Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:5369

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
06-02-2018
Datum publicatie
05-07-2018
Zaaknummer
10/661254-17 / parketnummers vorderingen TUL VV: 10/662021-16 en 10/100932-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich op zeventienjarige leeftijd op 9 oktober 2017 te Rotterdam samen met anderen schuldig gemaakt aan afpersing van een jongen door deze te dwingen zijn mobiele telefoon af te geven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team jeugd

Parketnummer: 10/661254-17

Parketnummers vorderingen TUL VV: 10/662021-16 en 10/100932-17

Datum uitspraak: 6 februari 2018

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte]

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres

[adres verdachte] , [woonplaats verdachte] ,

raadsman mr. B. Kiziloçak, advocaat te Rotterdam.

1 Onderzoek op de terechtzittin

Gelet is op het onderzoek op de besloten terechtzitting van 23 januari 2018.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. H.J. du Croix heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot jeugddetentie voor de duur van 73 dagen met aftrek
    van voorarrest, waarvan 30 dagenvoorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar met als algemene voorwaarde onder meer dat de verdachte zich zal houden aan de aanwijzingen van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond en als bijzondere voorwaarde dat hij zal meewerken aan begeleiding door een jongerencoach.

  • -

    met opdracht aan de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarde en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Bewijswaardering

4.1.1.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde in vereniging gepleegde diefstal door middel van bedreiging met geweld.

4.1.2.

Standpunt verdediging

Namens de verdachte heeft de raadsman integrale vrijspraak van het ten laste gelegde bepleit, op grond van het ontbreken van voldoende wettig en overtuigend bewijs. De raadsman heeft betoogd dat op grond van de inhoud van het dossier niet kan worden vastgesteld of de telefoon van de aangever is afgepakt of onder bedreiging met geweld is afgegeven.

Met betrekking tot de diefstal onder bedreiging van geweld is daartoe aangevoerd dat aangever [naam slachtoffer] tegen de politie en de rechter-commissaris dermate tegenstrijdige en inconsistente verklaringen heeft afgelegd over de wijze waarop en het moment dat zijn telefoon gestolen zou zijn, dat zijn aangifte en nadere verklaringen wegens onbetrouwbaarheid van het bewijs moeten worden uitgesloten.

Met betrekking tot de afpersing heeft de raadsman aangevoerd dat de verdachte geen opzet had op het afpersen van de telefoon en dat uit de bewijsmiddelen ook niet kan worden afgeleid dat aangever [naam slachtoffer] de telefoon aan verdachte heeft afgegeven omdat hij zich bedreigd heeft gevoeld door de verdachte. De verdachte heeft op enig moment weliswaar de telefoon van aangever in handen, maar nergens uit blijkt dat de verdachte de intentie had om zich de telefoon toe te eigenen. De verdachte wilde de telefoon weer aan de aangever teruggeven, maar heeft daar niet de gelegenheid toe gehad, omdat aangever met een knuppel zijn woning uit kwam stormen, waarop de verdachte niet anders kon dan wegvluchten.

De raadsman heeft er voorts op gewezen dat aangever naar eigen zeggen de verdachte zelf heeft meegelokt naar zijn woning, en geen gebruik heeft gemaakt van mogelijkheden om hulp (van de politie) in te schakelen op momenten dat hij daar de gelegenheid toe had.

Ten slotte heeft de raadsman aangevoerd dat wettig en overtuigend bewijs ontbreekt dat de verdachte de afpersing in vereniging met anderen gepleegd zou hebben, omdat op grond van het dossier niet blijkt dat er sprake is geweest van een bewuste en nauwe samenwerking tussen de verdachte en de groep jongens die bij de verdachte aanwezig was, en de verdachte daar ook geen opzet toe heeft gehad.

4.1.3.

Beoordeling

De volgende feiten en omstandigheden kunnen op grond van de inhoud van de

bewijsmiddelen als vaststaand worden aangemerkt. Deze feiten hebben op de terechtzitting niet ter discussie gestaan en kunnen zonder nadere motivering dienen als vertrekpunt voor de beoordeling van de bewijsvraag.

Op 9 oktober 2018 heeft de verdachte aangever [naam slachtoffer] te Rotterdam in de metro ontmoet en hem om geld gevraagd. De verdachte was samen met een groep van zeven jongens. De verdachte en die groep jongens zijn vervolgens samen met aangever uit de metro gestapt en meegelopen naar de woning van aangever. Op weg naar de woning van de aangever is er vanuit de groep onder meer naar aangever geroepen: “Als je gaat wegrennen ben je dood”. Aangekomen bij het flatgebouw waar de woning van aangever is gesitueerd, is de verdachte met aangever meegelopen naar boven en is de groep beneden blijven wachten. Vanuit de groep is tegen de aangever geroepen: “Als je naar binnen gaat in je woning en je komt niet meer naar buiten, dan is je deur er niet meer”.

Door de verdachte is tegen de aangever gezegd dat hij de telefoon van aangever bij zich zou houden als borg, omdat hij er zeker van wilde zijn dat aangever terug zou komen met geld. Aangever is zijn woning binnen gegaan en kwam vervolgens met een knuppel weer naar buiten, waarop de verdachte en de andere jongens met medeneming van de telefoon van aangever (Samsung Grand Neo Plus) zijn weggevlucht.

Voor wat betreft de wijze waarop de telefoon van de aangever in de handen van de verdachte terecht is gekomen bezigt de rechtbank niet de verklaringen van de aangever waar die kort gezegd inhouden dat de telefoon van hem is afgepakt. Partiële vrijspraak volgt ten aanzien van de ten laste gelegde diefstal met (bedreiging met) geweld.

De rechtbank acht de ten laste gelegde afpersing van de telefoon wel wettig en overtuigend bewezen en overweegt hieromtrent het navolgende.

De verdachte heeft verklaard dat hij aan de aangever vroeg om de telefoon aan hem te geven, en dat de aangever dit vervolgens heeft gedaan. Door de verdachte is tevens verklaard dat de aangever hem niets verschuldigd was (geld noch telefoon) en dat hij denkt dat aangever zijn telefoon aan hem heeft afgegeven, omdat hij bang was voor hem en de groep.

Verder heeft verdachte verklaard dat hij heeft gehoord dat vanuit de groep tegen aangever onder meer is geroepen: “Als je gaat wegrennen ben je dood” en “Als je naar binnen gaat in je woning en je komt niet meer naar buiten, dan is je deur er niet meer”, en, dat hij zich kon voorstellen dat aangever daar bang van werd.

Ter terechtzitting heeft de verdachte verklaard dat de groep gehoord heeft dat hij in de metro geld vroeg aan de aangever, en tevens gehoord heeft dat hij, aangekomen bij het flatgebouw waar de aangever woonde, om de telefoon van aangever vroeg.

Verdachte heeft dus, binnen de context van een poging tot afpersing van geld (hetgeen niet ten laste is gelegd), de aangever gedwongen tot afgifte van zijn mobiele telefoon, naar eigen zeggen als borg. De conclusie daaruit is dat verdachtes opzet tevens op de afpersing van die telefoon gericht is geweest. Het eventuele voornemen van de verdachte de telefoon terug te geven als hij geld van de aangever (dat dan eveneens zou zijn afgeperst) zou hebben ontvangen, doet niet af aan die conclusie.

Van vrijwillige afgifte van de telefoon is naar het oordeel van de rechtbank, gelet op de bedreigingen met geweld vanuit de groep en het feit dat aangever daar bang van was, geen sprake.

Voorts is de rechtbank van oordeel dat de voormelde feiten en omstandigheden in hun onderling verband en samenhang voldoende zijn om te kunnen spreken van een bewuste en nauwe samenwerking van de verdachte met de groep medeverdachten. Vanaf het moment dat verdachte en de groep samen met aangever uit de metro stapten was het voor de deelnemers van die groep duidelijk dat de verdachte geld van de aangever wilde krijgen. Door de deelnemers van de groep zijn vervolgens bedreigingen naar de aangever geroepen en de groep is samen met de verdachte en aangever naar het huis van aangever gelopen. Daar aangekomen werden vanuit de groep weer bedreigingen naar de aangever geroepen en bleef de groep aanwezig. Verdachte heeft zich niet gedistantieerd van de groep maar heeft van de bedreigingen vanuit de groep bewust gebruik gemaakt.

4.2.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

hij op oktober 2017 te Rotterdam, althans in Nederland

tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om zich of anderen wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging van geweld [naam slachtoffer] heeft gedwongen tot de afgifte van

- een telefoon (Samsung Grand Neo Plus), toebehorende aan [naam slachtoffer] , welke bedreiging met geweld bestond (en) uit het toevoegen aan die [naam slachtoffer] van de woorden "Als je gaat wegrennen ben je dood" en "Als je naar binnen gaat in je woning en je komt niet meer naar buiten, dan is je deur er niet meer" en "deze telefoon houd ik als borg, als je geld hebt gegeven dan krijg je hem weer terug", althans woorden van gelijke aard en/of strekking.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

5 Strafbaarheid feit

Het bewezen feit levert op:

afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het feit is dus strafbaar.

6 Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

7 Motivering straf

7.1.

Algemene overweging

De straffen die aan de verdachte worden opgelegd, zijn gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

7.2.

Feit waarop de straf is gebaseerd

Verdachte heeft zich op zeventienjarige leeftijd op 9 oktober 2017 te Rotterdam samen met anderen schuldig gemaakt aan afpersing van een jongen door deze te dwingen zijn mobiele telefoon af te geven. De verdachte heeft het slachtoffer hierbij samen met anderen geïntimideerd door bedreigingen te uiten en hem vanaf de metro te volgen tot aan zijn woning. Door zo te handelen heeft de verdachte het slachtoffer angst aangejaagd. Het is een feit van algemene bekendheid dat de impact van dergelijke feiten op slachtoffers groot is.

7.3.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

7.3.1.

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van

2 januari 2018, waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten en in twee proeftijden van eerdere veroordelingen liep. Dit heeft de verdachte er echter niet van weerhouden om opnieuw strafbare feiten te plegen

7.3.2.

Rapportages

De rechtbank heeft acht geslagen op de navolgende recente rapportages die zijn opgemaakt ten aanzien van de persoon van de verdachte:

Psychiater D. Matser heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 28 december 2017. Dit rapport houdt voor zover van belang het volgende in:

Er is bij de verdachte niet in engere zin sprake van een ziekelijke stoornis en/of gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens. Wel is sprake van een ouder-kind-relatieprobleem. Onderzoeker adviseert het ten laste gelegde (indien bewezen verklaard) volledig toe te rekenen.

Wanneer gekeken wordt naar de zorgbehoefte en de mogelijkheden tot beïnvloeding van de risicofactoren van verdachte komt onderzoeker uit bij de directe omgeving van verdachte, waarbij het doel is dat moeder beter zicht heeft op (het leven van) verdachte. Daarom adviseert onderzoeker een gezinstherapie (of gezinsgericht werken door de JB-er) om te leren weer met elkaar inhoudelijk te praten en beter op de hoogte te zijn van elkaars leven. Daarnaast lijken er risico 's te bestaan in de omgang met buurtgenoten die ook betrokken lijken te zijn bij het ten laste gelegde feit. Begeleiding door een jongerencoach die de buurt goed kent en kan inschatten hoe de onderlinge verhoudingen in de buurt liggen kan daarom een duidelijke meerwaarde hebben. Zeker wanneer deze jongerencoach een klik heeft met verdachte en zijn taal spreekt.

Als juridisch kader adviseert de onderzoeker een voorwaardelijk strafdeel op te leggen, waarbij verdachte zich dient te houden aan begeleiding door de jeugdreclassering en de jongerencoach. Daarnaast ook meedoen aan systeemgerichte therapie wanneer de jeugdbeschermer dit wenselijk acht. Dit kader lijkt afdoende te zijn voor verdachte.

Psycholoog E. Vlieg heeft een rapport over de verdachte opgemaakt gedateerd 21 december 2017. Dit rapport houdt voor zover van belang het volgende in:

Er is bij verdachte geen sprake van een stoornis of een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens, maar er is bij hem wel sprake van een bedreigde ontwikkeling. Deze is ingegeven door persoonskenmerken en in samenspel met factoren in de opvoedingsomgeving. Zo wordt er in het gezin van verdachte weinig gecommuniceerd en lijkt het geloof van moeder (genootschap van Jehovagetuigen) zijn stempel te drukken op het gezinsklimaat. Deze ontwikkelingsbedreiging van verdachte wordt als grootste risicofactor beschouwd, met zowel het oog op zijn verdere ontwikkeling als het recidivegevaar.

Voorts zijn er nog andere persoonsgebonden en omgevingsfactoren naar voren gekomen die als risico verhogend kunnen worden aangemerkt. Terwijl verdachte een jaar geleden nog te boek stond als een first-offender, heeft hij in een tijdbestek van één jaar een - divers - strafblad opgebouwd en onvoldoende meegewerkt aan justitiële interventies. Daarbij heeft hij in datzelfde jaar zijn interesse voor school verloren en is er sprake van antisociale contacten. Deze factoren worden evenzo als zwaarwegend beschouwd bij de inschatting van mogelijk toekomstig delictgedrag. Er zijn echter ook beschermende factoren aan te wijzen die een positief effect op het recidivegevaar kunnen hebben. Zo is verdachte gemiddeld intelligent en is hij sociaal voldoende competent. Er speelt geen agressie-problematiek en er zou geen sprake zijn van middelengebruik. Daarbij heeft hij een gestructureerde vrijetijdsbesteding (voetbal).

Vanwege met name de bedreigde ontwikkeling van verdachte bestaat er gevaar van recidive die interventie behoeft. Ter versterking van de al bestaande beschermende factoren en ter reductie van de risicofactoren dient er individuele ondersteuning en systeemgerichte hulp te worden ingezet. Bij verdachte wordt gedacht aan voortzetting van de geboden steun door de jongerenwerker van het wijkteam. Voor het gezin als geheel zou Multi Systeem Therapie (MST) vanuit 'De Viersprong' een geëigende interventie zijn. Dit voorgestelde hulpaanbod zou juridisch ingekaderd kunnen worden via een voorwaardelijke straf. Naar verwachting zal het recidivegevaar zo in belangrijke mate teruggedrongen worden en de verdere ontwikkeling van verdachte minder gevaar lopen.

Daarnaast zou voortzetting van de begeleiding door de Jeugdreclassering wenselijk zijn om een vinger aan de pols te houden.

De gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond, (hierna: te noemen de jeugdbescherming) heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 12 januari 2018. Dit rapport houdt het volgende in:

De jeugdreclasseerder vindt de inzet van MST wenselijk in het gezin, net als de voortzetting van de hulpverlening van de jongerencoach. Doelen voor MST zouden dan zijn:

- Beide ouders zijn betrokken bij verdachte

- Ouders maken afspraken over het (co-)ouderschap

- Er wordt gecommuniceerd met elkaar in het gezin

- Er dient meer zicht te komen over de rol van religie in het gezin en de invloed die dit heeft

op het huidig functioneren van verdachte.

- Verdachte kan zijn emoties en gevoelens uiten

Ten aanzien van de bijbaan, is de jeugdreclasseerder van mening dat dit wenselijk is, maar niet als bijzondere voorwaarde. De reden hiervan is dat verdachte nu voor de tweede maal een niveau 1 opleiding volgt en verdachte deze opleiding in juni 2018 dient af te ronden. Daarnaast heeft verdachte nog een achterstand op school weg te werken. Indien een bijbaan met school te combineren is, zal hier op ingezet gaan worden.

Met bovenstaande in acht genomen, komt de jeugdreclassering tot het volgende strafadvies:

Indien de rechtbank verdachte schuldig acht aan de aan hem ten laste gelegde feit, adviseert de jeugdreclassering om een onvoorwaardelijke straf gelijk aan het voorarrest op te leggen en een voorwaardelijke werkstraf met een proeftijd van 2 jaar en als bijzondere voorwaarden dat de minderjarige:

- Meldplicht heeft bij de jeugdreclassering

- Naar school gaat volgens rooster en zijn startkwalificatie behaald.

- Meewerkt aan de begeleiding van de jongerencoach uit het wijkteam

- Meewerkt aan de behandeling MST bij hoofdaanbieder Prokino met onderaannemer de Viersprong of de Waag.

Ten aanzien van de vordering tenuitvoerlegging TUL (parketnummer: :10-100932-17) adviseert de jeugdreclassering de voorwaardelijke werkstraf van 20 uren ten uitvoer te leggen.

De Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 15 januari 2017. Dit rapport houdt het volgende in.

De Raad heeft ernstige zorgen om de verdachte op verschillende levensgebieden en is van mening dat een leerstraf een meerwaarde heeft, omdat verdachte over onvoldoende vaardigheden lijkt te beschikken en op dit gebied zorgen naar voren komen. Verdachte zou gebaat zijn bij een leerstraf TOOLs4U plus, waarbij ouders betrokken dienen te worden. Hiernaast is de Raad van mening dat MST ingezet dient te worden gezien de geconstateerde problematiek binnen het gezinssysteem.

De Raad is van mening dat nu verdachte in twee proeftijden gerecidiveerd is, zijn eerder opgelegde straf ten uitvoer wordt gelegd. De Raad is van mening dat het op dit moment niet in het belang van verdachte is om detentie op te leggen, daar verdachte niet gebaat is bij detentie maar bij intensieve begeleiding, zodat zijn ontwikkeling niet in het geding komt en hij zich kan richten op zijn verdere ontwikkeling.

De Raad is van mening dat, indien verdachte schuldig bevonden wordt, hij de

consequenties van zijn negatieve gedrag dient te ervaren en adviseert de rechtbank een deels voorwaardelijke jeugddetentie op te leggen, onder de bijzondere voorwaarden dat de verdachte:

- meewerkt aan hulpverlening die de jeugdreclassering wenselijk acht

- meewerkt aan MST

- zich houdt aan een contactverbod met medeverdachten

- zich houdt aan een contactverbod met slachtoffers

waarbij aan de gecertificeerde instelling te weten Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond opdracht wordt gegeven toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de minderjarige ten behoeve daarvan te begeleiden.

Hiernaast adviseert de Raad de verdachte een taakstraf op te leggen in de vorm van een leerstraf, te weten de gedragsinterventie TOOLs4U plus.

De Raad adviseert de kinderrechter dat de voorwaardelijk aan de verdachte opgelegde jeugddetentie geheel ten uitvoer wordt gelegd en dat deze omgezet wordt in een werkstraf.

7.4.

Conclusies van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

Toerekeningsvatbaarheid

Nu de conclusies van de psychiater en psycholoog gedragen worden door hun bevindingen en door hetgeen ook overigens op de terechtzitting is gebleken, neemt de rechtbank die conclusies over en maakt die tot de hare. De verdachte wordt dus toerekeningsvatbaar geacht.

Straffen

Gezien de ernst van het feit kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een jeugddetentie. Bij de bepaling van de duur van de jeugddetentie heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd

Voorts zal de rechtbank de door de raad geadviseerde leerstraf Tools4U plus opleggen.

Nu de psychiater, psycholoog, de Raad en de jeugdreclassering begeleiding en bijzondere voorwaarden noodzakelijk achten, zal de rechtbank een deel van de voorgenomen straf voorwaardelijk opleggen, met de voorwaarden die hierna worden genoemd. Dit voorwaardelijk strafdeel dient er tevens toe de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen.

Anders dan is geadviseerd, ziet de rechtbank geen aanleiding de verdachte te verplichten deel te nemen aan MST, omdat wordt ingeschat dat daarvoor binnen het gezin onvoldoende draagvlak is en het voor het slagen van dit traject essentieel is dat men daar als gezin actief en gemotiveerd aan deelneemt. Voorts is tijdens de terechtzitting gebleken dat de vader definitief naar Curaçao lijkt te zijn vertrokken. Met behulp van de MST had juist ook de betrokkenheid van de vader kunnen worden vergroot maar dat is door zijn vertrek niet meer haalbaar.

Algemene afsluiting

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straffen passend en geboden.

8 Vordering benadeelde partij/ schadevergoedingsmaatregel

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [naam benadeelde] , wonende te Rotterdam, ter zake van het tenlastegelegde feit.

De benadeelde partij vordert een bedrag van € 200,-- aan materiële schade vermeerderd met de wettelijke rente.

8.1.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van het volledige gevorderde bedrag, nu de officier van justitie het gevorderde bedrag redelijk en billijk acht.

Voorts heeft de officier van justitie verzocht de vordering hoofdelijk toe te wijzen en om aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

8.2.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft primair betoogd dat de vordering niet ontvankelijk dient te worden verklaard vanwege de bepleite integrale vrijspraak van het tenlastegelegde en subsidiair is niet ontvankelijkheid van de vordering bepleit op grond dat deze door de benadeelde partij niet is onderbouwd met stukken.

8.3.

Beoordeling

Nu is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij [naam benadeelde] door het bewezen verklaarde strafbare feit, rechtstreeks (materiële) schade is toegebracht en de vordering genoegzaam is onderbouwd, zal deze, ondanks de betwisting door de verdachte, gedeeltelijk worden toegewezen.

De benadeelde partij heeft zijn telefoon niet meer terug gekregen en de rechtbank acht het billijk, gezien de ouderdom en de beschadigde staat van de telefoon, dat de verdachte een bedrag van € 50,-- daarvoor dient te vergoeden, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 9 oktober 2017.

Nu de verdachte het strafbare feit, ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met mededaders heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Indien en voor zover de mededaders de benadeelde partij betalen is de verdachte in zoverre jegens de benadeelde partij van deze betalingsverplichting bevrijd.

Het deel van de vordering van de benadeelde partij dat betrekking heeft op het meer gevorderde, levert een onevenredige belasting van het strafgeding op. De benadeelde partij zal in zoverre niet-ontvankelijk worden verklaard. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

8.4.

Conclusie

De verdachte moet de benadeelde partij een schadevergoeding betalen van € 50,--, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 9 oktober 2017.

Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

9 Vorderingen tenuitvoerlegging

Ten aanzien van parketnummer 10/100932-17

9.1.

Vonnis waarvan tenuitvoerlegging wordt gevorderd

Bij vonnis van de kinderrechter in deze rechtbank is de verdachte ter zake van diefstal en mishandeling veroordeeld voor zover van belang tot een taakstaf bestaande uit een werkstraf van 60 uren, waarvan een gedeelte groot 20 uren voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar.

De proeftijd is ingegaan op 29 september 2017.

9.2.

Standpunt officier van justitie/Standpunt verdediging

De officier van justitie heeft tijdens de behandeling ter terechtzitting van 23 januari 2018 de vordering tot tenuitvoerlegging van 20 uren werkstraf gewijzigd in die zin dat zij heeft gevorderd de voorwaardelijke straf slechts gedeeltelijk, te weten 10 uren werkstraf, ten uitvoer te leggen.

De verdediging heeft verzocht de vordering tenuitvoerlegging af te wijzen.

9.3.

Beoordeling

Het hierboven bewezen verklaarde feit is na het wijzen van dit vonnis en voor het einde van de proeftijd gepleegd. Door het plegen van het bewezen feit heeft de verdachte de aan het vonnis verbonden algemene voorwaarde, dat hij voor het einde van de proeftijd geen nieuwe strafbare feiten zou plegen, niet nageleefd.

Daarom zal de tenuitvoerlegging worden gelast van het voorwaardelijk gedeelte van de bij dat vonnis aan de verdachte opgelegde voorwaardelijke straf. Voor slechts een gedeeltelijke tenuitvoerlegging ziet de rechtbank geen reden.

Ten aanzien van parketnummer 10/662021-16

9.4.

Vonnis waarvan tenuitvoerlegging wordt gevorderd

Bij vonnis van 18 april 2017 van de meervoudige kamer van deze rechtbank is de verdachte ter zake van ontuchtige handelingen met een minderjarige beneden de leeftijd van twaalf jaren veroordeeld voor zover van belang tot een jeugddetentie van 2 weken voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar.

De proeftijd is ingegaan op 3 mei 2017.

9.5.

Standpunt officier van justitie/Standpunt verdediging

De officier van justitie heeft tijdens de behandeling ter terechtzitting van 23 januari 2018 geconcludeerd tot afwijzing van de vordering tenuitvoerlegging.

De verdediging heeft verzocht de vordering tenuitvoerlegging af te wijzen.

9.6.

Beoordeling

Het hierboven bewezen verklaarde feit is na het wijzen van dit vonnis en voor het einde van de proeftijd gepleegd. Door het plegen van het bewezen feit heeft de verdachte de aan het vonnis verbonden algemene voorwaarde, dat hij voor het einde van de proeftijd geen nieuwe strafbare feiten zou plegen, niet nageleefd.

In beginsel kan daarom de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straf worden gelast. De rechtbank acht het thans echter niet opportuun deze last te geven en wijst de vordering tenuitvoerlegging daarom af.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 47, 77a, 77g, 77h, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77gg, 317 van het Wetboek van Strafrecht.

11 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

12 Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van 57 (zevenenvijftig) dagen,

bepaalt dat deze jeugddetentie een gedeelte van de jeugddetentie groot 14 (veertien dagen), niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten wegens niet nakoming van na te melden voorwaarden;

stelt de proeftijd vast op twee jaren onder de algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich voor het einde van die proeftijd niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit zijn medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 Wet op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden;

- zijn medewerking zal verlenen aan het door de jeugdreclassering te houden toezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich gedurende een door gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond te bepalen periode (die loopt tot maximaal het einde van de proeftijd) en op door de jeugdreclassering te bepalen tijdstippen zal melden bij de reclassering, zo frequent en zo lang deze instelling dat noodzakelijk acht;

- gedurende de proeftijd op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal opnemen, zoeken of hebben met [naam slachtoffer] , geboren op [geboortedatum slachtoffer] 2002 te [geboorteplaats slachtoffer] , zo lang de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht;

- gedurende de proeftijd medewerking zal verlenen aan de begeleiding door een jongerencoach van het Wijkteam;

geeft opdracht aan de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;


beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

legt de verdachte een taakstraf op, bestaande uit een leerstraf voor de duur van 25 (vijfentwintig) uur, waarbij de verdachte dient deel te nemen aan het leerproject

Tools4U plus van de Raad voor de Kinderbescherming;

beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de leerstraf niet naar behoren verricht, vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 12 (twaalf) dagen;

heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte, dat bij eerdere beslissing is geschorst;

veroordeelt de verdachte hoofdelijk met zijn mededaders, om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [naam benadeelde] , te betalen een bedrag van € 50,-- (zegge: vijftig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 9 oktober 2017 tot aan de dag der algehele voldoening;

bepaalt dat de verdachte bij gehele of gedeeltelijke betaling door de mededaders van de verdachte aan de benadeelde partij [naam benadeelde] , zal zijn bevrijd tot de hoogte van het betaalde bedrag;

verklaart de benadeelde partij [naam benadeelde] niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij [naam benadeelde] gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij [naam benadeelde] te betalen € 50,-- (zegge: vijftig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 9 oktober 2017 tot aan de dag van de algehele voldoening; beveelt dat bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal van het bedrag van € 50,-- vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 1 dag; toepassing van de vervangende jeugddetentie heft de betalingsverplichting niet op;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij [naam benadeelde] , waaronder begrepen betaling door zijn mededaders, tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd;

gelast de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde werkstraf voor de duur van 20 (twintig) uren subsidiair 10 (tien) dagen vervangende jeugddetentie, opgelegd bij vonnis van de kinderrechter van 14 september 2017 in de zaak met parketnummer 10/100932-17;

wijst af de gevorderde tenuitvoerlegging van de bij voormeld vonnis van 18 april 2017 in de zaak met parketnummer 10/662021-16 van de meervoudige kamer van deze rechtbank aan de veroordeelde opgelegde voorwaardelijke jeugddetentie.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. J.A.J.M. Janssen-Timmermans, voorzitter, tevens kinderrechter,

en mrs. M. de Geus en A.M.T.A. Verhagen, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. K.J. Berke, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 6 februari 2018.

De voorzitter en de jongste rechter zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 09 oktober 2017 te Rotterdam, althans in Nederland

tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,

met het oogmerk om zich of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen

door geweld en/of bedreiging van geweld [naam slachtoffer] heeft gedwongen tot de

afgifte van

- een telefoon (Samsung Grand Neo Plus) in elk geval enig goed, geheel of ten

dele toebehorende aan die [naam slachtoffer] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan

verdachte en/of zijn mededader(s),

en/of

met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen

- een telefoon (Samsung Grand Neo Plus), in elk geval enig goed, geheel of ten

dele toebehorende aan [naam slachtoffer] , in elk geval aan een ander of anderen dan

aan verdachte en/of zijn mededader(s),

welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van gewelden/of bedreiging met geweld tegen die [naam slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan (een) andere deelnemer(s) van voormeld

misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit het toevoegen aan die [naam slachtoffer] van de woorden "Als je gaat wegrennen ben je dood" en/of "Als je naar binnen gaat in je woning en je komt niet meer naar buiten, dan is je deur er niet meer" en/of "deze telefoon houd ik als borg, als je geld hebt gegeven dan krijg je hem weer terug", althans woorden van gelijke aard en/of strekking;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 312 lid 2 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht