Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:561

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
11-01-2018
Datum publicatie
29-01-2018
Zaaknummer
10/700018-17 en 10/740196-16 (gevoegd)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Ripdeal als gevolg waarvan het slachtoffer, een jonge man, een hoge dwarslaesie (blijvende verlamming) heeft opgelopen. Fotoherkenning van de verdachte als zijnde de schutter door het slachtoffer. Steunbewijs in de vorm van getuigenverklaringen, de betrokkenheid van een door de verdachte gehuurde auto, de aanwezigheid van een telefoon(nummer) in gebruik bij de verdachte nabij de plaats delict en de aanwezigheid van relaties van de verdachte op de plaats delict. De verdachte ontkent en heeft over zaken die om een uitleg vragen geen of een zeer summiere en niet controleerbare verklaring willen of kunnen geven. Bewezenverklaring van vijf (gewelds)delicten. Straf conform eis: 10 jaren gevangenisstraf. Vordering benadeelde partij: toewijzing van € 15.832,46 aan materiële schadevergoeding en € 200.000,= aan immateriële schadevergoeding gezien de aard en ernst van het letsel en de mate van het gederfde levensvreugde.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2018-0106
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 2

Parketnummers: 10/700018-17 en 10/740196-16 (gevoegd)

Datum uitspraak: 11 januari 2018

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de gevoegde zaken tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres verdachte] , [woonplaats verdachte] ,

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Alphen aan den Rijn,

raadsman mr. H.G. Koopman, advocaat te Amsterdam.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 14 december 2017 en 28 december 2017.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaardingen, zoals deze op de terechtzitting overeenkomstig de vordering van de officier van justitie zijn gewijzigd.

De tekst van de gewijzigde tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. L.C. Visser heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het onder parketnummer 700018-17 onder 1, 2 primair en 3 ten laste gelegde en het onder parketnummer 740196-16 onder 1 en 2 primair ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 jaren met aftrek van voorarrest.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Zaak [naam zaak 1] (feiten 2 primair en 3 van parketnummer 700018-17)

Vaststaande feiten
Uit het dossier en het onderzoek ter zitting zijn de volgende feiten en omstandigheden naar voren gekomen, die op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen als vaststaand worden aangemerkt.

Op 22 februari 2017 hebben het slachtoffer [naam slachtoffer 1] en zijn broer, [naam slachtoffer 2] , met een voor hen onbekende groep mannen afgesproken in verband met de verkoop van 300 gram cocaïne. De deal zou plaats vinden in een woning aan de [adres delict] in Schiedam. Het eerste contact daarvoor is gelegd via een bekende van [naam slachtoffer 2] , [naam medeverdachte 1] , te bereiken op telefoonnummer [gsm-nummer 1] .
Nadat [naam slachtoffer 2] vooraf in een witte VW Golf besprekingen heeft gevoerd met onder meer [naam medeverdachte 1] en een tweede man (hierna aangeduid als dader 1, de man met een Gucci pet op), gaat hij samen met dader 1 de woning binnen. Dader 1 blijft in de woning en rookt er onder meer een joint, samen met [naam slachtoffer 2] .

Op enig moment komt een derde man, door [naam slachtoffer 1] en [naam slachtoffer 2] ‘de kale’ genoemd, de woning binnen om de verdovende middelen te testen. Deze ‘kale’ laat weten dat de kwaliteit in orde is en dat een ander de betaling zal komen doen. Hierop verlaat ‘de kale’ de woning.
Vervolgens komt een vierde man, hierna aangeduid als dader 2 (door de broers [achtenaam slachoffers] aangeduid als “grijs pak”) , de woning binnen. Na enig twijfelen en een woordenwisseling met dader 1 over dat “het te duur zou zijn”, geeft dader 2 aan tot aankoop over te willen gaan.
Omstreeks 22.30 uur staan [naam slachtoffer 1] en dader 2 in (de nabijheid van) de hal. Op dat moment horen [naam slachtoffer 2] , die in de aan de hal aangrenzende open keuken staat, en [naam slachtoffer 1] dat een wapen wordt doorgeladen. [naam slachtoffer 1] ziet dat dader 2 vanuit een schoudertasje op schouderhoogte een schot op hem lost.
Vervolgens pakt dader 1 de zak met 300 gram cocaïne en rent samen met dader 2 hard weg.
Forensische onderzoekers treffen in het portiek ter hoogte van de toegangsdeur van de woning aan de [adres delict] één patroonhuls aan.

Artsen stellen vast dat [naam slachtoffer 1] een schotverwonding heeft aan de linkerschouder. Er is sprake van een bloeding in de linker borstholte, een klaplong links en een breuk in de linkerschouder. Zij zien in diens wervelkanaal een kogel zitten. [naam slachtoffer 1] blijkt een dwarslaesie te hebben opgelopen vanaf de 6e dan wel 7e wervel. Deze dwarslaesie, inhoudend verlamming vanaf zijn schouders, is van blijvende aard. Het letsel kan als potentieel dodelijk worden beschouwd.

Standpunt verdediging

De verdachte ontkent iedere betrokkenheid bij het ten laste gelegde. De raadsman heeft aangevoerd dat wettig en overtuigend bewijs voor het ten laste gelegde ontbreekt. De verklaringen van aangever [naam slachtoffer 1] en [naam slachtoffer 2] zijn onbetrouwbaar en kunnen niet voor het bewijs worden gebruikt. Er bestaan grote verschillen tussen de in eerste instantie door hen afgelegde verklaringen en die zij later hebben afgelegd. Ook is sprake geweest van beïnvloeding van aangever [naam slachtoffer 1] door [naam slachtoffer 2] en van ontoelaatbare inmenging van

[naam slachtoffer 2] tijdens de ondervraging van [naam slachtoffer 1] . Tot slot berust de verklaring van [naam slachtoffer 2] niet op eigen waarneming, nu hij zelf heeft verklaard dat hij de schutter niet heeft gezien. Met name het gebruik door de politie van verdachtmakingen en fotomateriaal afkomstig van [naam slachtoffer 2] uit een niet te controleren bron maakt dat het gehele onderzoek vanaf het begin niet heeft gedeugd en door de broers [achtenaam slachoffers] in een door hen bepaalde richting is gestuurd. Nu objectief bewijs waaruit de betrokkenheid van de verdachte bij het ten laste gelegde ontbreekt, moet dit leiden tot vrijspraak, aldus de raadsman.

Beoordeling
De rechtbank stelt voorop dat bij de beoordeling van het tenlastegelegde feit kritisch moet worden omgegaan met de, op onderdelen, wisselende verklaringen van aangever [naam slachtoffer 1] en zijn broer, getuige [naam slachtoffer 2] , alsmede met de herkenning van de schutter door [naam slachtoffer 1] op een foto van internet. Zowel [naam slachtoffer 1] als [naam slachtoffer 2] hebben aanvankelijk – bij de start van het onderzoek- minder uitgebreid en minder gedetailleerd verklaard.

Deze aanvankelijke terughoudendheid bleek, toen het onderzoek vorderde, plaats te maken voor steeds meer openheid en noemen van details. De rechtbank heeft hieruit afgeleid dat zij in eerste instantie hun strafbare betrokkenheid bij de drugsdeal kennelijk wilden afschermen en hierdoor terughoudend hebben verklaard. Dit maakt dat latere verklaringen, die uitgebreider zijn en derhalve afwijkend, niet per definitie onbetrouwbaar zijn.

De rechtbank heeft uit de verklaringen van [naam slachtoffer 1] , zoals afgelegd bij de politie op 7 maart 2017 en 6 april 2017 en zijn latere verklaring bij de rechter-commissaris van 10 juli 2017 opgemaakt dat drie mannen betrokken zijn geweest bij het ten laste gelegde. Dader 1 (klein met een zwart Gucci petje) heeft in de woning een joint gerookt, is aanwezig geweest bij de voorbesprekingen, is de hele tijd in de woning aanwezig geweest tijdens het testen van de drugs en heeft, nadat het schot is gelost, de cocaïne weggenomen. Dader 2 is door beide broers [achtenaam slachoffers] aangewezen als de schutter. Dader 2 was groot en mollig en droeg een Adidas(trainings)pak. Dader 2 heeft met hen gesproken over de aankoop en betaling van de cocaïne. Dader 3 is door T. en [naam slachtoffer 2] genoemd als “de kale” die in de woning is geweest om de cocaïne te testen. Hij heeft, naar later is gebleken, dader 2 erbij geroepen om de deal te voltooien.

[naam slachtoffer 2] heeft drie foto’s (zijnde afdrukken van op internet circulerende foto’s) aan de politie overhandigd waarop de daders zouden staan. [naam slachtoffer 1] heeft op de in het dossier aangeduide foto 1 de schutter (dader 2) herkend en op de in het dossier aangeduide foto 2 de persoon die erbij was (dader 1). Meerdere verbalisanten herkennen de man die als dader 2 wordt aangeduid op foto 1 als [naam verdachte] (verdachte, door de broers [achtenaam slachoffers] aangewezen als de schutter) Dader 1 herkennen zij als [naam medeverdachte 2] .

In de eerste plaats vindt deze verklaring van aangever [naam slachtoffer 1] op essentiële onderdelen steun in de verklaring van [naam slachtoffer 2] . Ook hij heeft verklaard over de betrokkenheid van drie mannen. Anders dan de raadsman heeft aangevoerd blijkt uit de politieverklaring van [naam slachtoffer 2] van 4 april 2017 en zijn verklaring bij de rechter-commissaris van 10 juli 2017, dat hij de drie betrokkenen ook daadwerkelijk in de woning aan de [adres delict] heeft gezien. Ten tijde van het lossen van het bewuste schot bevond [naam slachtoffer 2] zich in de keuken. Daarom heeft hij het schieten niet zelf gezien. Zeer kort ervoor heeft hij wel een doorlaadgeluid van een vuurwapen gehoord. Ook heeft [naam slachtoffer 2] verklaard dat (alleen) dader 2 op dat moment in de nabijheid van [naam slachtoffer 1] verkeerde, dat dader 1 te ver weg stond en dat diens handen bovendien leeg waren. Tot slot heeft [naam slachtoffer 2] gezien dat dader 1 de cocaïne heeft weggenomen en dat beide daders zijn weggevlucht.

De verklaring van [naam slachtoffer 1] en zijn herkenning van de verdachte als de schutter vindt bovendien steun in de navolgende feiten en omstandigheden.


Betrokkenheid witte VW Up ( [kentekennummer 1] )
[naam slachtoffer 2] heeft verklaard dat de daders in een witte VW Up reden.
Uit onderzoek is naar voren gekomen dat het een VW Up met kenteken [kentekennummer 1] betreft. In dit verband heeft de verdachte ter zitting verklaard dat hij de huurder is van dit voertuig.

Door [naam slachtoffer 2] is verder verklaard dat hij voorafgaande aan de ontmoeting in de woning samen met drie anderen in een witte VW Up heeft gezeten; dader 1, dader 2 en dader 3 - de kale’ - en dat hij met dader 1 is uitgestapt. Deze verklaring vindt onder meer steun in de verklaring van een omwonende, de heer [naam omwonende] . Hij heeft verklaard dat hij op 22 februari 2017 omstreeks 21.30 uur een witte VW Up midden op de kruising [straatnaam 1] / [adres delict] in Schiedam heeft zien staan, dat twee lichtgetinte mannen, vermoedelijk van Noordafrikaanse afkomst en in de leeftijd van 21 tot 25 jaar, zijn uitgestapt, dat twee andere mannen achterbleven in de auto van wie de bijrijder een lichtgetinte man met een baardje van ongeveer 25 jaar was.

Uit onderzoek naar de “on board” registratie van de GPS -gegevens van de VW Up met kenteken [kentekennummer 1] van 22 februari 2017 is o.a. het volgende gebleken. De VW Up is omstreeks 19.23 uur vertrokken vanaf de [straatnaam 2] in Rotterdam; een locatie ter hoogte van de woning van de verdachte. Vervolgens is de VW Up na een aantal stops in de richting van Schiedam gereden. Omstreeks 21.18 uur is de VW Up aangekomen in de omgeving van de [adres delict] in Schiedam en is daar gebleven tot omstreeks 22.34 uur. Toen, direct dus na het tijdstip van het schieten op [naam slachtoffer 1] , omstreeks 22.31 uur, is de VW Up vertrokken vanaf de [adres delict] in de richting van Rotterdam.

Gelet op de verklaring van [naam slachtoffer 2] in samenhang bezien met deze GPS- gegevens concludeert de rechtbank dat sprake is van betrokkenheid van (de inzittenden van) de witte VW Up met kenteken [kentekennummer 1] bij het ten laste gelegde. Vast staat verder dat de verdachte deze VW Up heeft gehuurd en wel op 22 februari 2017. De rechtbank houdt het ervoor dat hij als huurder op de hoogte moet zijn geweest van de gebruiker(s) van de VW Up vóór, tijdens en na het ten laste gelegde. Ter zitting heeft de verdachte verklaard dat hij het voertuig tot 18.00 uur in gebruik heeft gehad. Daarnaar uitdrukkelijk gevraagd heeft de verdachte niet willen zeggen of en zo ja aan wie hij het voertuig die dag, notabene op de eerste dag van verhuur, vervolgens zou hebben uitgeleend.

Gebruik telefoonnummer [gsm-nummer 2]

Uit onderzoek is gebleken dat het telefoonnummer [gsm-nummer 2] frequent verbinding maakt met zendmasten in de omgeving van de woning van de verdachte aan de [straatnaam 2] in Rotterdam. Verder is gebleken dat dit telefoonnummer contact heeft met het mobiele telefoonnummer [gsm-nummer 3] , in gebruik bij [naam partner verdachte] , de partner van de verdachte. Mede op basis van dit onderzoek is vastgesteld dat met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid de verdachte tijdens het ten laste gelegde het telefoonnummer [gsm-nummer 2] in gebruik heeft gehad. Uit onderzoek is voorts gebleken dat dit telefoonnummer tijdens het ten laste gelegde verbinding maakt met een zendmast in de directe nabijheid van de plaats delict. Ook is vastgesteld dat dit telefoonnummer in de periode 11 februari 2017 tot 7 maart 2017 veelvuldig, te weten 39 keer, in contact is geweest met telefoonnummer [gsm-nummer 1] , in gebruik bij [naam medeverdachte 1] . [naam slachtoffer 2] heeft verklaard dat [naam medeverdachte 1] de persoon is geweest die [naam slachtoffer 2] met de daders in contact heeft gebracht en met wie [naam slachtoffer 2] op de avond van 22 februari 2017 nog een ontmoeting heeft gehad in de ook bij de deal betrokken VW Golf.
De rechtbank stelt vast dat voormelde omstandigheden eveneens als belastend voor de verdachte zijn aan te merken. Uit deze gegevens volgt namelijk niet alleen dat hij de gebruiker van het telefoonnummer moet zijn geweest, maar ook dat via dit nummer de link tussen hem en [naam medeverdachte 1] naar voren komt en dat het bij de verdachte in gebruik zijnde telefoonnummer ten tijde van het ten laste gelegde in de nabijheid van de [adres delict] moet zijn geweest. Voor deze feiten en omstandigheden heeft de verdachte geen verklaring gegeven, anders dan dat hij ontkent de gebruiker van het desbetreffende telefoonnummer te zijn.

Betrokkenheid relaties van de verdachte
[naam slachtoffer 1] en [naam slachtoffer 2] hebben drie personen genoemd, die aanwezig waren in de woning tijdens de ripdeal.
Dader 1 is de man die volgens hen een joint heeft gerookt in de woning. Zowel [naam slachtoffer 1] als [naam slachtoffer 2] wijzen dader 1 aan op de in het dossier aangeduide foto 2, die door [naam slachtoffer 2] aan de politie is overhandigd. Verbalisant herkent dader 2 als [naam medeverdachte 2] . Onderzoek naar de bemonstering van DNA-sporen op deze joint en op een sigarettenpeuk die eveneens in de woning is achtergebleven, bevestigt de aanwezigheid van [naam medeverdachte 2] in de woning.

Dader 3 (‘de kale’) is volgens de broers [achtenaam slachoffers] ook in de woning geweest en heeft de cocaïne getest. [naam slachtoffer 1] heeft op een foto de kale herkend. Het dossier bevat aanwijzingen dat dit [naam medeverdachte 3] betreft. Onderzoek naar de bemonstering van DNA-sporen op een sigarettenpeuk,en dactyloscopisch onderzoek op folie van een sigarettenpakje, beide aangetroffen in de woning, bevestigt de aanwezigheid van genoemde [naam medeverdachte 3] in de woning.

Uit een overzicht politieregistraties volgt dat in de periode 2009 tot 2017 sprake is geweest van meerdere mutaties waarbij [naam medeverdachte 3] en/of [naam medeverdachte 2] en/of [naam medeverdachte 1] en/of de verdachte betrokken zijn geweest. De verdachte heeft verklaard [naam medeverdachte 3] en [naam medeverdachte 2] te kennen.

Op basis van voormelde feiten en omstandigheden stelt de rechtbank vast dat [naam medeverdachte 3] en [naam medeverdachte 2] vastgestelde contacten van de verdachte zijn, dat beiden in de woning aan de [adres delict] zijn geweest en dat zij betrokken zijn geweest bij het ten laste gelegde.

Analyse van telecomgegevens en reisbewegingen betrokken voertuig

Uit nader onderzoek van verschillende (zend)mastgegevens en van de GPS informatie over de reisbewegingen van de VW Golf met kenteken [kentekennummer 2] en de VW Up met kenteken [kentekennummer 1] , volgt dat het zeer aannemelijk is dat er op 22 februari 2017 omstreeks 19:35 uur een ontmoeting heeft plaatsgevonden in de directe omgeving van de [straatnaam 3] te Schiedam tussen [naam slachtoffer 2] , [naam medeverdachte 1] en een derde persoon. Die laatste twee maakten toen gebruik van de VW Golf met kenteken [kentekennummer 2] . Vervolgens zijn zij met de VW Golf teruggegaan naar Rotterdam Zuid waar de auto in dezelfde straat in de buurt van de VW Up gestaan heeft. Hierna is zichtbaar dat beiden auto’s rijden naar Schiedam via het centrum van Rotterdam. De Volkswagens arriveren op de [straatnaam 3] te Schiedam omstreeks 21:33 uur. Uit de verkeersgegevens van de telefoons blijkt dat [naam medeverdachte 1] , [naam medeverdachte 3] en de verdachte vanaf dat moment verbinding maken met zendmasten in Schiedam. Vervolgens is zichtbaar dat de VW Up zich verplaatst naar de directe omgeving van de plaats delict. Uit de verkeersgegevens van [naam medeverdachte 3] en de verdachte is te zien dat ook zij verbinding maken met een zendmast in de directe omgeving van het plaats delict. Uit de verkeersgegevens van [naam medeverdachte 1] valt op te maken dat hij in de omgeving van de [straatnaam 3] te Schiedam blijft.

Hierna is zichtbaar dat de VW Golf zich omstreeks 22:31 uur verplaatst vanaf de [straatnaam 4] te Schiedam naar Rotterdam Zuid. Daarna is omstreeks 22:35 uur een verplaatsing te zien van de VW Up vanaf de plaats delict via de [straatnaam 1] te Schiedam naar het [straatnaam 5] te Schiedam. De verkeersgegevens van [naam medeverdachte 3] laten een overeenkomstige verplaatsing zien. Het eerdergenoemde telefoonnummer van de verdachte laat een verplaatsing zien overeenkomstig die van de VW Golf en het telefoonnummer van [naam medeverdachte 1] . Hieruit valt op te maken dat de verdachte op enig moment in de VW Golf is gestapt en samen met [naam medeverdachte 1] naar Rotterdam-Zuid is gereden

Op grond van deze onderzoeksresultaten stelt de rechtbank vast dat het telefoonnummer dat aan de verdachte wordt toegeschreven, samen met telefoonnummers toegeschreven aan vastgestelde contacten van de verdachte, op de avond van de ripdeal reisbewegingen hebben gemaakt die passen in het scenario dat contacten van de verdachte een voorbespreking hebben gehad in Schiedam, dat vervolgens omstreeks 21.33 uur de (inzittenden van de) VW Golf en VW Up in de [adres delict] zijn aangekomen en dat omstreeks 22.31 uur, dat wil zeggen direct na de ripdeal, de (inzittenden van de) VW Up en de VW Golf zich verplaatsen weg van de [adres delict] .

Hoewel de rechtbank in aanmerking heeft genomen dat een kritische beoordeling ten aanzien van de betrouwbaarheid van de aangifte en de aanwijzing van de verdachte als dader (door de aangever [naam slachtoffer 1] ) op zijn plaats is, acht de rechtbank de aangifte en de herkenning door [naam slachtoffer 1] betrouwbaar. Deze wordt namelijk op essentiële punten ondersteund door andere bewijsmiddelen. Niet alleen de verklaring van [naam slachtoffer 2] draagt bij aan de geloofwaardigheid van de aangifte, maar ook het in de woning aangetroffen dna- materiaal van de medeverdachten, de gps-gegevens van de door de verdachte gehuurde auto en de gegevens van telefoonnummers in gebruik bij de verdachte en medeverdachten vormen belangrijk bewijs. Hierdoor kunnen de verdachte en medeverdachten immers gelinkt worden aan de plaats delict ten tijde van de schietpartij. Hiertegenover staat enkel de verklaring van de verdachte dat hij het niet was en dat hij niet weet waar hij ten tijde van de feiten wel was. Over zaken die om een uitleg vragen, zoals de telefoon- en gps-gegevens, heeft de verdachte geen of een zeer summiere en niet controleerbare verklaring kunnen of willen geven. Al het voorgaande in onderling verband en samenhang bezien, maakt dan ook dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen acht dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder feit 2 primair en 3 tenlastegelegde.

Voor zover de verdediging nog heeft betoogd dat als de verdachte al de schutter is geweest, betwijfeld moet worden of hij wel het opzet heeft gehad om [naam slachtoffer 1] te doden, overweegt de rechtbank dat het van korte afstand schieten op het bovenlichaam van een persoon naar zijn uiterlijke verschijningsvorm niet anders kan worden uitgelegd dan dat daarbij opzet was op de dood van die persoon.. Dat [naam slachtoffer 1] niet is overleden, is geen omstandigheid die aan het handelen van de verdachte is te danken.

4.2.

Zaak [naam zaak 2] (feit 1 van parketnummer 700018-17)

Het onder parketnummer 700018-17 onder 1 ten laste gelegde is door de verdachte bekend. Dit feit zal zonder nadere bespreking bewezen worden verklaard.

4.3.

Feit 1 van parketnummer 740196-16

Uit het dossier en het onderzoek ter zitting zijn de volgende feiten en omstandigheden

naar voren gekomen, die op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen als vaststaand

worden aangemerkt.

Op 22 april 2016 bevonden de verdachte, [naam medeverdachte 4] (de bestuurder) en een derde persoon, zich in een VW Polo in Rotterdam. Op de kruising van de Mathenesserlaan en de Nieuwe Binnenweg wordt de VW Polo geraakt door de auto bestuurd door aangever [naam slachtoffer 3] . [naam slachtoffer 3] is een lichtgetinte man van 1.98 meter lang.


Hierop is [naam medeverdachte 4] uit de auto gestapt, naar het andere voertuig gelopen en zou de aangever door de geopende ruit van het portier in het gezicht hebben geslagen. De verdachte is daarna uitgestapt om zich in de vechtpartij te mengen.

Standpunt verdediging

De verdachte bekent dat hij de aangever één klap heeft gegeven. Met deze klap wilde de verdachte van zich af slaan, omdat de aangever hem probeerde te slaan.

Beoordeling

Uit de verklaring van de aangever bij de politie volgt dat hij niet alleen door de bestuurder werd aangevallen, maar dat hij ook door de twee andere mannen (afkomstig uit de VW Polo) werd geslagen. De aangever heeft klappen gevoeld op zijn rug, armen, borst en nek. Deze verklaring vindt onder meer steun in de bij de rechter-commissaris afgelegde verklaring van de getuige [naam getuige 1] . Deze heeft gezien dat de Marokkaanse mannen alle drie de Antilliaanse man hebben getrapt en geslagen en dat de Antilliaanse man niet heeft teruggeslagen, maar uitsluitend heeft geprobeerd de klappen of schoppen af te weren.

Anders dan door de verdachte is verklaard, blijkt uit de bewijsmiddelen dat het door de verdachte tegen aangever gepleegde geweld niet beperkt is gebleven tot één klap ter afwering. De rechtbank acht het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.

4.4.

Feit 2 van parketnummer 740196-16 (primair en subsidiair)

Uit het dossier en het onderzoek ter zitting zijn de volgende feiten en omstandigheden

naar voren gekomen, die op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen als vaststaand

worden aangemerkt.

Op 26 oktober 2016 bevonden de aangever [naam slachtoffer 4] en de verdachte zich in koffiehuis “ [naam koffiehuis] ” in Rotterdam. Op enig moment ontstond er een handgemeen tussen de aangever en de verdachte. De verdachte heeft de aangever een aantal keer in het gezicht geraakt. Nadien was bij de aangever onder meer sprake van pijn in het gezicht.

Standpunt officier van justitie primair ten laste gelegde
De aangever heeft verklaard dat hij die dag door een ander werd vastgehouden en dat hij niet alleen klappen kreeg van de verdachte , maar ook werd getrapt. Uit de verklaring van de getuige [naam getuige 2] en [naam getuige 3] volgt dat er inderdaad een vechtpartij heeft plaatsgevonden waarmee ook een ander zich heeft bemoeid. Dit moet leiden tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde.

Beoordeling
Uit de hiervoor vermelde verklaring van [naam getuige 2] volgt dat hij heeft gezien dat de verdachte de aangever op het gezicht heeft geslagen. Uit de verklaring van [naam getuige 3] , de neef van de aangever, volgt dat er over en weer is gevochten en dat het ging om twee kemphanen tegenover elkaar. Anders dan de officier van justitie, is de rechtbank van oordeel dat uit deze verklaringen niet zonder meer de (strafbare) betrokkenheid van anderen dan de verdachte bij het gepleegde geweld volgt. Het primair ten laste gelegde is niet wettig en overtuigend bewezen. Van dit deel van de tenlastelegging wordt de verdachte vrijgesproken.

Het onder parketnummer 700018-17 onder 2 subsidiair ten laste gelegde is door de verdachte bekend. Dit feit zal zonder nadere bespreking bewezen worden verklaard.

4.5.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder parketnummer 700018-17 onder 2 primair en 3 ten laste gelegde en het onder parketnummer 740196-16 onder 1 en 2 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan.

In bijlage III heeft de rechtbank een opgave gedaan van wettige bewijsmiddelen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Met deze opgave wordt volstaan, nu de verdachte het bewezen verklaarde heeft bekend en nadien geen vrijspraak is bepleit. Op grond daarvan is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder parketnummer 700018-17 onder 1 ten laste gelegde heeft begaan.

De verdachte heeft de bewezen verklaarde feiten op die wijze begaan dat:

(parketnummer 10/700018-17)

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

[zaak [naam zaak 2] ]

hij,

op 04 december 2016 te Rotterdam,

een wapen als bedoeld in artikel 2 lid 1 van categorie II en III van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1 onder sub 3 van die wet in de vorm van een revolver, voorhanden heeft gehad;

2.

[zaak [naam zaak 1] ]

hij,

op 22 februari 2017 te Schiedam,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een persoon genaamd [naam slachtoffer 1] van het leven te beroven,

met dat opzet met een vuurwapen een kogel heeft afgevuurd in de richting van die [naam slachtoffer 1] ,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3.

[zaak [naam zaak 1] ]

hij,

op 22 februari 2017 te Schiedam,

tezamen en in vereniging met anderen,

met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen 300 gram cocaïne, althans een hoeveelheid verdovende middelen, geheel of ten dele toebehorende aan [naam slachtoffer 1] en/of [naam slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders,

welke diefstal werd voorafgegaan door geweld tegen die [naam slachtoffer 1] ,

gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden ,

welk geweld bestond uit het met een vuurwapen een kogel afvuren in de richting van die [naam slachtoffer 1] , waarbij voornoemd feit voor die [naam slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel, te weten een dwarslaesie, ten gevolge heeft gehad;

(parketnummer 10/740196-16)

1.

dat hij op 22 april 2016 te Rotterdam,

op de openbare weg, te weten de Mathenesserlaan en/of de Nieuwe Binnenweg,

openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [naam slachtoffer 3] ,

welk geweld bestond uit het meermalen, (met kracht)

slaan/stompen tegen het lichaam, van die [naam slachtoffer 3]

2.

(ter berechting gevoegd 10.741500/16)

Subsidiair, voor zover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op 26 oktober 2016 te Rotterdam,

[naam slachtoffer 4] heeft mishandeld door (meermalen) in het gezicht van die [naam slachtoffer 4] te slaan en/of te stompen.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.

5 Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:

(onder parketnummer 700018-17)

1
Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III van die wet

2 (primair)
Poging doodslag

3
Medeplegen van diefstal voorafgegaan van geweld, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden

(onder parketnummer 740196-16)

1
Het openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen

2
Mishandeling.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De feiten zijn dus strafbaar.

6 Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

7 Motivering straf

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft, samen met anderen, in een woning in Schiedam een ripdeal gepleegd. Voorafgaand aan de diefstal van 300 gram cocaïne, met een straatwaarde van ongeveer 15.000,= euro, heeft de verdachte van dichtbij op één van de verkopers geschoten. Als gevolg van dit schot heeft het slachtoffer, een man van 29 jaar, een hoge dwarslaesie opgelopen. Hij zal hierdoor voor de rest van zijn leven verlamd en hulpbehoevend blijven. De verdachte heeft door zijn handelen bij het slachtoffer onherstelbaar leed aangericht, die daar, met zijn familie, de rest van zijn leven de gevolgen van zal moeten dragen. Met zijn handelwijze heeft de verdachte geen enkel respect getoond voor de lichamelijke integriteit van het slachtoffer en alleen maar oog gehad voor zijn eigen financieel gewin. Een en ander wordt de verdachte ernstig aangerekend.

Ook heeft de verdachte, twee maanden voor het plegen van de ripdeal, een vuurwapen in bezit gehad. Bij die gelegenheid is hij ook zelf in zijn been geschoten. Hij had dus kunnen weten wat hij aanricht bij een ander als hij op die ander schiet. De rechtbank tilt ook zwaar aan dit feit; vuurwapenbezit verlaagt de drempel voor vuurwapengebruik met allerlei risico’s van dien. Dit is wel gebleken uit de bewezenverklaarde poging doodslag, waarbij verdachte een vuurwapen bij zich had en er zonder concrete aanleiding ook gebruik van maakte.
Tot slot heeft de verdachte op straat openlijk geweld gepleegd naar aanleiding van een ruzie in het verkeer en heeft hij in een café een andere bezoeker mishandeld. Ook bij deze gelegenheden heeft de verdachte geen respect getoond voor de lichamelijke integriteit van anderen en zich laten kennen als een persoon die het gebruik van geweld niet schuwt.

Gelet op de ernst van de feiten, waarbij de ripdeal en het neerschieten van het slachtoffer vanzelfsprekend veruit het meeste gewicht in de schaal leggen, kan niet anders worden gereageerd dan met een gevangenisstraf van lange duur. Bij het bepalen van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank de hierna te bespreken omstandigheden meegewogen.

Allereerst is acht geslagen op de straffen die in vergelijkbare zaken zijn opgelegd, zoals die onder meer tot uitdrukking komen in de oriëntatiepunten voor straftoemeting zoals geformuleerd door het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS).

In strafverzwarende zin heeft de rechtbank meegewogen het onherstelbaar leed wat de verdachte het slachtoffer [naam slachtoffer 1] heeft aangedaan. Het slachtoffer heeft meermalen verklaard dat hij liever dood was geweest dan met deze hoge dwarslaesie de rest van zijn leven door te moeten. Hij zal blijvend volledig afhankelijk zijn van anderen en nooit meer als gezond persoon kunnen deelnemen aan het normale leven. Verdachte heeft hem die mogelijkheid ontnomen, onomkeerbaar en in wezen onherstelbaar. De op te leggen straf zal daarom in belangrijke mate dienen om dit leed te vergelden. Daar komt bij dat verdachte op geen enkel moment de verantwoording heeft genomen voor zijn daden dan wel enige vorm van spijt en medeleven heeft betuigd richting het slachtoffer.

Verder is in strafverzwarende zin meegewogen dat de verdachte blijkens het uittreksel uit de justitiële documentatie van 22 november 2017 eerder is veroordeeld voor geweldsmisdrijven en vermogensdelicten. Deze eerdere veroordelingen hebben hem er blijkbaar niet van weerhouden om weer een strafbaar feit te plegen. De rechtbank overweegt hierbij nog dat de drempel voor het plegen van (ernstige) geweldsdelicten bij verdachte zeer laag is. Dit brengt mee dat vanuit het belang van generale preventie de maatschappij geruime tijd tegen verdachte dient te worden beschermd.

Reclassering Nederland heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd
8 juni 2017. Uit dit rapport volgt dat gelet op het feit dat de verdachte zich op het zwijgrecht beroept, geen criminogene factoren aangewezen kunnen worden. Recidiverisico wordt aanwezig geacht. Gelet op de aard en ernst van de feiten wordt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf geadviseerd, zodat in het kader van detentiefasering te zijner tijd een plan van aanpak voor zijn resocialisatie kan worden opgesteld door de reclassering.

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straffen passend en geboden.

8 Vordering benadeelde partij/ schadevergoedingsmaatregel

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [naam benadeelde] ter zake van de onder parketnummer 10/700018-17 onder 2 primair en 3 ten laste gelegde feiten. Na vermindering van de vordering op de zitting van 14 december 2017 vordert de benadeelde partij een vergoeding van € 106.015,46 aan materiële schade en een vergoeding van € 200.000,= aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van het plegen van het delict.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van € 7.056,65 aan materiële schade en € 200.000,= aan immateriële schade, dit bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Voor het overige verzoekt de officier van justitie niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij in de vordering.

De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de verdachte niet de schutter is geweest en de benadeelde partij geen schade heeft toegebracht, zodat de vordering moet worden afgewezen. Subsidiair stelt de verdediging dat de benadeelde partij in de vordering niet-ontvankelijk verklaard moet worden. De vordering (materieel en immaterieel) is te complex en behandeling in het strafproces vormt een onevenredige belasting van het geding.

Meer subsidiair stelt de raadsman dat de materiële schadeposten: 1. Beschadigde zaken, 2. Ziekenhuis en revalidatieopname, 4. Verzorging door derden, 5. Huishoudelijk hulp en 7. Toekomstschade niet voldoende onderbouwd zijn. De immateriële schadevergoeding dient op grond van eigen schuld van de zijde van de benadeelde partij te worden gematigd tot

€ 25.000,=.

Beoordeling

De rechtbank stelt voorop dat uit de bewezenverklaring volgt dat het de verdachte is geweest die een schot heeft gelost, als gevolg waarvan de benadeelde partij ernstig gewond is geraakt. Hiermee is het onrechtmatig handelen van de verdachte jegens de benadeelde partij gegeven. Het primair door de verdediging gevoerd verweer wordt verworpen.

Nu is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij door de onder parketnummer 10/700018-17 onder 2 primair en 3 bewezen verklaarde strafbare feiten, rechtstreeks (materiële) schade is toegebracht en de gevorderde schadevergoeding voor zover deze ziet op de posten 3. Reiskosten ad € 191,26 en 6. Eigen bijdrage ziektekosten ad € 644,95 (het bedrag van de schriftelijke vordering ter zitting vermeerderd met € 385,= aan eigen risico), door de verdachte niet is weersproken, zal dit deel van de vordering worden toegewezen.

Voor zover het gevorderde ziet op de posten 2. Ziekenhuis en revalidatieopname ad € 2.198,=,

4. Verzorging door derden ad € 12.168,= en 5. Huishoudelijke hulp ad € 380,25, overweegt de rechtbank dat dit deel van de vordering door de verdachte niet voldoende gemotiveerd is weersproken. De enkele stelling dat onderbouwing daarvoor ontbreekt, is daartoe onvoldoende. Aannemelijk is dat de verpleging en verzorging van een persoon met dwarslaesie letsel kosten in deze orde van grootte met zich brengt. Dit deel van de vordering ligt voor toewijzing gereed.

Voor zover het gevorderde ziet op de post 1. Beschadigde zaken ad € 1.053,= overweegt de

rechtbank dat de schade aan de jas en trui als gevolg van het inschot, voor vergoeding in aanmerking komt. Deze schade wordt naar billijkheid vastgesteld op € 250,=. Van een rechtstreeks verband tussen het onrechtmatig handelen van de verdachte en de gestelde schade aan het horloge en de riem is niet voldoende gebleken. Met betrekking tot dit deel van de vordering wordt de benadeelde partij niet ontvankelijk verklaard.

Het deel van de vordering van de benadeelde partij dat betrekking heeft op post 7. Toekomstige schade ad € 89.380,=, levert een onevenredige belasting van het strafgeding op. Nader onderzoek naar de gegrondheid van de vordering en de omvang daarvan zou een uitgebreide nadere behandeling vereisen. Dit deel van de vordering kan derhalve slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Ten aanzien van de gevorderde immateriële schadevergoeding overweegt de rechtbank dat de nadelige gevolgen voor de benadeelde partij enorm zijn. Hij heeft een hoge dwarslaesie en daarmee blijvend fysiek letsel opgelopen. De benadeelde partij, een man in de bloei van zijn leven, zal de rest van zijn leven verlamd en hulpbehoevend zijn. Gelet op de aard en ernst van het letsel en de mate van gederfde levensvreugde zal de rechtbank de immateriële schadevergoeding naar billijkheid vaststellen op € 200.000,=. Dit deel van de vordering ligt voor toewijzing gereed.

Resumerend zal worden toegewezen € 15.832,46 aan materiële schadevergoeding en EUR 200.000,= aan immateriële schadevergoeding, tezamen € 215.832,46. In het meer gevorderde wordt de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf 22 februari 2017.

Nu de vordering van de benadeelde partij (in overwegende mate) zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil.

Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 36f, 45, 47, 57, 141, 45, 287, 300 en 312 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

10 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

11 Beslissing

De rechtbank:

verklaart niet bewezen, dat de verdachte het onder parketnummer 740196-16 onder 2 primair ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen, dat de verdachte de onder parketnummer 700018-17 onder 1, 2 primair en 3 ten laste gelegde en de onder parketnummer 740196-16 onder 1 en 2 subsidiair ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 jaar;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

veroordeelt de verdachte, om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [naam benadeelde] , te betalen een bedrag van € 215.832,46 (zegge: tweehonderdvijftienduizend achthonderdtweeëndertig euro en zesenveertig cent), bestaande uit € 15.832,46 aan materiële schade en € 200.000,= aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 22 februari 2017 tot aan de dag der algehele voldoening;

verklaart de benadeelde partij [naam benadeelde] niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij [naam benadeelde] gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij te betalen € 215.832,46 (zegge: tweehonderdvijftienduizend achthonderdtweeëndertig euro en zesenveertig cent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 22 februari 2017 tot aan de dag van de algehele voldoening; beveelt dat bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal van het bedrag van € 215.832,46 vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van

365 dagen; toepassing van de vervangende hechtenis heft de betalingsverplichting niet op;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij, tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. V.F Milders, voorzitter,

en mrs. M.A. van der Laan en P. van Dijken, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M. van Empelen, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.


De voorzitter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst gewijzigde tenlastelegging

(parketnummer 10/700018-17)

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

[zaak [naam zaak 2] ]

hij,

op of omstreeks 04 december 2016 te Rotterdam, althans in Nederland,

een wapen als bedoeld in artikel 2 lid 1 van categorie II en III van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1 onder sub 3 van die wet in de vorm van een pistool/revolver, voorhanden heeft gehad;

2.

[zaak [naam zaak 1] ]

hij,

op of omstreeks 22 februari 2017 te Schiedam,

tezamen en in vereniging met een of anderen, althans alleen,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een persoon genaamd [naam slachtoffer 1] van het leven te beroven,

met dat opzet met een vuurwapen een of meer kogels heeft afgevuurd in de richting van die [naam slachtoffer 1] ,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij,

op of omstreeks 22 februari 2017 te Schiedam,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

aan [naam slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een dwarsleasie, heeft toegebracht door met een vuurwapen een of meer kogels af te vuren in de richting van die [naam slachtoffer 1] (waarbij die [naam slachtoffer 1] werd geraakt in zijn schouder);

3.

[zaak [naam zaak 1] ]

hij,

op of omstreeks 22 februari 2017 te Schiedam,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen 300 gram cocaïne, althans een hoeveelheid verdovende middelen, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [naam slachtoffer 1] en/of [naam slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [naam slachtoffer 1] ,

gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan (een) andere deelnemer(s) van voormeld misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit het met een vuurwapen een of meer kogels afvuren in de richting van die [naam slachtoffer 1] ,

waarbij voornoemd feit voor die [naam slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel, te weten een dwarslaesie, ten gevolge heeft gehad;

(parketnummer 10/740196-16)

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

Dat hij op of omstreeks 22 april 2016 te Rotterdam,

op of aan de openbare weg, te weten de Mathenesserlaan en/of de Nieuwe Binnenweg,

in elk geval op of aan een openbare weg,

openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [naam slachtoffer 3] ,

welk geweld bestond uit het meermalen, althans eenmaal, (met kracht)

slaan/stompen in/op/tegen het gezicht en/of hoofd en/of armen en/of borst en/of nek,

althans het lichaam, van die [naam slachtoffer 3]

2.

(ter berechting gevoegd 10.741500/16)

hij op of omstreeks 26 oktober 2016 te Rotterdam,

op een voor het publiek toegankelijke plaats of in een voor het publiek toegankelijke ruimte, te weten koffiehuis/horecagelegenheid [naam koffiehuis] ,

openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [naam slachtoffer 4] , welk geweld bestond uit het (meermalen)

- vastpakken en/of vasthouden van die [naam slachtoffer 4] en/of

- slaan en/of stompen in het gezicht van die [naam slachtoffer 4] (terwijl die [naam slachtoffer 4] werd vastgehouden) en/of

- trappen en/of schoppen tegen het lichaam van die [naam slachtoffer 4] (terwijl die [naam slachtoffer 4] werd vastgehouden);

Subsidiair, voor zover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 26 oktober 2016 te Rotterdam

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen [naam slachtoffer 4] heeft mishandeld door (meermalen)

- in het gezicht van die [naam slachtoffer 4] te slaan en/of te stompen (terwijl die [naam slachtoffer 4] werd vastgehouden) en/of

- tegen het lichaam van die [naam slachtoffer 4] te trappen en/of te schoppen (terwijl die [naam slachtoffer 4] werd vastgehouden.