Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:5283

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
04-07-2018
Datum publicatie
05-07-2018
Zaaknummer
10/730078-16 en 10/692058-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor verkrachting en andere geweldsfeiten tegen de slachtoffers tot een gevangenisstraf van 6 jaren en oplegging van de maatregel van TBS met dwangverpleging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 1

Parketnummers: 10/730078-16 en 10/692058-17

Datum uitspraak: 4 juli 2018

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de gevoegde zaken tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] ( [geboorteland verdachte] ) op [geboortedatum verdachte] ,

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Alphen aan den Rijn te Alphen aan den Rijn,

raadsman mr. T. van Assendelft de Coningh, advocaat te Amsterdam.

Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 20 juni 2018.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaardingen, zoals deze op de terechtzitting overeenkomstig de vordering van de officier van justitie (in de zaak met parketnummer 10/730078-16) is gewijzigd.

De tekst van de gewijzigde tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. L.H.M. Jager - Huiskens heeft gevorderd:

  • -

    vrijspraak van de in de zaak met parketnummer 10/730078-16 onder 2 impliciet primair ten laste gelegde poging tot doodslag;

  • -

    bewezenverklaring van het in de zaak met parketnummer 10/730078-16 onder 1, 2 impliciet subsidiair (poging tot zware mishandeling), 3, 4 primair, 5, 6, 7, 8, 9, 10 primair, 11 (afpersing en afdreiging) en het in de zaak met parketnummer 10/692058-17 (hierna ook te noemen: feit 12) primair ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 jaren met aftrek van voorarrest, alsmede terbeschikkingstelling van de verdachte met bevel tot dwangverpleging;

Waardering van het bewijs

De gevoerde betrouwbaarheids- en vrijspraakverweren

De raadsman heeft zich ten aanzien van de feiten 1 tot en met 4 en 12 op het standpunt gesteld dat de verklaringen van de aangeefsters onbetrouwbaar zijn dan wel dat aan de betrouwbaarheid van deze verklaringen moet worden getwijfeld en meent dat de verklaringen dienen te worden uitgesloten van het bewijs. Op grond hiervan dient de verdachte bij gebrek aan wettig en overtuigend bewijs van deze feiten te worden vrijgesproken.

De raadsman heeft zich ten aanzien van de feiten 5 tot en met 8 en 10 op het standpunt gesteld dat de verklaringen van de aangeefsters niet worden ondersteund door andere bewijsmiddelen en dat daarom vrijspraak dient te volgen.

Beoordeling

De rechtbank overweegt allereerst in algemene zin dat het worden beschuldigd van het hebben gepleegd van een ernstig strafbaar feit als verkrachting voor een verdachte verstrekkende en zowel voor hem persoonlijk als maatschappelijk zeer ongewenste gevolgen kan hebben indien deze aangifte niet op waarheid berust. Niet voor niets is het doen van een valse aangifte strafbaar gesteld (artikel 188 Wetboek van Strafrecht). De rechtbank is bij de beoordeling van het bewijs gehouden enkel bewijsmiddelen tot bewijs te gebruiken die zij overtuigend - en daarmee betrouwbaar - acht (artikel 338 Wetboek van Strafvordering). Er kan slechts tot een bewezenverklaring worden gekomen indien er naast een aangifte voldoende ondersteunend bewijs is (artikel 342, tweede lid, Wetboek van Strafvordering). Dit heeft tot gevolg dat de rechtbank - ook los van een betwisting van de betrouwbaarheid door de verdediging - zal moeten beoordelen of de aangifte betrouwbaar is en of er voldoende ondersteunend bewijs voorhanden is. Dat betekent echter niet dat de rechtbank er op voorhand vanuit gaat dat een aangifte vals zou kunnen zijn; de beoordeling is slechts bedoeld om recht te doen aan de in artikel 6, tweede lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) opgenomen onschuldpresumptie.

In deze zaak zijn aan de verdachte twaalf strafbare feiten ten laste gelegd. Zes van de twaalf feiten zien op de verkrachting van een meisje of jonge vrouw (de feiten 1, 4, 5, 6, 10 en 12). De overige feiten hangen hiermee samen: de feiten 2 en 3 hebben betrekking op de aangeefster van feit 1, de feiten 7, 8 en 9 op de aangeefster van feit 6 (of haar moeder), en feit 11 heeft betrekking op de aangeefster van feit 10. Met betrekking tot de verkrachtingen van feit 6 en 10 en de daarmee samenhangende feiten heeft de verdachte geen verklaring willen afleggen. Met betrekking tot de overige verkrachtingen staan de verklaringen van de aangeefsters tegenover de verklaringen van de verdachte dat hetzij sprake is geweest van vrijwillig seksueel contact (feiten 1, 4 en 5), hetzij in het geheel geen sprake is geweest van seksueel contact (feit 12). Dit brengt dus mee dat de rechtbank kritisch moet kijken naar de betrouwbaarheid van de door de aangeefsters afgelegde verklaringen en naar de vraag of voor deze verklaringen voldoende steun is te vinden in het dossier.

