningnummer [rekeningnummer 8] ten name van [naam moeder verdachte 2] (de moeder van hem,

verdachte) bestemd als (vermeende) lening voor de aflossing van een lening met

betrekking tot een woning (zie: SFO-l-AH-006)

en/of

V

door een gedeelte van dit/die voorwerp(en)/geldbedrag(en) (te weten: circa

Euro 79.000,- over te (laten) boeken/maken naar een zogenaamde Rabo

Regenboogrekening (rekeningnummer [rekeningnummer 1] ) ten name van [naam kind 1] (een

minderjarig kind van hem, verdachte) (zie: SFO-l-AH-008)

en/of

door een gedeelte van dit/die voorwerp(en)/geldbedrag(en) (te weten: circa

Euro 79.000, over te (laten) boeken/maken naar een zogenaamde Rabo

Regenboogrekening (rekeningnummer [rekeningnummer 2] ten name van [naam kind 2] (een

minderjarig kind van hem, verdachte) (zie: SFO-l-AH-008)

en/of

VI

door een gedeelte van dit/die voorwerp(en)/geldbedrag(en) (te weten: circa

Euro 3.450.000,-) als dividend uit te (laten) betalen/keren aan [naam voormalig echtgenote]

(de toenmalige echtgenote van hem, verdachte,), terwijl die [naam voormalig echtgenote]

geen aandeelhoudster van enige BV en/of NV was/is (zie: SFO-l-AH-004)

en/of (vervolgens)

VII

door een gedeelte van dit/die voorwerp(en)/geldbedrag(en) (te weten: circa

Euro 1.300.000,-, zijnde een gedeelte van het totaal van Euro 3.450,00,-

welke eerst als dividend was uitgekeerd aan [naam voormalig echtgenote] ) over te (laten)

boeken/maken naar een Zwitserse bankrekening met nummer [rekeningnummer 9] (UBS

AG Bank te Zurich onder relatienummer [nummer relatie 3] ) ten name van [naam voormalig echtgenote]

(de toenmalige echtgenote van hem, verdachte) en/of (vervolgens) door dat/die

voorwerp(en)/gelbedrag(en) (te weten: die circa Euro 1.300.000,-, welk bedrag

vanwege o.a. beleggingen inmiddels was opgelopen tot circa Euro 1.554.473,33)

weer over te (laten boeken/maken naar weer een andere Zwitserse bankrekening

met nummer [nummer relatie 2] .2004 (Luzerner Kantonalbank AG te Zurich onder

relatienummer [nummer relatie 2] ) te name van [naam vader verdachte 2] (de vader van hem,

verdachte) met als gemachtigde [naam stiefmoeder] (de stiefmoeder van hem, verdachte)

en/of (vervolgens)

door een gedeelte van dit/die voorwerp(en)/geldbedrag(en) (te weten: circa Euro

275.000,- van die Zwitserse bankrekening met nummer [rekeningnummer 5] (ten name

van [naam vader verdachte 2] , zijnde vader van hem, verdachte) (weer) over te (laten)

boeken/maken naar een Nederlands Rabobank bankrekening met nummer [rekeningnummer 10] ,

welke Rabobankrekening op naam van hem, verdachte, staat (zie: SFO-l-AH-010)

(zie: SFO-l-AH-010)

en/of

VIII

door met een gedeelte van dit/die voorwerp(en)/geldbedrag(en) (te weten: circa

Euro 1.304.000,-, zijnde een gedeelte van het totaal van Euro 3.450.000,-

welke eerst als dividend was uitgekeerd aan [naam voormalig echtgenote] ) de hypothecaire

schuld betreffende de woning [adres] te Blaricum af te lossen (zijnde

toen de gezamenlijke woning van hem, verdachte en [naam voormalig echtgenote] ) en/of

(vervolgens) die woning, na het aflossen van die hypothecaire schuld, in

eigendom te (laten) doen toekomen aan die [naam voormalig echtgenote] c.q. die woning op

naam van die [naam voormalig echtgenote] te (laten) zetten (zie: SFO-l-AH-012),

terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) wist(en) dat dit/die

voorwerp(en)/geldbedrag(en) geheel of gedeeltelijk -onmiddellijk of

middellijk- afkomstig was/waren uit enig misdrijf,

terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) daarvan een gewoonte

maakt/maken/heeft/hebben gemaakt;

Artikel 420bis/ter jo 47 Wetboek van Strafrecht

art 420bis lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht

4.

