Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:5657

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
13-07-2018
Datum publicatie
13-07-2018
Zaaknummer
10/750243-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Doussie 2. Veroordeling voor witwassen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 2

Parketnummer: 10/750243-16

Datum uitspraak: 13 juli 2018

Tegenspraak, gemachtigd raadsman

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] ( [geboorteland verdachte] ) op [geboortedatum verdachte] ,

niet ingeschreven in de basisregistratie personen,

zonder bekende feitelijke woon- of verblijfplaats in Nederland,

verblijvende op het adres [verblijfadres verdachte] , [verblijfplaats verdachte] [land van verblijf verdachte] ,

gemachtigd raadsman mr. H. van Aardenne, advocaat te ‘s-Gravenhage.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzittingen van 7 juni 2018 en van 29 juni 2018.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. P. Gruppelaar heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het onder 1 en 2 ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden.

4 Ontvankelijkheid officier van justitie

4.1.

Standpunt verdediging

Nederland heeft ten aanzien van feit 2 geen rechtsmacht, omdat het Nederlandse strafrecht op dit feit niet van toepassing is. Het geld dat uiteindelijk op de Nederlandse bankrekening van [naam bedrijf 1] is gestort, is afkomstig van een onderneming uit het Verenigd Koninkrijk. Die heeft het geld overgemaakt ten behoeve van een onderneming in Panama op een bankrekening in Liechtenstein. Vanaf die bankrekening wordt het geld overgemaakt naar een Nederlandse bankrekening. Voordien was het geld noch de verdachte in Nederland. De verdachte is een Rus die woonachtig is in de Verenigde Staten. Het enkele overmaken van geld vanaf een buitenlandse bankrekening naar een Nederlandse bankrekening schept geen rechtsmacht in Nederland.

4.2.

Beoordeling

De officier van justitie is in beginsel niet ontvankelijk in de vervolging van het onder 2 tenlastegelegde feit, voor zover dit zou zijn begaan buiten Nederland, aangezien de verdachte de Russische en niet de Nederlandse nationaliteit heeft en aan de Nederlandse rechter geen rechtsmacht toekomt voor zover feiten als de onderhavige door een Russische burger (geheel en uitsluitend) buiten Nederland zijn gepleegd. Het op dit punt namens de verdachte gevoerde verweer is derhalve in zoverre gegrond.

De officier van justitie is wel ontvankelijk in de vervolging van het onder 2 tenlastegelegde feit, voor zover dit (al dan niet gedeeltelijk) zou zijn begaan in Nederland. Anders dan de verdediging betoogt, ziet de tenlastelegging op geldstromen die vanuit Nederland, via het buitenland, naar Nederland, zouden zijn witgewassen. Nederland geldt derhalve als (een van de) plaatsen delict. Aan de verdachte wordt verweten dat hij als (mede)pleger bij deze delicten betrokken is geweest: hij zou geld van Nederlandse medeverdachten dat afkomstig is van misdrijf in opdracht van een andere, vanuit Nederland opererende, medeverdachte via zijn eigen onderneming hebben doorgesluisd. Op grond van vaste jurisprudentie van de Hoge Raad is vervolging van zowel in Nederland als in het buitenland gepleegde strafbare feiten op grond van artikel 2 Wetboek van strafrecht (hierna: Sr) mogelijk, ook ten aanzien van de gedragingen die buiten Nederland hebben plaatsgevonden. De rechtsmacht geldt dan voor het gehele feitencomplex. Nu vast staat dat Nederland in ieder geval voor een deel van het feitencomplex als plaats delict geldt, is de rechtbank van oordeel dat de officier van justitie ook ten aanzien van door de verdachte in het buitenland gepleegde handelingen ontvankelijk is.

Voor zover de verdediging heeft verwezen naar de Wet herziening regels betreffende extraterritoriale rechtsmacht in strafzaken, geldt het volgende. Deze wet verruimt de rechtsmacht van Nederland. Nu deze wet echter geen wijziging heeft aangebracht in artikel 2 Sr en de rechtsmacht van Nederland voor de onderhavige vervolging op dat artikel is gebaseerd, treft het verweer geen doel.