De rechtbank zal hierna de afzonderlijke feiten bespreken en daarbij in het bijzonder de verklaringen die door de verschillende aangeefsters zijn afgelegd tegen het licht houden.

Feit 1:

De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Blijkens de aangifte is de aangeefster voor het eerst in de avond van 31 augustus 2016 dan wel de nacht van 31 augustus 2016 op 1 september 2016 door de verdachte aangerand en verkracht. Na de aanranding in een park heeft de verdachte van de aanranding bij de kelder van de woning van de verdachte een filmpje gemaakt. Op dit filmpje zou die aanranding er uitzien als een verkrachting. Door te dreigen dit filmpje te verspreiden via social media dan wel door dit op internet te plaatsen, dwong de verdachte de aangeefster seks met hem te hebben. Deze seks heeft plaatsgevonden in het Mainport Hotel. Nadat de verdachte op 15 september 2016 terug is gekomen uit Marokko hebben de verdachte en de aangeefster elkaar de volgende dag weer ontmoet in het Mainport Hotel. Aldaar is de aangeefster in de avond van 16 september 2016 dan wel de nacht van 16 op 17 september 2016 wederom door de verdachte verkracht en is zij mishandeld. Tevens is haar telefoon vernield en heeft de verdachte een net door haar aangeschafte IPhone 7 afgepakt. De aangeefster heeft verklaard met de ontmoeting in het Mainport Hotel op 16 september 2016 te hebben ingestemd omdat de verdachte dat filmpje van haar had. Op 17 september 2016 rond 10:30 uur hebben de verdachte en de aangeefster uitgecheckt in het Mainport Hotel. De receptioniste heeft tegenover de politie verklaard dat zij diverse verwondingen bij de aangeefster zag. Zij heeft verklaard: ‘Als ik haar had ingecheckt, had ik haar bij het uitchecken denk ik niet meer herkend. Haar hele gezicht zat onder de zwellingen. Ik zag dat haar linkeroog opgezwollen was, een blauw oog. Verder zag ik meerdere zwellingen in haar gezicht. Op haar lip zat zelfs nog bloed. Ik zag dat haar armen helemaal onder de blauwe plekken en rode striemen zaten. Ook in haar nek zaten rode striemen.’ Aan het eind van de middag is de aangeefster in het centrum van Rotterdam naar de Bijenkorf gegaan, waar zij werd opgemaakt door een verkoopster. Ook de verkoopster heeft verklaard over de door haar bij de aangeefster waargenomen verwondingen. Hierna is de aangeefster opgehaald door [naam 1] met wie zij in gevecht is geraakt. Omdat de politie was gealarmeerd, heeft deze de aangeefster meegenomen. De aangeefster wilde geen aangifte doen en de politie heeft haar afgezet bij Rotterdam CS. In de trein heeft de aangeefster een telefoongesprek met [naam 2] . In dit gesprek heeft zij tegen [naam 2] gezegd dat zij is aangerand, mishandeld en verkracht, aldus getuige [naam getuige 1] . Hierna heeft de aangeefster wederom een ontmoeting met de verdachte, ditmaal in het Art Hotel. Er heeft op zaterdag 18 september 2016 ook nog een telefoongesprek plaatsgevonden tussen de aangeefster en een vriendin van haar moeder (tevens de moeder van eerdergenoemde [naam 2] en [naam 1] ). Dit telefoongesprek is door [naam 2] opgenomen en door de politie uitgeluisterd en uitgewerkt. Deze uitwerking bevindt zich in het dossier (proces-verbaal [proces-verbaalnummer] , met bijlage). Hieruit blijkt dat de aangeefster heeft verklaard dat ze mishandeld en verkracht is en dat haar telefoon van haar is afgenomen. De gealarmeerde politie heeft de aangeefster en de verdachte op zondag 18 september 2016 omstreeks 23:00 uur in het Art Hotel aangetroffen, waarna de verdachte is aangehouden. In haar verklaring op 19 september 2016, afgelegd om 01:10 uur, heeft de aangeefster verklaard dat haar verwondingen zijn gekomen door het stoten tegen een keukenkastje en door ruzie met [naam 1] . Zij heeft ontkend met de verdachte seks te hebben gehad of door hem te zijn mishandeld. In het informatief zedengesprek dat op dezelfde dag omstreeks 8:45 uur met haar is gehouden, heeft zij verklaard geen aangifte te willen doen. Zij heeft verklaard wel seks te hebben gehad met de verdachte maar dit was vrijwillig, omdat zij niet had tegengestribbeld. Op 19 september 2016 omstreeks 14:20 uur heeft ze aangifte gedaan. Op deze aangifte is zij vervolgens bij haar verhoor door de rechter-commissaris op 20 februari 2017 teruggekomen.

Naar het oordeel van de rechtbank kan het wisselende beeld in de verklaringen van de aangeefster worden verklaard door haar labiele gemoedstoestand. De aangeefster heeft bij de politie verklaard dat zij kampt met een depressiestoornis en met borderline, hetgeen eveneens door de getuige [naam getuige 1] is verklaard en is bevestigd in de door de aangeefster als benadeelde partij overgelegde medische informatie.

De rechtbank stelt vast dat de aangeefster bij haar aangifte een uiterst gedetailleerde verklaring heeft afgelegd over de toedracht van de gebeurtenissen en daarin uitdrukkelijk heeft aangegeven dat zij aangifte wenst te doen, omdat zij “er niet meer uitkomt”. De aangifte vindt, in tijd, plaats en inhoud bezien, steun in de verklaringen van getuigen die op enig moment letsel bij de aangeefster hebben waargenomen en in de verklaring van getuige [naam getuige 1] dat de aangeefster tegen hem en zijn moeder (onder meer) heeft gezegd dat ze was verkracht, waarbij het laatste (telefoon)gesprek door de politie is beluisterd en uitgewerkt. Dit alles maakt dat de aangifte als betrouwbaar kan worden aangemerkt en bruikbaar is voor het bewijs. Het betrouwbaarheidsverweer wordt dan ook verworpen en de rechtbank acht dit feit wettig en overtuigend bewezen.

Feiten 2 en 3:

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat de onder 2 impliciet primair ten laste gelegde poging tot doodslag niet wettig en overtuigend is bewezen, zodat de verdachte daarvan zonder nadere motivering zal worden vrijgesproken.

Anders dan de officier van justitie acht de rechtbank ook de primair impliciet subsidiair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling niet wettig en overtuigend bewezen.

Afgezien van het letsel dat bij het slachtoffer is geconstateerd in haar gezicht en op haar schouder, blijkt niet van voldoende omstandigheden om te komen tot een poging om het slachtoffer opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. De verdachte zal ook daarvan worden vrijgesproken.

Wel acht de rechtbank op grond van de bewijsmiddelen bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder 2 subsidiair ten laste gelegde mishandeling.

Daarnaast acht de rechtbank ook de onder 3 ten laste gelegde diefstal wettig en overtuigend bewezen.

De rechtbank is van oordeel dat ook ten aanzien van deze feiten (feiten 2 en 3) de verklaring van de aangeefster betrouwbaar en bruikbaar is voor het bewijs op grond van hetgeen daartoe ten aanzien van feit 1 is besproken.

Het door de verdachte ten opzichte van de aangeefster gepleegde geweld staat naar het oordeel van de rechtbank in een te ver verwijderd verband van de onder 3 ten laste gelegde diefstal, zodat de verdachte van dit onderdeel zal worden vrijgesproken. Het geweld heeft immers plaatsgehad voordat de IPhone van de aangeefster door de verdachte werd weggenomen en uit de bewijsmiddelen kan ook verder niet worden afgeleid dat dit geweld gericht was op het wegnemen van de IPhone.

Feit 4:

Het vermeende slachtoffer van dit feit, een meisje van toen 15 jaar oud, heeft, direct nadat zij door de verbalisanten werd aangetroffen, verklaard dat zij is verkracht, dat degene die haar heeft verkracht haar telefoon heeft afgepakt, een filmpje van seksuele handelingen tussen haar en hem heeft gemaakt en heeft gedreigd dit filmpje op internet te zetten. Het meisje heeft geen aangifte willen doen, omdat zij niet langdurig met dit feit geconfronteerd wil worden. Tevens heeft zij verklaard bang te zijn voor de verdachte. Naar het oordeel van de rechtbank vindt de verklaring van dit meisje dat zij is verkracht en er dus geen sprake is geweest van vrijwillig seksueel contact steun in de verklaring van getuige [naam getuige 2] dat zij huilend op hem af kwam rennen en riep dat zij hulp nodig had en in de bevindingen van de ter plaatse gekomen politieagenten. Eén van hen heeft gezien dat één van de berichten die het meisje op dat moment op haar telefoon ontving en die volgens haar afkomstig waren van de verdachte “vuile slet” of woorden van gelijke strekking bevatte.

De rechtbank ziet in de verklaring die het meisje later tegenover de rechter-commissaris heeft afgelegd steun voor hetgeen zij eerder over de verkrachting heeft afgelegd tijdens het informatieve gesprek op de dag waarop het feit is gepleegd. Zij heeft bij de rechter-commissaris verklaard hoe zij een en ander heeft ervaren en dat hetgeen haar is overkomen haar nog steeds veel doet. Dat, naast het feit dat dit meisje haar eerste seksuele ervaring heeft moeten ondergaan op een blijkens de in het dossier gevoegde foto’s naargeestige afgelegen locatie onder een viaduct, sterkt de rechtbank in haar overtuiging dat het niet om vrijwillig seksueel contact is gegaan, zoals de verdachte heeft verklaard. Het betrouwbaarheidsverweer wordt verworpen. Ook dit feit acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen.

Feit 5:

De verklaring van aangeefster [naam slachtoffer 1] dat zij door de verdachte is verkracht en daarna naar een telefoonwinkel aan de Lijnbaan is gegaan waar zij zou hebben verteld wat er is gebeurd, vindt steun in het nadien bij haar geconstateerde letsel, in de verklaring van de getuige [naam getuige 3] (medewerker van de hiervoor bedoelde telefoonwinkel) - dat er een meisje met de naam [naam slachtoffer 1] bij hem in de winkel is geweest en hem heeft verteld dat zij was verkracht - en in de verklaring van de getuige [naam getuige 4] dat de aangeefster er bij thuiskomst “niet uitzag” en dat de aangeefster zei dat ze “gewoon weer was verkracht”. Ook andere onderdelen van de verklaring van de aangeefster - die weliswaar niet direct zien op het ten laste gelegde feit, maar wel informatie kunnen geven over de betrouwbaarheid van de verklaring van de aangeefster - worden bevestigd door externe bronnen. De rechtbank doelt hiermee op de kapotte telefoon en het door de verdachte in de brand steken van zijn auto. Voor zover de verdediging heeft beoogd de betrouwbaarheid van de verklaring van de aangeefster te betwisten, wordt dit verworpen, gelet op de gedetailleerde verklaring van de aangeefster en de bevestiging van haar verklaring in andere stukken in het dossier. Ook dit feit acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen.

Feiten 6 en 7:

De verklaring van de aangeefster ten aanzien van de feiten waarvan zij aangifte heeft gedaan (verkrachting en mishandeling), vindt steun in de medische informatie met betrekking tot het nadien bij haar door een arts geconstateerde letsel. Uit het journaal van haar huisarts (bijlage 1606221200.AMB) blijkt dat de verklaring van de aangeefster dat zij is aangereden ook aan de orde is gekomen in het kader van de behandeling van haar medische klachten. Steun voor haar verklaring is voorts te vinden in de verklaring van [naam moeder] - de moeder van de aangeefster -, die heeft verklaard dat zij de verdachte op enig moment aan de lijn kreeg, dat zij van hem haar dochter aanvankelijk niet mocht spreken, maar dat hij haar kort daarna over de telefoon mededeelde dat haar dochter was flauwgevallen en dat zij moest komen om haar naar het ziekenhuis te brengen. Ter plaatse gekomen zag zij dat haar dochter een zere neus had, dat de zijkant van haar gezicht blauw was, dat één van haar knieën was geschaafd, dat haar handen bebloed waren en dat haar kleding was gescheurd. Ten slotte vindt de verklaring van aangeefster steun in een proces-verbaal van bevindingen van 20 april 2016 ( [naam proces-verbaalnummer] ).

De verdediging heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat blijkens het informatief zedengesprek de aangeefster is ingefluisterd door een door de moeder van de aangeefster ingeschakelde waarzegster. De rechtbank stelt op grond van het proces-verbaal informatief gesprek zeden vast dat de details als genoemd in de aangifte niet van de waarzegster afkomstig zijn.

De verklaring van de aangeefster dat zij niet alleen door de verdachte is verkracht maar ook door hem is mishandeld wordt, naast de inhoud van het hiervoor besproken journaal van de huisarts, ondersteund door de medische informatie in het dossier (Farr-verklaring d.d. 10 maart 2017).

Het verweer dat de aangifte onvoldoende steun vindt in het dossier wordt verworpen. Ook dit feit acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen.

Feiten 10 en 11:

De verklaring van de aangeefster, toen een meisje van 15 jaar, dat zij door de verdachte oraal is verkracht en dat hij daarvan een filmpje had gemaakt wat hij aan de broer van de aangeefster zou laten zien en/of op social media zou zetten als de aangeefster niet zou doen wat de verdachte wilde, wordt bevestigd door de verklaring van de getuige [naam getuige 5] , moeder van de aangeefster. De moeder heeft verklaard dat haar dochter haar had verteld dat zij was gedwongen om bij een jongen seks met de mond te doen en had gedreigd filmpjes van seksuele handelingen met haar naar haar ouders te sturen. De aangifte wordt eveneens bevestigd door de verklaring van de getuige [naam getuige 6] , gezinscoach van het gezin waartoe de aangeefster behoort.

Het verweer dat de aangifte met betrekking tot de onder 10 ten laste gelegde verkrachting onvoldoende steun vindt in het dossier, wordt verworpen. Ook dit feit acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen acht dat dit meermalen is gebeurd, zoals ten laste is gelegd.

Dat de aangeefster daarnaast ook is afgeperst en afgedreigd, hetgeen door de verdediging voor wat de afdreiging betreft ook niet wordt betwist, acht de rechtbank bewezen op grond van diezelfde aangifte alsmede de in het dossier opgenomen sms-berichten tussen de verdachte en de aangeefster. Ook deze feiten vinden bevestiging in de verklaringen van voornoemde getuigen [naam getuige 5] en [naam getuige 6] .

Feit 12:

Naast de aangifte van verkrachting bevinden zich in het dossier de resultaten van het onderzoek naar bloedsporen die zijn aangetroffen aan de binnenkant en de buitenkant van de onderbroek van de verdachte, waaruit blijkt dat het gaat om bloed afkomstig van de aangeefster. De verdachte heeft hiervoor ter zitting geen verklaring kunnen geven. Ook bevindt zich in het dossier een proces-verbaal van bevindingen, waaruit blijkt dat de aangeefster op 23 januari 2016 in de directe omgeving van het hotel waar zij heeft verklaard te zijn verkracht, geëmotioneerd wordt aangetroffen. Kort daarna wordt door een verbalisant op het politiebureau op het bovenbeen van de aangeefster een blauwe plek en een verkleuring van de huid op haar linker elleboog waargenomen. Gelet op deze feiten en omstandigheden wordt het verweer van de verdediging dat de aangifte onvoldoende steun vindt in het dossier verworpen. Ook dit feit acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 10/730078-16 onder 1, 2 subsidiair, 3, 4 primair, 5, 6, 7, 8, 9, 10 primair en 11, en het in de zaak met parketnummer 10/692058-17 primair ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

In de zaak met parketnummer 10/730078-16:

1.

hij in de periode van 31 augustus 2016 tot en met 18 september 2016 te Rotterdam

meermalen door bedreiging met een feitelijkheid

[naam slachtoffer 2] heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die bestonden uit

of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die

[naam slachtoffer 2] , hebbende verdachte

- zijn vinger in de vagina van die [naam slachtoffer 2] geduwd en

- zijn penis in de mond van die [naam slachtoffer 2] geduwd en

- zijn penis in de vagina van die [naam slachtoffer 2] geduwd

waarbij de bedreiging met een feitelijkheid heeft

bestaan uit het (meermalen) dreigen met het op social media en/of internet plaatsen van een

door verdachte gemaakt filmpje, waarop seksuele handelingen tussen verdachte

en die [naam slachtoffer 2] te zien zijn.

2.

(subsidiair):

hij in de periode van 15 september 2016 tot en met 18 september 2016 te Rotterdam,

[naam slachtoffer 2] heeft mishandeld door

- met beide handen (met kracht) de keel van die [naam slachtoffer 2] vast te pakken en dicht te knijpen en

- in het gezicht van die [naam slachtoffer 2] te slaan/stompen.

3.

hij in de periode van 15 september 2016 tot en met 18 september

2016 te Rotterdam met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen

een telefoon (Iphone 7, matzwart), toebehorende aan [naam slachtoffer 2] ,

4.

hij op 23 mei 2016 te Schiedamdoor bedreiging met andere feitelijkheden

[naam slachtoffer 3] , heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die bestonden

uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die

[naam slachtoffer 3] , hebbende verdachte- zijn penis in de vagina van die [naam slachtoffer 3] geduwd en/of gestopt waarbij de bedreiging met andere feitelijkheden hebben bestaan uit het

- dreigen met het op social media en/of internet plaatsen van een naaktfoto

van die [naam slachtoffer 3] en een door verdachte gemaakt filmpje, waarop seksuele

handelingen tussen verdachte en die [naam slachtoffer 3] te zien zijn en

- afpakken van de telefoon van die [naam slachtoffer 3] en

- met kracht uittrekken van haar broek en onderbroek en

- op agressieve/boze toon praten.

5.

hij op 15 juni 2016 te Rotterdam in een auto en Hotel Turkuaz

meermalen door geweld en door bedreiging met geweld [naam slachtoffer 1] heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die bestonden

uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die

[naam slachtoffer 1] , hebbende verdachte

- zijn penis in de mond van die [naam slachtoffer 1] geduwd en

- zijn penis in de vagina van die [naam slachtoffer 1] geduwd waarbij het geweld en de bedreiging met

geweld hebben bestaan uit het

- slaan op het hoofd en/of lichaam van die [naam slachtoffer 1] en

- dichtknijpen en dichtgeknepen houden van de keel van die [naam slachtoffer 1] en

- tonen/voorhouden van een mes aan die [naam slachtoffer 1] en maken van stekende

bewegingen met voornoemd mes in de richting van die [naam slachtoffer 1] en

- dreigen met het vernielen van de telefoon van die [naam slachtoffer 1] en

- op slot draaien/doen van de deuren van de auto en hotelkamer en

- dreigen de kleding van die [naam slachtoffer 1] kapot te scheuren en

- toevoegen van de woorden "ik schiet je dood", althans woorden van gelijke

dreigende aard en/of strekking.

6.

hij in de periode van 11 maart 2016 tot en met 27 april 2016 te Schiedam

meermalen (telkens) door geweld endoor bedreiging met geweld en bedreiging met een andere feitelijkheid [naam slachtoffer 4] heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die

[naam slachtoffer 4] , hebbende verdachte, meermalen,

- zijn vinger(s) in de vagina van die [naam slachtoffer 4] geduwd en/of gestopt en

- zijn penis in de mond van die [naam slachtoffer 4] geduwd en

- zijn penis in de vagina van die [naam slachtoffer 4] geduwd

waarbij het geweld en de bedreiging met

geweld en de bedreiging met een andere feitelijkhed hebben

bestaan uit het (meermalen)

- met kracht slaan tegen het

lichaam van die [naam slachtoffer 4] en

- met kracht trekken aan de hoofddoek van die [naam slachtoffer 4] en

- met kracht duwen van die [naam slachtoffer 4] tegen een muur en

- tonen/voorhouden van een mes aan

die [naam slachtoffer 4] en

- dat mes tegen het lichaam, van die [naam slachtoffer 4] zetten/duwen

en

- dreigen met het versturen van een door verdachte gemaakt filmpje, waarop

seksuele handelingen tussen verdachte en die [naam slachtoffer 4] te zien zijn, aan de

moeder en broer van die [naam slachtoffer 4] en

- daarbij aan die [naam slachtoffer 4] toevoegen van de woorden: "Kankerhoer, je moet doen

wat ik wil" en "Denk je nu echt dat je zomaar weg kan gaan" en "Het is

beter als je hier blijft".

7.

hij op 7 april 2016 te Rotterdam en Schiedam,

[naam slachtoffer 4] heeft mishandeld door

- met kracht in het gezicht en lichaam van die [naam slachtoffer 4] te slaan en

- met een mes in de zij van die [naam slachtoffer 4] te prikken en

- met dat mes op de benen van die [naam slachtoffer 4] te slaan en

- met een auto op die [naam slachtoffer 4] in te rijden, waardoor die [naam slachtoffer 4] ten val kwam.

8.

hij in de periode van 10 april 2016

tot en met 21 april 2016 in Nederland, [naam slachtoffer 4] heeft bedreigd met

enig misdrijf tegen het leven gericht, en enig misdrijf waardoor gevaar voor goederen ontstaat(te weten vernieling), immers heeft verdachte opzettelijk die [naam slachtoffer 4] dreigend sms-bericht(en) gestuurd met de volgende teksten:

- " Ik heb een kkr clock billah ga hem mond stoppen neeem kkr op geen tijd

spelklktjess neem op" en

- " Neeem op maakt me agresief" en

- " Sta voor je deur of gaat nu bellen of trap kkr deur openn bellen of trap m

opennn kiezzzz billah sta voor deur van je aangetrouwde familie". en

- " Hand op koran kaoutar je speelt met vuur en je weet hoe ik ben" en

- " Je gaat nu zien wie egte [naam verdachte] is" en

- " Ga je zusje vermoorde bloedruk kkr hoog klaar heb bloedneus",

althans woorden en/of sms-berichten van gelijke dreigende aard of strekking;

9.

hij op 24 april 2016 te Rotterdam, [naam slachtoffer 5] heeft bedreigd

met enig misdrijf tegen het leven gericht en met verkrachting, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [naam slachtoffer 5] dreigend de woorden toegevoegd:

"Ik ga jongens naar jouw dochters sturen, en die gaan jouw dochters allemaal

verkrachten, één voor één" en "ik ga ook jullie oudste zoon schieten",

althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

10.

hij op 2 mei 2016 te Schiedam door bedreiging met een andere

feitelijkheid [naam slachtoffer 6] heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die

[naam slachtoffer 6] , hebbende verdachte- zijn penis in de mond van die [naam slachtoffer 6] geduwd

waarbij de bedreiging met een andere feitelijkheid heeft bestaan uit het

- dreigen met het op social media en/of internet plaatsen en/of

tonen/versturen aan de broer van die [naam slachtoffer 6] van een door verdachte

gemaakt filmpje, waarop seksuele handelingen tussen verdachte en die [naam slachtoffer 6]

te zien zijn.

11.

hij in de periode van 30 april 2016 tot en met 12 mei 2016 te Rotterdam,

met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door

geweld en bedreiging met geweld [naam slachtoffer 6] heeft gedwongen tot de

afgifte van

- een spaarpot inhoudende een geldbedrag (ongeveer 2000 euro) en

- ongeveer 300 euro en

- een gouden ring en armband

toebehorende aan [naam slachtoffer 7] en/of [naam slachtoffer 6] , welk geweld en welke bedreiging met geweld bestonden uit het

- slaan in het gezicht van die

[naam slachtoffer 6] en/of

- ( woordelijk en/of schriftelijk per whatsapp-bericht(en) en/of

sms-bericht(en)) dreigen die [naam slachtoffer 6] te zullen slaan.

en

hij in de periode van 30 april 2016 tot en met 12 mei 2016 te Rotterdam,

met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen, door bedreiging met

openbaarmaking van een geheim [naam slachtoffer 6] heeft gedwongen tot afgifte van

- een spaarpot inhoudende een geldbedrag (ongeveer 2000 euro) en

- ongeveer 300 euro en

- een gouden ring en armband toebehorende

aan [naam slachtoffer 7] en/of [naam slachtoffer 6] , welke bedreiging bestond uit het

dreigen met het op social media en/of internet plaatsen en/of tonen/versturen

aan de broer van die [naam slachtoffer 6] van een door verdachte gemaakt filmpje, waarop

seksuele handelingen tussen verdachte en die [naam slachtoffer 6] te zien zijn.

In de zaak met parketnummer 10/692058-17:

hij op 23 januari 2016 te Venlo

door geweld en een andere feitelijkheid en door bedreiging met

geweld [naam slachtoffer 8] , heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die bestonden

uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [naam slachtoffer 8] , hebbende verdachte

- zijn penis in de vagina van die [naam slachtoffer 8] geduwd en

waarbij het geweld en andere feitelijkheden hebben

bestaan uit het

- met kracht slaan in het gezicht van die [naam slachtoffer 8] en

- op slot draaien van de deur, zodat die [naam slachtoffer 8] de hotelkamer niet kon

verlaten en

- met kracht duwen van die [naam slachtoffer 8] op het bed en

- bovenop die [naam slachtoffer 8] gaan liggen en

- ( vervolgens) (met kracht) klemmen van zijn, verdachtes, hand om de nek

van die [naam slachtoffer 8] en

- uittrekken van de broek van die [naam slachtoffer 8] en- met kracht uit elkaar duwen van de benen van die [naam slachtoffer 8] en

- ( daarbij) aan die [naam slachtoffer 8] toevoegen van de woorden -zakelijk weergegeven-

dat hij haar wilde ontmaagden en dat hij haar had gefilmd en dat hij

haar kaak zou breken.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.

Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:

In de zaak met parketnummer 10/730078-16:

Feit 1:

Verkrachting, meermalen gepleegd

Feit 2 (subsidiair):

Mishandeling

Feit 3:

Diefstal

Feit 4 (primair):

Verkrachting

Feit 5:

Verkrachting, meermalen gepleegd

Feit 6:

Verkrachting, meermalen gepleegd

Feit 7:

Mishandeling

Feit 8:

Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en met enig misdrijf waardoor gevaar voor de algemene veiligheid van personen of goederen of gemeen gevaar voor de verlening van diensten ontstaat

Feit 9

Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en met verkrachting

Feit 10 (primair)

Verkrachting

Feit 11:

Afpersing en afdreiging

In de zaak met parketnummer 10/692058-17:

(primair):

Verkrachting.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De feiten zijn dus strafbaar.

Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

Motivering straf en maatregel

Algemene overweging

De straf en maatregel die aan de verdachte worden opgelegd, zijn gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Feiten waarop de straf en maatregel zijn gebaseerd

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de verkrachting van zes jonge en kwetsbare vrouwen/meisjes, waarvan twee op dat moment minderjarig waren. Via social media heeft de verdachte telkens contacten weten te leggen met meisjes van wie hij wist dan wel sterk vermoedde dat zij nog geen of nauwelijks seksuele ervaringen hadden opgedaan en ook dat zij, mede vanwege hun culturele achtergrond, ten koste van alles zouden willen voorkomen dat hun familie op de hoogte zou raken van een eventueel seksueel contact.

De verdachte presenteerde zich daarbij - aanvankelijk nog - tegenover hen als een charmante jongeman met mogelijk serieuze bedoelingen en maakte met hen een eerste afspraak. In het merendeel van de gevallen probeerde de verdachte al tijdens deze eerste afspraken seksueel contact met hen te hebben. Daarvan maakte de verdachte dan foto’s of beeldopnamen, als onderdeel van een vooropgezet en geraffineerd plan. Onder de dreiging dat hij deze opnamen aan hun familie zou sturen of op social media zou zetten, met alle mogelijke gevolgen voor hen van dien, moesten de slachtoffers hem daarna andermaal, in een hotel of op een andere afgelegen plek (opnieuw) ontmoeten. Daar heeft de verdachte misbruik gemaakt van de ondergeschikte positie waarin hij zijn slachtoffers had weten te brengen door hen op grove wijze te verkrachten. Daarbij is hij zowel voorafgaand, tijdens, maar ook na afloop daarvan aanzienlijk geweld jegens zijn slachtoffers niet uit de weg gegaan, mede om hen te dwingen af te zien van het doen van aangifte. Buitengewoon wrang is dat voor enkele slachtoffers de verkrachting hun eerste seksuele ervaring is geweest. Eveneens wrang, zo niet onthutsend, is dat het slachtoffer van feit 5 enkele weken voordat zij door de verdachte is verkracht al slachtoffer van verkrachting was geworden en dat een van deze verkrachting op het internet circulerende opname de verdachte kennelijk specifiek aanleiding heeft gegeven om contact te zoeken met het slachtoffer om haar vervolgens opnieuw een dergelijke mensonterende ervaring te bezorgen.

De verdachte heeft zich bij deze feiten louter en alleen laten leiden door zijn eigen lust- en behoeftebevrediging en hij heeft zich op geen enkele wijze bekommerd om de wil en de gevoelens van de slachtoffers. De slachtoffers werden daarbij door de verdachte gereduceerd tot een voorwerp en een gebruiksartikel. Dit wringt des te meer daar de verdachte met sommige slachtoffers in meer of mindere mate een relatie had en zij zich ook (mede) daardoor in van hem afhankelijke positie bevonden en zij er op mochten vertrouwen dat hij hen met respect zou behandelen. Het door hen in de verdachte gestelde vertrouwen heeft de verdachte echter zeer ernstig beschaamd.

