Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:5651

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
13-07-2018
Datum publicatie
13-07-2018
Zaaknummer
10/750020-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Doussie 2, veroordeling voor witwassen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 2

Parketnummer: 10/750020-15

Datum uitspraak: 13 juli 2018

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] ( [geboorteland verdachte] ) op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres verdachte] ,

[woonplaats verdachte] ,

raadsman mr. B.P.J. Heinrici, advocaat te Rotterdam.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzittingen van 4 juni 2018 en 29 juni 2018.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officieren van justitie mr. M. van Solingen en M. van der Vlugt, hierna: de officier van justitie, heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een werkstraf voor de duur van 120 uur met aftrek van voorarrest.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Feiten en omstandigheden

De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit.

4.1.1.

Aanleiding

Medeverdachte [naam medeverdachte] wordt verdacht van strafbare feiten genoemd in de artikelen 2, juncto 10, 10a en 11a van de Opiumwet en de artikelen 420bis en 420ter van het Wetboek van Strafrecht. Uit onderzoek is gebleken dat [naam medeverdachte] als douanebeambte op de afdeling Pre-Arrival bij de douane te Rotterdam werkte. Deze afdeling houdt zich onder andere bezig met het bepalen van controles op containers. Uit het onderzoek is vooralsnog gebleken dat [naam medeverdachte] mogelijk betrokken is bij de invoer van cocaïne en grote bedragen contant geld ontvangt van derden. Bij vonnis van 4 juli 2017 is [naam medeverdachte] voor deze feiten veroordeeld. Het vonnis is nog niet onherroepelijk. Tegen het vonnis is hoger beroep ingesteld.

4.1.2.

Onderzoek

Uit opgenomen en uitgewerkte telecommunicatie is gebleken dat [naam medeverdachte] telefonisch contact heeft gehad met de verdachte. Uit de opnames van gesprekken in de auto van [naam medeverdachte] is gebleken dat hij en de verdachte regelmatig samen gesprekken voerden in deze auto. De verdachte is een vrouwelijke collega van [naam medeverdachte] die regelmatig geld en cadeaus ontving van [naam medeverdachte] . Tevens hebben zij beiden buiten het werk contact met elkaar gehad en zijn zij op de hoogte van elkaars privéleven. Naar aanleiding daarvan is een onderzoek naar de verdachte gestart, omdat vermoed wordt dat het geld en de cadeaus die de verdachte van [naam medeverdachte] heeft ontvangen afkomstig zijn van de criminele activiteiten waarvan [naam medeverdachte] wordt verdacht.

4.1.3.

Doorzoeking

Op 17 april 2015 is de woning van de verdachte doorzocht. Daar is, op verschillende plekken in de woning, in totaal een contant geldbedrag van € 11.300,- aangetroffen.

4.1.4.

De vraag die de rechtbank moet beantwoorden

De vraag in deze zaak is of de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het (mede)plegen van gewoonte witwassen of schuldwitwassen van het aan haar ten laste gelegde geldbedrag van € 32.650,-.

4.2.

Het standpunt van het openbaar ministerie

Wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte een bedrag van in totaal

€ 26.240,- van [naam medeverdachte] heeft ontvangen en dat dit bedrag geen legale herkomst heeft, maar afkomstig is uit enig misdrijf. De verdachte heeft, door aan [naam medeverdachte] geen serieuze vragen te stellen over de herkomst van het geld, bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat het geld dat zij van hem ontving uit enig misdrijf afkomstig was. Het primair ten laste gelegde feit is daarmee wettig en overtuigend bewezen.

4.3.

Het standpunt van de verdediging

Aangevoerd is dat niet bewezen is dat de verdachte wist, of redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het geld dat zij van [naam medeverdachte] ontving, afkomstig was uit enig misdrijf. Evenmin kan worden vastgesteld dat het geld een criminele herkomst heeft. Het is goed mogelijk dat de bedragen die de verdachte ontving, afkomstig zijn uit legale inkomstenbronnen van [naam medeverdachte] , zoals hij de verdachte ook heeft voorgehouden.

Daar komt nog bij dat de verdachte geen € 32.650,-, zoals ten laste gelegd, van [naam medeverdachte] heeft ontvangen, maar in totaal maximaal € 4.000,- tot € 5.000,-. De verdediging betwist daarnaast uitdrukkelijk dat de verdachte op 20 oktober 2014 een bedrag van ruim € 20.000,- heeft ontvangen. Volgens haar kreeg zij die dag € 1.000,- (in coupures van € 20,-).

Verder is nog aangevoerd dat niet al het contante geld dat in de woning van de verdachte is aangetroffen, van [naam medeverdachte] afkomstig is. Een substantieel deel daarvan heeft de verdachte zelf gespaard van haar eigen inkomen, van giften van haar ouders en van de opbrengst van de verkoop van goud en juwelen (samen € 6.500,- van het totaalbedrag van € 11.300,- dat in de woning is aangetroffen).

4.4.

Het oordeel van de rechtbank

4.4.1.

Toetsingskader witwassen

De rechtbank stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het in de delictsomschrijving van witwassen opgenomen bestanddeel "afkomstig uit enig misdrijf", niet is vereist dat uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat het desbetreffende voorwerp afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Wel is voor een veroordeling ter zake van dit wetsartikel vereist dat vaststaat dat het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf.

Indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen tussen een voorwerp en een bepaald misdrijf, kan niettemin bewezen worden geacht dat een voorwerp "uit enig misdrijf" afkomstig is, indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het in de tenlastelegging genoemde voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.

Als uit het door het openbaar ministerie aangedragen bewijs feiten en omstandigheden kunnen worden afgeleid die van dien aard zijn dat zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen, mag van de verdachte worden verlangd dat zij een verklaring geeft voor de herkomst van het voorwerp. Zo’n verklaring moet concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk zijn.

Indien de verdachte een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring heeft gegeven over de herkomst van het voorwerp, dan ligt het vervolgens op de weg van het openbaar ministerie om nader onderzoek te doen naar de, uit de verklaringen van de verdachte blijkende, alternatieve herkomst van het voorwerp.

Uit de resultaten van een dergelijk onderzoek zal moeten blijken dat met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat het voorwerp waarop de verdenking betrekking heeft, een legale herkomst heeft en dat dus een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring kan gelden

4.4.2.

Gerechtvaardigd vermoeden van witwassen?

De verdachte heeft bij de politie en op de terechtzitting bekend dat zij contante geldbedragen, cadeaus en lunches van haar collega [naam medeverdachte] heeft ontvangen. In haar woning is een contant geldbedrag van € 11.300,- aangetroffen. Uit de verklaringen van de verdachte kan voorts worden vastgesteld dat [naam medeverdachte] al gedurende meerdere jaren een zeer riant uitgavenpatroon had. Het gaat dan in ieder geval om regelmatige dure reizen naar Curaçao met het gezin, waarbij businessclass werd gevlogen, investeringen ten behoeve van een nieuwe woning, de aanschaf van een motorboot en verjaardagsfeesten voor zijn dochter waar bekende Nederlandse artiesten optraden. Ook diverse getuigen verklaren over het zeer riante uitgavenpatroon van [naam medeverdachte] . Uit de verklaringen van de verdachte volgt ook dat [naam medeverdachte] , toen zijn echtgenote ernstig ziek bleek te zijn, steeds minder is gaan werken (op een gegeven moment nog maar zo’n drie dagen per week) en hij op de dagen, dat hij behoorde te werken, vaak niet kwam opdagen. Volgens getuige [naam getuige 1] en [naam getuige 2] nam hij met regelmaat onbetaald verlof op. Het uitgavenpatroon van [naam medeverdachte] kan dan ook niet worden verklaard vanuit diens legale inkomsten als douaneambtenaar. De verdachte, zelf ook werkzaam bij de douane en daarom bekend met de daar gebruikelijke salarissen, moet dat hebben beseft. Uit het gesprek dat de verdachte met [naam medeverdachte] had op 13 oktober 2014 zegt [naam medeverdachte] ook met zo veel woorden dat hij op dat moment € 2.800,- bruto per maand verdiende bij de douane.

De hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, zijn van dien aard dat zij het vermoeden van een criminele herkomst van het door de verdachte ontvangen geld rechtvaardigen. Gelet hierop mag van de verdachte worden verlangd dat zij een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft voor de herkomst van dit geldbedrag.

4.4.3.

Verklaring van de verdachte over de herkomst van het bedrag van het geld.

Neveninkomsten

De verdachte heeft ten eerste verklaard dat zij niet wist en ook niet kon vermoeden dat het geld dat zij van [naam medeverdachte] kreeg een criminele herkomst had, omdat hij haar had verteld dat hij veel geld verdiende met zijn kringloopwinkel [naam kringloopwinkel] . Ook zou het bedrijf van zijn echtgenote, die interieurstyliste was, goed lopen en zou [naam medeverdachte] aan zijn scheiding van zijn ex-echtgenote een bedrag van € 150.000,- tot € 160.000,- hebben overgehouden. Dat achteraf duidelijk is geworden dat deze verhalen van [naam medeverdachte] mogelijk niet waar zijn, kan haar niet worden aangerekend, aldus de verdachte.

Dit verweer slaagt niet. Het uitgavenpatroon van [naam medeverdachte] kan immers ook dan nog niet worden verklaard met de neveninkomsten die hij mogelijk heeft gehad uit zijn kringloopwinkel [naam kringloopwinkel] en het bedrijf van zijn echtgenote, noch met het bedrag dat hij na de scheiding van zijn ex-echtgenote zou hebben ontvangen. [naam medeverdachte] was immers nog maar relatief kort tevoren met het kringloopbedrijf gestart en hij heeft haar - naar haar eigen zeggen - verteld dat hij het bedrag dat hij uit de echtscheiding had overgehouden (€ 150.000,- tot € 160.000,-) had geïnvesteerd in zijn kringloopwinkel. Ook getuige [naam getuige 3] bevestigt dat. Nog los van de vraag of al sprake heeft kunnen zijn van substantiële inkomsten uit de ondernemingen van [naam medeverdachte] en zijn vrouw, is het uitgavenpatroon van [naam medeverdachte] te luxueus geweest om dat gedurende enkele jaren op dergelijke wijze vol te kunnen houden. De verdachte heeft zich dat ook redelijkerwijs kunnen en moeten beseffen. Geld, als het er al was, kan maar één keer worden uitgegeven. Het verweer dat het uitgavenpatroon van [naam medeverdachte] kan worden verklaard uit de winsten van de kringloopwinkel en het bedrijf van zijn echtgenote, acht de rechtbank niet aannemelijk en ook de verdachte had daar op zijn minst vraagtekens bij moeten plaatsen.

Dat ook andere collega’s van [naam medeverdachte] en de verdachte zich niet hebben afgevraagd hoe [naam medeverdachte] zijn uitgavenpatroon kon bekostigen, zoals de verdachte heeft aangevoerd, kan niet tot een ander oordeel leiden. Hoewel uit diverse getuigenverklaringen volgt dat [naam medeverdachte] inderdaad vergelijkbare verhalen over de herkomst van zijn geld ook aan andere collega’s heeft verteld, ontslaat dit haar niet van haar eigen, zelfstandige, verantwoordelijkheid op dit punt. Zeker niet, omdat zij, anders dan haar collega’s, daarnaast ook nog aanzienlijke geldbedragen en dure cadeaus van haar collega [naam medeverdachte] aannam, iets wat al ongebruikelijk is, maar waarvan die andere collega’s niet op de hoogte waren. Haar stelling dat niemand bedenkingen had ten aanzien van de bron van inkomsten van [naam medeverdachte] klopt ook niet, omdat het gedrag van [naam medeverdachte] bij sommige collega’s, zoals getuige [naam getuige 1] , getuige [naam getuige 3] en getuige [naam getuige 4] wel degelijk vragen heeft opgeroepen.

Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de verdachte niet zonder meer heeft mogen afgaan op de verhalen van [naam medeverdachte] over de herkomst van zijn geld. Dat zij dat toch zonder vragen te stellen heeft gedaan valt haar aan te rekenen.

Geen 1000 briefjes van € 20,- gekregen?

De verdachte heeft steeds ten stelligste ontkend dat zij op 20 oktober 2014 een bedrag van ruim € 20.000,- (1000 briefjes van € 20,-) heeft ontvangen. Zij stelt dat zij in totaal een bedrag van € 4.000,- tot € 5.000,- van [naam medeverdachte] heeft ontvangen, telkens in bedragen van ongeveer € 500,- per keer. De enige uitschieter was op 20 oktober 2014. Echter, in plaats van 1000 briefjes van € 20,- kreeg zij toen € 1.000,- in briefjes van € 20,-. Het klopt wel dat op de tap van het gesprek van 20 oktober 2014 te horen is dat [naam medeverdachte] zegt: “Dit zijn allemaal twintigjes.” en “En het zijn ehh 1000 twintigjes en een paar voor wat te halen”, maar dit komt volgens de verdachte niet overeen met het bedrag dat hij in werkelijkheid aan haar gaf.

Aan de verdediging kan worden toegeven dat er, gelet op de stellige ontkenning van de verdachte en het uitvoerige verweer van de verdediging, op zijn minst twijfel bestaat over de vraag of de verdachte toen daadwerkelijk een bedrag van € 20.000,- ineens heeft gekregen. Die twijfel wordt niet weggenomen door andere stukken uit het dossier. Er zijn, behalve de tap, geen aanwijzingen dat de verdachte dit bedrag, dat aanzienlijk van het voordien bestaande patroon afwijkt, heeft gekregen. Dit kan daarom niet met de wettelijke vereiste mate van zekerheid worden vastgesteld. Het verweer op dit punt slaagt.

Spaargeld

De verdachte heeft tot slot nog verklaard dat niet al het contante geld dat in haar woning is aangetroffen afkomstig is van [naam medeverdachte] . Zij stelt zelf een bedrag van in totaal € 6.500,- te hebben gespaard met geld dat zij van haar ouders heeft gekregen en met de opbrengsten van goud en juwelen die zij heeft verkocht. De verdachte heeft dit al tijdens haar verhoren bij de politie verklaard en haar stellingen zijn door haar raadsman in de e-mails van 29 november 2016 en 16 december 2016 nader, concreet en verifieerbaar, toegelicht.

Die toelichting bevat diverse concrete aanknopingspunten voor nader onderzoek door het openbaar ministerie naar de juistheid van de stellingen van de verdachte. Dit onderzoek heeft, ondanks dat de raadsman de officier van justitie daartoe uitdrukkelijk heeft uitgenodigd, echter niet plaatsgevonden.

Uit de e-mail van 28 maart 2017 van de officier van justitie aan de raadsman maakt de rechtbank op dat toen finaal en zonder voorbehoud is beslist dat nader onderzoek niet zou plaatsvinden en dat het dossier gereed zou worden gemeld voor de inhoudelijke behandeling.

Anders dan de officier van justitie is de rechtbank echter van oordeel dat er, zeker naar aanleiding van het uitdrukkelijke en gemotiveerde verzoek van de raadsman, wel aanleiding tot nader onderzoek bestond. Daarvoor was op dat moment ook voldoende tijd en gelegenheid. Dat het onderzoek achterwege is gelaten is daarom een omstandigheid die voor risico van het openbaar ministerie moet komen. Omdat de verklaring van de verdachte op voorhand niet hoogst onwaarschijnlijk en verifieerbaar kan worden geacht, kan (zonder nader onderzoek) niet met voldoende mate van zekerheid worden uitgesloten dat het bedrag van € 6.500,- een legale herkomst heeft. Ook op dit punt slaagt het verweer.

