Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:5439

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
19-04-2018
Datum publicatie
09-07-2018
Zaaknummer
10/651035-17 / Parketnummer vordering TUL VV: 15/760015-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Diefstal door twee of meer verenigde personen, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en om die diefstal gemakkelijk te maken en afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd;

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team jeugd

Parketnummer: 10/651035-17

Parketnummer vordering TUL VV: 15/760015-17

Datum uitspraak: 19 april 2018

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren op [geboortedatum verdachte] 2000 te [geboorteplaats verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres verdachte] , [woonplaats verdachte] ,

verblijvende in Forensisch Centrum Teylingereind te Sassenheim,

raadsvrouw mr. J.J.C. Engels, advocaat te Heerhugowaard.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de besloten terechtzitting van 5 april 2018.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. A.P.G. de Beer heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het ten laste gelegde;

  • -

    primair oplegging aan de verdachte van de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen (hierna: PIJ-maatregel);

  • -

    subsidiair veroordeling van de verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van twaalf maanden met aftrek van voorarrest en oplegging van de PIJ-maatregel voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar

o met als algemene voorwaarde onder meer dat de verdachte zich zal houden aan de aanwijzingen van de gecertificeerde instelling De Jeugd- en Gezinsbeschermers

o en onder de bijzondere voorwaarden dat hij

 zal deelnemen aan het Harde Kern Traject en

 zal meewerken aan Electronisch toezicht, avondklok en omgangsverbod en

 zal meewerken aan behandeling gericht op middelenverslaving en

 zal meewerken aan behandeling bij “Wij Zijn Broer” en

 zich zal inspannen voor het vinden en behouden van een zinvolle dagbesteding en/of onderwijs,

o met opdracht aan de gecertificeerde instelling De Jeugd- en Gezinsbeschermers tot het houden van toezicht op de naleving van deze bijzondere voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden,

o met dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarden en het uit te oefenen toezicht.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Bewijswaardering

4.1.1.

Standpunt verdediging

De raadsvrouw heeft integrale vrijspraak bepleit van het ten laste gelegde vanwege het ontbreken van voldoende wettig en overtuigend bewijs.

4.1.2.

Beoordeling

Vaststaat dat op 16 december 2017 omstreeks 19.15 uur snackbar [naam snackbar] aan de [adres delict] te Rotterdam is overvallen door drie mannen. Nadat zij bij de snackbar waren binnengekomen, sprongen twee daders over de balie. Zij hebben geld en goederen weggenomen, onder bedreiging van de eigenaar, de eigenaresse en hun zoon met twee (imitatie)vuurwapens. De daders riepen steeds om geld. Eén van hen heeft een (imitatie)vuurwapen op het hoofd van de eigenaresse gezet en haar met dit wapen op haar hoofd geslagen. De ander heeft de eigenaar met zijn hoofd op de diepvriezer geduwd. De derde dader is voor de balie blijven staan en richtte zijn aandacht op de drie klanten in de snackbar te weten [naam slachtoffer 1] , [naam slachtoffer 2] en [naam slachtoffer 3] die hij vervolgens heeft afgeperst.

Ten aanzien van de betrokkenheid van de verdachte bij deze overval overweegt de rechtbank het volgende. De verdachte is op 17 december 2017 om circa 5 uur in de ochtend in Alkmaar met twee anderen aangehouden in een gestolen auto. In die auto bleken gestolen goederen te liggen die afkomstig waren van de overval op snackbar [naam snackbar] in de avond daarvoor. Uit de opgevraagde historische verkeersgegevens van de bij de verdachte in beslag genomen telefoon blijkt dat die telefoon telefoonmasten aanstraalde op 16 december 2017 in Beverwijk (om 15.35 uur), Den Haag (16.48 uur) en Rotterdam (18.48 uur) en vervolgens op de A-4 bij Nieuw Vennep (20.48 uur) en in Alkmaar om 21.16 uur. De verdachte heeft hiervoor geen verklaring gegeven.

Eén van de twee andere aangehouden personen die zich in de gestolen auto bevond, is genaamd [naam medeverdachte] . In de telefoons van [naam medeverdachte] en de verdachte zijn diverse gesprekgegevens aangetroffen die duiden op de overval. Hoewel de verdachte en [naam medeverdachte] ontkennen dat zij die dag in Rotterdam zijn geweest, is in de telefoon van de verdachte een uitgaand WhatsAppbericht aangetroffen, gericht aan een persoon met de contactnaam [naam 1] , aan wie de verdachte op 16 december 2017 om 17.18 uur appt dat hij met [naam 2] is, dat ze net in roffa zijn en dat hij ergens gaat parkeren. De rechtbank gaat er op basis van het dossier vanuit dat met [naam 2] de verdachte [naam medeverdachte] wordt bedoeld. Daarnaast is het de rechtbank ambtshalve bekend dat de stad Rotterdam in straattaal Roffa wordt genoemd.

In de internetgeschiedenis van de in beslag genomen telefoon van de verdachte is opgeslagen dat op 17 december 2017 een nieuwsbericht over de overval op internet is opgezocht en bekeken. Verder blijkt uit het dossier dat medeverdachte [naam medeverdachte] op 17 december 2017 bij zijn aanhouding (samen met de verdachte) een blauwe trainingsbroek van FC Barcelona droeg. Deze broek komt overeen met de broek die door een van de overvallers van de snackbar werd gedragen, zoals zichtbaar is op de camerabeelden van de overval (zie processen-verbaal van bevindingen met documentcodes [code document] – p. 106 e.v., en [proces-verbaalnummer] – p. 114 e.v.).

Op grond van de bovengenoemde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang bezien concludeert de rechtbank dat wettig en overtuigend bewezen is, dat de verdachte samen met twee anderen de overval heeft gepleegd.

4.2.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

hij op 16 december 2017 te Rotterdam tezamen en in vereniging met anderen,

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen

een geldbedrag en/of een bakje met kleingeld en een (hand)tas (met daarin

onder andere papieren over de snackbar en/of een USB-stick), toebehorende aan de snackbar " [naam snackbar] "

en/of [naam slachtoffer 4] en/of [naam slachtoffer 5] , welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen die [naam slachtoffer 4] en [naam slachtoffer 5] en

[naam slachtoffer 6] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en

met het oogmerk om zich en anderen wederrechtelijk te bevoordelen

door bedreiging met geweld [naam slachtoffer 1] en [naam slachtoffer 2] en

[naam slachtoffer 3] heeft gedwongen tot de afgifte van een hoeveelheid muntgeld en een

portemonnee (met daarin pasje(s)) en een geldbedrag van 10 euro en een pasjeshouder (met daarin pasje(s)), toebehorende aan [naam slachtoffer 1] en/of [naam slachtoffer 2] en/of [naam slachtoffer 3] ,

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit het

- springen over de balie/vitrinekast en

- tonen van twee, (op (een)) vuurwapen(s) (gelijkend voorwerp(en)) aan die [naam slachtoffer 4] en [naam slachtoffer 5] en [naam slachtoffer 6] en [naam slachtoffer 1] en [naam slachtoffer 2] en [naam slachtoffer 3] en

- richten van die (op (een)) vuurwapen(s) (gelijkend voorwerp(en)) op die

[naam slachtoffer 4] en [naam slachtoffer 5] en

- doorladen van een (op een) vuurwapen (gelijkend voorwerp) en

- zetten van een (op een) vuurwapen (gelijkend voorwerp)

tegen het hoofd van die [naam slachtoffer 5] en

- duwen van het hoofd van die [naam slachtoffer 5] tegen de toonbank en

- ( naar beneden) duwen van het hoofd van die [naam slachtoffer 4] tegen de diepvriezer en

- duwen tegen het lichaam van die [naam slachtoffer 6] en [naam slachtoffer 5] en

- worstelen met die [naam slachtoffer 5] en

- met een (op een) vuurwapen (gelijkend voorwerp) slaan op het hoofd van

die [naam slachtoffer 5] en

- in een hoek drukken van die [naam slachtoffer 4] en [naam slachtoffer 5] en [naam slachtoffer 6]

en

- meermalen, toevoegen van de woorden aan die [naam slachtoffer 4]

en [naam slachtoffer 5] en [naam slachtoffer 6] en [naam slachtoffer 1] en [naam slachtoffer 2] en

[naam slachtoffer 3] : "Dit is een overval, waar is het geld? " en "Waar is de

kluis?" en/of "Geef je geld", althans woorden van gelijke aard en/of

strekking.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

5 Strafbaarheid feit

Het bewezen feit levert op:

diefstal door twee of meer verenigde personen, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en om die diefstal gemakkelijk te maken,

en

afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd;

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het feit is dus strafbaar.

6 Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

7 Motivering straf en maatregel

7.1.

Algemene overweging

De straf en maatregel die aan de verdachte worden opgelegd, zijn gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

7.2.

Feit waarop de straf en maatregel zijn gebaseerd

De verdachte was ten tijde van het strafbare feit, 16 december 2017, 17 jaar oud. Hij heeft zich op die dag samen met anderen schuldig gemaakt aan een gewelddadige overval op een snackbar in Rotterdam. Verdachte is met twee mededaders de snackbar binnengedrongen. Zij hebben geld en goederen weggenomen, onder bedreiging van de eigenaren en hun zoon met (imitatie)vuurwapens, waarbij onder andere een (imitatie)vuurwapen tegen het hoofd van de eigenaresse is gezet en zij met een (imitatie)vuurwapen op het hoofd is geslagen. Tevens zijn de drie aanwezige klanten in de snackbar afgeperst.

Dit betreft een zeer ernstig feit en de rechtbank rekent de verdachte dit heel zwaar aan. Van algemene bekendheid is dat slachtoffers van een dergelijke gewelddadige overval zich vaak nog lang angstig en onveilig voelen. Nog afgezien van de angst die het geweld en het dreigen met geweld teweeg brengt, is het voor medewerkers van de snackbar ook beangstigend dat zij steeds terug moeten keren naar de plek waar het geweld en de dreiging met het geweld op hen is uitgeoefend; de snackbar is immers hun werkplek en bron van inkomsten. Dit maakt de gevolgen voor hen extra groot. Maar ook voor de klanten die zich in de snackbar bevonden en die zijn afgeperst moet het een zeer beangstigende ervaring zijn geweest die hen nog lang zal bijblijven. Een dergelijk feit veroorzaakt bovendien ook in de samenleving gevoelens van onveiligheid.

De rechtbank neemt het de verdachte kwalijk dat hij alleen heeft gedacht aan zijn eigen geldelijke gewin en zich geen rekenschap heeft gegeven van de gevolgen voor de slachtoffers.

7.3.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

7.3.1.

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 12 maart 2018, waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten en dat hij daarvoor nog in een proeftijd loopt. Dit heeft de verdachte er echter niet van weerhouden opnieuw een ernstig strafbaar feit te plegen.

7.3.2.

Rapportages

De rechtbank heeft voorts acht geslagen op de volgende rapportages die over de verdachte

zijn opgesteld.

Psychiater drs. J.J.F.M. de Man heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 28 maart 2018. Dit rapport houdt voor zover van belang het volgende in.

Bij de verdachte is sprake van een normoverschrijdend-gedragsstoornis, met begin in de adolescentie, matig (hoofddiagnose), een andere gespecificeerde aandachtsdeficiëntie/ hyperactiviteitsstoornis, een stoornis in het gebruik van cannabis, ernstig, in remissie in een gereguleerde omgeving en een ongespecificeerde cannabis gerelateerde stoornis (van de agressieregulatie), in remissie in een gereguleerde omgeving. De eerste twee stoornissen kunnen worden aangemerkt als een gebrekkige ontwikkeling, terwijl de cannabis gerelateerde stoornissen als ziekelijk kunnen worden aangemerkt. Dit was ook zo ten tijde van de pleegdatum van het ten laste gelegde met dien verstande dat de aan cannabis gerelateerde stoornissen niet in remissie waren.

Het risico op gewelddadige recidive is in termen van risicotaxatie in jeugdtermen (SAVRY) aan te merken als hoog, in termen van volwassenheid (HCR-20 V3) als matig tot hoog met een matig risico op ernstig lichamelijk letsel en een laag tot matig risico op acuut dreigend geweld. Van belang zijn hierbij een pro sociaal opvoedingsklimaat en gezinsomgeving, de bereidheid die verdachte intramuraal en voor de nabije toekomst aan de dag legt ten aanzien van behandeling en onderwijs. Het risico voor de verdachte ligt besloten in zijn lidmaatschap van een bende-achtige groep leeftijdsgenoten en (iets) ouderen, die betrokken lijken te zijn bij drugshandel en gewelddelicten. Het gevaarscenario bestaat dan ook uit hernieuwd aansluiting vinden bij deze groep en terugvallen in cannabis gebruik.

Elektronisch toezicht en dagbehandeling kunnen ertoe bijdragen dat de pro sociale omgevingsfactoren in belang toenemen, terwijl deelname aan antisociale

groepsactiviteiten wordt tegengegaan.

Er zal dienen te worden ingezet op intensieve forensische dagbehandeling, elektronisch toezicht met een avondklok en verslavingsbehandeling met toezicht in de vorm van random urinecontroles. Geadviseerd wordt een voorwaardelijke PIJ-maatregel op te leggen onder voorwaarden, mede bestaande uit forensische dagbehandeling, verslavingszorg en elektronisch toezicht. Deze voorwaarden dienen, rekening houdend met het plaatselijke forensische zorgaanbod, nader ingevuld te worden door de Raad voor de Kinderbescherming en de Jeugdreclassering.

Een onvoorwaardelijke institutionele maatregel is thans vanwege overwegingen van subsidiariteit niet aangewezen: er is uitsluitend in de periode van voorwaardelijke schorsing van de voorlopige hechtenis in de vorige zaak sprake geweest van toezicht en de in die zaak opgelegde behandeling onder voorwaarden was ten tijde van de hernieuwde aanhouding van de verdachte voor de thans ten laste gelegde feiten nog niet gerealiseerd.

Het is ook in het belang van de jeugdige te achten dat bij een onverhoopte recidive een voorwaardelijke sanctie ‘klaarstaat’ die behandeling gericht op het terugdringen van recidive ten doel heeft waardoor een mogelijk lange gevangenisstraf niet meteen onvermijdelijk wordt.

Gesteld kan tot slot worden dat de aanpak van de cannabis gerelateerde problematiek in dit geval nog belangrijker is dan in andere gevallen omdat er aanwijzingen zijn in anamnese en geobserveerd beloop die doen vermoeden dat bij de verdachte sprake is van constitutionele (over)gevoeligheid van de effecten van cannabis.

GZ-psycholoog drs. M.F. Petit heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 28 maart 2018. Dit rapport houdt voor zover van belang het volgende in.

Er is bij de verdachte sprake van een ziekelijke stoornis van de geestvermogens in de vorm van de andere gespecificeerde aandachtsdeficiëntie-/hyperactiviteitsstoornis en een stoornis in cannabisgebruik in lichte mate. Tevens is er sprake van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de vorm van een normoverschrijdende gedragsstoornis in ernstige mate beginnend in de adolescentie met beperkte pro sociale emoties. Bovendien zijn verdachtes perceptueel redeneren en verwerkingssnelheld op beneden gemiddeld niveau ontwikkeld. Ten tijde van het plegen van het ten laste gelegde, mits bewezen, was hiervan ook sprake.

Vanuit het risicotaxatie instrument SAVRY komt tijdens onderhavig onderzoek een hoog risico naar voren. Dit sluit aan bij de indruk die de onderzoeker gekregen heeft. Met name de gebrekkige impulscontrole en frustratietolerantie, de geringe oplossingsvaardigheden, het gebrek aan empathie en berouw, het softdrugsgebruik, de spanningsbehoefte en de beïnvloedbaarheid vormen een risico op recidive.

De betrokkenheid van ouders, de band van verdachte met zijn ouders en zijn positieve houding tegenover interventies vormen beschermende factoren. De verdachte is vanuit zijn behoefte om ergens bij te horen en vanuit zijn spanningsbehoefte, op straat aansluiting gaan zoeken met een groep jongeren die zich bezighoudt met normoverschrijdende zaken en softdrugsgebruik. De ouders hebben in de loop van de tijd steeds minder grip op de verdachte gekregen. Ze keurden de omgang met deze jongeren af, maar daar ging de verdachte aan voorbij. De genoemde risico-factoren beïnvloeden elkaar in negatieve zin.

Tijdens voorgaand Pro Justitia onderzoek van 5 juli 2017 is geadviseerd om verdachte ter

voorkoming van recidive en voor een gunstige persoonlijke ontwikkeling een behandeling te laten volgen bij een polikliniek gericht op forensische problematiek. Echter tot nu toe is een dusdanige behandeling niet van de grond gekomen. Onderzoeker is van mening dat het noodzakelijk is dat de verdachte alsnog een forensische behandeling krijgt. Hij geeft aan open te staan voor de intensieve dagbehandeling van “Wij Zijn Broer”. Aangezien de verdachte geen dagbesteding meer heeft, sluit deze dagbehandeling nu beter aan dan de eerder geadviseerde poliklinische behandeling. In FC Teylingereind zet hij zich nu goed in voor scholing. Wederom wil onderzoeker aangeven dat het van belang is dat er een goede werkrelatie met de verdachte ontstaat zodat hij zich zal inzetten voor de behandeling. Het werkt motiverend voor de verdachte wanneer hij wordt betrokken bij beslissingen en zich serieus genomen voelt. De verdachte geeft aan open te staan voor een behandeling vanuit zijn thuissituatie. De verdachte is in eerste instantie gebaat bij strikte controle. Het verwerven van meer vrijheden dient stapsgewijs te gebeuren wanneer de verdachte verantwoordelijk en wenselijk gedrag vertoont. Deelname aan ITB Harde Kern met elektronische controle maakt dit mogelijk. De verdachte heeft eerder laten zien dat hij zich goed inzet, wanneer er strikte en duidelijke voorwaarden aan hem worden gesteld. Bovendien zijn de ouders goed in staat om hem bij deze intensieve interventie te ondersteunen. De begeleiding dient bij voorkeur te gebeuren door zijn begeleider van de Jeugd & Gezinsbeschermers met wie hij goed contact heeft, van wie hij gezag accepteert en opbouwende kritiek verdraagt. De behandeling dient vooral gericht te zijn op de normoverschrijdende gedragsstoornis en de verslavingsproblematiek.

Indien de ten laste gelegde feiten bewezen worden geacht, wordt een voorwaardelijke PlJ-maatregel geadviseerd. Plaatsing in een inrichting voor jeugdigen wordt niet geadviseerd omdat deze interventie als ultimum remedium dient te worden ingezet. De verdachte heeft niet eerder forensische ambulante behandeling gekregen, is gemotiveerd voor de intensieve dagbehandeling, heeft laten zien dat hij zich aan elektronisch toezicht en de daarbij behorende voorwaarden houdt en heeft ouders die hem bij een intensief ambulant traject goed zullen ondersteunen. Bovendien is de kans groot dat de verdachte na een plaatsing in een JJI zich voornamelijk zal bezighouden met verzet en niet aan behandeling van zijn problematiek zal toekomen. Bovendien is hij ontvankelijk voor negatieve beïnvloeding van antisociale en verharde jongeren.

De Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 3 april 2018. Dit rapport houdt het volgende in.

De Raad maakt zich grote zorgen over het functioneren van de verdachte en constateert dat

deze zorgen op vrijwel alle leefgebieden plaatsvinden. In de thuissituatie vertoonde verdachte (tot voor kort) zelfbepalend gedrag en conformeerde hij zich onvoldoende aan de aanwijzingen van zijn ouders. De verdachte was kort voor zijn inbewaringstelling in december 2017 ruim een week weggeweest van huis, zonder dat zijn ouders wisten waar de verdachte was, wat hij deed en met wie hij omgang had. In december 2016 is de verdachte van school verwijderd. De verdachte is beïnvloedbaar en handelt impulsief. Hij heeft omgang met anti-sociale jongeren van wie hij geen afstand wil nemen en van wie hij tevens aangeeft dat deze zijn gedrag niet negatief beïnvloeden. De verdachte heeft geen georganiseerde vrijetijdsbesteding en gebruikte veelvuldig softdrugs wat tijdens zijn inbewaringstelling lijkt te zijn afgenomen. Gelet echter op het aanhoudende zelfbepalende (delict)gedrag van de verdachte lijkt de invloed van de ouders meer en meer onvoldoende waardoor de kans op recidive eerder toe- dan afgenomen lijkt te zijn.

De leer- en gedragsproblemen staan in verband met de beperkte cognitie van de verdachte. Zijn beperking en de moeite die hij heeft met het inzien van oorzaak en gevolg en zijn impulsiviteit, maken de kans op herhaling groter. Daarbij is er bij de verdachte sprake van veelvuldig drugsgebruik (geweest) wat tevens van negatieve invloed is op de recidivekans.

Gelet op het functioneren van de verdachte, zijn veroordelingen in oktober 2017 en maart

2018 en de ernstige strafbare feiten waarvan hij verdacht wordt, acht de Raad een voorwaardelijke PIJ maatregel het best passend. De Raad heeft overwogen om een onvoorwaardelijke PIJ te adviseren. Echter gelet op het feit dat de noodzakelijk geachte (ambulante) hulpverlening nog niet is ingezet en de Raad dat blijvend van grote meerwaarde acht om de noodzakelijk gedragsverandering bij de verdachte te bewerkstelligen, is de Raad van mening dat de verdachte nog een kans moet krijgen om na te gaan of hij in staat is om dat binnen een voorwaardelijk PIJ traject te realiseren.

De Raad is van mening dat naast de verplichte Toezicht & Begeleiding, ITB Harde

Kern, elektronische controle, contactverbod met medeverdachten, een alcohol- en drugsverbod en behandeling en dagbesteding bij ”Wij Zijn Broer” opgelegd dienen te worden.

Ter zitting heeft mevrouw [naam medewerkster] van De Jeugd- en Gezinsbeschermers nog nader toegelicht dat de verdachte op 11 april 2018 kan starten bij ”Wij Zijn Broer” en dat op 10 april 2018 het elektronisch toezicht kan worden gerealiseerd. De verdachte kan dan nog steeds examen doen. Instromen bij dit project is mogelijk op meerdere momenten afhankelijk van de bestaande wachtlijst. Het project beslaat een tijdsduur van 8 weken. Naar verwachting is dit voor de verdachte niet lang genoeg maar mogelijk kan hij na afloop deelnemen aan Turn Over.

7.4.

Conclusies van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

Straf

Gezien de ernst van het feit kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een jeugddetentie. Bij de bepaling van de duur van de jeugddetentie heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd.

PIJ-maatregel

De rechtbank stelt vast dat het gepleegde feit een misdrijf is waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld.

Op grond van hetgeen de psycholoog, de psychiater en de Raad in hun rapporten vermelden is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat bij de verdachte ten tijde van het begaan van het misdrijf een gebrekkige ontwikkeling en/of ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond en dat daarnaast de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen en goederen het opleggen van een voorwaardelijke PIJ-maatregel eisen. Bovendien is deze maatregel in het belang van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van verdachte.

De rechtbank gaat niet over tot het opleggen van een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel. Een dergelijke maatregel is een uiterste maatregel. Mede gezien de adviezen van de psycholoog, de psychiater en de Raad acht de rechtbank het passend de verdachte een laatste kans te geven zich strikt te houden aan een intensief ambulant traject en de daarbij op te leggen voorwaarden.

De voorwaardelijk op te leggen maatregel zal bij eventuele tenuitvoerlegging verlengbaar zijn tot een termijn van maximaal zeven jaar, waarvan het laatste jaar voorwaardelijk, aangezien de verdachte veroordeeld zal worden wegens een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van één of meerdere personen.

Dadelijke uitvoerbaarheid

De rechtbank acht het niet opportuun om de te stellen bijzondere voorwaarden en het uit te oefenen toezicht door de jeugdreclassering dadelijk uitvoerbaar te verklaren, omdat de verdachte wegens de onvoorwaardelijke jeugddetentie die wordt opgelegd, voor de aanvang van de proeftijd eerst nog een geruime periode in detentie zal verblijven.

Algemene afsluiting

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf en maatregel passend en geboden.

8 Vordering tenuitvoerlegging

8.1.

Vonnis waarvan tenuitvoerlegging wordt gevorderd

Bij vonnis van 31 oktober 2017 van de meervoudige kamer van de rechtbank Haarlem is de verdachte ter zake van diefstal in vereniging, bedreiging, openlijk geweld, belediging en wederspannigheid veroordeeld voor zover van belang tot een jeugddetentie van 42 dagen, waarvan een gedeelte groot 19 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar. De proeftijd is ingegaan op 15 november 2017.

8.2.

Standpunt officier van justitie/Standpunt verdediging

De officier van justitie heeft gevorderd de voorwaardelijke straf ten uitvoer te leggen.

De verdediging heeft verzocht de vordering tenuitvoerlegging af te wijzen.

8.3.

Beoordeling

Het hierboven bewezen verklaarde feit is na het wijzen van dit vonnis en voor het einde van de proeftijd gepleegd. Door het plegen van het bewezen feit heeft de verdachte de aan het vonnis verbonden algemene voorwaarde, dat hij voor het einde van de proeftijd geen nieuwe strafbare feiten zou plegen, niet nageleefd.

Nu is gebleken dat de verdachte zich niks gelegen heeft laten liggen aan de in het vonnis van 31 oktober 2017 opgelegde voornoemde voorwaarde en al twee maanden later onderhavig ernstig delict heeft gepleegd, is de rechtbank van oordeel dat de tenuitvoerlegging moet worden gelast van het voorwaardelijk gedeelte van de bij dat vonnis aan de verdachte opgelegde straf.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 77a, 77g, 77i, 77s, 77x, 77y, 77z, 77gg, 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht.

10 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

11 Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde feit zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van 12 (twaalf) maanden,

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

legt de verdachte op de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen;

bepaalt dat deze maatregel niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten wegens niet nakoming van na te melden voorwaarden;

stelt de proeftijd vast op twee jaren onder de algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich voor het einde van die proeftijd niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit zijn medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 Wet op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden;

- zijn medewerking zal verlenen aan het door de jeugdreclassering te houden toezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich gedurende een door gecertificeerde instelling De Jeugd- en Gezinsbeschermers te bepalen periode (die loopt tot maximaal het einde van de proeftijd) en op door de jeugdreclassering te bepalen tijdstippen zal melden bij de reclassering, zo frequent en zo lang deze instelling dat noodzakelijk acht;

- gedurende de proeftijd op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal opnemen, zoeken of hebben met [naam medeverdachte] , geboren op [geboortedatum medeverdachte] 2000 te Alkmaar, zo lang de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht;

- gedurende de proeftijd, of zoveel korter als zijn behandelaars in overleg met de jeugdreclassering nodig achten, zal meewerken aan behandeling bij “Wij Zijn Broer” of een soortgelijke instelling;

- zich gedurende de proeftijd onder een behandeling stelt gericht op zijn middelenverslaving, voor zo lang als de jeugdreclassering dit nodig acht;

- zich gedurende de proeftijd zal inspannen tot het vinden en behouden van een zinvolle dagbesteding en/of onderwijs;

geeft opdracht aan de gecertificeerde instelling De Jeugd- en Gezinsbeschermers tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

gelast de tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk gedeelte, groot 19 dagen van de jeugddetentie opgelegd door de meervoudige kamer van de rechtbank Haarlem bij voormeld vonnis van 31 oktober 2017 in de zaak met parketnummer 15/760015-17.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. S.C.C. Hes-Bakkeren, voorzitter, tevens kinderrechter,

en mrs. A.A.J. de Nijs en A.M.T.A. Verhagen, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. K.J. Berke, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 19 april 2018.

De oudste en de jongste rechter zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 16 december 2017 te Rotterdam

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen

een geldbedrag en/of een bakje met kleingeld en/of een (hand)tas (met daarin

onder andere papieren over de snackbar en/of een USB-stick), in elk geval

enig(e) goed(eren),

geheel of ten dele toebehorende aan de snackbar " [naam snackbar] " en/of [naam slachtoffer 4]

en/of [naam slachtoffer 5] en/of [naam slachtoffer 6] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan

verdachte,

welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld

en/of bedreiging met geweld tegen die [naam slachtoffer 4] en/of [naam slachtoffer 5] en/of [naam slachtoffer 6]

,

gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht

mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

en/of

met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen

door geweld en/of bedreiging met geweld [naam slachtoffer 1] en/of [naam slachtoffer 2] en/of

[naam slachtoffer 3]

heeft gedwongen tot de afgifte van een hoeveelheid muntgeld en/of een

portemonnee (met daarin onder andere één of meer pasje(s)) en/of een

geldbedrag van 10 euro en/of een pasjeshouder (met daarin één of meer

pasje(s)), in elk geval van enig(e) goed(eren),

geheel of ten dele toebehorende aan [naam slachtoffer 1] en/of [naam slachtoffer 2] en/of [naam slachtoffer 3]

, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte,

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit het- springen over de balie/vitrinekast en/of

- tonen en/of voorhouden van twee, althans één, (op (een)) vuurwapen(s)

(gelijkend voorwerp(en)) aan die [naam slachtoffer 4] en/of [naam slachtoffer 5] en/of [naam slachtoffer 6]

en/of [naam slachtoffer 1] en/of [naam slachtoffer 2] en/of [naam slachtoffer 3] en/of

- richten van dat/die (op (een)) vuurwapen(s) (gelijkend voorwerp(en)) op die

[naam slachtoffer 4] en/of [naam slachtoffer 5] en/of [naam slachtoffer 6] en/of [naam slachtoffer 1] en/of [naam slachtoffer 2]

en/of [naam slachtoffer 3] en/of

- doorladen van een (op een) vuurwapen (gelijkend voorwerp) en/of

- ( met kracht) drukken/zetten van een (op een) vuurwapen (gelijkend voorwerp)

tegen/op het hoofd van die [naam slachtoffer 5] en/of

- duwen van het hoofd van die [naam slachtoffer 5] tegen/op de toonbank en/of

- ( naar beneden) duwen van het hoofd van die [naam slachtoffer 4] tegen de bodemplaat

van de diepvriezer en/of

- duwen tegen/op het lichaam van die [naam slachtoffer 6] en/of [naam slachtoffer 5] en/of

- worstelen met die [naam slachtoffer 5] en/of

- met een (op een) vuurwapen (gelijkend voorwerp) slaan tegen/op het hoofd van

die [naam slachtoffer 5] en/of

- in een hoek drukken van die [naam slachtoffer 4] en/of [naam slachtoffer 5] en/of [naam slachtoffer 6]

en/of

- meermalen, althans éénmaal, toevoegen van de woorden aan die [naam slachtoffer 4]

en/of [naam slachtoffer 5] en/of [naam slachtoffer 6] en/of [naam slachtoffer 1] en/of [naam slachtoffer 2] en/of

[naam slachtoffer 3] : "Dit is een overval, waar is het geld? " en/of "Waar is de

kluis?" en/of "Geef je geld", althans woorden van gelijke aard en/of

strekking;

art 312 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 317 lid 1 Wetboek van Strafrecht