4.3.

Conclusie

Het verweer wordt verworpen. De officier van justitie is ontvankelijk.

5 Waardering van het bewijs feit 1, onderzoek Mops

5.1.

Feiten en omstandigheden

De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit.

In onderzoek Mops is onderzoek gedaan naar de financiering van de aankoop van de woning aan de [adres 1] te [plaats 1] . Deze woning is op 6 februari 2013 geleverd aan medeverdachte [naam medeverdachte 1] . Ten behoeve van de financiering van de koopsom is een hypothecaire geldlening van € 410.000,- aan [naam medeverdachte 1] verstrekt, waarbij de verdachte als hypotheeknemer is vermeld.

Een bedrag van in totaal € 410.008,20 (waarvan € 41.004,14 op 18 december 2012 en

€ 369.004,06 op 5 februari 2013) is door een Panamese offshore onderneming genaamd [naam onderneming] via een bankrekening in Liechtenstein en via die derdengeldenrekening van de notaris betaald aan de verkoper. De notaris heeft naar aanleiding daarvan op 7 februari 2013 een melding ongebruikelijke transacties gedaan.

Uit onderzoek is gebleken dat de verdachte gemachtigd is om te handelen namens [naam onderneming] . Verder blijkt dat voorafgaand aan de overboeking naar de derdengeldenrekening van de notaris grote bedragen contant geld op de ABN AMRO bankrekening van de verdachte zelf zijn gestort. Daarna zijn grote bedragen via de vermogensspaarrekening van de verdachte een dag voor en op de dag van overmaking zelf aan de derdengeldenrekening van de notaris doorgestort aan [naam onderneming] (te weten op 18 december 2012 een bedrag van € 50.000,- en op 4 februari 2013 vier maal een bedrag van € 50.000,-).

Tevens werd op de bankrekening van [naam onderneming] op 29 januari 2013 een bedrag van € 200.000,- ontvangen van [naam juwelier] te Dubai, Verenigde Emiraten.

Documenten van [naam onderneming] zijn aangetroffen op de werkcomputer van [naam medeverdachte 2] , een boekhouder/financieel adviseur en medeverdachte in deze zaak. In een gesprek met anderen heeft [naam medeverdachte 2] verteld dat hij de woning van [naam medeverdachte 1] geregeld heeft. In de hypotheekakte staat beschreven hoe de maandelijkse rente en aflossingen betaald moeten worden. Uit onderzoek zijn echter geen rente- en/of aflossingsbetalingen van [naam medeverdachte 1] aan de verdachte gebleken. [naam medeverdachte 1] heeft ter zitting ook erkend die betalingen niet te hebben gedaan.

5.1.1.

De vraag die de rechtbank moet beantwoorden

De vraag in deze zaak is of de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het (mede)plegen van gewoonte witwassen of schuldwitwassen van een bedrag van € 410.000,-.

5.2.

Het standpunt van het openbaar ministerie

Wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte zich samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan witwassen van een bedrag van € 410.000,-. [naam medeverdachte 1] kon zelf geen reguliere hypothecaire geldlening krijgen en de lening door de verdachte was onderdeel van een constructie om te verhullen dat het bedrag van € 410.000,- geen legale herkomst heeft.

5.3.

Het standpunt van de verdediging

Aangevoerd is dat de verdachte dient te worden vrijgesproken, omdat slechts sprake is van een vermoeden van witwassen en de reden van dat vermoeden ligt in het uitblijven van een verklaring van de verdachte. Aan het zwijgen van de verdachte mag geen gewicht worden toegekend. Dat zou in strijd zijn met rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden. Daarnaast is geen sprake van een brondelict voor het tenlastegelegde witwassen door verdachte, omdat er in het dossier geen aanwijzingen zijn voor strafbare feiten door [naam medeverdachte 3] met een datum voorafgaand aan de aan de verdachte tenlastegelegde witwashandelingen.

5.4.

Het oordeel van de rechtbank

5.4.1.

Toetsingskader witwassen

De rechtbank stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het in de delictsomschrijving van witwassen opgenomen bestanddeel "afkomstig uit enig misdrijf", niet is vereist dat uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat het desbetreffende voorwerp afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Wel is voor een veroordeling ter zake van dit wetsartikel vereist dat vaststaat dat het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf.

Indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen tussen een voorwerp en een bepaald misdrijf, kan niettemin bewezen worden geacht dat een voorwerp "uit enig misdrijf" afkomstig is, indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het in de tenlastelegging genoemde voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.

Als uit het door het openbaar ministerie aangedragen bewijs feiten en omstandigheden kunnen worden afgeleid die van dien aard zijn dat zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van het voorwerp. Zo’n verklaring moet concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk zijn.

5.4.2.

Gerechtvaardigd vermoeden van witwassen?

Uit de hierboven weergegeven feiten en omstandigheden leidt de rechtbank af dat de financiering van de woning aan de [adres 1] te [plaats 1] op een ongebruikelijke manier tot stand is gekomen. Aan de financiering daarvan ligt een ingewikkelde constructie via verschillende buitenlandse bankrekeningen ten grondslag. De verschillende bankoverschrijvingen kunnen niet herleid worden tot enige legale inkomstenbron. Op zichzelf rechtvaardigt dit het vermoeden dat het voor de financiering gebruikte geld van enig misdrijf afkomstig is. Anders dan de verdediging heeft betoogd, is dat vermoeden dus niet gelegen in het uitblijven van een verklaring van de verdachte, maar in de in deze zaak vastgestelde feiten en omstandigheden op grond van de bewijsmiddelen. Eveneens anders dan de verdediging heeft betoogd, is voor een gerechtvaardigd vermoeden van witwassen ook niet vereist dat het misdrijf waarvan het geld afkomstig is, is gepleegd in de ten laste gelegde periode. Die periode ziet immers op de periode waarin de opbrengsten uit misdrijven zijn witgewassen.

Vervolgens ligt het volgens vaste jurisprudentie op de weg van de verdachte om dit vermoeden te weerleggen.

De verdachte heeft bij de politie geen verklaring afgelegd en op de zitting is hij niet verschenen. In 2015 is via zijn toenmalige advocaat een schriftelijke verklaring ingebracht. In deze verklaring is vermeld dat het geld dat de verdachte van [naam juwelier] heeft ontvangen via [naam medeverdachte 2] is geregeld en dat het bedoeld was voor de aankoop van appartementen in Sint Petersburg. Uit het dossier blijkt echter niet van een project waar appartementen werden aangekocht. Integendeel, vast staat dat het geld zonder nadere toelichting of discussie over een herbestemming is gebruikt voor de financiering van de woning van [naam medeverdachte 1] aan de [adres 1] in [plaats 1] . Van een verklaring die voldoende concreet, min of meer verifieerbaar en op voorhand niet hoogst onwaarschijnlijk is, is dus geen sprake. Sterker nog, voor zover de verklaring op onderdelen kon worden getoetst, is gebleken dat die juist niet strookt met de feitelijke gang van zaken. Het vermoeden is door de verdachte dus niet weerlegd.

5.4.3.

Wetenschap?

Vooropgesteld wordt dat het geld van [naam medeverdachte 3] , dat de verdachte op zijn eigen naam hypothecair heeft uitgeleend aan [naam medeverdachte 1] , hem deels contant door [naam medeverdachte 3] is verstrekt en verder door een niet zichtbaar aan [naam medeverdachte 3] gelieerd bedrijf aan hem is overgemaakt. Uit het ontbreken van documentatie of een verklaring van de verdachte ter zake leidt de rechtbank af dat een uitleg voor die routing door [naam medeverdachte 3] voor de verdachte klaarblijkelijk niet nodig is geweest. Van enige relatie tussen de verdachte en [naam medeverdachte 1] is verder niet gebleken, noch van een legitieme verklaring voor het op eigen naam verstrekken van die lening aan [naam medeverdachte 1] , terwijl het geld afkomstig was van [naam medeverdachte 3] .

Nu vast is komen te staan dat [naam medeverdachte 1] na het afsluiten van de hypotheek in 2013 en tot aan het moment van de zitting medio 2018 ook geen enkele betaling aan de verdachte heeft gedaan in de vorm van rente of aflossing op de hypotheek, terwijl in de hypotheekakte wel een maandelijkse betalingsverplichting voor [naam medeverdachte 1] jegens de verdachte is opgenomen. Verder is niet gebleken dat de verdachte in de afgelopen vijf jaar op enig moment bij [naam medeverdachte 1] heeft aangedrongen op de nakoming van die betalingsverplichting. De rechtbank acht het in het licht van het bovenstaande niet geloofwaardig dat de verdachte, zou hij een bonafide financier zijn geweest, gedurende al die tijd geen enkele aanspraak zou hebben gemaakt op naleving van de voorwaarden van de hypothecaire geldlening. De rechtbank houdt het er dus op dat de hypothecaire geldlening enkel door de verdachte is gegeven als onderdeel van de constructie om de criminele herkomst van het geld van [naam medeverdachte 3] te verhullen. De verdachte heeft aan die constructie opzettelijk meegewerkt. Daaruit leidt de rechtbank af dat hij wist dat het geld afkomstig was uit enig misdrijf.

5.5.

Conclusie feit 1

Alles overwegend is de rechtbank van oordeel dat er geen andere conclusie mogelijk is dan dat het niet anders kan zijn dat het geld van de lening middellijk of onmiddellijk uit enig misdrijf afkomstig is en dat de verdachte dit wist.

Middels deze constructie werd geld in het normale betalingsverkeer gebracht waarbij de criminele herkomst van het geld werd verhuld. Dit gebeurde in nauwe en bewuste samenwerking met in ieder geval [naam medeverdachte 2] en [naam medeverdachte 1] zodat hier sprake is van medeplegen.

6 Waardering van het bewijs feit 2, onderzoek Setter

6.1.

Feiten en omstandigheden

De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit.

Op 10 december 2013 is een koopovereenkomst gesloten voor de verkoop van de woning aan de [adres 2] te ’ [plaats 2] aan medeverdachte [naam medeverdachte 4] voor een bedrag van € 875.000,- met vaststelling van een waarborgsom van € 87.500,-. [naam notariskantoor] ontvangt op hun derdengeldenrekening een betaling van € 87.500,- van een tegenrekening ten name van [naam onderneming] betreffende de aankoop van deze woning onder vermelding van [naam vermelding 1] .

[naam onderneming] is een Panamese rechtspersoon en de tegenrekening betreft een bankrekening in Liechtenstein. De verdachte is gevolmachtigd om namens deze rechtspersoon te handelen. Naar aanleiding van een rechtshulpverzoek levert de LGT bank te Liechtenstein een handtekeningenkaart van de verdachte, een volmacht aan de verdachte alsmede een zogenaamde U(ltimate) B(eneficial) O(wner) verklaring. In de woning van de verdachte worden bankafschriften van de bankrekening bij LGT bank te Liechtenstein van [naam onderneming] aangetroffen. Hieruit blijkt dat de verdachte namens [naam onderneming] op 7 februari 2014 een bedrag van € 87.504,09 heeft overgemaakt vanaf de bankrekening te Liechtenstein naar de derdengeldenrekening van [naam notariskantoor] . Daarnaast volgt hieruit dat door [naam onderneming] in de periode van 21 januari 2014 tot en met 3 maart 2014 van [naam bedrijf 2] in totaal € 1.064.775,- op diezelfde bankrekening te Liechtenstein wordt ontvangen. Ook blijkt uit deze bankafschriften dat door de verdachte namens [naam onderneming] in de periode van 19 februari 2014 tot en met 28 maart 2014 in vijf termijnen in totaal € 852.070,48 is overgemaakt aan [naam bedrijf 1] (hierna: [naam bedrijf 1] ). De van [naam bedrijf 2] door [naam onderneming] ontvangen gelden worden binnen enkele dagen na ontvangst overgemaakt naar [naam bedrijf 1] onder vermelding van dossier [nummer dossier] . In de periode van 24 februari 2014 tot en met 31 maart 2014 ontvangt [naam bedrijf 1] in vijf termijnen € 852.050,- via de Liechtensteinse bankrekening ten name van [naam onderneming] onder vermelding van “ [nummer dossier] ”.

Voorafgaand aan deze betalingen stuurt [naam medeverdachte 2] op 22 maart 2012 een e-mail aan

“ [naam email-adres] ”. Het onderwerp van deze email is [naam onderneming] en in de e‑mail wordt gevraagd om hulp bij het opzetten van een nieuw bedrijf. Als bijlage is voornoemde volmacht aan de verdachte bijgevoegd.

In 2013 benadert [naam medeverdachte 2] [naam 1] met de mededeling dat hij iemand heeft om zijn bedrijf [naam bedrijf 3] , waarvan de activiteiten op dat moment een jaar of twee stil lagen, te kopen. Op 22 december 2013 draagt [naam 1] als één van de twee aandeelhouders van [naam bedrijf 3] zijn aandelen voor € 1,- over aan [naam bedrijf 1] en een dag later draagt de andere aandeelhouder zijn aandelen over voor hetzelfde bedrag aan [naam bedrijf 4] , vertegenwoordigd door [naam medeverdachte 2] . [naam medeverdachte 2] is gevolmachtigd om alle aandelen van [naam bedrijf 3] over te dragen aan [naam bedrijf 5] .

In een aangetroffen koopovereenkomst van januari 2014 treedt [naam medeverdachte 2] op als verkopend vertegenwoordiger van [naam bedrijf 3] aan [naam bedrijf 5] , vertegenwoordigd door [naam 2] als koper voor een bedrag van Hong Kong dollar 8.000.000. In het briefhoofd staat vermeld “ [naam vermelding 2] ”. Deze overeenkomst is mede ondertekend met een Chinees lijkende handtekening. Volgens deze overeenkomst vindt betaling plaats in vijf termijnen, de eerste te voldoen voor 1 maart 2014.

In de periode van 19 januari 2014 en 20 februari 2014 vinden er meerdere e-mailconversaties plaats tussen [naam medeverdachte 2] en de verdachte. Op 19 januari 2014 start deze conversatie met een e-mail van [naam medeverdachte 2] aan de verdachte met de tekst “Company name” en een foto van de kop van briefpapier. De bedrijfsnaam op het briefpapier is “ [naam bedrijf 2] ”, gevestigd te Londen. Op 21 januari 2014 vindt tussen hen een e-mailuitwisseling plaats waarin de verdachte vraagt om een contractnummer, waarop [naam medeverdachte 2] antwoordt dat er geen contract is en dat “we kunnen schrijven wat we willen”. Op 30 januari 2014 vraagt de verdachte aan [naam medeverdachte 2] of hij een contract moet maken met vermelding van het nummer zoals vermeld in de omschrijvingen van de betalingen. Diezelfde dag schrijft [naam medeverdachte 2] aan de verdachte dat hij het contract hoger moet maken, rond € 1.900.000,- met verschillende betalingen. Het contract is bijgesloten en betreft een contract tussen [naam onderneming] en [naam bedrijf 2] . In de e-mail schrijft de verdachte dat bij de nieuw te ontvangen betalingen nieuwe contractbijlagen zullen worden toegevoegd. [naam medeverdachte 2] stuurt op 18 februari 2014 een e-mail aan de verdachte met als bijlage daarbij een leenovereenkomst, waarin is opgenomen dat [naam bedrijf 1] in totaal € 900.000,- leent van [naam onderneming] . Deze overeenkomst is niet ondertekend. [naam 1] geeft hierover aan dat hij namens [naam bedrijf 1] geen lening is aangegaan en dat [naam medeverdachte 2] niet gerechtigd is om dat namens [naam bedrijf 1] te doen.

Op 19 februari 2014 stuurt de verdachte een e-mail aan [naam medeverdachte 2] met de mededeling dat hij de notaris € 87.500,- heeft gestuurd. In een e-mail verzonden op 6 februari 2014 door [naam medeverdachte 2] aan de verdachte vraagt [naam medeverdachte 2] aan de verdachte om een bedrag van € 87.500,- over te maken aan [naam notariskantoor] onder vermelding “dossier [naam vermelding 1] ” met de mededeling aanbetaling. Daarnaast is vermeld: “In the afternoon I know the new amount that will come. It will come from the same party from London. It will be around 800.000”.

Op 7 maart 2014 stuurt de verdachte een e-mail aan [naam medeverdachte 2] waarin is opgenomen dat “al onze reserves bevroren zijn en we meer dan € 2.000.000,- missen van ons eigen geld en dat de bankiers hebben verteld dat er iets mis is met het geld dat is gezonden door onze relatie in Londen en wordt onderzocht.” Op 30 mei 2014 stuurt de verdachte een e-mail aan [naam medeverdachte 2] waarin is opgenomen dat “jouw klant zijn geld heeft verloren en wij ons geld en dat ze hebben gezegd dat Interpol onderzoek uitvoert naar onze Londense mensen.” Op 31 mei 2014 antwoordt [naam medeverdachte 2] aan de verdachte, waarin onder meer is opgenomen: “you lost more dan 500, my client 850, (…) I don’t see a solution between “us” and the bankers in combination with Interpol and the London club, [naam bedrijf 2] .”

Begin 2014 wordt de aankoop van de woning door [naam medeverdachte 4] afgeblazen, waarop de verkoper van de woning alleen de afkoopsom ter hoogte van de waarborgsom opeiste en in juni 2014 kreeg uitbetaald via de notaris.

In een e-mail van 20 oktober 2014 van een personeelslid van [naam bedrijf 4] wordt aan [naam medeverdachte 2] gevraagd om de gegevens met betrekking tot de transactie in 2014 van

€ 852.050,-. Op 15 januari 2015 stuurt [naam 1] een e-mail aan [naam medeverdachte 2] of hij de stukken voor de 800k kan regelen voor de afhandeling.

In een verzonden e-mail op 5 januari 2015 van [naam medeverdachte 2] aan [naam 3] wordt het verzoek gedaan om een Chinees lijkende handtekening die meerdere malen te gebruiken is. Het antwoord luidt “listig via deze weg, maar niet onmogelijk”.

Op 9 februari 2015 werd een e-mail verstuurd door [naam medeverdachte 2] aan [naam 1] met het verzoek om te kijken of alles er op staat. In het bijgevoegde Exceldocument staat een opstelling van diverse posten, waaronder: “Binnen van Ferry na 125.000 overmaking € 727.050”.

Naar aanleiding van de doorzoeking bij het bedrijf van [naam medeverdachte 2] worden onder de gebruikersnaam [naam medeverdachte 2] drie Word documenten aangetroffen die betrekking hebben op de verkoop van aandelen [naam bedrijf 3] en [naam bedrijf 5] op briefpapier van [naam bedrijf 6] . Door [naam bedrijf 6] is bericht dat de overeenkomst niet afkomstig is van hun kantoor, de daarin genoemde personen niet bij hen bekend zijn en het logo niet overeenkomt met hun logo dat zij nu voeren of in het verleden hebben gevoerd.

6.2.

Het standpunt van het openbaar ministerie

Wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte en medeverdachte [naam medeverdachte 2] samen een bedrag van € 852.050,- hebben witgewassen. Dit bedrag is afkomstig uit enig misdrijf en de verdachten hadden daar wetenschap van. Dit blijkt uit de geldstromen en de e-mailwisseling tussen de verdachte en [naam medeverdachte 2] .

6.3.

Het standpunt van de verdediging

Aangevoerd is dat de verdachte dient te worden vrijgesproken, omdat slechts sprake is van een vermoeden van witwassen en de reden van dat vermoeden ligt in het uitblijven van een verklaring van de verdachte. Aan het zwijgen van de verdachte mag geen gewicht worden toegekend en is in strijd met rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden. Daarnaast is geen sprake van een brondelict voor het tenlastegelegde witwassen voor verdachte, omdat zowel verdachte als zijn zakenpartner [naam medeverdachte 2] geen justitiële documentatie hebben.

6.4.

Het oordeel van de rechtbank

6.4.1.

Toetsingskader witwassen

De rechtbank verwijst naar rechtsoverweging 5.4.1.

6.4.2.

gerechtvaardigd vermoeden van witwassen?

Uit dit door het openbaar ministerie aangedragen bewijs, zoals hiervoor overwogen onder de vaststaande feiten en omstandigheden, kunnen feiten en omstandigheden worden afgeleid die van dien aard zijn dat zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen. Daartoe is in het bijzonder redengevend dat vast staat dat door de verdachte meerdere malen grote bedragen zijn overgemaakt van [naam bedrijf 2] aan [naam onderneming] en deze binnen enkele dagen zijn door geboekt naar [naam bedrijf 1] . Het vermoeden bestaat dat ter verantwoording van deze geldstromen de verdachte op verzoek van [naam medeverdachte 2] een valse overeenkomst heeft opgemaakt tussen [naam bedrijf 2] en [naam onderneming] . Dit blijkt in het bijzonder uit de e-mail van [naam medeverdachte 2] aan de verdachte met “company name” en een foto van het logo van [naam bedrijf 2] . Zoals hiervoor al overwogen is dat vermoeden dus niet gelegen in het uitblijven van een verklaring van de verdachte, maar in de in deze zaak vastgestelde feiten en omstandigheden.

De verdachte heeft tegenover dit vermoeden geen enkele verklaring gegeven. Weliswaar heeft hij in een e-mail aan zijn advocaat van 11 november 2015, die is doorgestuurd naar de politie, schriftelijk één en ander aangegeven over zijn salarisbetalingen aan [naam medeverdachte 2] , maar die zien niet op de aan de verdachte ten laste gelegde feiten. Van een verklaring die voldoende concreet, min of meer verifieerbaar en niet hoogst onwaarschijnlijk is, is dus geen sprake. Het vermoeden van witwassen is dus niet ontkracht.

6.4.3.

Conclusie

Dit betekent dat bewezen is dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 2 ten laste gelegde gewoontewitwassen. Middels deze constructie werd geld in het normale betalingsverkeer gebracht waarbij de criminele herkomst van het geld werd verhuld. Dit gebeurde in nauwe en bewuste samenwerking met in ieder geval [naam medeverdachte 2] en [naam medeverdachte 1] zodat ook hier sprake is van medeplegen.

6.5.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

1.

hij op meer tijdstippen in de periode van 9 november 2011 tot en met 28 februari 2013, te Barendrecht en/of Rotterdam en/of Simonshaven en/of elders in Nederland en/of plaatsen buiten Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) van een voorwerp, te weten van enig geldbedrag van in totaal 410.000,- euro, de werkelijke aard en/of de herkomst verhuld en verhuld wie de rechthebbende is terwijl hij, verdachte, wist, dat dit geldbedrag - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf;

2.

hij op tijdstippen in de periode van 22 december 2013 tot en met 31 maart 2014 te Barendrecht en/of Rotterdam en/of Numansdorp en/of elders in Nederland en/of plaatsen buiten Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) van een voorwerp, te weten van enig geldbedrag van in totaal 852.050 euro, de werkelijke aard en/of de herkomst verhuld en verhuld wie de rechthebbende is terwijl hij, verdachte, wist dat dit geldbedrag - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf.

Voor zover in de bewezenverklaarde tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

7 Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:

1 medeplegen van een gewoonte maken van witwassen;

2 medeplegen van een gewoonte maken van witwassen.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De feiten zijn dus strafbaar.

8 Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

9 Motivering straf

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan het witwassen van grote geldbedragen, te weten € 410.000,- en € 852.050,-.

In één zaak werd door de verdachte een hypotheek voor de aankoop van een woning gefinancierd voor een voor hem onbekend persoon. Het geld werd door middel van contante stortingen op de rekening van de verdachte en overschrijvingen via een bedrijf in Panama en bankrekeningen van bedrijven in Dubai en Liechtenstein overgemaakt aan de notaris.

In de andere zaak was het geld eveneens bedoeld voor de aankoop van een woning, eveneens voor een persoon die de verdachte zelf niet kende. Geld werd vanuit een bedrijf in Groot-Brittannië overgeboekt op een rekening van een Panamees bedrijf met een bankrekening in Liechtenstein en weer doorgestort naar een bedrijf in Nederland.

Telkens werd een schijnconstructie opgezet om een legale herkomst van het geld voor te wenden, hiervoor werden onder meer valse leenoverkomsten opgemaakt. Van een legale herkomst van het geld is niet gebleken. De personen die zo de woningen aankochten waren niet in staat om op een reguliere manier bij een bank een hypothecaire geldlening te krijgen.

Dit zijn ernstige feiten. Het witwassen van criminele gelden vormt een ernstige bedreiging van de legale economie en tast de integriteit van het financiële en economische verkeer aan. Geld dat wordt verdiend door het plegen van strafbare feiten maakt onderdeel uit van het zwartgeldcircuit en kan een ontwrichtende werking hebben op de samenleving. De verdachte heeft hier met zijn handelen substantieel aan bijgedragen.

De verdachte heeft samen met anderen deze constructies opgezet en/of mogelijk gemaakt. Hij speelde hierin een essentiële rol. De verdachte was de internationale schakel en spin in het web. Zonder hem was het witwassen van crimineel geld, op de manier zoals bewezen verklaard, niet mogelijk geweest.

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 22 mei 2018, waaruit blijkt dat de verdachte, een man met Russische nationaliteit, in Nederland niet eerder is veroordeeld.

Gezien de ernst van de feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd.

Alles afwegend acht de rechtbank na te noemen straf passend en geboden.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 47, 57 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht.

11 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

12 Beslissing

De rechtbank:

verklaart de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging;

verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 (dertig) maanden.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. C.G. van de Grampel, voorzitter,

en mrs. J. van Dort en M. Smit, rechters,

in tegenwoordigheid van M.J. Grootendorst, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

(onderzoek Mops)

hij

op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 9 november 2011 tot

en met 28 februari 2013, te Barendrecht en/of Rotterdam en/of Simonshaven

en/of elders in Nederland en/of plaatsen buiten Nederland, althans in

Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, althans zich

schuldig heeft gemaakt aan witwassen,

immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) van voorwerp(en),

te weten van enig(e) geldbedrag(en) van (in het totaal ongeveer) 410.000,-

euro, althans van enig(e) (contante) geldbedrag(en)

de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding

en/of de verplaatsing verborgen en/of verhuld en/of verborgen en/of verhuld

wie de rechthebbende is

en/of enig(e) geldbedrag(en) verworven en/of voorhanden gehad en/of

overgedragen en/of omgezet en/of gebruik gemaakt

terwijl hij, verdachte, wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden, dat

dit/deze geldbedrag(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit

enig misdrijf;

art 420bis lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht

2.

(onderzoek Setter)

hij

op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 22 december 2013

tot en met 31 maart 2014 te Barendrecht en/of Rotterdam en/of Numansdorp

en/of elders in Nederland en/of plaatsen buiten Nederland, althans in

Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, althans zich

schuldig heeft gemaakt aan witwassen,

immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) van voorwerp(en),

te weten van enig(e) geldbedrag(en) van (in het totaal ongeveer) 852.050 euro,

althans van enig(e) (contante) geldbedrag(en)

de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding

en/of de verplaatsing verborgen en/of verhuld en/of verborgen en/of verhuld

wie de rechthebbende is

en/of enig(e) geldbedrag(en) verworven en/of voorhanden gehad en/of

overgedragen en/of omgezet en/of gebruik gemaakt

terwijl hij, verdachte, wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden, dat

dit/deze geldbedrag(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit

enig misdrijf.

art 420bis lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht