Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:5422

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
22-03-2018
Datum publicatie
06-07-2018
Zaaknummer
Parketnummers vordering TUL VV: 10/711093-16 en 10/121363-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Onvoorwaardelijk PIJ-maatregel. De rechtbank overweegt dat oplegging van een voorwaardelijke PIJ-maatregel met verplichte hulpverlening geen optie (meer) is, nu de verdachte onvoldoende open staat voor hulpverlening en behandeling. Eerder ingezette hulpverlening heeft geen verandering/verbetering opgeleverd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team jeugd

Parketnummer: 10/691171-17

Parketnummers vordering TUL VV: 10/711093-16 en 10/121363-15

Datum uitspraak: 22 maart 2018

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] 1999,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres

[adres verdachte] , [woonplaats verdachte] ,

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting uit anderen hoofde gedetineerd in

de Penitentiaire Inrichting te Alphen aan den Rijn,

raadsvrouw mr F. el Makhtari, advocaat te Rotterdam.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de besloten terechtzitting van 8 maart 2018.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. R.H.I. van Dongen heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het onder feiten 1 tot en met 6 ten laste gelegde;

  • -

    primair oplegging van de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor jeugdigen (hierna PIJ-maatregel);

subsidiair voorwaardelijke oplegging van de PIJ-maatregel met een proeftijd van twee jaar met de algemene en bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de gecertificeerde instelling jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond met dadelijke uitvoerbaarheid van deze bijzondere voorwaarden en het uit te oefenen toezicht.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Vrijspraak ten aanzien van feit 5

4.1.1.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie acht het onder 5 tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat op grond van de aangifte door [naam slachtoffer 1] van tegen hem gepleegd geweld, de getuigenverklaring van [naam getuige 1] en de latere herkenning door de aangever van verdachte als één van de daders op door de politie aan de aangever getoonde foto’s waar de verdachte op staat afgebeeld, voldoende wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte dit feit heeft gepleegd.

4.1.2.

Beoordeling

Anders dan hierna wordt overwogen ten aanzien van feiten 3 en 4, constateert de rechtbank dat de verklaring van aangever [naam slachtoffer 1] voor wat betreft de betrokkenheid van de verdachte bij het tegen hem gepleegde geweld niet door enig ander bewijsmiddel wordt ondersteund. Weliswaar heeft hij verklaard dat hij zou zijn belaagd door dezelfde drie personen als aangever [naam slachtoffer 2] en is er een getuige die heeft verklaard over medeverdachte [naam medeverdachte 1] , maar die omstandigheden ziet de rechtbank niet als voldoende ondersteuning van zijn aangifte. De verdachte wordt daarom bij gebrek aan wettig bewijs van dit feit vrijgesproken.

4.2.

Bewijswaardering ten aanzien van feiten 1, 2, 3 en 4

4.2.1.

Ten aanzien van feit 1

4.2.1.1. Standpunt verdediging

Door de raadsvrouw is integrale vrijspraak bepleit van het onder feit 1 ten laste gelegde vanwege het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs.

De verdachte heeft zich ter terechtzitting beroepen op een alibi. Door de verdachte is verklaard dat hij op 20 juli 2017 ten tijde van de ten laste gelegde overval op de snackbar [naam horecagelegenheid] daar niet in de omgeving aanwezig is geweest, omdat hij die dag bij zijn vriendin was.

Ten aanzien van het primair ten laste gelegde medeplegen van de overval op snackbar [naam horecagelegenheid] voert de raadsvrouw voorts aan dat uit het dossier blijkt dat de overval slechts is gepleegd door twee daders, te weten [naam medeverdachte 2] en [naam medeverdachte 3] , en dat deze daders dit feit ook hebben bekend.

Ten aanzien van de subsidiair ten laste gelegde medeplichtigheid aan de overval voert de raadsvrouw aan dat de op de tenlastelegging vermelde gedachtestreepjes met gedragingen welke aanduiden waar de medeplichtigheid uit heeft bestaan, niet bewezen kunnen worden dan wel geen medeplichtigheid aan de overval opleveren en stelt daartoe het volgende.

In de eerste plaats kan niet bewezen worden dat de verdachte het wapen dat bij de overval is gebruikt heeft vervoerd of aan de medeverdachten [naam medeverdachte 2] en [naam medeverdachte 3] heeft geleverd, omdat het enige bewijs daarvoor wordt gevormd door de verklaring van medeverdachte [naam medeverdachte 4] . Aangevoerd wordt dat die verklaring van [naam medeverdachte 4] niet als bewijsmiddel kan worden gebezigd, aangezien de verklaring van [naam medeverdachte 4] onbetrouwbaar en ongeloofwaardig is, omdat die [naam medeverdachte 4] wrok koestert jegens de verdachte en zijn verklaring niet consistent is.

Voorts stelt de raadsvrouw dat het niet de verdachte maar [naam medeverdachte 4] geweest is die op de scooter een voorverkenning heeft verricht, hetgeen blijkt uit het feit dat door [naam medeverdachte 4] is verklaard dat hij wist waar hij heen moest rijden en dat hij geen aanwijzingen van verdachte heeft gekregen. Daarbij valt niet in te zien hoe heen en weer rijden in de omgeving van de snackbar heeft bijgedragen aan de overval.

Uit geen enkel bewijsmiddel blijkt verder dat de verdachte op de uitkijk heeft gestaan en tenslotte wordt het na de overval aannemen en vervoeren van de buit wederom slechts verklaard door medeverdachte [naam medeverdachte 4] en zoals eerder betoogd geldt dat diens verklaring onbetrouwbaar en inconsistent is.

4.2.1.2. Beoordeling

Vaststaat dat op 20 juli 2017 de medeverdachten [naam medeverdachte 2] en [naam medeverdachte 3] de snackbar [naam horecagelegenheid] te Spijkenisse binnen zijn gegaan, zij de twee eigenaren en een medewerkster hebben bedreigd met een luchtbuks en een mes en zij een geldbedrag van ongeveer € 500,- uit de kassalade hebben meegenomen in een blauwe tas.

Met betrekking tot de betrokkenheid van de verdachte bij de overval op de snackbar [naam horecagelegenheid] overweegt de rechtbank het volgende.

Medeverdachte [naam medeverdachte 3] heeft zowel tegen de politie als tijdens de behandeling van zijn strafzaak op 24 oktober 2017 ter terechtzitting een bekennende verklaring afgelegd. [naam medeverdachte 3] heeft tevens verklaard dat de twee jongens die zich rond het tijdstip van de overval op een scooter in de omgeving van de snackbar bevonden, bij de overval betrokken zijn geweest, dat het plan voor de overval ook niet afkomstig was van medeverdachte [naam medeverdachte 2] en hemzelf maar van die twee andere daders, dat ieder een deel van de buit zou krijgen, dat de jongens op de scooter voorafgaand aan de overval naar de snackbar zijn gegaan om te zien of het veilig was, dat de luchtbuks vlak voor de overval door verdachte aan die [naam medeverdachte 3] is overhandigd en dat [naam medeverdachte 3] direct na de overval volgens afspraak de blauwe tas met de buit aan de jongens op de scooter heeft afgegeven.

Uit camerabeelden van de omgeving van de snackbar blijkt dat er rond het tijdstip van de overval een scooter met twee personen in de omgeving rijdt en uit politieonderzoek is gebleken dat medeverdachte [naam medeverdachte 4] de bestuurder van deze betreffende scooter was. De medeverdachte [naam medeverdachte 4] heeft tegenover de politie verklaard dat hij op de dag van de overval de bestuurder van de scooter was en dat de verdachte bij hem achterop zat. Uit een proces-verbaal van bevindingen van de politie (documentcode [code document] ) blijkt dat in de telefoon van die [naam medeverdachte 4] een foto is aangetroffen waarop is afgebeeld dat de verdachte bij [naam medeverdachte 4] achterop de scooter zit. Door [naam medeverdachte 4] is tevens verklaard dat zijn luchtbuks is gebruikt bij de overval en dat de verdachte die op de dag van de overval aan [naam medeverdachte 3] heeft overhandigd en na de overval de buit en de luchtbuks heeft aangepakt van [naam medeverdachte 3] .

Overwogen wordt dat voor medeplegen noodzakelijk is dat sprake is van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking met (een) ander(en) gericht op het voltooien van het delict. In geval van lijfelijke afwezigheid van de medepleger kan ook sprake zijn van een gezamenlijke uitvoering en daarmee van nauwe samenwerking. In de tenlastelegging hoeft de rol van de lijfelijk afwezige medepleger niet beschreven te zijn als uit het dossier maar blijkt dat diens rol voldoet aan de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking. Voor beoordeling van het medeplegen is volgens jurisprudentie minder nadruk komen te liggen op het gelijktijdig handelen en het samen daadwerkelijk uitvoeren, maar wordt ook meer de fase die hieraan voorafgaat bij de beoordeling betrokken, zoals het maken van een gezamenlijk plan.

De rechtbank overweegt dat de verdachte eerst ter terechtzitting naar voren heeft gebracht dat hij ten tijde van de overval bij zijn vriendin geweest zou zijn. Dat hij eerder melding zou hebben gemaakt van dit alibi, wordt niet door stukken in het dossier ondersteund. Ook het alibi zelf wordt op geen enkel punt door het procesdossier ondersteund en de rechtbank constateert dat de verdediging op geen enkele wijze heeft getracht hier verandering in te brengen. Derhalve acht de rechtbank dit alibi van verdachte niet aannemelijk geworden.

De rechtbank ziet geen reden om aan de verklaringen van mededader [naam medeverdachte 3] , welke op diverse punten wordt ondersteund door de verklaringen van [naam medeverdachte 4] en de aanwezige stukken in het dossier, te twijfelen. Uitgaande van de verklaringen van [naam medeverdachte 3] acht de rechtbank de mate van betrokkenheid van de verdachte bij de overval op de snackbar, bestaande uit het maken van het plan daartoe, het voor verkennen, het verschaffen van de luchtbuks voor de overval en het aannemen en verdelen van de buit na de overval, dermate intensief, dat de rechtbank van oordeel is dat de vereiste bewuste en nauwe samenwerking is bewezen en de verdachte bij de overval betrokken is geweest als medepleger. De rechtbank acht derhalve het onder 1 primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.

4.2.2.

Ten aanzien van feit 2

4.2.2.1. Standpunt verdediging

De raadsvrouw heeft ter terechtzitting betoogd dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde, aangezien hij niet het oogmerk had zich de goederen wederrechtelijk toe te eigenen.

4.2.2.2. Beoordeling

De rechtbank overweegt als volgt.

In het aangifteformulier van [naam supermarkt] staat gerelateerd dat een beveiliger op 4 februari 2017 zag dat twee verdachtenter hoogte van het frisdrank pad stonden, dat een van hen vier blikjes energydrank uit een schap pakte en deze in zijn handen vast hield. Voorts werd waargenomen dat beiden bij dit schap wegliepen, in de richting van een ander pad waarna een van hen de blikjes in zijn tas stopte. Hierna liepen beide verdachten richting de kassa. Vervolgens werd bij de kassa slechts één flesje AA drink op de band geplaatst en afgerekend en liepen beiden in de richting van de uitgang. Toen verdachte voorbij de kassa was gelopen, heeft de beveiliger van [naam supermarkt] hem aangesproken en is verdachte aangehouden voor diefstal van de blikjes energydrink.

De verdachte heeft verklaard dat hij de blikjes voor zijn gemak in zijn tas had gedaan en voornemens was de vier blikjes energydrank te betalen, maar dat hij deze is vergeten deze af te rekenen.

De rechtbank stelt vast dat de verdachte de blikjes buiten het bereik van de eigenaar ( [naam supermarkt] ) heeft gebracht door deze in zijn tas te doen. Hij is er daarna als heer en meester over gaan beschikken en heeft zonder ze te betalen de kassa gepasseerd. De rechtbank is van oordeel dat hij daarbij het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening had. De ter zitting door verdachte gegeven verklaring dat hij er met zijn hoofd niet bij was en heeft vergeten de blikjes af te rekenen acht de rechtbank niet geloofwaardig. Temeer nu uit de observatie van de beveiliger volgt dat de verdachte de blikjes aanvankelijk gewoon in beide handen vast hield en hij zich, nadat hij de blikjes in zijn tas had gedaan, vrijwel rechtstreeks naar de kassa heeft begeven.

Het verweer wordt derhalve verworpen

4.2.3.

Ten aanzien van feiten 3 en 4

4.2.3.1. Standpunt verdediging

Door de raadsvrouw is verzocht de verdachte vrij te spreken van het onder feiten 3 en 4 ten laste gelegde op grond van het ontbreken van voldoende wettig en overtuigend bewijs.

4.2.3.2. Beoordeling

Op basis van het procesdossier is vast te stellen dat op 13 juni 2016 een aantal personen geweld hebben gepleegd tegen aangever [naam slachtoffer 2] , waarbij hij onder meer het letsel heeft opgelopen dat in de tenlastelegging is beschreven. Ook kan worden vastgesteld dat zijn pet van hem is afgenomen zonder overigens dat het geweld daarbij instrumenteel geweest lijkt te zijn. De aangever heeft daar zelf over verklaard en ook getuige [naam getuige 2] heeft verklaard dat hij dat heeft zien gebeuren. De vraag is of de verdachte hierbij aanwezig was. Hijzelf ontkent dat stellig.

De rechtbank is van oordeel dat er voldoende wettig en overtuigend bewijs is, dat de verdachte een van de daders is geweest. Allereerst is er de aangifte van [naam slachtoffer 2] , opgemaakt zeven dagen na het incident, waarin hij aangeeft dat hij, mede naar aanleiding van berichten van anderen, op social media op zoek is gegaan naar de mogelijke daders. Hij heeft op social media afbeeldingen van de daders gevonden en hij heeft die ook bij naam genoemd (p. 9 e.v. van het doorgenummerde proces-verbaal met nummer [proces-verbaalnummer 1] ). In het licht van deze verklaring begrijpt de rechtbank dat resultaten van zijn zoektocht hebben geleid tot een USB-stick met daarop door de aangever gevonden foto’s van de daders, welke USB-stick door zijn moeder aan de politie is overhandigd. Over die foto’s heeft de aangever verklaard op 29 november 2017 (p. 140 e.v.). Over de rol van de verdachte heeft de aangever gedetailleerd en consistent verklaard.

Getuige [naam getuige 2] heeft ook verklaard over het incident dat hij gezien heeft en uit het proces-verbaal van bevindingen van 15 juni 2016 (p: 4) blijkt dat hij op de dag van het incident op de telefoon van getuige [naam getuige 3] een foto heeft gezien en daarop de twee jongens heeft aangewezen die de geweldshandelingen hebben verricht. Van deze foto is een afdruk gevoegd bij het proces-verbaal van bevindingen waarop een rode cirkel is gezet (p. 5). De rechtbank heeft waargenomen op deze foto dat de uiterlijke verschijning van de jongen die aan de linkerkant in de rode cirkel heel wel mogelijk past bij het uiterlijk van de verdachte, met name gelet op de kenmerkende haargrens die te zien is op deze foto en op foto 6, als bijlage gevoegd bij het onder bewijsmiddel 3.4 opgenomen proces-verbaal.

Tot slot slaat de rechtbank acht op de omstandigheid dat aangever [naam slachtoffer 2] de verdachte heeft herkend als één van de personen die hem op 13 juni rond 20:29 uur in winkelcentrum Waterland te Spijkenisse zou hebben mishandeld. Daaruit leidt de rechtbank af dat verdachte in de avond van 13 juni 2016, rond het tijdstip waarop de openlijke geweldpleging tegen [naam slachtoffer 2] en de diefstal van zijn pet hebben plaatsgevonden in Winkelcentrum Waterlanden aanwezig is geweest, dat zeer dicht in de buurt is van het Karperveen, de door [naam slachtoffer 2] genoemde plaats delict. Daarmee is de verklaring van de aangever in voldoende mate ondersteund.

4.3.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3, 4 en 6 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

1.

(parketnummer 691171-17, onderzoek Zwanenhoek)

hij op 20 juli 2017 te Spijkenisse, gemeente Nissewaard,

tezamen en in vereniging met anderen,

met het oogmerk om zich en anderen wederrechtelijk te bevoordelen

door geweld en bedreiging met geweld [naam slachtoffer 3] heeft gedwongen tot de

afgifte van (ongeveer) 500 euro, toebehorende aan [naam slachtoffer 3] en/of [naam slachtoffer 4]

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit het

- met een (deels) bedekt gezicht betreden van snackbar

' [naam horecagelegenheid] ' en

- ( aldaar) zich opdringen aan voornoemde [naam slachtoffer 3] en [naam slachtoffer 4] en

[naam slachtoffer 1] en

- ( daarbij) (vervolgens) voorhouden van een vuurwapen (geweer), althans een

op een vuurwapen (geweer) gelijkend voorwerp, aan die [naam slachtoffer 3] en

- ( daarbij) (vervolgens) richten van dit vuurwapen, althans een op een

vuurwapen gelijkend voorwerp, op het gezicht en het lichaam van die [naam slachtoffer 3]

drukken van dit wapen tegen de rug van die [naam slachtoffer 3]

en

- voorhouden van een (groot) mes aan die [naam slachtoffer 4] en [naam slachtoffer 1]

en

- ( daarbij) (vervolgens) wijzen met dit mes naar die [naam slachtoffer 4] en [naam slachtoffer 1]

en

- ( daarbij) aan die [naam slachtoffer 3] en/of [naam slachtoffer 4] en/of [naam slachtoffer 1] dreigend toevoegen van

de woorden: "Geld, geld" en "geld geld, kassa" en "Liggen op de grond"

en/of "Liggen, liggen" en "Blijf rustig liggen, blijf liggen" en

"Doe rustig, doe rustig" en "Stil niet bewegen" en "Telefoon,

telefoon, waar is je telefoon";

2.

(parketnummer 712000-18)

hij op 04 februari 2017 te Hoogvliet Rotterdam, gemeente

Rotterdam, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen

vier, blikjes drank (energydrink), toebehorende aan [naam supermarkt] ;

3.

(parketnummer 712013-17, aangifte 2016194189)

hij op 13 juni 2016 te Spijkenisse, gemeente Nissewaard,

op de openbare weg, het Karperveen, met het

oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een pet (merk

Gucci), toebehorende aan [naam slachtoffer 2] ;

4.

(parketnummer 712013-17, aangifte 2016194189)

hij op 13 juni 2016 te Spijkenisse, in de gemeente Nissewaard,

op of aan de openbare weg, het Karperveen, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [naam slachtoffer 2] ,

welk geweld bestond uit het:

- ( meermalen) slaan en/of stompen op en/of tegen de neus van die [naam slachtoffer 2]

en/of

- ( meermalen) slaan en/of stompen op en/of tegen het gezicht en/of hoofd van

die [naam slachtoffer 2] en/of

- ( terwijl die [naam slachtoffer 2] inmiddels op de grond lag) (meermalen) schoppen

tegen het hoofd van die [naam slachtoffer 2] ,

terwijl het door hem, verdachte, gepleegd geweld enig lichamelijk letsel (te

weten een gebroken neus en/of een zwelling ter hoogte van de rechter oogkas)

voor voornoemde [naam slachtoffer 2] ten gevolge heeft gehad;

6.

(parketnummer 712013-17, aangifte [proces-verbaalnummer 2] )

hij op 21 juli 2016 te Lelystad, [naam slachtoffer 5] heeft mishandeld

door die [naam slachtoffer 5] (meermalen)

- op/tegen een oog en/of het gezicht en/of hoofd te stompen en/of slaan en/of

- een knietje in/tegen het gezicht te geven.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.

De overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan is gegrond op de redengevende inhoud van het voorgaande en op de inhoud van de wettige bewijsmiddelen, houdende tot bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Het vonnis zal in die gevallen waarin de wet dit vereist worden aangevuld met een later bij dit vonnis te voegen bijlage met daarin de inhoud dan wel de opgave van de bewijsmiddelen.

5 Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:

1.

afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

2.

diefstal;

3.

diefstal;

4.

openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen, terwijl het door hem gepleegde geweld enig lichamelijk letsel ten gevolge heeft;

6.

mishandeling.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De feiten zijn dus strafbaar.

6 Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

7 Motivering maatregel

7.1.

Algemene overweging

De maatregel die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

7.2.

Feiten waarop de maatregel is gebaseerd

De verdachte heeft zich op 20 juli 2017 samen met anderen schuldig gemaakt aan een overval op een snackbar. Twee mededaders zijn samen de snackbar binnengedrongen en hebben de eigenaren en een medewerkster onder bedreiging van een mes, gedwongen op de grond te gaan liggen en zich rustig te houden. Eén van de mededaders heeft daarbij op dat moment een geweer op het gezicht van de eigenaar gericht waarna deze naar de kassa moest lopen met het geweer in zijn rug, de kassalade open moest doen en de inhoud van de kassa in een tas moest doen.

Dit betreft een zeer ernstig feit en de rechtbank rekent de verdachte dit bijzonder aan. Van algemene bekendheid is dat slachtoffers van een dergelijke gewelddadige afpersing zich vaak nog lang angstig en onveilig voelen. Nog afgezien van de angst die het geweld en het dreigen met geweld teweeg brengt, is het voor de slachtoffers ook beangstigend dat zij steeds terug moeten keren naar de plek waar het geweld en de dreiging met het geweld op hen is uitgeoefend; het restaurant is immers hun werkplek en broodwinning. Dit maakt de gevolgen voor de slachtoffers extra groot. Een dergelijk feit veroorzaakt bovendien ook in de samenleving gevoelens van onveiligheid.

De rechtbank neemt het de verdachte kwalijk dat hij alleen heeft gedacht aan zijn eigen geldelijke gewin en zich geen rekenschap heeft gegeven van de gevolgen voor de slachtoffers.

Voorts heeft de verdachte zich op 4 februari 2017 schuldig gemaakt aan een winkeldiefstal.

Dit is een ergerlijk feit, dat veel overlast veroorzaakt. Door dit handelen heeft verdachte rechtstreekse schade berokkend aan de verdachten.

Op 13 juni 2016 heeft de verdachte te Spijkenisse zich met anderen schuldig gemaakt aan het plegen van openlijk geweld tegen een jongen. De verdachte heeft zonder aanleiding zinloos geweld tegen het slachtoffer gebruikt. Het slachtoffer is hierbij onder meer geslagen en geschopt tegen zijn hoofd en aan het geweld dat op hem is uitgeoefend, heeft het slachtoffer een gebroken neus overgehouden.

Daarbij heeft de verdachte tevens de pet van dit slachtoffer gestolen.

De rechtbank rekent de verdachte deze feiten zeer aan. Verdachte en zijn mededaders hebben de confrontatie gezocht met het slachtoffer en hebben vervolgens excessief geweld tegen hem uitgeoefend. Naast het lichamelijke letsel dat het slachtoffer hierdoor heeft opgelopen, geeft de psychische impact van het incident wellicht de grootste schade, zoals ook blijkt uit de schriftelijke slachtofferverklaring die ter terechtzitting is voorgehouden. Een dergelijke openlijke geweldpleging roept daarnaast bij omstanders en ook in de samenleving, gevoelens van onrust en onveiligheid op.

Tenslotte heeft de verdachte zich op 21 juli 2016 nogmaals schuldig gemaakt aan geweldsdelict, te weten mishandeling van een medegedetineerde in de doucheruimte van de penitentiaire inrichting, waarbij het personeel heeft moeten ingrijpen om het slachtoffer te beschermen. Door aldus te handelen heeft de verdachte inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer en hem pijn toegebracht.

7.3.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

7.3.1.

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van

8 februari 2018, waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten en zelfs in twee proeftijden liep. Dit heeft de verdachte er echter niet van weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.

7.3.2.

Rapportages en verklaringen van deskundigen op de terechtzitting

De rechtbank heeft voorts acht geslagen op de navolgende rapportages die over de verdachte

zijn opgesteld.

Drs. C. van den Bergh, GZ-psycholoog, heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 8 februari 2018. Dit rapport houdt onder meer het volgende in:

De verdachte is lijdende aan een ziekelijke stoornis van de geestesvermogens. Het gedrag van de verdachte is te classificeren als een normoverschrijdende gedragsstoornis met antisociale kenmerken. Hij is bekend met agressie naar mensen, ernstige overtreding van regels, bedrog en diefstal. Hij geeft blijk van een algeheel gevoel van onverschilligheid over de negatieve gevolgen van zijn daden voor anderen.

De gedragsproblemen van de verdachte doen zich al lange tijd, meerdere jaren, voor in verschillende levensdomeinen. Indien de aan hem ten laste gelegde feiten bewezen worden dan is verdachte in staat om langdurig zijn eigen gedrag te ontkennen zonder zich schuldig te voelen over zijn handelen. In die situatie wordt geadviseerd de feiten aan verdachte toe te rekenen.

De kans op recidive van gewelddadig delictgedrag beoordeeld met de SAVRY wordt hoog tot zeer hoog geschat voor verdachte. Er kunnen nauwelijks protectieve factoren worden aangegeven. Zijn moeder heeft nauwelijks invloed op zijn gedrag buitenshuis. Verdachte is afhankelijk van externe sturing op zijn gedrag. Verdachte is, indien de feiten bewezen worden, weinig genegen zich te conformeren aan voorwaarden. Hij is niet bereid geweest om mee te werken aan behandeling bij de Waag teneinde een gedragsverandering in gang te zetten. Verdachte ervaart geen lijdensdruk en daarmee ook geen enkele noodzaak tot verandering. De beschreven individuele risicofactoren en de sociaal- contextuele factoren versterken elkaar in negatieve zin. Dit in combinatie met de historische risicofactoren veroorzaakt een zorgelijk beeld. Verdachte heeft een lange hulpverleningsgeschiedenis waarin veel begeleiding en ondersteuning is geboden in combinatie met ambulant toezicht. Hij kiest bewust een proceshouding waarin hij, uitgezonderd een enkel feit, niet wil praten over de aan hem ten laste gelegde feiten. Hierin is hij volhardend.

Verdachte denkt en handelt vooral vanuit zijn eigen gezichtspunt. Hij is goed op de hoogte van de geldende normen en waarden. Echter, indien bewezen, handelt hij daar niet naar zolang hij er zelf voordeel van heeft. Verdachte redeneert heel concreet. Hij bewaakt zijn eigen grenzen en hij gaat ervan uit dat anderen dat ook zullen doen. Wanneer hij gekrenkt wordt, of iemand benadeelt hem, dan zal hij zich laten gelden. Verdachte is afhankelijk van toezicht en het begrenzen van zijn gedrag om te leren zich te houden aan de gemaakte afspraken. Indiende feiten bewezen worden dan wordt geadviseerd aan de verdachte een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel op te leggen.

Onderzoeker heeft bij de afwegingen of een PIJ-maatregel de ontwikkeling van verdachte ten goede zal komen en of een dergelijke maatregel de kans op recidive zal verminderen gebruik gemaakt van een wegingslijst. Op grond van de zeven gewogen domeinen wordt geadviseerd om verdachte een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel op te leggen indien de ten laste gelegde feiten bewezen worden geacht.

G.C.G.M. Broekman, kinder- en jeugdpsychiater, heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 9 februari 2018. Dit rapport houdt onder meer het volgende in.

Gesproken kan worden van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de vorm van een normoverschrijdende gedragsstoornis beginnend in de adolescentie, ernstig van aard en een bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling met antisociale kenmerken. Hiermee samenhangend vertoont verdachte een zelfbepalende houding, heeft hij moeite met regels en met gezag en laat hij een zorgelijke emotionele, morele en sociale ontwikkeling zien.

Hiervan was sprake ten tijde van het tenlastegelegde en dit beïnvloedde vermoedelijk de geestvermogens de gedragskeuzen c.q. gedragingen van verdachte ten tijde van het plegen van het tenlastegelegde.

Gezien zijn gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens wordt geadviseerd het tenlastegelegde, hem verminderd toe te rekenen. Zijn oordeel- en kritiekfuncties worden immers als beperkt verondersteld. Verdachte beseft dat wat hij doet niet juist is, maar zijn vermogen om ook conform dat besef te gedragen, wordt sterk beperkt door zijn gebrekkige ontwikkeling.

Beschermende factoren zijn feitelijk beperkt aanwezig. De schoolontwikkeling is ten slotte volledig gestagneerd. Voornoemde aanleg-, opvoedings- en omgevingsfactoren beïnvloedden elkaar niet gunstig. Gedurende de afgelopen periode bleef verdachtes gedrag problematisch en zijn schoolontwikkeling stagneerde. De prognose met betrekking tot de verdere persoonlijkheidsontwikkeling van verdachte is daarom, bij onveranderde omstandigheden en zonder een behandel- en begeleidingstraject, niet gunstig.

Behandeling is geïndiceerd met een delictgedragsanalyse zodat verdachte meer (in-)zicht krijgt (in) op zijn handelen en gedragsalternatieven leert ontwikkelen in risicovolle situaties. Schematherapie is zinvol om zijn bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling vanuit contextueel perspectief te benaderen. Wat betreft de strafrechtelijke afdoening wordt geadviseerd om verdachte voor langere tijd intensief te begeleiden en te behandelen. Een voorwaardelijk strafrechtelijk kader als stok achter de deur om hem gekaderd te kunnen houden en zich te conformeren aan behandeling en begeleiding, wordt door rapporteur als niet haalbaar beschouwd. Verdachte is immers niet bereid behandeling aan te gaan en een veranderingsproces aan te gaan. Rapporteur ziet zich daarom genoodzaakt de onvoorwaardelijke PIJ-maatregel te adviseren, dit als laatste poging om het tij te doen keren, de bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling in positieve zin te kunnen veranderen.

De Raad voor de Kinderbescherming ( hierna: de Raad) heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 28 februari 2018. Dit rapport houdt onder meer het volgende in.

De Raad is het ermee eens dat de juridische gronden voor een PIJ-maatregel aanwezig zijn.

Echter, de Raad is van mening dat een onvoorwaardelijke PIJ niet passend is, omdat de Raad nog wel mogelijkheden in het ambulante kader ziet. Namelijk, de lijn die op dit moment in de schorsingsperiode al is ingezet. Verdachte zou hiermee een laatste kans geboden krijgen en kan hiermee laten zien dat het hem lukt om aan de voorwaarden te voldoen. De Raad is zich bewust van de delictgeschiedenis en de ontkennende houding van verdachte. Als stok achter de deur wil de Raad dan ook binnen het strafrechtelijk kader een voorwaardelijke PIJ-maatregel adviseren zodat, mocht verdachte deze (laatste) kans niet pakken, hij alsnog binnen het gesloten kader de langdurige residentiële behandeling kan ondergaan. De inschatting van de Raad is dat door deze constructie bereikt wordt dat het recidive risico zoveel mogelijk wordt teruggebracht. Verdachte ziet zichzelf op dit moment vooral als slachtoffer van het politie- en justitie systeem. Door de PIJ-maatregel als stok achter de deur in te zetten, ligt zijn lot in zijn eigen handen en kan hij het tegendeel bewijzen door zich aan zijn schorsende voorwaarden te houden.

Om dit alles een kans van slagen te geven, is de mening dat wel strakkere kaders nodig zijn, dan die er nu in de schorsingsperiode zijn en er een meer intensieve begeleiding ingezet moet worden. De Raad denkt daarbij aan de inzet van de Harde Kern Aanpak. Dit biedt de jeugdreclassering de mogelijkheid om verdachte op intensieve wijze te begeleiden en sturend en steunend op te treden. De Raad heeft het haalbaarheidsonderzoek hiertoe uitgezet.

De gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond ( hierna: de jeugdreclassering) heeft een gezinsplan over de verdachte opgemaakt, gedateerd 2 maart 2018. Dit gezinsplan houdt onder meer het volgende in.

De jeugdreclasseerder heeft meerdere malen overleg gehad met de Raad alsmede meerdere

gesprekken met verdachte en moeder. De verdachte geeft tijdens deze gesprekken aan wel te willen meewerken aan de behandeling van Topzorg. Hij is bang voor het alternatief:een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel. Ook wil hij werken aan zichzelf en niet meer in aanraking komen met politie/justitie. De jeugdreclasseerder schat in dat een voorwaardelijke PIJ-maatregel als een flinke stok achter de deur zal functioneren voor verdachte om zich te gaan houden aan de behandeling en te gaan werken aan zijn problematiek. Tevens is er een intake geweest hij beschermd wonen “JongLeren” van het Leger des Heils en verdachte kan hier op zeer korte termijn terecht. De Harde Kern Aanpak (hierna: HKA) is ook met verdachte besproken maar verdachte geeft aan dit niet te kunnen/willen. Hij wil overal aan meewerken maar ook de HKA zal hem te veel worden. Het is ook moeilijk om een HKA uit te voeren als verdachte in een beschermde woonvorm woont, dan zou JongLeren de verantwoording moeten nemen voor de tijdsafspraken die er in het rooster met verdachte gemaakt worden en voor de politiecontroles, dit is lastig uitvoerbaar/controleerbaar in een dergelijke woonvorm.

Tijdens de behandeling ter terechtzitting op 8 maart 2018 is door de vertegenwoordigster van de jeugdreclassering te kennen gegeven dat HKA naar de mening van de jeugdreclassering niet haalbaar is in combinatie met het verblijf van de verdachte in de beschermde woonvoorziening.

7.4.

Conclusies van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

Toerekeningsvatbaarheid

Nu de conclusie van de psychiater gedragen wordt door diens bevindingen en door hetgeen ook overigens op de terechtzitting is gebleken, neemt de rechtbank die conclusie over en maakt die tot de hare. Bij de verdachte bestond tijdens het begaan van de feiten een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens in verband waarmee hij in verminderde mate toerekeningsvatbaar wordt geacht.

PIJ-maatregel

De rechtbank stelt vast dat de onder 1 en 4 gepleegde feiten, misdrijven zijn waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld.

Op grond van hetgeen de psycholoog en de psychiater in hun rapporten vermelden is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat bij de verdachte ten tijde van het begaan van de misdrijven een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond en daarnaast de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen en goederen het opleggen van een maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen (hierna te noemen: PIJ-maatregel) eisen. Bovendien is deze maatregel in het belang van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van verdachte.

Het strafmaatverweer van de raadsvrouw om een (deels) voorwaardelijke jeugddetentie (met bijzondere voorwaarden) op te leggen, wordt verworpen. De rechtbank overweegt dat oplegging van een voorwaardelijke PIJ-maatregel met verplichte hulpverlening geen optie (meer) is, nu de verdachte onvoldoende open staat voor hulpverlening en behandeling. Eerder ingezette hulpverlening heeft geen verandering/verbetering opgeleverd. Tot aan het moment dat de verdachte duidelijk werd dat er een advies tot het opleggen van een PIJ-maatregel werd gegeven, heeft de verdachte nauwelijks medewerking verleend aan de hulpvelening. Pas toen de verdachte duidelijk werd dat de PIJ-maatregel mogelijk kon worden opgelegd, is verdachte zich gaan inzetten. Tijdens de behandeling ter terechtzitting heeft de verdachte bovendien nog te kennen gegeven dat hij het HKA-traject niet zit zitten en dat hij behandeling niet nodig acht. Daaruit leidt de rechtbank af dat elke intrinsieke motivatie ontbreekt.

De rechtbank overweegt dat de PIJ-maatregel zal worden opgelegd ter zake van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Dit betekent dat verlenging van deze maatregel mogelijk is voor zover de maatregel daardoor de duur van zeven jaar niet te boven gaat.

