Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:5527

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
15-03-2018
Datum publicatie
12-07-2018
Zaaknummer
10/711067-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Toepassing van het Jeugdstrafrecht - De verdachte heeft op 15 augustus 2017 gepoogd om samen met twee anderen een woninginbraak te plegen. Op 5 december 2017 heeft de verdachte samen met een ander een voltooide woninginbraak gepleegd, waarbij zij veel waardevolle spullen hebben buit gemaakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team jeugd

Parketnummer: 10/711067-17

Datum uitspraak: 15 maart 2018

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

Borgtweg 1, 3202 LJ Spijkenisse,

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de

RJJI De Hartelborgt,

raadsman: mr. L.A.R. Newoor, advocaat te Rotterdam.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de openbare terechtzitting van 15 maart 2018.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. A.P.G. de Beer heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde;

  • -

    toepassing van het jeugdstrafrecht;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van 175 dagen met aftrek van voorarrest, waarvan 60 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren en als bijzondere voorwaarden de meldplicht, dat de verdachte zich zal inspannen om een dagbesteding en een passend begeleid wonen project te vinden, en dat de verdachte zal meewerken aan een onderzoek naar bewindvoering;

  • -

    met opdracht aan Reclassering Nederland tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een vrijheidsbeperkende maatregel voor de duur van twee jaren, waarbij de verdachte geen contact mag hebben met medeverdachte [naam medeverdachte] en waarbij bij overtreding telkens 14 dagen jeugddetentie wordt opgelegd tot een maximum van 180 dagen;

  • -

    dadelijke uitvoerbaarheid van de vrijheidsbeperkende maatregel.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Bewezenverklaring zonder nadere motivering

Het onder 1 ten laste gelegde is door de verdachte bekend. Dit feit wordt zonder nadere bespreking bewezen verklaard.

De rechtbank grondt haar beslissing dat de verdachte het onder 2 en 3 ten laste gelegde feit heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

4.2.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan.

In bijlage III heeft de rechtbank een opgave gedaan van wettige bewijsmiddelen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Met deze opgave wordt volstaan, nu de verdachte het bewezen verklaarde heeft bekend en nadien geen vrijspraak is bepleit. Op grond daarvan is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan.

De verdachte heeft de bewezen verklaarde feiten op die wijze begaan dat:

1.

hij op 15 augustus 2017 te Spijkenisse, gemeente Nissewaard, tezamen en in vereniging met anderen, ter uitvoering van het voornemen om met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een woning gelegen aan de [plaats delict] weg te nemen geld en/of goederen van zijn/hun gading, toebehorende aan [naam slachtoffer 1] , en zich daarbij de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak en

- het cilinderslot van de voordeur van die woning heeft verwijderd en/of

- het hele huis heeft doorzocht en/of

- goederen heeft klaargelegd om mee te nemen,

terwijl de uitvoering van dat voornemen niet is voltooid;

2.

hij in of omstreeks de periode 22 september 2017 tot en met 3 oktober 2017 te Spijkenisse, gemeente Nissewaard,

een goed, te weten een damesfiets (merk/type Transporter Reflection Modus) kleur zwart, heeft verworven en voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dat goed redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het een door misdrijf, namelijk door diefstal, althans door enig (ander)- misdrijf, verkregen goed betrof;

3.

hij op 5 december 2017 te Spijkenisse,

gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd, omstreeks 4:50 uur,

tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een woning gelegen aan de [adres delict] heeft weggenomen (onder andere) achthorloges (onder andere) van de merken Dolce & Gabbana en/of Rolex

en/of Omega en/of Guess en een geldkistje of geldkluisje met inhoud (5000 euro) en geld (1200 euro) en sieraden en een zonnebril toebehorende aan [naam slachtoffer 2] , zulks nadat hij, verdachte, en zijn mededader zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hadden

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet (ook) daarvan worden vrijgesproken.

5 Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:

1. Poging diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de

toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak

2 Schuldheling

3 Diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de

toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De feiten zijn dus strafbaar.

6 Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

7 Motivering straf

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft op 15 augustus gepoogd om samen met twee anderen een woninginbraak te plegen. Zij hebben het cilinderslot van de voordeur verbroken en zijn vervolgens daadwerkelijk in de woning geweest, die zij overhoop hebben gehaald. Het slachtoffer heeft schade geleden door de vernielingen die de verdachten hebben aangericht in zijn woning. Op 5 december 2017 heeft de verdachte samen met een ander een voltooide woninginbraak gepleegd, waarbij zij veel waardevolle spullen hebben buit gemaakt.

De rechtbank rekent de verdachte deze feiten zwaar aan. Woninginbraken veroorzaken niet alleen de nodige materiële schade, maar maken ook een forse inbreuk op de privacy van de bewoners. Bovendien zijn woningen bij uitstek de plaats waar men zich veilig zou moeten kunnen voelen. Het is zeer kwalijk dat de verdachte door het plegen van deze woninginbraken dit gevoel van veiligheid heeft aangetast. De in de samenleving levende gevoelens van angst en onveiligheid zijn door het handelen van de verdachte versterkt.

Met de schuldheling, die de verdachte in de periode van 22 september 2017 tot en met

3 oktober 2017 heeft gepleegd, wordt bij de strafoplegging tevens rekening gehouden. Heling is een vervelend strafbaar feit. Het levert de maatschappij veel hinder op en bevordert het plegen van vermogensdelicten, waardoor het op eenzelfde wijze als vermogensdelicten dient te worden bestraft.

Bij het bepalen van de op te leggen straf is in aanmerking genomen dat de verdachte blijkens het op zijn naam gestelde uittreksel uit de justitiële documentatie van

19 februari 2018 niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

Door gz-psycholoog L. Heukelom is een rapport opgemaakt, gedateerd 22 december 2017. Uit dit rapport volgt dat er bij de verdachte sprake is van een lichte verstandelijke beperking. Daarnaast is er sprake van een ziekelijke stoornis, te weten een normoverschrijdend-gedragsstoornis en een bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling. De genoemde problematiek was aanwezig ten tijde van het tenlastegelegde en het is aannemelijk dat deze problematiek heeft doorgewerkt op de tenlastegelegde feiten, waardoor deze hem in verminderde mate toegerekend zouden kunnen worden. Er zijn verschillende factoren, voortkomend uit de problematiek van de verdachte, die bijdragen aan een verhoogd recidiverisico, namelijk een beperkt reflecterend vermogen, neiging om grenzen te overschrijden en geen rekening te houden met anderen, passend bij de gedragsstoornis en de verstandelijke beperking. Zorgelijk is dat er vrijwel geen beschermende factoren worden gezien bij de verdachte. De ouders zijn overbelast en niet in staat om toezicht en aansturing te bieden, hetgeen de verdachte wel nodig heeft. Toepassing van het jeugdstrafrecht wordt passend geacht.

Vanwege het verhoogde risico op gewelddadig gedrag en het belang van een zo gunstig mogelijk verdere ontwikkeling, wordt ambulante behandeling in combinatie met procesdiagnostiek geadviseerd. Na de procesdiagnostiek zouden de doelen voor de behandeling kunnen worden bijgesteld. Deze behandeling kan worden ingezet als bijzondere voorwaarde bij een reclasseringsmaatregel. Verwacht wordt dat de geadviseerde hulp alleen van de grond komt in een duidelijk kader, waarin toezicht en structuur wordt geboden. Het kader van bijzondere voorwaarden is daarom passend.

