Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:5652

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
13-07-2018
Datum publicatie
13-07-2018
Zaaknummer
10/750123-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Doussie 2, veroordeling voor witwassen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 2

Parketnummer: 10/750123-15

Datum uitspraak: 13 juli 2018

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres verdachte] ,

[woonplaats verdachte] ,

raadsman mr. L. de Leon, advocaat te Utrecht.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzittingen van 4 juni 2018 en van 29 juni 2018.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. M. van Solingen heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een werkstraf voor de duur van 240 uur met aftrek van voorarrest.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Feiten en omstandigheden

De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit.

4.1.1.

Aanleiding

Medeverdachte [naam medeverdachte] wordt verdacht van invoer of handel in verdovende middelen en witwassen, gewoontewitwassen dan wel schuldwitwassen. Uit onderzoek is vooralsnog gebleken dat [naam medeverdachte] mogelijk betrokken is bij de invoer van cocaïne in Nederland en bij het witwassen van grote contante geldbedragen, al dan niet via buitenlandse constructies. Bij vonnis van 4 juli 2017 is [naam medeverdachte] voor deze feiten veroordeeld. Het vonnis is nog niet onherroepelijk. Tegen dit vonnis is hoger beroep ingesteld.

4.1.2.

Onderzoek

De verdachte is de ex-echtgenote van [naam medeverdachte] . In de tenlastegelegde periode waren zij nog gehuwd. Uit onderzoek is gebleken dat in de periode van 1 januari 2010 tot en met 30 september 2014 op de bankrekening van de verdachte in totaal een bedrag van € 115.430,- contant is gestort. In de periode van 1 januari 2010 tot en met 15 oktober 2014 is in totaal een bedrag van € 344.710,- contant gestort op de en/of-rekening van de verdachte en [naam medeverdachte] .

Verder is uit onderzoek gebleken dat de verdachte zelf nooit (legale) inkomsten heeft gehad, hetgeen bevestigd wordt door haar aangifte inkomstenbelasting waaruit blijkt dat haar verzamelinkomen nihil is geweest in de jaren 2011, 2012 en 2013. Ook met het inkomen van [naam medeverdachte] , zoals hij dat opgegeven heeft bij de belastingdienst in deze periode, kunnen de contante stortingen niet worden verklaard.

Het geld, waarover de verdachte kon beschikken, is tenminste ten dele afkomstig van [naam medeverdachte] . Uit opgenomen en uitgewerkte telecommunicatie is namelijk gebleken dat de verdachte herhaaldelijk spreekt over betalingen die [naam medeverdachte] aan haar heeft gedaan. Zij spreekt ook met [naam medeverdachte] over een BMW X5 die tenminste ten dele door [naam medeverdachte] is betaald. Uit informatie van de Justitiële Informatiedienst is gebleken dat [naam medeverdachte] meerdere antecedenten heeft ter zake van fraude, witwassen, valsheid in geschrifte en fiscale fraude omzetbelasting.

4.1.3.

De vraag die de rechtbank moet beantwoorden

De vraag in deze zaak is of de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het (mede)plegen van gewoonte witwassen of schuldwitwassen van het aan haar ten laste gelegde geldbedrag van in totaal € 460.140,-.

4.2.

Het standpunt van het openbaar ministerie

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van gewoontewitwassen van een bedrag van in totaal € 460.140,-. De verdachte wist dat het geld geen legale herkomst had en de verdachte geeft verder geen verklaring over de herkomst van het geld. De enige aanvaardbare verklaring voor de herkomst van het geld is een criminele herkomst.

4.3.

Het standpunt van de verdediging

Niet bewezen is dat de verdachte gedurende de gehele ten laste gelegde periode wist, of redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het geld dat zij van [naam medeverdachte] ontving, afkomstig was uit enig misdrijf. Zij wist niet beter dan dat [naam medeverdachte] zijn geld verdiende als zelfstandig ondernemer (vertegenwoordiger in zonnepanelen). Pas vanaf eind 2014 werd duidelijk dat niet alles was zoals [naam medeverdachte] haar had doen geloven. De verdachte was financieel volledig afhankelijk van [naam medeverdachte] , die ook een geestelijk overwicht over haar had. Zij kon op dat moment dus niet anders dan het geld van [naam medeverdachte] blijven aannemen, ook omdat zij de zorg over hun fysiek gehandicapte dochter had. Van gewoontewitwassen kan daarom geen sprake zijn. Hooguit kan voor de periode vanaf eind 2014 sprake zijn van schuldwitwassen, maar daarvoor is sprake van “verontschuldigbare onbewustheid” bij de verdachte. Mocht het komen tot een strafoplegging, dan zou een voorwaardelijke geldboete in dit geval passend zijn.

4.4.

Het oordeel van de rechtbank

4.4.1.

Toetsingskader witwassen

De rechtbank stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het in de delictsomschrijving van witwassen opgenomen bestanddeel "afkomstig uit enig misdrijf", niet is vereist dat uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat het desbetreffende voorwerp afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Wel is voor een veroordeling ter zake van dit wetsartikel vereist dat vaststaat dat het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf.

Indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen tussen een voorwerp en een bepaald misdrijf, kan niettemin bewezen worden geacht dat een voorwerp "uit enig misdrijf" afkomstig is, indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het in de tenlastelegging genoemde voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.

Als uit het door het openbaar ministerie aangedragen bewijs feiten en omstandigheden kunnen worden afgeleid die van dien aard zijn dat zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen, mag van de verdachte worden verlangd dat zij een verklaring geeft voor de herkomst van het voorwerp. Zo’n verklaring moet concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk zijn.

Indien de verdachte een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring heeft gegeven over de herkomst van het voorwerp, dan ligt het vervolgens op de weg van het openbaar ministerie om nader onderzoek te doen naar de, uit de verklaringen van de verdachte blijkende, alternatieve herkomst van het voorwerp.

Uit de resultaten van een dergelijk onderzoek zal moeten blijken dat met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat het voorwerp waarop de verdenking betrekking heeft, een legale herkomst heeft en dat dus een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring kan gelden.

4.4.2.

Gerechtvaardigd vermoeden van witwassen?

De hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, zijn van dien aard dat zij het vermoeden van een criminele herkomst van het door de verdachte ontvangen geld rechtvaardigen. Gelet hierop mag van de verdachte worden verlangd dat zij een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft voor de herkomst van dit geldbedrag.

4.4.3.

Verklaring van de verdachte over de herkomst van het bedrag van het geld.

De verdachte heeft op de terechtzitting geen helderheid willen of kunnen geven over de herkomst van het geld. Vragen van de rechtbank over (bijvoorbeeld) wie de contante bedragen op haar bankrekening en de en/of-rekening heeft gestort, waar dat geld vandaan kwam en wie de beschikking over de bankrekeningen had, zijn concreet noch objectief verifieerbaar beantwoord. Zoals de rechtbank hierboven al heeft overwogen kunnen de contante geldstortingen op de beide bankrekeningen niet worden verklaard uit enig legaal inkomen van de verdachte en ook niet uit het inkomen van [naam medeverdachte] , dat hij aan de belasting heeft opgegeven. Het vermoeden van een criminele herkomst van het geld is daarmee door de verdachte niet weerlegd. Het kan dan ook niet anders zijn dan dat de contante geldbedragen die op de beide bankrekeningen zijn gestort afkomstig zijn van enig misdrijf.

4.4.4.

Wetenschap en opzet op witwassen van de verdachte?

De verdachte heeft op de terechtzitting verklaard dat [naam medeverdachte] zijn geld verdiende als ondernemer in de zonnepanelen. Dat was in ieder geval wat [naam medeverdachte] haar altijd had voorgehouden en hij deed ook voorkomen alsof de zaken heel goed liepen. Hij was ook vaak van huis en vertelde dan dat hij voor zaken naar het buitenland moest. Verder hield [naam medeverdachte] haar overal buiten. De verdachte geloofde haar toenmalige echtgenoot. Achteraf is misschien gebleken dat [naam medeverdachte] haar mogelijk heeft voorgelogen, maar zij zag toen geen reden om aan de juistheid van zijn verhalen te twijfelen, aldus de verdachte.

Het dossier bevat diverse transcripties van tapgesprekken van de verdachte met verschillende andere personen. De verklaring van de verdachte op de terechtzitting rijmt niet met de inhoud van die gesprekken. Uit die gesprekken volgt namelijk dat zij ervan op de hoogte was dat het vermogen van [naam medeverdachte] “zwart” was, dat hij via een Russisch bedrijf een salaris ontving, dat hij “de ballen verstand had van zonnepanelen” en dat zolang hij “geen salaris zwart op wit heeft” zij ook niet van hem kon scheiden. In die gesprekken zegt de verdachte ook dat het geld van [naam medeverdachte] vast staat in Rusland, hij niets op zijn naam heeft staan, maar op naam van zijn boekhouder en dat hij “wel gewoon een dekmanteltje [heeft] waar die het van moet doen”.

Geconfronteerd met de inhoud van die gesprekken, verklaart de verdachte dat zij zich de gesprekken niet meer kan herinneren, of dat zij niet heeft gezegd wat in de transcripties staat weergegeven. De rechtbank ziet echter geen enkele aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de transcripties. De verdachte kon of wilde desgevraagd op de terechtzitting ook geen concrete antwoorden geven op vragen over de onderneming van haar echtgenoot en zijn werkzaamheden. Zij heeft zich beperkt tot haar verklaring dat zij niet precies wist wat voor onderneming het was en wat voor werkzaamheden haar toenmalige echtgenoot deed en wat hij daarmee verdiende, terwijl verwacht mag worden dat zij als echtgenote wel enig zicht op de werkzaamheden van haar man gehad zou hebben als hij daadwerkelijk als ondernemer werkzaam was geweest in de zonnepanelen.

Uit het voorgaande leidt de rechtbank af dat de verdachte wist dat haar voormalig echtgenoot geen legaal inkomen had, en dat zijn bedrijf in de zonnepalen en zijn ‘salaris’ uit Rusland dekmantels waren om zijn illegaal verkregen inkomen mee wit te wassen. Daarmee faalt ook het verweer van de verdediging ten aanzien van de tenlastegelegde periode.

4.4.5.

Conclusie

De conclusie is dan ook dat de verdachte wist dat het geld van [naam medeverdachte] dat op haar bankrekening en op de en/of-rekening werd gestort geen legale herkomst heeft. Uit het feit dat zij zich jarenlang van dat geld heeft laten onderhouden en daarvan met [naam medeverdachte] een luxueus leven heeft geleid blijkt dat de verdachte opzet heeft gehad op het witwassen van geld dat afkomstig is van enig misdrijf.

Het voorgaande betekent dat bewezen is dat de verdachte zich samen met [naam medeverdachte] schuldig heeft gemaakt aan het primair ten laste gelegde gewoonte witwassen. Het dossier bevat geen aanwijzingen dat de verdachte op enigerlei wijze zelf betrokken is geweest bij criminele handelingen. Het contante geldbedrag van € 460.140,- is dan ook niet afkomstig uit verdachtes eigen misdrijf. De bewezenverklaring ziet daarom op het gehele bedrag.

4.5.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

zij in de periode van 01 januari 2010 tot en met 12 juni 2015 te Berkel en Rodenrijs en/of Rotterdam, althans (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft zij, verdachte en haar mededader, een geldbedrag van in totaal EUR 460.140,- verworven en/of voorhanden gehad terwijl zij, verdachte, wist, dat voornoemd geldbedrag - onmiddellijk of middellijk – afkomstig was uit enig misdrijf.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

5 Strafbaarheid feit

Het bewezen feit levert op:

medeplegen van een gewoonte maken van witwassen.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het feit is dus strafbaar.

6 Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

7 Motivering straffen

De straffen die aan de verdachte worden opgelegd, zijn gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan witwassen door grote contante geldbedragen zonder legale herkomst op haar bankrekeningen te (laten) storten. Dit is een ernstig feit. Het witwassen van criminele gelden vormt een ernstige bedreiging van de legale economie en tast de integriteit van het financiële en economische verkeer aan. Geld dat wordt verdiend door het plegen van strafbare feiten maakt onderdeel uit van het zwartgeldcircuit en kan een ontwrichtende werking hebben op de samenleving.

Gezien de ernst van het feit kan in beginsel niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van enige duur. De rechtbank zal in deze zaak desondanks afzien van het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. In plaats daarvan wordt een taakstraf opgelegd. De belangrijkste reden daarvoor is dat de verdachte alleen de zorg heeft voor haar dochter die intensieve 24 uurszorg nodig heeft vanwege haar ernstige fysieke beperking. Een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zou in dit geval onevenredig zwaar ingrijpen in het gezinsleven van de verdachte en haar dochter die dan uit huis geplaatst zou moeten worden. Het uitvoeren van een taakstraf zou voor de verdachte geen problemen moeten opleveren, omdat haar dochter op doordeweekse dagen gedurende de dag in een dagopvang verblijft. De rechtbank houdt verder in het voordeel van de verdachte rekening met het feit dat zij een zogenoemde ‘first offender’ is en ook na het plegen van het bewezenverklaarde feit, voor zover bekend, niet meer met justitie in aanraking is gekomen. Ook wordt rekening gehouden met het feit dat niet het gehele bedrag dat is witgewassen ten bate van haar is gekomen. Tevens wordt in de strafmaat meegewogen dat het na de aanhouding van de verdachte lange tijd heeft geduurd voor de zaak op zitting is behandeld.

Gelet op straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd waarbij een dergelijk hoog bedrag is witgewassen, heeft de officier van justitie bij haar eis meer dan gemiddeld rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Echter, anders dan door de officier van justitie is geëist, zal de rechtbank de verdachte naast de taakstraf ook een voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen. Dit voorwaardelijk strafdeel dient er toe de ernst van het feit te benadrukken en de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen.

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straffen passend en geboden.

8 In beslag genomen voorwerpen

8.1.

Standpunt officier van justitie

Onder de verdachte zijn verschillende goederen conservatoir in beslag genomen. De officier van justitie heeft aangekondigd dat dit beslag in de ontnemingszaak aan de orde zal komen.

8.2.

Standpunt verdediging

De raadsman heeft zich niet uitgelaten over het beslag.

8.3.

Beoordeling

Ten aanzien van de inbeslaggenomen en niet teruggeven voorwerpen, zoals vermeld in bijlage III bij dit vonnis, zal de rechtbank geen beslissing nemen. Op de voorwerpen rust immers conservatoir beslag in de zin van artikel 94a van het Wetboek van Strafvordering. Op een zodanig beslag is geen beslissing bij einduitspraak in de strafzaak mogelijk.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 47 en 420ter van het Wetboek van Strafrecht.

10 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

11 Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) maanden;

bepaalt dat deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van de proeftijd, die hierbij wordt gesteld op 2 (twee) jaar, na te melden voorwaarde overtreedt;

stelt als voorwaarde dat de veroordeelde zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit zal schuldig maken;


veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 240 (tweehonderdveertig) uren, waarbij de Reclassering Nederland dient te bepalen uit welke werkzaamheden de taakstraf dient te bestaan;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering wordt gebracht volgens de maatstaf van twee uren per dag, zodat na deze aftrek 234 (tweehonderdvierendertig) uren te verrichten taakstraf resteert;

beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 117 dagen.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. C.G. van de Grampel, voorzitter,

en mrs. J. van Dort en M. Smit, rechters,

in tegenwoordigheid van M.J. Grootendorst, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

zij

in of omstreeks de periode van 01 januari 2010 tot en met 12 juni 2015 te

Berkel en Rodenrijs en/of Rotterdam, althans (elders) in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, althans zich schuldig

heeft gemaakt aan witwassen,

immers heeft zij, verdachte en/of (één of meer van) haar mededader(s), een

geldbedrag van in totaal EUR 460.140,- althans enig(e)geldbedrag(en),

verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet,

althans de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing

verborgen en/of verhuld, althans heeft zij verborgen en/of verhuld wie de

rechthebbende op voornoemd(e) geldbedrag(en) , was of wie bovenomschreven

voorwerp voorhanden had,

terwijl zij, verdachte, wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden, dat

voornoemd(e) geldbedrag(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig

was/waren uit enig misdrijf.

art 420ter Wetboek van Strafrecht

art 420bis lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht