Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:5346

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
06-02-2018
Datum publicatie
06-07-2018
Zaaknummer
6479245 VERZ 17-28221
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Verzoek ontbinding door werknemer ex artikel 7:671c BW. Geen sprake verwijtbaar handelen werkgeefster.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2018-0771
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 6479245 VERZ 17-28221

uitspraak: 6 februari 2018

beschikking van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van:

[verzoeker],

wonende te [plaatsnaam],

verzoeker,

gemachtigde: mr. J. Kramer,

tegen

[verweerster],

praktijkhoudende te [plaatsnaam],

verweerster,

gemachtigde: mr. M. Butter.

Partijen worden hierna aangeduid als respectievelijk “[verzoeker]” en “[verweerster]”.

1 Het verloop van de procedure

1.1

Het verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken, waarvan de kantonrechter kennis heeft genomen:

  • -

    het verzoekschrift, binnengekomen ter griffie op 20 november 2017, met producties;

  • -

    het verweerschrift, binnengekomen ter griffie op 9 januari 2018, met producties;

  • -

    de nader overgelegde producties 9, 10 en 11 aan de zijde van [verzoeker];

  • -

    de nader overgelegde producties 20 tot en met 23 aan de zijde van [verweerster];

  • -

    de pleitaantekeningen aan de zijde van [verzoeker].

1.2

De mondelinge behandeling is gehouden op 16 januari 2018. [verzoeker] is verschenen, bijgestaan door de gemachtigde mr. J. Kramer. [verweerster] is verschenen, bijgestaan door de gemachtigde mr. M. Butter. Beide partijen hebben ter zitting hun standpunten (nader) toegelicht. Van hetgeen ter zitting is besproken heeft de griffier aantekeningen gemaakt.

1.3

De uitspraak van de beschikking is bepaald op heden.

2 De vaststaande feiten

In de onderhavige procedure zal - voor zover thans van belang - van de volgende vaststaande feiten worden uitgegaan.

2.1

[verzoeker], geboren op [geboortedatum] 1974, is op 7 april 2010 in dienst getreden bij de (rechtsvoorgangster van) [verweerster] in de functie van doktersassistent. De arbeidsomvang van [verzoeker] bedraagt 21 uur per week.

2.2

Op de arbeidsovereenkomst is de CAO Huisartsenzorg van toepassing.

2.3

Het laatstverdiende salaris van [verzoeker] bedraagt € 1.620,86 bruto per maand, te vermeerderen met 8% vakantietoeslag en 6% eindejaarsuitkering.

2.4

[verweerster] was vanaf november 2015 tot juli 2016 als huisarts in loondienst werkzaam in de huisartsenpraktijk. [verweerster] heeft op 1 juli 2016 de praktijk met drie medewerkers, waaronder [verzoeker], overgenomen.

2.5

Tussen [verzoeker] en [verweerster] heeft op 27 juni 2017 een gesprek plaatsgevonden waarbij beëindiging van de arbeidsovereenkomst van [verzoeker] aan de orde is gekomen.

Door [verweerster] is vervolgens een beëindigingsvoorstel opgesteld. Partijen hebben daarna (via hun gemachtigden) onderhandeld over een beëindiging, maar zij zijn niet tot overeenstemming gekomen.

2.6

[verzoeker] heeft zich op 13 juli 2017 ziek gemeld. Het advies van de bedrijfsarts van

17 juli 2017 luidt - voor zover van belang - als volgt:

(…) “Werknemer ervaart klachten die samenhangen met de werksituatie. Er zou sprake zijn van een toename van de reeds bestaande medische klachten door de ervaren spanningen rondom het werk. (…)

Op basis van de verkregen informatie kan ik nu niet komen tot een adequate beoordeling van de belastbaarheid van uw werknemer. Maar om verdere verergering van zijn bestaande klachten en beperkingen te voorkomen is het advies:

1. werknemer tijdelijk nog niet te belasten met werk in de huidige werksituatie en eerst op zoek te gaan naar een passende oplossing voor de ontstane werksituatie.

2. dat werknemer en werkgever zo snel mogelijk komen tot een passende oplossing voor de ontstane werksituatie. Ik begrijp zowel van de werkgever als de werknemer dat er oplossingsgerichte gesprekken gaande zijn.

3. dat werknemer contact opneemt met zijn behandelaar voor een optimale behandeling van zijn klachten”. (…)

2.7

Op 27 september 2017 heeft tussen [verzoeker] en [verweerster] mediation plaatsgevonden. Na het eerste gesprek is de mediation beëindigd zonder dat partijen overeenstemming hebben bereikt.

2.8

De tussentijdse evaluatie van de bedrijfsarts van 10 oktober 2017 luidt - voor zover van belang - als volgt:

(…) “Huidige stand van zaken

Ik heb begrepen dat het mediation traject inmiddels afgesloten is.

Ook is mij duidelijk geworden dat er nog stevige werkproblematiek speelt en derhalve verneem ik nu graag van de werkgever hoe er aangekeken wordt tegen de oplosbaarheid van de aanwezige werkknelpunten. (…)

Advies

Het alvast onderling werk maken van het verbeteren van de arbeidsverhoudingen en gezamenlijk bezien hoe eerste stappen in de re-integratie”. (…)

2.9

[verweerster] heeft [verzoeker] op 13 oktober 2017 per e-mail uitgenodigd voor een gesprek alsmede een etentje met alle medewerkers van de praktijk. [verzoeker] heeft per e-mail van

16 oktober 2017 laten weten niet op deze uitnodiging in te gaan. [verweerster] heeft [verzoeker] vervolgens uitgenodigd voor een gesprek op 24 oktober 2017.

2.10

De gemachtigde van [verzoeker] heeft op 18 oktober 2017 aan [verweerster] medegedeeld dat geen rechtstreekse communicatie met [verzoeker] kon plaatsvinden en dat [verweerster] zich tot haar diende te wenden.

2.11

In reactie op een nieuw beëindigingsvoorstel van [verzoeker] heeft [verweerster] op

31 oktober 2017 aan [verzoeker] laten weten dat zij geen beëindigingsregeling wenst, maar dat zij in gesprek wil komen met [verzoeker] om zodoende zijn re-integratie te bewerkstelligen. Door de gemachtigden van [verzoeker] en [verweerster] is vervolgens gecorrespondeerd over het voornemen van [verzoeker] een ontbindingsverzoek in te dienen.

2.12

De tussentijdse evaluatie van de bedrijfsarts van 21 november 2017 luidt - voor zover van belang - als volgt:

(…) “Huidige stand van zaken

Nu dat de mediation afgesloten is zullen we verder moeten met de wettelijke re-integratie verplichtingen en dat maakt dat er een inventarisatie moet volgen van de aanwezige arbeidsbeperkingen en –mogelijkheden. Gezien de samenloop van medische en arbeidsverhoudingen problematiek acht ik een indicatie aanwezig om bovenstaande te laten opmalen door een onafhankelijke ter zake deskundig expertise bureau.

Graag ontvang ik dan ook van de werkgever akkoord voor inschakeling van Ergatis. Zodra ik hiervoor akkoord krijg zal ik deze doorverwijzing opstarten.

Advies

Het blijven werken aan verbetering van de onderlinge verstandhouding tussen werknemer en werkgever”. (…)

2.13

[verweerster] heeft [verzoeker] per e-mail van 26 november 2017 uitgenodigd voor een gesprek. [verweerster] heeft voorts aan [verzoeker] gevraagd of hij op 12 december 2017 samen met zijn collega’s op de praktijk een cursus AED (Automatic Electric Defibrilator) bij wilde wonen.

2.14

[verzoeker] heeft via zijn gemachtigde aan [verweerster] laten weten alleen akkoord te gaan met een gesprek in bijzijn van de gemachtigde(n).

2.15

[verweerster] heeft aan Expertbureau Ergatis de opdracht verstrekt tot het verrichten van arbeidsgeneeskundige diagnostiek. Ergatis heeft een offerte uitgebracht waarbij de kosten voor de interventie zijn begroot op € 1.400,00 ex btw.

3 Het geschil

3.1

Het verzoek van [verzoeker] strekt tot ontbinding van de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst wegens omstandigheden die maken dat de arbeidsovereenkomst billijkheidshalve dadelijk of na korte tijd behoort te eindigen onder toekenning van een transitievergoeding van € 4.645,00, een billijke vergoeding van € 30.000,00 en een bedrag van € 2.000,00 ex btw aan advocaatkosten.

3.2

[verzoeker] heeft aan zijn ontbindingsverzoek - verkort en zakelijk weergegeven - het volgende ten grondslag gelegd.

Nadat [verweerster] op 1 juli 2016 de huisartsenpraktijk heeft overgenomen zijn de onderlinge verhoudingen tussen partijen verslechterd. De houding van [verweerster] is veranderd en dit heeft voor [verzoeker] langzaamaan geleid tot een minder prettige werksituatie.

De veranderde houding van [verweerster] was vooral zichtbaar als het ging om lastige onderwerpen, zoals een ziekmelding van [verzoeker] of een hulpvraag met betrekking tot een patiënt. [verweerster] liet dan blijken dat zij [verzoeker] lastig vond en dat hij de zaken zelf maar moest opknappen. Dit heeft er onder meer toe geleid dat op 21 maart 2017 een incident heeft plaatsgevonden waarbij [verweerster] aan hem heeft medegedeeld dat hij die dag kon vertrekken. [verweerster] heeft [verzoeker] vervolgens tijdens het gesprek op 30 juni 2017 volstrekt overvallen met een beëindigingsvoorstel en op 13 juli 2017 heeft [verzoeker] zich door de inmiddels verstoord geraakte arbeidsrelatie ziek moeten melden.

3.2.1

[verzoeker] stelt zich op het standpunt dat sprake is van een ernstig verstoorde arbeidsverhouding die veroorzaakt is door ernstig verwijtbaar handelen of nalaten aan de zijde van [verweerster]. Zij handelt in strijd met goed werkgeverschap. [verweerster] heeft [verzoeker] niet kunnen uitleggen waarom zij eerst heeft aangestuurd op beëindiging van de arbeidsrelatie (zonder redelijke grond) en vervolgens met vasthoudendheid blijft volhouden dat zij graag wil dat [verzoeker] zijn werkzaamheden hervat. [verzoeker] meent dat [verweerster] hem wel degelijk kwijt wil, ondanks dat zij het tegenovergestelde heeft verkondigd. [verzoeker] is daardoor in een onmogelijke positie komen te verkeren. Zij acteert hiermee zonder oog te hebben voor de belangen van [verzoeker]. De gezondheid en levensvreugde van [verzoeker] hebben ernstig te lijden onder het ontbreken van perspectief. Voor [verzoeker] kan deze situatie niet voortduren en gelet op de verstoorde verhouding dient de arbeidsovereenkomst te worden ontbonden.

3.2.2

[verzoeker] maakt bij ontbinding van de arbeidsovereenkomst aanspraak op een transitievergoeding. [verzoeker] maakt tevens aanspraak op een billijke vergoeding, omdat sprake is van ernstig verwijtbaar handelen en nalaten aan de zijde van [verweerster]. [verzoeker] heeft als gevolg van gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid een kwetsbare positie op de arbeidsmarkt. [verzoeker] ontvangt een beperkte WIA-uitkering en het zal voor hem lastig zijn een nieuwe baan te vinden. [verzoeker] heeft hulp nodig bij dit proces alsook voor het herstel. [verzoeker] maakt voorts aanspraak op vergoeding van de door hem gemaakte advocaatkosten.

3.3

Het verweer van [verweerster] strekt tot toewijzing van het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst en tot afwijzing van de overige verzoeken van [verzoeker] (transitievergoeding, billijke vergoeding en advocaatkosten). Voor zover geoordeeld mocht worden dat sprake is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten aan de zijde van [verweerster] verzoekt zij te bepalen dat de transitievergoeding wordt vastgesteld op € 4.618,00 bruto en dat de billijke vergoeding wordt afgewezen, althans dat deze wordt gematigd tot nihil en dat de advocaatkosten worden afgewezen.

3.4

[verweerster] heeft ter onderbouwing van haar verweer - kort en zakelijk weergegeven - het volgende naar voren gebracht.

[verweerster] heeft zich richting [verzoeker] steeds als een goed werkgeefster opgesteld en aan haar kan geen verwijt worden gemaakt. [verweerster] heeft [verzoeker] een meer dan correcte beëindigingsregeling aangeboden, maar die heeft [verzoeker] niet willen accepteren.

[verweerster] heeft vervolgens op haar kosten mediation ingezet om een herstel van de goede samenwerking mogelijk te maken. [verweerster] heeft [verzoeker] daarnaast meerdere malen uitgenodigd voor gesprekken, een cursus en een medewerkersetentje, zij heeft hem een coachingstraject aangeboden en zij heeft ingestemd met een extern arbeidsgeneeskundig traject. [verweerster] stond bovendien open voor de re-integratie van [verzoeker] en zij heeft steeds de adviezen van de bedrijfsarts opgevolgd. [verzoeker] is op geen van de verzoeken van [verweerster] ingegaan en is door zijn weigering om in gesprek te treden met [verzoeker] de adviezen van de bedrijfsarts en daarmee zijn re-integratieverplichtingen niet nagekomen.

3.4.1

[verweerster] stelt zich op het standpunt dat het juist [verzoeker] is geweest die zich niet als een goed werknemer heeft gedragen. Dit blijkt onder meer uit zijn houding en gedrag richting patiënten, collega’s, derden en [verweerster] zelf. Nadat [verweerster] de praktijk heeft overgenomen zijn met alle medewerkers werkafspraken gemaakt. [verzoeker] kon zich niet, althans moeilijk conformeren aan de nieuwe afspraken. [verzoeker] heeft daarnaast zowel de boekhouder van [verweerster] als patiënten onheus bejegend, waarover klachten zijn ontvangen, hij heeft zowel een collega als [verweerster] uitgescholden en hij heeft de psycholoog van de praktijk moedwillig buitengesloten. [verweerster] heeft [verzoeker] daarnaast ook moeten aanspreken op zijn rookgedrag. Gelet op deze negatieve zaken en het sterke gevoel van [verweerster] dat [verzoeker] het binnen de praktijk niet meer naar zijn zin had heeft zij na een gesprek met [verzoeker] (uiteindelijk) een beëindigingsvoorstel opgesteld.

3.4.2

Het verzoek tot vergoeding van de werkelijke advocaatkosten dient te worden afgewezen, omdat [verweerster] niet ernstig verwijtbaar heeft gehandeld en er geen uitzonderlijke omstandigheden zijn op grond waarvan deze kosten toewijsbaar zijn.

3.5

De overige stellingen van partijen worden - voor zover voor de uitkomst van de procedure van belang - bij de beoordeling betrokken.

4 De beoordeling

4.1

Artikel 7:671c lid 1 BW bepaalt dat de kantonrechter op verzoek van de werknemer de arbeidsovereenkomst kan ontbinden op grond van omstandigheden die van dien aard zijn dat de arbeidsovereenkomst billijkheidshalve dadelijk of na korte tijd behoort te eindigen.

4.2

De kantonrechter is van oordeel dat het verzoek van [verzoeker] tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst dient te worden toegewezen. Bij dit oordeel weegt mee dat het hier om een verzoek van een werknemer gaat, waarbij bijzondere opzegverboden niet aan de orde zijn. Verder is van belang dat een verzoek door een werknemer, gelet op het (grond)recht van arbeidskeuze, in beginsel gehonoreerd dient te worden. Daar komt bij dat in dit geval ook uit de stukken en uit hetgeen ter gelegenheid van de mondelinge behandeling is besproken een voldoende consistent beeld is ontstaan dat de arbeidsverhouding verstoord is geraakt en dat partijen uiteindelijk steeds meer tegenover elkaar zijn komen te staan en dat niet valt in te zien hoe zij nog tot een vruchtbare samenwerking kunnen komen.

Uit de stellingen van [verzoeker] blijkt duidelijk dat er wat hem betreft geen (behoorlijk) draagvlak meer is voor een verdere samenwerking met [verweerster] en [verweerster] heeft zich ook niet tegen ontbinding van de arbeidsovereenkomst verzet en heeft primair verzocht de arbeidsovereenkomst te ontbinden. Met toepassing van artikel 7:671c lid 2, onderdeel a BW zal de kantonrechter dan ook bepalen dat de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden en wel per 1 maart 2018.

4.3

Vervolgens dient te worden beoordeeld of aanleiding bestaat voor toekenning van de transitievergoeding als bedoeld in artikel 7:673 lid 1 onder b BW en een billijke vergoeding als bedoeld in artikel 7:671c lid 2 onder b BW. Voor toekenning van deze vergoedingen aan [verzoeker] dient sprake te zijn van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van [verweerster].

De kantonrechter begrijpt het standpunt van [verzoeker] aldus dat hij meent dat [verweerster] door haar wens tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst (zonder redelijke grond), het niet willen ingaan op een redelijk beëindigingsvoorstel van [verzoeker] en het vervolgens blijven vasthouden aan haar standpunt dat [verzoeker] kan terugkeren op de werkplek heeft geresulteerd in een verstoorde arbeidsverhouding, althans dat [verweerster] zich niet als een goed werkgeefster heeft gedragen en haar zorgplicht heeft geschonden.

4.4

Uit de wetsgeschiedenis volgt dat ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van een werkgever zich slechts zal voordoen in uitzonderlijke gevallen, bijvoorbeeld als de werkgever grovelijk de verplichtingen niet nakomt die voortvloeien uit de arbeidsovereenkomst en er als gevolg daarvan een verstoorde arbeidsverhouding ontstaat, waarbij te denken valt aan een situatie waarin de werkgever zijn re-integratieverplichtingen bij ziekte ernstig heeft veronachtzaamd en de situatie waarin een werknemer arbeidsongeschikt is geworden als gevolg van verwijtbaar onvoldoende zorg van de werkgever voor de arbeidsomstandigheden (zie Kamerstukken II, 2013-2014, 33 818, nr. 3, pag. 34).

4.5

Een dergelijke situatie doet zich hier naar het oordeel van de kantonrechter niet voor.

Uit de door zowel door [verzoeker] als [verweerster] gegeven voorbeelden blijkt dat na de

overname van de praktijk door [verweerster] hun onderlinge verhouding is verslechterd en dat de (hernieuwde) samenwerking problematisch is gaan verlopen. [verzoeker] verwijt [verweerster] dat haar houding is veranderd en dat zij hem bij lastige kwesties en patiënten aan zijn lot heeft overgelaten. [verweerster] heeft op haar beurt gesteld dat [verzoeker] zich niet kon conformeren aan haar werkwijze. Beide partijen hebben ter onderbouwing verwezen naar de door hen overgelegde verklaringen van onder meer collega’s en patiënten.

4.6

De hiervoor geschetste gang van zaken is kennelijk voor [verweerster] aanleiding geweest voor het gesprek op 27 juni 2017. Hoewel partijen ieder een andere lezing geven over de inhoud van dit gesprek staat vast dat [verweerster] daarbij heeft aangegeven dat partijen met een beëindigingsregeling afscheid van elkaar konden nemen. Dat [verzoeker] daarmee op dat moment is overvallen acht de kantonrechter begrijpelijk. Uit de door [verzoeker] overgelegde WhatsApp berichten blijkt immers dat [verweerster] op de vraag van [verzoeker] waar het gesprek over zou gaan heeft geantwoord dat het om een jaarlijks evaluatie-/ functioneringsgesprek zou gaan. Om zonder verdere aankondiging of mededeling in een functioneringsgesprek een voorstel tot beëindiging te doen acht de kantonrechter een niet aan te bevelen wijze van handelen van een werkgever. Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling heeft [verweerster] zelf ook aangegeven dat zij kon begrijpen dat het voorstel tot beëindiging [verzoeker] “rauw op zijn dak viel” en dat het moeilijk was voor [verzoeker] om daarop meteen te reageren. [verweerster] heeft echter wel een vervolggesprek gepland en vervolgens het voorstel op verzoek van [verzoeker] op papier gezet, zij het dat het vervolggesprek niet meer heeft plaatsgevonden. [verzoeker] heeft zich laten bijstaan door zijn gemachtigde en hij heeft op 7 juli 2017 een tegenvoorstel gedaan. Ook na de ziekmelding van [verzoeker] op 17 juli 2017 hebben partijen (via hun gemachtigden) nog over en weer voorstellen gedaan die niet zijn geaccepteerd, alvorens door [verweerster] mediation is voorgesteld. Dat [verweerster] willens en wetens is blijven aansturen op beëindiging van het dienstverband en dat zij daarbij de grenzen van het redelijke heeft overschreden is dan ook onvoldoende gebleken.

4.7

[verweerster] heeft ter zitting nader toegelicht dat de problemen met [verzoeker] met name waren gelegen in het contact met en de bejegening van patiënten. Zij heeft daartoe verwezen naar de in het verweerschrift opgenomen voorbeelden en “negatieve zaken”.

Voor zover [verweerster] op die genoemde punten terechte kritiek heeft op het functioneren van [verzoeker], had het, een en ander zoals door [verzoeker] op zichzelf terecht is gesteld, op haar weg gelegen om die concrete kritiekpunten niet alleen duidelijk kenbaar te maken aan [verzoeker], maar hem op zorgvuldige wijze in te voeren in een verbetertraject, waarbij inzichtelijk gemaakt wordt op welke concrete punten zij welke verbetering wenst te zien, teneinde hem, al dan niet met bijscholing, een behoorlijke gelegenheid te bieden om tot verbetering te komen. Daarvoor bestond reden te meer, omdat [verweerster] ook zelf heeft aangegeven dat het haar verwachting was dat een en ander met de juiste begeleiding en de juiste afspraken nog wel vlot kon worden getrokken. Hoewel [verweerster] heeft verzuimd, ondanks haar kritiek op het functioneren van [verzoeker], hem (in een eerder stadium) een verbetertraject aan te bieden kan haar naar het oordeel van de kantonechter van die handelwijze echter geen ernstig verwijt in de hiervoor bedoelde zin worden gemaakt.

4.8

[verweerster] heeft voldoende reële pogingen ondernomen om de onderlinge verhoudingen te verbeteren en de geschilpunten weg te nemen. [verweerster] heeft het initiatief genomen tot de mediation en heeft de kosten voor haar rekening genomen. Dat [verweerster] [verzoeker] na het mislukken van de mediation naar aanleiding van het advies van de bedrijfsarts van

10 oktober 2017 vervolgens per e-mail van 13 oktober 2017 en 16 oktober 2017 heeft uitgenodigd om in gesprek te gaan om de problemen op de werkvloer te bespreken acht de kantonrechter niet onredelijk of onbegrijpelijk. Evenmin acht de kantonrechter de wens van [verweerster] om [verzoeker] te laten terugkeren op zijn werkplek onzorgvuldig of in strijd met goed werkgeverschap, in die zin dat [verzoeker] in een onmogelijke positie is komen te verkeren. [verweerster] is als werkgeefster niet gehouden om in te gaan op de beëindigingsvoorstellen van [verzoeker], ook niet als deze door [verzoeker] zelf als uiterst redelijk worden geacht. Het staat haar in de gegeven omstandigheden vrij om zich (uiteindelijk) weer te richten op continuering van het dienstverband. [verweerster] heeft zich bovendien steeds op het standpunt gesteld dat zij de door [verzoeker] gestelde voorwaarden buitenproportioneel en onacceptabel vond.

4.9

Het moge zo zijn dat de koerswijziging van [verweerster] heeft geleid tot verbazing of verwarring bij [verzoeker] en zijn gemachtigde, maar vaststaat dat het overleg tussen partijen over het beëindigingsvoorstel reeds was stukgelopen en dat ook de mediation een dag na het gesprek op 27 september 2017 is beëindigd, zonder dat partijen overeenstemming hebben bereikt.

4.9.1

Onder die omstandigheden diende [verweerster] het advies van de bedrijfsarts van
10 oktober 2017 ten aanzien van het verdere verloop van de re-integratie te volgen en uit te gaan van continuering van de arbeidsrelatie. Dat advies houdt immers in het alvast onderling werk maken van het verbeteren van de arbeidsverhoudingen en gezamenlijk bezien de eerste stappen in de re-integratie te bezien. Daarbij heeft [verweerster] de belangen van [verzoeker] niet uit het oog verloren. Op geen van de door [verweerster] gedane uitnodigingen om in oktober 2017 met elkaar in gesprek te gaan is [verzoeker] ingegaan en het is vervolgens [verzoeker] zelf geweest die aan [verweerster] op 30 oktober 2017 een nieuw voorstel heeft gedaan om tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst te komen, nadat de gemachtigde van [verzoeker] uitdrukkelijk aan [verweerster] heeft laten weten dat zij geen rechtstreeks contact met [verzoeker] mocht zoeken. Dit heeft er ook toe geleid dat (de gemachtigden van) partijen weer zijn corresponderen over hun geschilpunten (de e-mails van 31 oktober 2017, 8 november 2017, 16 november 2017, 21 november 2017, 29 november 2017, 30 november 2017 en

1 december 2017).

4.9.2

Op 21 november 2017 volgde de tussentijdse evaluatie van de bedrijfsarts met daarin het advies om te blijven werken aan verbetering van de onderlinge verstandhouding tussen werknemer en werkgever. [verweerster] heeft [verzoeker] naar aanleiding van dat advies van de bedrijfsarts [verzoeker] wederom uitgenodigd om met haar in gesprek te gaan om de arbeidsverhouding te herstellen. [verweerster] heeft naar het oordeel van de kantonrechter daarbij een coulante houding getoond, mede gelet op het feit dat zij ook nadrukkelijk heeft aangegeven dat [verzoeker] een familielid, vriend of kennis als vertrouwenspersoon of toehoorder mocht meenemen. Voor [verzoeker] was dit echter geen optie, omdat hij alleen in gesprek wilde gaan in aanwezigheid van zijn gemachtigde. Niet gebleken is dat [verzoeker] op enig moment uitdrukkelijk heeft laten weten dat hij zich medisch gezien niet in staat voelde om met [verweerster] in gesprek te gaan. [verweerster] heeft daarnaast aan [verzoeker] andere handvatten geboden om (op een laagdrempelige manier) een samenwerking weer mogelijk te maken. [verweerster] heeft [verzoeker] op 26 november 2017 uitgenodigd voor een reanimatiecursus in de praktijk. Ook op deze uitnodiging is [verzoeker] niet ingegaan. Tenslotte heeft [verweerster] in navolging van voormelde tussentijdse evaluatie van de bedrijfsarts waarin staat dat een inventarisatie moet volgen van de aanwezige arbeidsbeperkingen en- mogelijkheden op te maken door een onafhankelijk ter zake deskundig expertise bureau, opdracht verstrekt aan een extern bureau (Ergatis) tot het uitvoeren van een arbeidsgeneeskundige interventie.

4.10

Op grond van het vorenstaande komt de kantonrechter tot het oordeel dat de door [verzoeker] aan [verweerster] gemaakte verwijten afzonderlijk en in onderlinge samenhang bezien onvoldoende zijn om tot ernstig verwijtbaar handelen of nalaten door [verweerster] te komen. Uit het voorgaande volgt wel dat [verweerster] niet volledig juist heeft gehandeld voor zover het haar kritiek op het functioneren op [verzoeker] betreft en dat een en ander niet geheel vlekkeloos is verlopen, maar de kantonrechter kan niet tot de conclusie komen dat [verweerster] haar verplichtingen zo ernstig heeft veronachtzaamd dat sprake is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten. Dat [verzoeker] door [verweerster] is beschadigd, zoals hij ter zitting nog heeft aangevoerd, in die zin dat hij geen andere mogelijkheid meer zag dan zelf ontbinding van de arbeidsovereenkomst te verzoeken, is onvoldoende gebleken. Door [verzoeker] zijn daartoe, in het licht van het bovenstaande, onvoldoende concrete feiten en omstandigheden gesteld.

4.11

De conclusie luidt dan ook dat de door [verzoeker] verzochte transitievergoeding en de billijke vergoeding worden afgewezen. Gelet op deze omstandigheid zal [verzoeker] ingevolge het bepaalde in artikel 7:686a lid 7 BW in de gelegenheid worden gesteld om het verzoek in te trekken binnen de hierna te noemen termijn.

4.12

Het verzoek tot vergoeding van de gemaakte advocaatkosten zal worden afgewezen, nu daarvoor geen buitengewone omstandigheden, zoals misbruik van procesrecht, zijn gebleken. Nu geen sprake is van verwijtbaar handelen of nalaten van [verweerster] en [verzoeker] ten aanzien van de door hem verzochte transitievergoeding en billijke vergoeding in het ongelijk is gesteld bestaat evenmin aanleiding [verweerster] verder in de proceskosten te veroordelen. Deze proceskosten zullen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. In het geval [verzoeker] zijn verzoek intrekt zal hij wel veroordeeld worden in de proceskosten aan de zijde van [verweerster]. Die kosten worden begroot op een bedrag van € 600,00 aan salaris voor de gemachtigde.

4.13

Hetgeen partijen verder nog naar voren hebben gebracht behoeft geen bespreking meer, nu dit, in het licht van hetgeen in deze beschikking is vastgesteld en overwogen, niet tot een andere beslissing kan leiden.

5 De beslissing

de kantonrechter:

stelt [verzoeker] tot vrijdag 16 februari 2018 om 12:00 uur in de gelegenheid het ontbindingsverzoek door middel van een aan de griffie gericht schrijven (met afschrift aan de gemachtigde van [verweerster]) in te trekken, waarbij bepalend zal zijn het moment van ontvangst van dat schrijven ter griffie;

en, maar uitsluitend in het geval [verzoeker] van deze intrekkingsbevoegdheid geen (tijdig) gebruik maakt:

ontbindt de onderhavige arbeidsovereenkomst met ingang van 1 maart 2018;

bepaalt dat iedere partij de eigen kosten van de procedure draagt;

verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad en wijst af het méér of anders verzochte;

in het geval [verzoeker] van zijn intrekkingsbevoegdheid gebruik maakt:

veroordeelt [verzoeker] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [verweerster] begroot op € 600,00 aan salaris voor de gemachtigde;

verklaart de beslissing ten aanzien van de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. I.K. Rapmund en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

829