4.4.4.

Conclusie

Het voorgaande maakt dat geen andere conclusie mogelijk is dan dat het niet anders kan zijn dan dat de door de verdachte ontvangen bedragen en cadeaus onmiddellijk of middellijk uit enig misdrijf afkomstig zijn. Het dossier bevat geen aanwijzingen dat de verdachte op enigerlei wijze zelf betrokken is geweest bij criminele handelingen of dat zij wist van enige betrokkenheid van [naam medeverdachte] bij criminele handelingen. Wel is het zo dat de verdachte op basis van al het voorgaande redelijkerwijs had moeten vermoeden dat de bedragen en cadeaus van misdrijf afkomstig waren.

Dit betekent dat bewezen is dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het subsidiair ten laste gelegde schuldwitwassen. Voor bewezenverklaring van de zwaardere (opzet)variant (primair) ziet de rechtbank onvoldoende aanknopingspunten.
Hoeveel geld (inclusief cadeaus) de verdachte in totaal van [naam medeverdachte] heeft gekregen, valt op basis van het dossier niet met de vereiste mate van zekerheid vast te stellen. Daarom zal hierna bewezen worden verklaard dat de verdachte (kort gezegd) enige geldbedragen voorhanden heeft gehad die afkomstig zijn uit enig misdrijf.

4.5.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

zij in de periode van 1 januari 2013 tot en met 17 april 2015 te Rotterdam en/of Barendrecht, althans (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander enige geldbedragen, verworven en voorhanden gehad terwijl zij, verdachte, redelijkerwijs moest vermoeden, dat voornoemde geldbedragen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.

5 Strafbaarheid feit

Het bewezen feit levert op:

subsidiair

medeplegen van schuldwitwassen, meermalen gepleegd.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het feit is dus strafbaar.

6 Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

7 Motivering straf

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan schuldwitwassen door geld aan te nemen van een corrupte collega die eveneens werkzaam was bij de Douane. De verdachte vond het wel makkelijk om regelmatig geld toegeschoven te krijgen en heeft geen vraagtekens gesteld bij de herkomst ervan. Zij heeft bovendien op een handige manier gebruik gemaakt van de situatie door (al dan niet terloops) aan haar collega te vertellen dat zij moeilijk kon rondkomen (wat achteraf niet waar bleek te zijn) zodat haar collega haar meer geld en/of cadeaus zou blijven geven.

Dit is een ernstig feit. Het witwassen van criminele gelden vormt een ernstige bedreiging van de legale economie en tast de integriteit van het financiële en economische verkeer aan. Geld dat wordt verdiend door het plegen van strafbare feiten maakt onderdeel uit van het zwartgeldcircuit en kan een ontwrichtende werking hebben op de samenleving.

Gezien de ernst van het feit kan in beginsel niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. De rechtbank zal echter, gelet op de volgende omstandigheden, afzien van het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

De rechtbank houdt in het voordeel van de verdachte rekening met het feit dat zij een ‘first offender’ is en ook na het plegen van het bewezenverklaarde feit niet meer met justitie in aanraking is gekomen.

Daarnaast houdt de rechtbank rekening met het feit dat de verdachte al zeer nadelige gevolgen heeft ondervonden naar aanleiding van deze zaak. Zij is ontslagen en heeft nadien nog geen ander betaald werk gevonden. Ook wordt er rekening gehouden met het feit dat zij de zorg heeft over twee minderjarige kinderen. Tot slot wordt in de strafmaat meegewogen dat het na de aanhouding van de verdachte lange tijd heeft geduurd voor de zaak op zitting is behandeld.

Alles afwegend acht de rechtbank een werkstraf als hierna te noemen passend en geboden.

8 In beslag genomen voorwerpen

8.1.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd de in beslag genomen goederen verbeurd te verklaren.

Het gaat hierbij, kort gezegd, om:

- een banktegoed van € 374,33;

- een banktegoed van € 5.350,98;

- een personenauto, type Mini Cooper, deze is inmiddels vervreemd en heeft € 8.500,-

opgebracht;

- een contant geldbedrag van € 7.000,-;

- een contant geldbedrag van € 4.300,-.

In bijlage III van dit vonnis is de beslaglijst weergegeven.

8.2.

Standpunt verdediging

De beslagen dienen te worden opgeheven, gelet op de door hem bepleite vrijspraken.

8.3.

Beoordeling

Gelet op de bewijsmiddelen is de rechtbank van oordeel dat de verdachte in ieder geval een bedrag van € 7.000,- heeft witgewassen.

Het inbeslaggenomen geldbedrag van € 7.000,- (op de beslaglijst opgenomen onder punt 5) zal daarom verbeurd worden verklaard.

De verdachte heeft dit geld door middel van het de strafbare feit verkregen.

Ten aanzien van het overige inbeslaggenomene, (op de beslaglijst opgenomen onder punten 1, 2, 4 en 6) zal een last worden gegeven tot teruggave aan de verdachte zijnde degene bij wie dit in beslag is genomen en die redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 22c, 22d, 33, 33a, 47, 57 en 420quater van het Wetboek van Strafrecht.

10 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

11 Beslissing

De rechtbank:

verklaart niet bewezen, dat de verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen, dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;


veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 100 (honderd) uren, waarbij de Reclassering Nederland dient te bepalen uit welke werkzaamheden de taakstraf dient te bestaan;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering wordt gebracht volgens de maatstaf van twee uren per dag, zodat na deze aftrek 94 (vierennegentig) uren te verrichten taakstraf resteert;

beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 47 dagen;

beslist ten aanzien van de voorwerpen, geplaatst op de lijst van inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, als volgt:
- verklaart verbeurd als bijkomende straf: een geldbedrag van € 7.000,- (nummer 5 op de lijst van inbeslaggenomen en niet teruggegeven voorwerpen)

- gelast de teruggave aan verdachte van nummers 1, 2, 4 en 6 op de lijst van inbeslaggenomen en niet teruggegeven voorwerpen:

- een banktegoed van € 374,33;

- een banktegoed van € 5.350,98;

- een personenauto, type Mini Cooper, deze is inmiddels vervreemd en heeft

€ 8.500,- opgebracht;

- een contant geldbedrag van € 4.300,-.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. C.G. van de Grampel, voorzitter,

en mrs. J. van Dort en M. Smit, rechters,

in tegenwoordigheid van M.J. Grootendorst, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

zij

in of omstreeks de periode van 1 januari 2013 tot en met 17 april 2015 te

Rotterdam en/of Barendrecht, althans (elders) in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, althans zich schuldig

heeft gemaakt aan witwassen,

immers heeft zij, verdachte en/of (één of meer van) haar mededader(s), een

geldbedrag van in totaal 32.650 EURO althans enig(e) geldbedrag(en),

verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet,

althans de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing

verborgen en/of verhuld, althans heeft zij verborgen en/of verhuld wie de

rechthebbende op voornoemd(e) geldbedrag(en), was of wie bovenomschreven

voorwerp voorhanden had,

terwijl zij, verdachte, wist, dat voornoemd(e) geldbedrag(en) - onmiddellijk

of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf;

(artikel 420bis/ter Wetboek van Strafrecht)

Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

zij

in of omstreeks de periode van 1 januari 2013 tot en met 17 april 2015 te

Rotterdam en/of Barendrecht, althans (elders) in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een

geldbedrag van in totaal 32.650 EURO althans enig(e) geldbedrag(en),

verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet,

althans de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing

verborgen en/of verhuld, althans heeft zij verborgen en/of verhuld wie de

rechthebbende op voornoemd(e) geldbedrag(en), was of wie bovenomschreven

voorwerp voorhanden had,

terwijl zij, verdachte, redelijkerwijs moest vermoeden, dat voornoemd(e)

geldbedrag(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig

misdrijf.

(artikel 420quater Wetboek van Strafrecht)