Algemene afsluiting

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen maatregel passend en geboden.

8 Vorderingen benadeelde partijen/ schadevergoedingsmaatregelen

8.1.

Ten aanzien van benadeelde partijen [naam benadeelde 1] en [naam benadeelde 2]

Als benadeelde partijen hebben zich in het geding gevoegd: [naam benadeelde 1] en [naam benadeelde 2] , mede als vennoten van de VOF [naam horecagelegenheid] , wondende te Spijkenisse, ter zake van het tenlastegelegde feit onder 1. De benadeelde partijen vorderen een bedrag van € 250,- aan materiële schade vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

8.1.1.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering integraal kan worden toegewezen.

8.1.2.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft verzocht de benadeelde partijen niet ontvankelijk te verklaren vanwege de bepleite vrijspraak voor feit 1.

8.1.3.

Beoordeling

Nu is komen vast te staan dat aan de benadeelde partijen [naam benadeelde 1] en [naam benadeelde 2] door het bewezen verklaarde strafbare feit, rechtstreeks materiële schade is toegebracht en de gevorderde schadevergoeding de rechtbank ook overigens niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt, zal de vordering worden toegewezen.

Nu de verdachte het strafbare feit, ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met mededaders heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Indien en voor zover de mededaders de benadeelde partijen betalen is de verdachte in zoverre jegens de benadeelde partijen van deze betalingsverplichting bevrijd.

De benadeelde partijen hebben gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf 20 juli 2017.

Nu de vordering van de benadeelde partijen zullen worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partijen gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

8.1.4.

Conclusie

De verdachte moet de benadeelde partij [naam benadeelde 2] en [naam benadeelde 1] een schadevergoeding betalen van € 250,- .

Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

8.2.

Ten aanzien van benadeelde partijen [naam benadeelde 3]

Als benadeelde partij heeft zich tevens in het geding gevoegd: [naam benadeelde 3] , wonende te Spijkenisse, ter zake van het onder 1. tenlastegelegde feit.

De benadeelde partij vordert een bedrag van € 800,- aan immateriële schade vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

8.2.1.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering integraal kan worden toegewezen.

8.2.2.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft primair verzocht de benadeelde partij niet ontvankelijk te verklaren vanwege de bepleite vrijspraak voor feit 1 en subsidiair verzocht de vordering af te wijzen omdat de schade onvoldoende is onderbouwd.

8.2.3.

Beoordeling

Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij [naam benadeelde 3] door het bewezen verklaarde strafbare feit, rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Die schade zal naar maatstaven van billijkheid worden vastgesteld op € 800,- zodat de vordering zal worden toegewezen.

Nu de verdachte het strafbare feit, ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met mededaders heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Indien en voor zover de mededaders de benadeelde partijen betalen is de verdachte in zoverre jegens de benadeelde partijen van deze betalingsverplichting bevrijd.

De benadeelde partijen hebben gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf 20 juli 2017.

Nu de vordering van de benadeelde partijen zullen worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partijen gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

8.2.4.

Conclusie

De verdachte moet de benadeelde partij [naam benadeelde 3] een schadevergoeding betalen van

€ 800,-.

Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

8.3.

Ten aanzien van de benadeelde partij [naam benadeelde 4]

Als benadeelde partij heeft zich voorts in het geding gevoegd: [naam benadeelde 4] , wonende te Spijkenisse, ter zake van de onder 3 en 4 tenlastegelegde feiten.

De benadeelde partij vordert een bedrag van € 770,-- aan materiële schade en een bedrag van € 1.500,-- aan immateriële schade vermeerderd met de wettelijke rente.

8.3.1.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de gevorderde immateriële schade volledig kan worden toegewezen en dat de materiële schade niet ontvankelijk dient te worden verklaard, omdat de materiële schade onvoldoende is onderbouwd.

8.3.2.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft primair verzocht de benadeelde partij niet ontvankelijk te verklaren vanwege de bepleite vrijspraak voor feit 1 en subsidiair verzocht de gevorderde materiële schade af te wijzen, omdat deze schade onvoldoende is onderbouwd.

8.3.3.

Beoordeling

Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij door het onder 4 bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks immateriële schade is toegebracht.

Die schade zal naar maatstaven van billijkheid worden vastgesteld op € 1000,--, zodat de vordering tot dit bedrag zal worden toegewezen.

De benadeelde partij zal voor de gevorderde materiële schade niet-ontvankelijk worden verklaard, aangezien de bewijsstukken ter onderbouwing van dit deel van de vordering ontoereikend zijn. Dit deel van de vordering kan derhalve slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Nu de verdachte het strafbare feit ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met mededaders heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Indien en voor zover de mededaders de benadeelde partij betalen is de verdachte in zoverre jegens de benadeelde partij van deze betalingsverplichting bevrijd.

De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf 13 juni 2016.

Nu de vordering van de benadeelde partij in overwegende mate zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

8.3.4.

Conclusie

De verdachte moet de benadeelde partij een schadevergoeding betalen van € 1000,-.

Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

9 Vordering tenuitvoerlegging

9.1.

Ten aanzien van parketnummer 10/121363-15

9.1.1.

Vonnis waarvan tenuitvoerlegging wordt gevorderd

Bij vonnis van 15 februari 2016 van de kinderrechter van deze rechtbank is de verdachte ter zake van mishandeling en heling veroordeeld voor zover van belang tot een taakstaf bestaande uit een werkstraf van 70 uren, waarvan een gedeelte groot 50 uren voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar.

De proeftijd is ingegaan op 3 november 2016.

9.1.2.

Standpunt officier van justitie/Standpunt verdediging

De officier van justitie heeft tijdens de behandeling ter terechtzitting van 8 maart 2018 tenuitvoerlegging de voorwaardelijke werkstraf gevorderd.

De verdediging heeft verzocht om de proeftijd te verlengen.

9.1.3.

Beoordeling

De hierboven bewezen verklaarde feiten zijn na het wijzen van dit vonnis en voor het einde van de proeftijd gepleegd. Door het plegen van de bewezen feiten heeft de verdachte de aan het vonnis verbonden algemene voorwaarde, dat hij voor het einde van de proeftijd geen nieuwe strafbare feiten zou plegen, niet nageleefd.

Daarom zal de tenuitvoerlegging worden gelast van het voorwaardelijk gedeelte van de bij dat vonnis aan de verdachte opgelegde straf.

9.2.

Ten aanzien van parketnummer 10/711093-16

9.2.1.

Vonnis waarvan tenuitvoerlegging wordt gevorderd

Bij vonnis van 2 november 2016 van de meervoudige kamer van deze rechtbank is de verdachte ter zake van diefstal met geweld, mishandeling en openlijke geweldpleging veroordeeld voor zover van belang tot een jeugddetentie van 12 maanden, waarvan een gedeelte groot 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar.

De proeftijd is ingegaan op 17 mei 2017.

9.2.2.

Standpunt officier van justitie/Standpunt verdediging

De officier van justitie heeft tijdens de behandeling ter terechtzitting van 8 maart 2018 tenuitvoerlegging de voorwaardelijke jeugddetentie gevorderd.

De verdediging heeft verzocht om de proeftijd te verlengen.

9.2.3.

Beoordeling

De hierboven bewezen verklaarde feiten zijn na het wijzen van dit vonnis en voor het einde van de proeftijd gepleegd. Door het plegen van de bewezen feiten heeft de verdachte de aan het vonnis verbonden algemene voorwaarde, dat hij voor het einde van de proeftijd geen nieuwe strafbare feiten zou plegen, niet nageleefd.

In beginsel kan daarom de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straf worden gelast. De rechtbank acht evenwel de tenuitvoerlegging van een jeugddetentie voor de duur van 6 maanden in samenhang met de op te leggen maatregel thans niet opportuun en zal in plaats daarvan de proeftijd verlegen met één jaar.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 36f, 63, 77a, 77g, 77h, 77s, 77gg, 141, 300, 310, 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht.

11 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

12 Beslissing

De rechtbank:

verklaart niet bewezen, dat de verdachte het onder 5 ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1, 2, 3, 4 en 6 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

legt de verdachte op de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen;

heft op de schorsing van de voorlopige hechtenis van de verdachte;

veroordeelt de verdachte hoofdelijk met zijn mededaders, om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [naam benadeelde 2] en [naam benadeelde 1], te betalen een bedrag van € 250,- (tweehonderdvijftig euro ), aan materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 20 juli 2017 tot aan de dag der algehele voldoening;

bepaalt dat de verdachte bij gehele of gedeeltelijke betaling door de mededaders van de verdachte aan de benadeelde partij, zal zijn bevrijd tot de hoogte van het betaalde bedrag;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil, aan salaris voor de advocaat en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij [naam benadeelde 1] en [naam benadeelde 2] te betalen € 250,- (tweehonderdvijftig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 20 juli 2017 tot aan de dag van de algehele voldoening; beveelt dat bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal van het bedrag van € 250,- vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 5 dagen; toepassing van de vervangende jeugddetentie heft de betalingsverplichting niet op;

veroordeelt de verdachte hoofdelijk met zijn mededaders, om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [naam benadeelde 3] te betalen een bedrag van € 800,- (achthonderd euro), aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 20 juli 2017 tot aan de dag der algehele voldoening;

bepaalt dat de verdachte bij gehele of gedeeltelijke betaling door de mededaders van de verdachte aan de benadeelde partij, zal zijn bevrijd tot de hoogte van het betaalde bedrag;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil, aan salaris voor de advocaat en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij [naam benadeelde 3] te betalen € 800,- (achthonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 20 juli 2017 tot aan de dag van de algehele voldoening; beveelt dat bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal van het bedrag van € 800,- vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 15 dagen; toepassing van de vervangende jeugddetentie heft de betalingsverplichting niet op;

veroordeelt de verdachte hoofdelijk met zijn mededaders, om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [naam benadeelde 4] te betalen een bedrag van € 1000,- (duizend euro), aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 13 juni 2017 tot aan de dag der algehele voldoening;

bepaalt dat de verdachte bij gehele of gedeeltelijke betaling door de mededaders van de verdachte aan de benadeelde partij, zal zijn bevrijd tot de hoogte van het betaalde bedrag;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil, aan salaris voor de advocaat en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij [naam benadeelde 4] te betalen € 1000,- (duizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 13 juni 2017 tot aan de dag van de algehele voldoening; beveelt dat bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal van het bedrag van € 1000,- vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 20 dagen; toepassing van de vervangende jeugddetentie heft de betalingsverplichting niet op;

gelast de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde werkstraf voor de duur van 50 (vijftig) uren subsidiair 25 dagen vervangende jeugddetentie, opgelegd bij vonnis van de kinderrechter van 15 februari 2016 in de zaak met parketnummer 10/121363-15;

verlengt de proeftijd van de bij voormeld vonnis van 2 november 2016 in de zaak met parketnummer 10/711093-16 door de meervoudige kamer opgelegde voorwaardelijke jeugddetentie met één jaar.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. M. van Kuilenburg, voorzitter, tevens kinderrechter,

en mrs. A.M.T.A. Verhagen en F.W.H. van den Emster, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. K.J. Berke, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 22 maart 2018.

De oudste rechter en de jongste rechter zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging/ tekst gewijzigde tenlastelegging/ tekst nader omschreven tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

(parketnummer 691171-17, onderzoek Zwanenhoek)

hij op of omstreeks 20 juli 2017 te Spijkenisse, gemeente Nissewaard,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen

door geweld en/of bedreiging met geweld [naam slachtoffer 3] heeft gedwongen tot de

afgifte van (ongeveer) 500 euro, althans een hoeveelheid geld,

geheel of ten dele toebehorende aan [naam slachtoffer 3] en/of [naam slachtoffer 4] en/of

[naam horecagelegenheid] ,

in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn

mededader(s),

en/of met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen

500 euro, althans een hoeveelheid geld,

geheel of ten dele toebehorende aan [naam slachtoffer 3] en/of [naam slachtoffer 4] en/of

[naam horecagelegenheid] , in elk geval aan een ander of anderen

dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld

en/of bedreiging met geweld tegen die [naam slachtoffer 3] en/of [naam slachtoffer 4] en/of

[naam slachtoffer 1] gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden

en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf

hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te

verzekeren,

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit het

- met een (deels) bedekt/afgedekt gezicht betreden van snackbar

' [naam horecagelegenheid] ' en/of

- ( aldaar) zich opdringen aan voornoemde [naam slachtoffer 3] en/of [naam slachtoffer 4] en/of

[naam slachtoffer 1] en/of

- ( daarbij) (vervolgens) tonen/voorhouden van een vuurwapen (geweer), althanseen op een vuurwapen (geweer) gelijkend voorwerp, aan die [naam slachtoffer 3] en/of

- ( daarbij) (vervolgens) richten van dit vuurwapen, althans een op een

vuurwapen gelijkend voorwerp, op het gezicht en/of het lichaam van die [naam slachtoffer 3]

en/of drukken / houden van dit wapen tegen de rug van die [naam slachtoffer 3]

en/of

- tonen/voorhouden van een (groot) mes aan die [naam slachtoffer 3] en/of [naam slachtoffer 4] en/of [naam slachtoffer 1]

en/of

- ( daarbij) (vervolgens) wijzen met dit mes naar die [naam slachtoffer 4] en/of [naam slachtoffer 1]

en/of

- ( daarbij) aan die [naam slachtoffer 3] en/of [naam slachtoffer 4] en/of [naam slachtoffer 1] dreigend toevoegen van

de woorden: "Geld, geld" en/of "geld geld, kassa" en/of "Liggen op de grond"

en/of "Liggen, liggen" en/of "Blijf rustig liggen, blijf liggen" en/of

"Doe rustig, doe rustig" en/of "Stil niet bewegen" en/of "Telefoon,

telefoon, waar is je telefoon", althans (telkens) woorden van gelijke

dreigende aard en/of strekking;

art 317 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 312 lid 2 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

[naam medeverdachte 3] en/of [naam medeverdachte 2]

op of omstreeks 20 juli 2017 te Spijkenisse, gemeente Nissewaard,

tezamen en in vereniging met elkaar en/of (een) ander(en), althans alleen,

met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen

door geweld en/of bedreiging met geweld [naam slachtoffer 3] hebben/heeft gedwongen tot

de afgifte van (ongeveer) 500 euro, althans een hoeveelheid geld,

geheel of ten dele toebehorende aan [naam slachtoffer 3] en/of [naam slachtoffer 4] en/of

[naam horecagelegenheid] ,

in elk geval aan een ander of anderen dan aan die [naam medeverdachte 3] en/of [naam medeverdachte 2]

en/of verdachte en/of zijn/hun mededader(s),

en/of

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen

500 euro, althans een hoeveelheid geld,

geheel of ten dele toebehorende aan [naam slachtoffer 3] en/of [naam slachtoffer 4] en/of

[naam horecagelegenheid] , in elk geval aan een ander of anderen

dan aan die [naam medeverdachte 3] en/of [naam medeverdachte 2] en/of verdachte en/of zijn/hun

mededader(s),

welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld

en/of bedreiging met geweld tegen die [naam slachtoffer 3] en/of [naam slachtoffer 4] en/of

[naam slachtoffer 1] gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden

en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf

hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te

verzekeren,

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit het

- met een (deels) bedekt/afgedekt gezicht betreden van [naam horecagelegenheid]

- ( aldaar) zich opdringen aan voornoemde [naam slachtoffer 3] en/of [naam slachtoffer 4] en/of

[naam slachtoffer 1] en/of

- ( daarbij) (vervolgens) tonen/voorhouden van een vuurwapen (geweer), althans

een op een vuurwapen (geweer) gelijkend voorwerp, aan die [naam slachtoffer 3] en/of- (daarbij) (vervolgens) richten van dit vuurwapen, althans een op een

vuurwapen gelijkend voorwerp, op het gezicht en/of het lichaam van die [naam slachtoffer 3]

en/of drukken / houden van dit wapen tegen de rug van die [naam slachtoffer 3]

en/of

- tonen/voorhouden van een (groot) mes aan die [naam slachtoffer 3] en/of [naam slachtoffer 4] en/of [naam slachtoffer 1]

en/of

- ( daarbij) (vervolgens) wijzen met dit mes naar die [naam slachtoffer 4] en/of [naam slachtoffer 1]

en/of

- ( daarbij) aan die [naam slachtoffer 3] en/of [naam slachtoffer 4] en/of [naam slachtoffer 1] dreigend toevoegen van

de woorden: "Geld, geld" en/of "geld geld, kassa" en/of "Liggen op de grond"

en/of "Liggen, liggen" en/of "Blijf rustig liggen, blijf liggen" en/of

"Doe rustig, doe rustig" en/of "Stil niet bewegen" en/of "Telefoon,

telefoon, waar is je telefoon", althans (telkens) woorden van gelijke

dreigende aard en/of strekking;

tot en/of bij het plegen van welk misdrijf verdachte op of omstreeks 20 juli

2017 te Spijkenisse, gemeente Nissewaard, en/of elders in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of

opzettelijk behulpzaam is geweest door

- het (op een) vuurwapen (gelijkend voorwerp) dat bij voornoemd misdrijf werd

gebruikt te vervoeren en/of te leveren en/of

- een voorverkenning te doen bij voornoemde snackbar en/of

- in de omgeving van die snackbar heen en weer te rijden en/of te wachten op

genoemde [naam medeverdachte 3] en/of [naam medeverdachte 2] en/of

- als uitkijk te fungeren en/of

- na de overval de buit en/of het bij de overval gebruikte wapen in ontvangst

te nemen en/of te vervoeren;

art 317 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 312 lid 2 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

art 48 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 48 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

2.

(parketnummer 712000-18)

hij op of omstreeks 04 februari 2017 te Hoogvliet Rotterdam, gemeente

Rotterdam,

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen

vier, althans één of meer blikjes drank (energyn drink), in elk geval enig

goed, geheel of ten dele toebehorende aan [naam supermarkt] , in elk geval aan een

ander of anderen dan aan verdachte;

art 310 Wetboek van Strafrecht

3.

(parketnummer 712013-17, aangifte 2016194189)

hij op of omstreeks 13 juni 2016 te Spijkenisse, gemeente Nissewaard,

op de openbare weg, het Karperveen, in elk geval op een openbare weg,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het

oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een pet (merk

Gucci), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [naam slachtoffer 2]

, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn

mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd

van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [naam slachtoffer 2] ,

gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te

maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan (een) andere

deelnemer(s) van voormeld misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij

het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging

met geweld bestond(en) uit het:

- ( meermalen) slaan en/of stompen op en/of tegen de neus van die [naam slachtoffer 2]

en/of

- ( meermalen) slaan en/of stompen op en/of tegen het gezicht en/of hoofd van

die [naam slachtoffer 2] en/of

- ( terwijl die [naam slachtoffer 2] inmiddels op de grond lag) (meermalen) schoppen

tegen het hoofd van die [naam slachtoffer 2] ;

- ( onverhoeds) van het hoofd van die [naam slachtoffer 2] rukken/trekken van die pet;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 312 lid 2 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

4.

(parketnummer 712013-17, aangifte 2016194189)

hij op of omstreeks 13 juni 2016 te Spijkenisse, in de gemeente Nissewaard,

op of aan de openbare weg, het Karperveen, in elk geval op of aan een openbare

weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [naam slachtoffer 2] ,

welk geweld bestond uit het:

- ( meermalen) slaan en/of stompen op en/of tegen de neus van die [naam slachtoffer 2]

en/of

- ( meermalen) slaan en/of stompen op en/of tegen het gezicht en/of hoofd van

die [naam slachtoffer 2] en/of

- ( terwijl die [naam slachtoffer 2] inmiddels op de grond lag) (meermalen) schoppen

tegen het hoofd van die [naam slachtoffer 2] ,

terwijl het door hem, verdachte, gepleegd geweld enig lichamelijk letsel (te

weten een gebroken neus en/of een zwelling ter hoogte van de rechter oogkas)

voor voornoemde [naam slachtoffer 2] ten gevolge heeft gehad;

art 141 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 141 lid 2 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

5.

(parketnummer 712013-17, aangifte 2016194190)

hij op of omstreeks 13 juni 2016 te Spijkenisse, gemeente Nissewaard,

op of aan de openbare weg, het Vlinderveen, in elk geval op of aan een

openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [naam slachtoffer 1]

, welk geweld bestond uit het:

- ( meermalen) stompen en/of slaan tegen en/of op de rug en/of de borst en/of

ribben en/of het gezicht, in elk geval tegen het hoofd en/of het lichaam

van die [naam slachtoffer 1] en/of

- ( meermalen) geven van een knietje in / tegen de rug en/of (andere delen van)

het lichaam van die [naam slachtoffer 1] en/of

- stompen en/of slaan op/tegen de neus en/of het hoofd van die [naam slachtoffer 1] ;

art 141 lid 1 Wetboek van Strafrecht

6.

(parketnummer 712013-17, aangifte [proces-verbaalnummer 2] )

hij op of omstreeks 21 juli 2016 te Lelystad, [naam slachtoffer 5] heeft mishandeld

door die [naam slachtoffer 5] (meermalen)

- op/tegen een oog en/of het gezicht en/of hoofd te stompen en/of slaan en/of

- een knietje in/tegen het gezicht te geven.

Art 300 Wetboek van Strafrecht