(onderzoek KLAPROOS / gefisnummer [nummer 1] ):

[naam bedrijf 4] (als “moeder” van een fiscale eenheid met daarin o.a.

opgenomen de “dochter” [naam bedrijf 1] ) op een op of meer tijdstippen in of

omstreeks de periode van 26 september 2008 tot en met 28 juni 2011 te Utrecht

en/of Hilversum en/of Amersfoort en/of Apeldoorn en/of Laren en/of Blaricum,

in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen,

althans alleen, (telkens) opzettelijk (een) bij de Belastingwet voorziene

aangifte(n), als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten

de aangifte(n) voor vennootschapsbelasting (ten name van de fiscale eenheid

[naam bedrijf 4] ) over het/de jaar/jaren 2007 en/of 2008 en/of 2009 en/of

2010, onjuist en/of onvolledig heeft/hebben gedaan en/of doen of laten

plegen, immers heeft/hebben [naam bedrijf 4] en/of haar mededader(s)

(telkens) opzettelijk op het bij de Inspecteur der Belastingen of de

Belastingdienst te Utrecht en/of Hilversum en/of Amersfoort en/of Apeldoorn

(elektronisch) ingeleverde aangiftebiljet(en) vennootschapsbelasting over

genoemd(e) jaar/jaren 2007 (zie: D-229) en/of 2008 (zie: D-230) en/of 2009

(zie: D-231) en/of 2010 (zie: D-232) een te laag belastbaar bedrag, althans

een te laag bedrag, aan belasting opgegeven (door het onterecht aftrekken van

steekpenningen van de winst: te weten de aftrek van circa Euro 630.000,- aan

steekpenningen in 2007 en/of de aftrek van circa Euro 2.030.000,- aan

steekpenningen in 2008 en/of de aftrek van circa Euro 3.335.000 - aan

steekpenningen in 2009 en/of de aftrek van circa Euro 2.625.000 - aan

steekpenningen in 2010)), terwijl dat feit er (telkens) toe strekte dat te

weinig belasting werd geheven,

tot het plegen van bovenomschreven strafbare feit hij, verdachte, (telkens)

opdracht heeft gegeven en/of aan welk(e) bovenomschreven verboden

gedraging(en) hij, verdachte, (telkens) feitelijk leiding heeft gegeven;

De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voor

zover daaraan in de Algemene wet inzake rijksbelastingen bepaalde betekenis is

gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

Artikel 69 lid 2 Algemene wet inzake Rijksbelastingen

Artikel 51 Wetboek van Strafrecht

art 69 lid 2 Algemene wet inzake rijksbelastingen

art 68 lid 2 ahf/ond a Algemene wet inzake rijksbelastingen

5.

(onderzoek KLAPROOS / gefisnummer [nummer 1] ):

[naam bedrijf 1] op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 20

juni 2005 tot en met heden te Laren en/of Blaricum en/of Naarden, in elk geval

in Nederland, als degene(n) die ingevolge de Belastingwet verplicht was/waren

tot het voeren van een administratie overeenkomstig de daaraan bij of

krachtens de Belastingwet gestelde eisen, opzettelijk een zodanige

administratie niet heeft/hebben gevoerd,

immers door het ontbreken c.q. niet opnemen van (een) (credit)factu(u)r(en) in

de administratie van [naam bedrijf 1] met betrekking tot de betaling van een

of meer geldbedrag(en) tot een totaalbedrag van circa Euro 405.000,- in 2005

en/of circa Euro 495.000,- in 2006 en/of circa Euro 662.500,- in 2007 en/of

circa Euro 2.010.000,- in 2008 en/of circa Euro 3.250.000,- in 2009 en/of

circa Euro 3.010.000,- in 2010 (telkens) aan [naam verdachte 1] c.q. [naam bankrekening] is

de administratie zodanig gevoerd dat niet te allen tijde de rechten en/of

verplichtingen en/of de voor de heffing van de belasting overigens van belang

zijnde gegevens van [naam bedrijf 1] duidelijk blijken,

terwijl dat feit ertoe strekte dat te weinig belasting werd geheven;

tot het plegen van bovenomschreven strafbare feit hij, verdachte, (telkens)

opdracht heeft gegeven en/of aan welk(e) bovenomschreven verboden

gedraging(en) hij, verdachte, (telkens) feitelijk leiding heeft gegeven;

De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voor

zover daaraan in de Algemene wet inzake rijksbelastingen bepaalde betekenis is

gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

Artikel 68 lid 1 onder d Algemene wet inzake Rijksbelastingen

Artikel 69 lid 1 Algemene wet inzake Rijksbelastingen

Artikel 52 Algemene wet inzake Rijksbelastingen

Artikel 51 Wetboek van Strafrecht

art 68 lid 2 ahf/ond a Algemene wet inzake rijksbelastingen

6.

(onderzoek KLAPROOS / gefisnummer [nummer 1] ):

Hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 25 november

2008 tot en met 14 september 2009 te Hellevoetsluis en/of Rotterdam en/of

Blaricum en/of Laren en/of Bussum, in elk geval in Nederland, tezamen en in

vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) aan iemand,

te weten [naam medeverdachte 3] , die anders dan als ambtenaar, werkzaam in

dienstbetrekking bij Fortis Bank (Nederland) NV (in de functie van Sector

Head I op de afdeling Public Finance van het Metier Merchant Banking), naar

aanleiding van hetgeen deze [naam medeverdachte 3] in dienstbetrekking heeft gedaan

en/of nagelaten dan wel zal doen of nalaten , (telkens) een of meer gift(en),

te weten de betaling van een of meer geldbedrag (en) (te weten: 1 x circa Euro

5.000, en/of 2 x Euro 10.000,- en/of 1 x circa Euro 28.249,-) tot een

totaalbedrag van circa Euro 53.249,-, in elk geval enig(e) geldbedrag(en),

heeft/hebben gedaan van die aard en/of onder zodanige omstandigheden dat hij,

verdachte, en/of zijn mededader(s), redelijkerwijs moest(en) aannemen dat die

[naam medeverdachte 3] deze gift(en) in strijd met de goede trouw zou/zal verzwijgen

tegenover zijn werkgever;

Artikel 328ter lid 2 jo 47 Wetboek van Strafrecht

art 328ter lid 1 Wetboek van Strafrecht

7.

(onderzoek EGELANTIER / gefisnummer [nummer 2] ):

Hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 25 september

2008 tot en met 19 november 2010 te Lelystad en/of Baarn en/of Laren en/of

Blaricum en/of Bussum en/of Veenendaal en/of Utrecht, in elk geval in

Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

(telkens) aan iemand, te weten [naam medeverdachte 2] , optredend als lasthebber

van woningcorporatie Portaal (als lid van de Treasury Commissie van Portaal in

de functie van extern adviseur), naar aanleiding van hetgeen deze [naam medeverdachte 2]

bij de uitvoering van diens last heeft gedaan of nagelaten dan wel

zal doen of nalaten (telkens) een of meer gift(en), te weten de betaling van

een of meer geldbedragen tot een totaalbedrag van circa Euro 464.830,- (via

[naam bedrijf 1] (ten bedrage van circa Euro 232.415,-) en/of [naam bedrijf 2]

: met ingang van 4 juli 2013 genaamd [naam bedrijf 6] (ten bedrage van circa

Euro 232.415,-)), in elk geval enig(e) geldbedrag(en), heeft gedaan van die

aard en/of onder zodanige omstandigheden dat hij, verdachte, en/of zijn

mededader(s) redelijkerwijs moest(en) aannemen dat die [naam medeverdachte 2] deze

gifte(n) in strijd met de goede trouw zou/zal verzwijgen tegenover zijn

lastgever

en/of

Hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 23 december 2008

tot en met 19 november 2010 te Lelystad en/of Baarn en/of Laren en/of Blaricum

en/of Bussum en/of Enschede, in elk geval in Nederland, tezamen en in

vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) aan iemand, te

weten [naam medeverdachte 2] , optredend als lasthebber van woningcorporatie De

Woonplaats (als lid van de Treasury Commissie van De Woonplaats in de functie

van extern adviseur), naar aanleiding van hetgeen deze [naam medeverdachte 2] bij

de uitvoering van diens last heeft gedaan of nagelaten dan wel zal doen of

nalaten (telkens) een of meer gift(en), te weten de betaling van een of meer

geldbedragen tot een totaalbedrag van circa Euro 233.330,- (via [naam bedrijf 1]

(ten bedrage van circa Euro 116.665,-) en/of [naam bedrijf 2] : met

ingang van 4 juli 2013 genaamd [naam bedrijf 6] (ten bedrage van circa Euro

116.665,-)), in elk geval enig(e) geldbedrag(en), heeft gedaan van die aard

en/of onder zodanige omstandigheden dat hij, verdachte, en/of zijn

mededader(s) redelijkerwijs moest(en) aannemen dat die [naam medeverdachte 2] deze

gifte(n) in strijd met de goede trouw zou/zal verzwijgen tegenover zijn

lastgever;

Artikel 328ter lid 2 jo 47 Wetboek van Strafrecht

art 328ter lid 1 Wetboek van Strafrecht

8.

(onderzoek EGELANTIER/ gefisnummer [nummer 2] ):

Hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 16 juni 2008 tot en met 3 april 2012 te Laren en/of Blaricum, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk voorhanden heeft gehad

twaalf (12), althans een of meer, factu(u)r(en) van [naam bedrijf 5] en/of [naam medeverdachte 2] gericht aan [naam bedrijf 1] en/of hem, verdachte, ten bedrage van in totaal circa Euro 478.581,33 (te weten: D-014 en/of D-011 en/of D-009 en/of D-027 en/of D-023 en/of D-024 en/of D- 025 en/of D-021 en/of D-019 en/of D-041 en/of D-036 en/of D-034)

zijnde (telkens) (een) geschrift(en) dat/die bestemd was/waren om tot bewijs van enig feit te dienen, terwijl hij verdachte en/of zijn mededader(s) (telkens) wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden, dat dat/die geschrift(en) bestemd was/waren tot gebruik als ware dat/die geschrift(en) echt en onvervalst, en bestaande die valsheid en/of vervalsing (telkens) hierin

dat op/in die factu(u)r(en) is vermeld dat door [naam bedrijf 5] en/of [naam medeverdachte 2] werkzaamheden en/of diensten (te weten: "bemiddeling financiering") zijn verricht ten behoeve van/voor [naam bedrijf 1] en/of hem, verdachte" terwijl in werkelijkheid die werkzaamheden en/of diensten niet, althans niet geheel, door [naam bedrijf 5] en/of [naam medeverdachte 2] zijn verricht ten behoeve van/voor [naam bedrijf 1] en/of hem, verdachte,

en/of (telkens)

dat op/in die factu(u)r(en) (een) factuurbedrag(en) is/zijn vermeld dat/die in werkelijkheid geen, althans niet volledig, betrekking heeft op die in die factu(u)r(en) vermelde(n) werkzaamheden en/of diensten;

Artikel 225 lid 2 jo 47 Wetboek van Strafrecht

1 Renteruil-overeenkomsten en andere meer complexe financiële producten bedoeld om toekomstige rentelastrisico’s terug te brengen tot rentelastzekerheid.

2 Voorzitter van de Raad van Commissarissen van Vestia.

3 Zie o.m. Hoge Raad 16 januari 2018, ECLI:NL:HR:2018:35 (https://linkeddata.overheid.nl/front/portal/document-viewer?ext-id=ECLI:NL:HR:2018:35) en de conclusie van AG mr. D.J.C. Aben bij dit arrest, ECLI:NL:PHR:2017:1448 (https://linkeddata.overheid.nl/front/portal/document-viewer?ext-id=ECLI:NL:PHR:2017:1448)

4 Zie ook gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 6 juni 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:5175 (https://linkeddata.overheid.nl/front/portal/document-viewer?ext-id=ECLI:NL:GHARL:2018:5175)

5 Vgl gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 6 juni 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:5175 (http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2018:5175) r.o. 7.6.1 (mega-onderzoek Mount Nepal) en A-G Dorst in zijn conclusie onder Hoge Raad 6 juli 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD:1370: “dat aan in het Wetboek van Strafrecht voorkomende begrippen die tevens behoren tot het begrippenapparaat van een ander rechtsgebied, niet steeds de betekenis moet worden toegekend die zij in dat andere rechtsgebied hebben. Aan dergelijke begrippen kan en moet juist veelal een autonome betekenis worden gegeven welke tegemoet komt aan de strekking van de desbetreffende strafrechtelijke regeling.”

6 Roording 2002, pagina 147.