Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:5385

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
05-07-2018
Datum publicatie
15-07-2018
Zaaknummer
6982320 / VV EXPL 18-260
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Ontruiming. Vordering onvoldoende aannemelijk

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK [plaatsnaam]

zaaknummer: 6982320 / VV EXPL 18-260

uitspraak: 5 juli 2018

vonnis in kort geding ex artikel 254 lid 5 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van de kantonrechter, zitting houdende te [plaatsnaam],

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [plaatsnaam],

eiser bij exploot van dagvaarding van 15 juni 2018,

gemachtigde: mr. A. Karacelik,

tegen

[gedaagde],

wonende te [plaatsnaam],

gedaagde,

gemachtigde: mr. F. Özer.

Partijen worden hierna aangeduid als [eiser] respectievelijk [gedaagde].

1 Het verloop van de procedure

1.1

De kantonrechter heeft kennis genomen van de volgende processtukken:

  • -

    de dagvaarding, met producties;

  • -

    de bij brief van 22 juni 2018 door mr. F. Özer overgelegde producties;

  • -

    de pleitaantekeningen namens [gedaagde];

  • -

    de schriftelijke uitdraai van het emailbericht van [eiser] aan zijn gemachtigde van 25 juni 2018 met als bijlage het emailbericht van 20 juni 2018 van [H.] van Aegon aan [eiser].

1.2

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 25 juni 2018. [eiser] is in persoon verschenen, bijgestaan door de gemachtigde mr. A. Karacelik.

[gedaagde] is eveneens in persoon verschenen, bijgestaan door de gemachtigde mr. F. Özer.

Partijen hebben hun standpunten door hun gemachtigden laten toelichten, de gemachtigde van [gedaagde] heeft dit gedaan aan de hand van pleitaantekeningen, die hij in het geding heeft gebracht.

1.3

De uitspraak van het vonnis is, bij vervroeging, bepaald op heden.

2 De vaststaande feiten

In het kader van de onderhavige procedure kan van de volgende vaststaande feiten worden uitgegaan.

2.1

Tussen [eiser] als verhuurder en [gedaagde] als huurder bestaat een huurovereenkomst met betrekking tot de woning, staande en gelegen te [plaatsnaam] aan de [straatnaam en huisnummer] (hierna: ‘het gehuurde’).

2.2

Op verzoek van [eiser] werd de huur contant betaald.

2.3

[eiser] heeft een brief, gedateerd op 3 mei 2018, van zijn hypotheekverstrekker ontvangen. In die brief heeft de hypotheekverstrekker hem meegedeeld dat de verhuursituatie van zijn woning per 1 juli 2018 opgeheven dient te zijn en dat indien dit niet het geval is zij opdracht zal geven om de aflossing van zijn hypotheek te bevorderen, indien nodig door middel van openbare verkoop van de woning.

3 Het geschil

3.1

[eiser] heeft bij dagvaarding gevorderd bij vonnis in kort geding, uitvoerbaar bij voorraad [gedaagde] te veroordelen:

(i) het gehuurde, staande en gelegen aan de [straatnaam en huisnummer] te ([postcode]) [plaatsnaam] binnen vijf dagen na betekening van het ten deze te wijzen vonnis met al de zijnen die en al het zijne dat zich zijnentwege daarin mocht(en) bevinden, te ontruimen, ontruimd te houden, te verlaten en onder afgifte van de sleutels ter vrije beschikking van [eiser] te stellen, zulks met machtiging van [eiser] om zonodig het ten deze te wijzen vonnis met behulp van een sterke arm ten uitvoer te leggen althans de woning te verlaten en te ontruimen althans [eiser] te machtigen om bij gebreke van volledige voldoening hieraan deze verlating en ontruiming zelf te doen plaatsvinden en dit vervolgens verlaten en ontruimd houden, zelf te bewerken met behulp van de sterke arm van de politie en justitie op kosten van [gedaagde];

(ii) aan [eiser], ten titel van voorschot, een bedrag van € 2.800,00 zijnde de huurachterstand, tegen bewijs van kwijting aan [eiser] te voldoen, te vermeerderen met de wettelijke rente per de eerste van de maand waarvan de huur verschuldigd is, althans te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de vervaldag van iedere huurtermijn, althans vanaf de dag van deze dagvaarding;

(iii) in de kosten van deze procedure, zulks met bepaling dat daarover de wettelijke rente verschuldigd zal zijn met ingang van de vijftiende dag na de datum van het te dezen te wijzen vonnis;

(iv) in de nakosten, conform het liquidatietarief begroot op € 131,00 dan wel, in het geval van betekening, € 199,00.

3.2

[eiser] heeft -naast de hierboven onder 2. genoemde vaststaande feiten- zakelijk weergegeven aan zijn vordering ten grondslag gelegd dat [gedaagde] tekort is geschoten in de nakoming van de tussen partijen gesloten huurovereenkomst door een huurachterstand te laten ontstaan die, berekend tot en met de maand juni 2018, € 2.800,00 bedraagt. [eiser] verhuurt de woning om dubbele hypotheeklasten te kunnen opvangen en ondervindt, doordat [gedaagde] niet aan zijn verplichtingen voldoet, rechtstreeks financieel nadeel, in die zin dat de huurpenningen niet worden voldaan waardoor [eiser] zijn hypotheek niet (meer) kan aflossen. Als gevolg hiervan heeft zijn hypotheekverstrekker te kennen gegeven dat [eiser], om opzegging van de hypothecaire lening te voorkomen, de verhuursituatie van zijn woning uiterlijk 1 juli 2018 ongedaan dient te maken. De spoedeisendheid van de vorderingen is hiermee gegeven.

3.3

[gedaagde] concludeert tot afwijzing van de gevorderde voorzieningen en heeft daartoe het volgende aangevoerd.

[gedaagde] betwist dat [eiser] een spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorzieningen.

[gedaagde] heeft het gehuurde in 2006 betrokken en moest in dit kader een stuk van [eiser] ondertekenen. Op dit stuk stond als huurprijs een bedrag van € 450,00 vermeld, omdat [eiser] anders problemen zou krijgen. Sinds het aangaan van de huurovereenkomst bracht [eiser] feitelijk een bedrag van € 750,00 aan huur in rekening, welk bedrag [gedaagde] op verzoek van [eiser] maandelijks contant aan [eiser] heeft voldaan. [eiser] verstrekte daar geen kwitanties van. Van een huurachterstand is geen sprake.

[gedaagde] en zijn gezin hebben een groot belang om in het gehuurde te blijven wonen en hebben geen andere plek om te verblijven. De twee dochters van 10 en 8 jaar oud gaan in de buurt naar school gaan en hebben daar een vriendenkring opgebouwd.

Voor het geval de vordering tot ontruiming wordt toegewezen voert [gedaagde] verweer tegen de ontruimingstermijn van 5 dagen en tegen de gevorderde uitvoerbaar bij voorraad verklaring.

3.4

De overige stellingen van partijen zullen -voor zover daartoe relevant- in het hiernavolgende worden besproken.

4 De beoordeling

4.1

Voldoende is gebleken dat [eiser] een spoedeisend belang heeft bij de door hem gevorderde voorzieningen, zodat hij in zoverre ontvankelijk is in zijn vorderingen.

4.2

In dit kort geding moet aan de hand van de door partijen gepresenteerde feiten, zonder nader onderzoek, beoordeeld worden of de vorderingen in een bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben, dat vooruitlopen daarop door het toewijzen van een voorlopige voorziening reeds nu gerechtvaardigd is. De gevorderde ontruiming zal bij toewijzing zeer ingrijpende en vrijwel niet terug te draaien gevolgen hebben voor [gedaagde]. Om tot toewijzing van die vordering te kunnen komen, dient er dan ook een grote mate van zekerheid te bestaan dat de bodemrechter de huurovereenkomst zal ontbinden en ontruiming zal bevelen.

4.3

[gedaagde] heeft ter onderbouwing van zijn verweer een verklaring van zijn echtgenote in het geding gebracht waarin zij verklaart dat maandelijks contant een bedrag van € 750,00 aan [eiser] werd betaald. Daarnaast heeft Ramanadov een verklaring van een buurvrouw overgelegd die daarin verklaart dat zij gezien heeft dat [gedaagde] een bedrag van € 750,00 aan [eiser] heeft betaald.

4.4

Het had, gelet op de gemotiveerde betwisting door [gedaagde], op de weg van [eiser] gelegen om zijn vorderingen nader -zo mogelijk aan de hand van schriftelijke stukken- te onderbouwen. Een specificatie van de huurachterstand waaruit in elk geval blijkt over welke maanden geen huur zou zijn betaald ontbreekt. Tijdens de mondelinge behandeling bleef een concreet antwoord van de zijde van [eiser] op de vraag van de kantonrechter op welke maanden de huurachterstand exact ziet uit. [eiser] heeft tijdens de mondelinge behandeling in dat verband weliswaar verwezen naar whatsappberichten die hij aan [gedaagde] zou hebben gestuurd en waarin de huurachterstand volgens hem vermeld zou staan en naar een filmpje waarop te zien zou zijn dat [gedaagde] instemmend knikt wanneer [eiser] hem meedeelt dat hij de huur nog moet betalen, echter noch de whatsappberichten noch het filmpje zijn door [eiser] in het geding gebracht of ter zitting getoond.

Nu op verzoek van [eiser] de huur contant werd betaald en [eiser] er bovendien voor koos om geen kwitanties af te geven had het op zijn weg gelegen om in elk geval een deugdelijke administratie van de huurbetalingen bij te houden. Dat hij dit niet heeft gedaan komt voor zijn rekening en risico.

4.5

De kantonrechter is gelet op het vorenstaande van oordeel dat het bestaan van de door [eiser] gestelde huurachterstand onvoldoende aannemelijk is geworden. Om die reden worden de door hem gevorderde voorzieningen afgewezen.

4.6

[eiser] wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten.

5 De beslissing

De kantonrechter,

rechtdoende in kort geding:

wijst de vorderingen af;

veroordeelt [eiser] in de proceskosten aan de zijde van [gedaagde] vastgesteld op € 400,00 aan salaris voor de gemachtigde;

verklaart dit vonnis ten aanzien van de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. K.J. Bezuijen en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

426