Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:5286

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
25-04-2018
Datum publicatie
05-07-2018
Zaaknummer
10/661001-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak poging tot doodslag.

Bewezenverklaring van poging tot zware mishandeling door op oudejaarsavond voor de deur van zijn woning met een vuurwapen op benen van jongere te schieten.

Straf: 30 maanden gevangenisstraf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 1

Parketnummer: 10/661001-18

Datum uitspraak: 25 april 2018

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de PI Krimpen aan den IJssel te Krimpen aan den IJssel,

raadsvrouw mr. K.C. van de Wijngaart, advocaat te Schiedam.

Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 11 april 2018.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. C.J. Kroon heeft gevorderd:

  • -

    vrijspraak van de onder 1 impliciet primair ten laste gelegde poging doodslag en de onder 2 ten laste gelegde mishandeling van [naam slachtoffer 1] ;

  • -

    bewezenverklaring van de onder 1 impliciet subsidiair ten laste gelegde poging zware mishandeling, van de onder 2 ten laste gelegde mishandeling van [naam slachtoffer 2] en het onder 3 ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 32 maanden met aftrek van voorarrest.

Waardering van het bewijs

Feit 1

Standpunt verdediging

De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit. Zij heeft hiertoe het volgende aangevoerd.

De verdachte heeft het feit ontkend. De verklaringen van de aangever en de getuige [naam getuige] wijken onderling zodanig van elkaar af dat zij als onbetrouwbaar moeten worden aangemerkt en niet bruikbaar zijn voor het bewijs. Hun verklaringen vinden bovendien geen steun in andere bewijsmiddelen zoals het verrichte technische onderzoek. In het aangetroffen wapen misten geen patronen – er zaten zeven patronen in de houder en een in de kamer – en voor de woning van cliënt zijn geen hulzen of schietsporen aangetroffen. Voorts heeft niemand gezien dat er geschoten is. Ook is er geen mondingsvuur gezien. Ten slotte zijn de wond aan het been van [naam slachtoffer 3] en de positie van de twee in- en uitschotopeningen in zijn broek niet te rijmen met het feit dat de verdachte vanaf ruim 3 à 4 meter afstand zou hebben geschoten.

De verdachte heeft het vuurwapen alleen gepakt om de aangevers af te schrikken en weg te jagen. De (schaaf)wond op het been van [naam slachtoffer 3] moet op een andere wijze zijn ontstaan, bijvoorbeeld door zijn val op de grond.

Subsidiair heeft de raadsvrouw bepleit dat enkel een poging zware mishandeling bewezen kan worden.

Beoordeling

De afgelegde verklaringen ondersteunen elkaar onderling op essentiële onderdelen. Uit die verklaringen valt af te leiden dat er sprake is geweest van twee confrontaties. De verdachte heeft verklaard dat hij bij de tweede confrontatie een vuurwapen heeft gepakt en deze (ter afdreiging) heeft getoond aan de personen die voor zijn huis stonden. Door de aangever zelf en door twee andere bij het incident aanwezigen is verklaard dat zij hebben gezien dat de verdachte met het vuurwapen op de aangever [naam slachtoffer 3] richtte. De daarbij aanwezige [naam slachtoffer 2] en [naam slachtoffer 1] hebben eensluidend en op gedetailleerde wijze verklaard dat zij hebben gezien dat de verdachte op de benen van de aangever [naam slachtoffer 3] richtte en dat zij toen een knal hoorden. Door de kort daarna ter plaatse gekomen politieambtenaren is geconstateerd dat [naam slachtoffer 3] een diagonale wond op zijn linker onderbeen had en dat zich in zijn linker broekspijp, op dezelfde hoogte als de wond, diagonaal boven elkaar twee gaatjes bevonden. Aan de omstandigheid dat zich in het wapen acht patronen bevonden toen het later die avond in de tuin in een geldkistje werd aangetroffen kunnen geen conclusies worden verbonden nu niet bekend is hoeveel patronen er aanvankelijk in het wapen zaten alsmede wat de verdachte na de schietpartij met het wapen heeft gedaan.

De stelling van de verdediging dat de verdachte niet heeft geschoten en dat de verwonding aan het been van [naam slachtoffer 3] op een andere wijze is ontstaan acht de rechtbank, op grond van het voorgaande, niet aannemelijk geworden. De rechtbank acht, anders dan de raadsvrouw, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte met een pistool op het (onder)lichaam van [naam slachtoffer 3] heeft geschoten.

De rechtbank ziet zich vervolgens geplaatst voor de vraag of de verdachte daarmee het opzet heeft gehad om [naam slachtoffer 3] van het leven te beroven of dat zijn opzet er op was gericht om hem zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. De rechtbank is, met de officier van justitie en het subsidiaire standpunt van de verdediging, van oordeel dat geen wettig en overtuigend bewijs voorhanden is dat de verdachte het (on)voorwaardelijk opzet had op de dood van de aangever [naam slachtoffer 3] . De kans dat de verdachte, door te schieten op de benen van de aangever, hem daarmee potentieel dodelijk letsel zou toebrengen is naar het oordeel van de rechtbank niet aanwezig.

Wel is de rechtbank van oordeel dat de verdachte, door op die wijze te handelen, opzet heeft gehad om de aangever zwaar lichamelijk letsel toe te brengen.

Conclusie

De rechtbank spreekt de verdachte vrij van de hem primair ten laste gelegde poging tot doodslag en acht de subsidiair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling wettig en overtuigend bewezen.

Feit 2

Standpunt verdediging

De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit van beide onder 2 ten laste gelegde mishandelingen.

Ten aanzien van de mishandeling van [naam slachtoffer 2] heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat sprake is van noodweer. De verdachte heeft zich noodzakelijk verdedigd tegen de agressieve jongeren die de confrontatie met hem opzochten door een van hen, aangever [naam slachtoffer 2] , in het gezicht te slaan..

Ten aanzien van de mishandeling van [naam slachtoffer 1] heeft de raadsvrouw aangevoerd dat door de verbalisanten geen letsel aan de handen van de verdachte is geconstateerd, hetgeen wel in de rede zou hebben gelegen. Bovendien blijkt niet uit het dossier dat de aangever [naam slachtoffer 1] van een eventuele klap pijn of letsel heeft ondervonden.

Beoordeling

De mishandeling van [naam slachtoffer 2]

De rechtbank stelt op de grond van de processtukken en het onderzoek ter terechtzitting de volgende feiten en omstandigheden vast.

Nadat de aangevers [naam slachtoffer 3] en [naam slachtoffer 1] eerder al de woning van de verdachte hadden bezocht, keren zij kort tijd daarna terug naar de woning in gezelschap van [naam slachtoffer 2] en de getuige [naam getuige] . De verdachte komt naar buiten en, zo blijkt uit de inhoud van het dossier, slaat de aangever [naam slachtoffer 2] in het gezicht.

Geen van de op dat moment aanwezigen heeft verklaard over een aanval jegens de verdachte. Dat zich een situatie heeft voorgedaan, waarin de verdachte zich noodzakelijk heeft moeten verdedigen, is niet aannemelijk geworden. Het gevoerde beroep op noodweer wordt daarom verworpen.

De mishandeling van [naam slachtoffer 1]

De verklaring van de aangever [naam slachtoffer 1] dat de verdachte hem (met een vuist) in het gezicht sloeg, vindt steun in de verklaring van de daarbij aanwezig [naam slachtoffer 3] . Dat iemand door een vuistslag in het gezicht pijn ondervindt kan naar algemene ervaringsregels worden aangenomen.

Conclusie

De rechtbank acht beide onder 2 ten laste gelegde mishandelingen bewezen.

Bewezenverklaring feit 3 zonder nadere motivering

Het onder 3 ten laste gelegde is door de verdachte bekend. Dit feit zal zonder nadere bespreking bewezen worden verklaard.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 impliciet subsidiair en onder 2 ten laste gelegde heeft begaan.

In bijlage III heeft de rechtbank een opgave gedaan van wettige bewijsmiddelen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Met deze opgave wordt ten aanzien van feit 3 volstaan, nu de verdachte het bewezen verklaarde heeft bekend en nadien geen vrijspraak is bepleit. Op grond daarvan is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 ten laste gelegde heeft begaan.

De verdachte heeft de bewezen verklaarde feiten op die wijze begaan dat:

1.

hij op 01 januari 2018 te Capelle aan den IJssel

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een

persoon genaamd [naam slachtoffer 3] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met een pistool op het onderlichaam van die [naam slachtoffer 3] heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op 01 januari 2018 te Capelle aan den IJssel

[naam slachtoffer 2] en [naam slachtoffer 1] heeft mishandeld door

- die [naam slachtoffer 2] in het gezicht te slaan en

- die [naam slachtoffer 1] in het gezicht te slaan;

3.

hij op 01 januari 2018 te Capelle aan den IJssel

een wapen als bedoeld in art. 2 lid 1 Categorie III onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3 van die wet in de vorm van een pistool van het merk Fabrique Nationale, model 1922, kaliber 9mm kort met bijbehorende munitie, voorhanden heeft gehad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:

Feit 1:

poging tot zware mishandeling

Feit 2:

mishandeling, meermalen gepleegd

Feit 3:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III

en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie

De feiten zijn strafbaar.

Strafbaarheid verdachte

De verdachte is strafbaar.

Motivering straf

Algemene overweging

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Feiten waarop de straf is gebaseerd

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling, door met een vuurwapen op het been van het slachtoffer [naam slachtoffer 3] te schieten. Daarnaast heeft hij de slachtoffers [naam slachtoffer 2] en [naam slachtoffer 1] mishandeld door hen in het gezicht te slaan. Al deze feiten zijn begaan op de openbare weg en zonder noemenswaardige aanleiding.

Door aldus te handelen heeft de verdachte een grove inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de slachtoffers. [naam slachtoffer 3] mag hierbij van geluk spreken dat het schot zijn been slechts geschampt heeft, waardoor geen ernstig letsel is ontstaan. [naam slachtoffer 2] heeft aan de mishandeling een ontsierend litteken op zijn bovenlip overgehouden. Het handelen van de verdachte heeft bovendien een enorme psychische impact gehad op de relatief jonge slachtoffers, zo blijkt onder meer uit de namens [naam slachtoffer 2] voorgedragen slachtofferverklaring.

De verdachte heeft zich zeer onverantwoordelijk gedragen door het – naar eigen zeggen al ongeveer twee jaar – voorhanden hebben van een vuurwapen in zijn woning, temeer nu in die woning ook zijn drie kinderen wonen. Door zich vervolgens met dat vuurwapen op de openbare weg te begeven en daar bovendien een schot mee te lossen heeft de verdachte het gevoel van veiligheid in het algemeen aangetast. De keuze van de verdachte, een werkende vader van drie kinderen in wiens nabijheid de strafbare feiten zijn begaan, om op deze wijze te handelen acht de rechtbank onbegrijpelijk.

De verdachte heeft ter terechtzitting geen blijk gegeven het kwalijke van zijn daden in te zien en heeft verzuimd om daar zijn verantwoordelijkheid voor te nemen.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 27 maart 2018, waaruit blijkt dat de verdachte recentelijk niet is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

Rapportage

Reclassering Nederland heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 29 maart 2018. De rechtbank heeft acht geslagen op dit rapport.

Straf

Gezien de ernst van de feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd.

De raadsvrouw heeft oplegging van een deels voorwaardelijke gevangenisstraf bepleit. De rechtbank ziet hiertoe geen aanleiding. De rechtbank acht namelijk, met de reclassering, de kans op recidive klein en ziet geen meerwaarde in de oplegging van bijzondere voorwaarden. Noch als stok achter de deur, noch in het kader van de oplegging van bijzondere voorwaarden is een voorwaardelijke straf daarom aangewezen.

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf passend en geboden.

In beslag genomen voorwerpen

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd het in beslag genomen vuurwapen, het vuurwapenonderdeel en de munitie te onttrekken aan het verkeer.

Beoordeling

Voornoemde in beslag genomen goederen zullen worden onttrokken aan het verkeer.

Het ongecontroleerde bezit daarvan is in strijd met de wet en het onder 1 bewezenverklaarde feit is met betrekking tot deze voorwerpen begaan.

Vordering benadeelde partij [naam benadeelde 3] en schadevergoedingsmaatregel

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd [naam benadeelde 3] ter zake van het onder 1 ten laste gelegde feit. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 60,00 aan materiële schade en een vergoeding van € 1.100,00 aan immateriële schade.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie acht de gehele vordering toewijsbaar en heeft tevens oplegging van de schadevergoedingsmaatregel gevorderd.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft zich, gelet op de bepleite vrijspraak, primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet ontvankelijk dient te worden verklaard. Subsidiair dient de benadeelde partij niet ontvankelijk te worden verklaard in de vordering omdat deze ten aanzien van de materiële schade onvoldoende is onderbouwd en omdat de beoordeling van de immateriële schade een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Hiertoe is aangevoerd dat bij het oordeel omtrent de immateriële schadevergoeding de eigen schuld van de benadeelde partij dient te worden betrokken.

Beoordeling

Nu is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij door het onder 1 bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks materiële schade is toegebracht en de gevorderde schadevergoeding de rechtbank ook overigens niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt, zal de vordering met betrekking tot de materiële schade worden toegewezen.

Voorts is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij door het bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Die schade zal naar maatstaven van billijkheid worden vastgesteld op het gevorderde bedrag van € 1.100,00, zodat ook dit deel van de vordering zal worden toegewezen,

De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf 1 januari 2018.

Nu de vordering van de benadeelde partij zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil,

en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Conclusie

De verdachte moet de benadeelde partij [naam benadeelde 3] een schadevergoeding betalen van

€ 1.160,00 vermeerderd met de wettelijke rente en kosten als hieronder in de beslissing vermeld. Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

Vordering benadeelde partij [naam benadeelde 2] en schadevergoedingsmaatregel

Als benadeelde partij heeft zich in het geding tevens gevoegd [naam benadeelde 2] ter zake van het onder 2 ten laste gelegde feit. De benadeelde partij vordert een vergoeding van

€ 2.055 aan materiële schade en een vergoeding van € 5.000 aan immateriële schade.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie acht de materiële schade toewijsbaar tot een bedrag van € 555,00 bestaande uit € 500,00 als schatting van de medische kosten, € 30,00 voor de ziekenhuisopname, € 10,00 medicijnkosten en € 15,00 reis- en parkeerkosten. Voorts acht hij de immateriële schade toewijsbaar tot een bedrag van € 3.000,00.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft zich, gelet op de bepleite vrijspraak voor feit 2, primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet ontvankelijk dient te worden verklaard. Subsidiair dient de benadeelde partij niet ontvankelijk te worden verklaard in de vordering omdat deze ten aanzien van de materiële schade onvoldoende is onderbouwd en omdat de beoordeling van de immateriële schade een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Hiertoe is aangevoerd dat bij het oordeel omtrent de immateriële schadevergoeding de eigen schuld van de benadeelde partij dient te worden betrokken.

Beoordeling

Nu is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij door het onder 2 bewezen verklaarde strafbare feit, rechtstreeks (materiële) schade is toegebracht en de gevorderde schadevergoeding de rechtbank op na te noemen punten ook overigens niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt, zal de vordering deels worden toegewezen.

De rechtbank acht de gevorderde kosten voor ziekenhuisopname, de medicijnkosten en de reis- en parkeerkosten, totaal een bedrag van € 55,00, voor toewijzing vatbaar.

De behandeling van het overige deel van de vordering van de benadeelde partij dat ziet op de materiële schade levert een onevenredige belasting van het strafgeding op. De benadeelde partij zal in zoverre niet-ontvankelijk worden verklaard. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij door het bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Die schade zal naar maatstaven van billijkheid worden vastgesteld op € 1.500,00, zodat de vordering voor zover die ziet op de immateriële schade tot dit bedrag zal worden toegewezen. De benadeelde partij zal voor het overige deel niet-ontvankelijk worden verklaard. Ook dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf 1 januari 2018.

Nu de vordering van de benadeelde partij deels zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Conclusie

De verdachte moet de benadeelde partij [naam benadeelde 2] een schadevergoeding betalen van

€ 1.555,00 vermeerderd met de wettelijke rente en kosten als hieronder in de beslissing vermeld. Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Naast de reeds vermelde artikelen, is gelet op de artikelen 36b, 36c, 45, 57, 300 en 302 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 55 van de Wet wapens en munitie.

Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

Beslissing

De rechtbank:

verklaart niet bewezen, dat de verdachte de onder 1 impliciet primair ten laste gelegde poging tot doodslag heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1 impliciet subsidiair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling en de onder 2 en 3 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 (dertig) maanden;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

beslist ten aanzien van de voorwerpen, geplaatst op de lijst van inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, als volgt:

- verklaart onttrokken aan het verkeer:

de op de aan dit vonnis gehechte en daarvan deel uitmakende lijst van inbeslaggenomen en niet teruggegeven goederen, vermeld onder nummer 1 tot en met 5;

veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [naam benadeelde 3] , te betalen een bedrag van € 1.160,00 (zegge: duizendhonderdzestig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 1 januari 2018 tot aan de dag der algehele voldoening;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij [naam benadeelde 3] te betalen €1.160 (zegge: duizendhonderdzestig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2018 tot aan de dag van de algehele voldoening; beveelt dat bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal van het bedrag van €1.160 vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 21 dagen; toepassing van de vervangende hechtenis heft de betalingsverplichting niet op;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd;

veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [naam benadeelde 2] , te betalen een bedrag van € 1.555,00 (zegge: duizendvijfhonderdvijfenvijftig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 1 januari 2018 tot aan de dag der algehele voldoening;

verklaart de benadeelde partij [naam benadeelde 2] niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partijen gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partijen begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij [naam benadeelde 2] te betalen € 1.555,00 (zegge: duizendvijfhonderdvijfenvijftig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2018 tot aan de dag van de algehele voldoening; beveelt dat bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal van het bedrag van €1.555 vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 25 dagen; toepassing van de vervangende hechtenis heft de betalingsverplichting niet op;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. M.V. Scheffers, voorzitter,

en mrs. J.L.M. Boek en P.M. van Russen Groen, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. F.M.H. van Mullekom, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 25 april 2018.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 01 januari 2018 te Capelle aan den IJssel

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een

persoon genaamd [naam slachtoffer 3] van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk

letsel toe te brengen, met dat opzet met een pistool op het (onder)lichaam van

die [naam slachtoffer 3] heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf

niet is voltooid;

2.

hij op of omstreeks 01 januari 2018 te Capelle aan den IJssel

[naam slachtoffer 2] en/of [naam slachtoffer 1] heeft mishandeld door

- die [naam slachtoffer 2] (met een vuurwapen, althans een hard voorwerp) in/op/tegen

het gezicht te slaan en/of stompen en/of

- die [naam slachtoffer 1] in/op/tegen het gezicht te slaan en/of stompen;

3.

hij op of omstreeks 01 januari 2018 te Capelle aan den IJssel

een of meer wapens als bedoeld in art. 2 lid 1 Categorie III onder 1 van de

Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3

van die wet in de vorm van een pistool (van het merk Fabrique Nationale, model

1922, kaliber 9mm kort) met bijbehorende munitie, voorhanden heeft gehad.