Door Bouman GGZ is een reclasseringsadvies opgemaakt, gedateerd 23 februari 2018. Uit dit advies volgt dat er bij de verdachte sprake is van complexe problematiek. Vanuit de reclassering zijn er problemen waargenomen op bijna alle leefgebieden. De verdachte heeft geen wenselijke/passende huisvesting, geen dagbesteding en geen inkomen. Voorts zijn er problemen in de relatie met zijn familie, heeft de verdachte een negatief sociaal netwerk, is zijn psychosociaal functioneren matig en heeft hij een onverschillige en negatieve houding ten aanzien van justitiële autoriteiten, sancties en begeleiding en behandeling. Dit in combinatie met het gebrek aan beschermende factoren maakt dat het risico op algemeen delictgedrag hoog is. De reclassering kan zich vinden in het advies van de gz-psycholoog. Aanvullend acht de reclassering het van belang dat er een gedragsinterventie, een inspanningsverplichting ten aanzien van dagbesteding en zijn financiën, en een contactverbod met de medeverdachten wordt opgelegd. Met het oog op de onwenselijke huisvestingssituatie adviseert de reclassering tevens een locatiegebod op te nemen in het vonnis. Dit geeft de toezichthouder de mogelijkheid om elektronisch toezicht toe te passen, zodat de verdachte in beeld blijft en er kan worden ingezet op het bereiken van structuur. De reclassering is huiverig en schat de kans van slagen laag in omdat de verdachte in beperkte mate in staat is tot zelfreflectie en nauwelijks gemotiveerd is voor gedragsverandering. De reclassering adviseert net als de gz-psycholoog om het jeugdstrafrecht toe te passen.

De rechtbank heeft tevens acht geslagen op het rapport van Bouman GZZ van

1 februari 2018.

Gelet op al het voorgaande komt de rechtbank tot de volgende conclusies.

Toepassing van het jeugdstrafrecht

Krachtens artikel 77c van het Wetboek van Strafrecht, kan de rechtbank – ten aanzien van een verdachte die ten tijde van het begaan van een strafbaar feit de leeftijd van 18 jaren doch niet die van 23 jaren heeft bereikt – recht doen overeenkomstig de artikelen 77g tot en met 77gg, indien de rechtbank daartoe grond vindt in de persoonlijkheid van de dader of in de omstandigheden waaronder het feit is begaan.

De rechtbank stelt vast dat de verdachte de bewezenverklaarde feiten heeft gepleegd toen hij de leeftijd van 18 jaren had bereikt. Gelet op de genoemde rapportages, de gegeven adviezen en de geschetste persoonlijkheid van de verdachte, zal de rechtbank ten aanzien van het bewezenverklaarde op grond van artikel 77c van het Wetboek van Strafrecht het jeugdstrafrecht toepassen.

Toerekeningsvatbaarheid

Nu de conclusies van de psycholoog gedragen worden door hun bevindingen en door hetgeen ook overigens op de terechtzitting is gebleken, neemt de rechtbank die conclusies over en maakt die tot de hare. De verdachte wordt dus in verminderde mate toerekeningsvatbaar geacht. Bij de verdachte bestond tijdens het begaan van de feiten een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens in verband waarmee hij in verminderde mate toerekeningsvatbaar wordt geacht.

Straf

Gezien de ernst van het feit kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een jeugddetentie. Bij de bepaling van de duur van de jeugddetentie heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd.

De rechtbank acht het met de officier van justitie, de raadsman van de verdachte en de jeugdreclassering noodzakelijk dat de verdachte begeleid gaat worden door de jeugdreclassering en dat er bijzondere voorwaarden worden opgelegd. Daarom legt de rechtbank een deel van de voorgenomen jeugddetentie voorwaardelijk op, met de voorwaarden die hierna worden genoemd. Dit voorwaardelijk strafdeel dient er tevens toe de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen.

Anders dan is gevorderd door de officier van justitie, ziet de rechtbank geen aanleiding om aan de verdachte een vrijheidsbeperkende maatregel op te leggen. Gelet op het feit dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten acht de rechtbank een dergelijke beperking van zijn vrijheid niet passend.

Algemene afsluiting

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf passend en geboden.

8 In beslag genomen voorwerpen (feit 3)

8.1.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd de € 500,00 die in beslag is genomen terug te geven aan de aangeefster [naam slachtoffer 2] .

8.2.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de € 500,00 aan de verdachte teruggegeven moet worden.

8.3.

Beoordeling

Ten aanzien van het in beslag genomen geldbedrag van € 500,00 wordt een last gegeven tot teruggave aan de aangeefster [naam slachtoffer 2] , als zijnde degene die redelijkerwijs als rechthebbende van het geldbedrag kan worden aangemerkt.

9 Vordering benadeelde partij/schadevergoedingsmaatregel

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [naam benadeelde] , wonende te Spijkenisse, ter zake van het onder 1 tenlastegelegde feit, waarmee bij de strafoplegging rekening is gehouden.

De benadeelde partij vordert een bedrag van € 1.598,21 aan materiële schade vermeerderd met de wettelijke rente.

9.1.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot een gedeeltelijke toewijzing van € 598,21.

9.2.

Standpunt verdediging

De raadsman van de verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat een vergoeding van de incassokosten niet passend is omdat niet wordt voldaan aan de dubbele redelijkheidstoets die de Hoge Raad hanteert. De incassokosten zijn immers niet nader onderbouwd. Aan de benadeelde partij is door de verzekering reeds € 1000,00 uitgekeerd, waardoor ook dat bedrag niet toewijsbaar is. Voor het overige heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

9.3.

Beoordeling

Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij door het bewezen verklaarde strafbare feit waarmee bij de strafoplegging rekening is gehouden, rechtstreeks materiële schade is toegebracht. Die schade wordt vastgesteld op € 348,44, zodat de vordering tot dit bedrag wordt toegewezen. Dit schadebedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf

15 augustus 2017. De rechtbank is met de verdediging van oordeel dat de gevorderde incassokosten onvoldoende gemotiveerd zijn. Daarnaast is ter zitting gebleken dat aan de benadeelde partij reeds € 1000,00 is uitgekeerd door de verzekering. De benadeelde partij wordt daarom ten aanzien van de resterende materiële vordering niet-ontvankelijk verklaard. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Omdat de verdachte het strafbare feit waarmee bij de strafoplegging rekening is gehouden, ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met mededaders heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Indien en voor zover de mededaders de benadeelde partij is de verdachte in zoverre jegens de benadeelde partij van deze betalingsverplichting bevrijd.

Nu de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk wordt toegewezen, wordt de verdachte veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.


Conclusie

De verdachte moet de benadeelde partij [naam benadeelde] een schadevergoeding betalen van € 348,44.

Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 36f, 45, 77a, 77c, 77g, 77h, 77i, 77x, 77y, 77z, 77gg, 311 en 416 van het Wetboek van Strafrecht.

11 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

12 Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van 175 dagen,

bepaalt dat een gedeelte van de jeugddetentie groot 60 dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten wegens niet nakoming van na te melden voorwaarden;

stelt de proeftijd vast op twee jaren onder de algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich voor het einde van die proeftijd niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit zijn medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 Wet op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden;

- zijn medewerking zal verlenen aan het door de reclassering te houden toezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich gedurende een door Reclassering Nederland (hierna: de reclassering) te bepalen periode (die loopt tot maximaal het einde van de proeftijd) en op door de reclassering te bepalen tijdstippen zal melden bij de reclassering, zo frequent en zo lang deze instelling dat noodzakelijk acht;

- zich zal houden aan de aanwijzingen die zullen worden gegeven door of namens de reclassering;

geeft opdracht aan Reclassering Nederland tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;


beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van de dag waarop de totale duur van de tot dan toe ondergane verzekering en voorlopige hechtenis gelijk zal zijn aan die van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde jeugddetentie;

beslist ten aanzien van het voorwerp, geplaatst op de lijst van inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, als volgt:

- gelast de teruggave aan de aangeefster [naam slachtoffer 2] ;

veroordeelt de verdachte hoofdelijk met zijn mededaders, om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [naam benadeelde] , te betalen een bedrag van € 348,44 (zegge: driehonderdenachtenveertig euro en vierenveertig eurocent), bestaande uit materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 15 augustus 2017 tot aan de dag der algehele voldoening;

bepaalt dat de verdachte bij gehele of gedeeltelijke betaling door de mededaders van de verdachte aan de benadeelde partij, zal zijn bevrijd tot de hoogte van het betaalde bedrag;

verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering en bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

wijst af het door de benadeelde partij meer of anders gevorderde;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij te betalen € 348,44 (zegge: driehonderdenachtenveertig euro en vierenveertig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 augustus 2017 tot aan de dag van de algehele voldoening;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij, waaronder begrepen betaling door zijn mededaders, tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. C.M. Melkert, voorzitter, tevens kinderrechter,

en mrs. D.C. van Reekum en S. Woudman-Bijl, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. T. van Loef, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 15 maart 2018.

De jongste en de oudste rechter zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 15 augustus 2017 te Spijkenisse, gemeente Nissewaard, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het voornemen om

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning gelegen aan de [plaats delict] weg te nemen geld en/of goederen van zijn/hun gading, geheel of ten dele toebehorende aan [naam slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders

en zich daarbij de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en/of die/dat weg te nemen geld en/of goederen van zijn/hun gading onder zijn/hun bereik te brengen door middel van braak, verbreking en/of inklimming

- het cilinderslot van de voordeur van die woning heeft/hebben verwijderd en/of

- het hele huis heeft doorzocht en/of

- goederen klaargelegd om mee te nemen,

terwijl de uitvoering van dat voornemen niet is voltooid;

2.

hij in of omstreeks de periode 22 september 2017 tot en met 3 oktober 2017 te Spijkenisse, gemeente Nissewaard,

(een) goed(eren), te weten een (dames)fiets (merk/type Transporter Reflection Modus) kleur zwart, heeft verworven en/of heeft voorhanden gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dat goed wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het (een) door misdrijf, namelijk door diefstal, althans door enig (ander)- misdrijf, verkregen goed(eren) betrof;

3.

hij op of omstreeks 5 december 2017 te Spijkenisse,

gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd, omstreeks 4:50 uur,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een woning gelegen aan

de [adres delict] heeft weggenomen (onder andere) acht, althans één

of meer horloges (onder andere) van de merken Dolce & Gabbana en/of Rolex

en/of Omega en/of Guess) en/of een geldkistje of geldkluisje met inhoud (5000

euro) en/of geld (1200 euro) en/of sieraden en/of een zonnebril, geheel of ten

dele toebehorende aan [naam slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander of anderen

dan aan hem, verdachte, en/of zijn mededader(s),

zulks nadat hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf had(en) verschaft en/of die weg te nemen goederen onder zijn/hun bereik had(den) gebracht door middel van braak en/of verbreking en/of inklimming;

subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 05 december 2017 te Spijkenisse, gemeente Nissewaard, gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd, omstreeks 4:50 uur, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het voornemen om

uit een woning gelegen aan de [adres delict] (onder andere) acht, althans één of meer horloges (onder andere) van de merken Dolce & Gabbana en/of Rolex en/of Omega en/of Guess) en/of een geldkistje of geldkluisje met inhoud (5000 euro) en/of geld (1200 euro) en/of sieraden en/of een zonnebril, dat/die geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde[n], te weten aan [naam slachtoffer 2] , weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen

en zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn/haar/hun bereik te brengen door middel van een ruit van een deur van die woning heeft verbroken en/of een keukenraam heeft geforceerd en/of een deur van een slaapkamer heeft ontwricht en/of de woning heeft doorzocht,

terwijl de uitvoering van dat voornemen niet is voltooid.