De slachtoffers, zo blijkt uit de door hen ingediende vorderingen als benadeelde partij dan wel uit de door hen opstelde slachtofferverklaringen, hebben zeer ernstig psychisch leed ondervonden van hetgeen de verdachte hen heeft aangedaan, welk leed tot op de dag van vandaag nog voortduurt.

De rechtbank rekent het de verdachte aan dat hij gedurende de behandeling van zijn strafzaak op geen enkele wijze heeft laten merken te beseffen wat hij zijn slachtoffers heeft aangedaan. De verdachte heeft desgevraagd juist te kennen gegeven de oprechtheid van de ter zitting getoonde emoties van de slachtoffers te betwijfelen.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van

14 maart 2018, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

Rapportages

Reclassering Nederland heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 26 april 2017. De rechtbank heeft acht geslagen op dit rapport.

Straf

Gezien de ernst van de feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd.

De gevangenisstraf die de rechtbank aan de verdachte zal opleggen is lager dan door de officier van justitie is geëist. Dit houdt verband met de jonge leeftijd van de verdachte en met de hierna uiteen te zetten noodzaak tot behandeling van de verdachte in het kader van een tbs-maatregel.

Maatregel

De rechtbank zal thans ingaan op de vraag of bij de verdachte ten tijde van de bewezenverklaarde feiten een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond en zo ja, of een maatregel van terbeschikkingstelling (met dwangverpleging) moet worden opgelegd.

Vooropgesteld wordt dat in het kader van de vraag of een last tot terbeschikkingstelling als bedoeld in artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht moet worden gegeven, het aan de rechter is die over de feiten oordeelt om vast te stellen of bij de verdachte ten tijde van het plegen van het feit een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond. De rechter laat zich daartoe ingevolge artikel 37a, derde lid, van het Wetboek van Strafrecht waarin artikel 37, tweede lid, van dit wetboek van overeenkomstige toepassing is verklaard, een met redenen omkleed, gedagtekend en ondertekend advies overleggen van ten minste twee gedragsdeskundigen van verschillende disciplines - waaronder een psychiater - die de betrokkene hebben onderzocht.

Voor de beantwoording van de vraag of bij de verdachte ten tijde van de bewezenverklaarde feiten al dan niet een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens bestond, heeft de rechtbank allereerst acht geslagen op de door psychiater dr. L.H.W.M. Kaiser en psycholoog A.C.J. Schrama over de verdachte opgemaakte rapporten, respectievelijk gedateerd 4 juli 2017 en 2 mei 2017.

Psychiater Kaiser overweegt in zijn rapport onder meer het volgende.

Er is bij de verdachte sprake van een gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens in de vorm van een gedragsstoornis. Zijn persoonlijkheid heeft tekenen van een antisociale kant in de zin van een egocentrische, op eigen behoefte gerichte, parasitaire leefwijze, weinig verantwoordelijkheid nemend en weinig morele diepgang met manipulatie ten behoeve van eigenwinst. In zijn gedrag toont hij een lacunaire gewetensfunctie. Er is sprake van een bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling met normoverschrijdend gedrag richting antisociale persoonlijkheidsstoornis, een stoornis die ook aanwezig was ten tijde van de ten laste gelegde feiten. Vanwege de ontkennende houding van de verdachte kan er geen uitspraak worden gedaan over de relatie van de persoonlijkheidsdynamiek, de gedragsstoornis en het ten laste gelegde. Het wordt niet duidelijk welke dynamiek heeft geleid tot het ten laste gelegde als dat bewezen geacht wordt, met name wordt niet duidelijk of er een stoornis is in de dynamiek gericht op meisjes en vrouwen, of er sprake is van hoofdzakelijk lustgedreven gedrag, en of sprake is van agressieregulatie-problematiek of van vooral instrumentele agressie. Vanwege de ontkennende houding van de verdachte kan evenmin uitspraak worden gedaan over de mate van toerekeningsvatbaarheid en het recidiverisico. Klinische observatie in het Pieter Baan Centrum kan meer informatie geven over de dynamiek in relatie tot anderen.

Ook psycholoog Schrama is van oordeel dat bij de verdachte sprake is van een normoverschrijdende gedragsstoornis en een bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling met antisociale trekken. De psycholoog vermeldt daarover onder meer het volgende.

De verdachte beschikt over weinig reflectief vermogen en kan zich moeilijk verplaatsen in de gevoelens van anderen. Hij is gericht op eigen behoeftebevrediging. De verdachte heeft moeite met het tonen van zijn kwetsbaarheden en is juist daardoor geneigd de controle en vaste structuur vast te houden, waarbij hij de werkelijkheid naar zijn hand probeert te zetten door te liegen en te manipuleren. Alles dat dit enigszins in gevaar kan brengen, wordt door hem gezien als een bedreiging waar hij met achterdocht of een impulsdoorbraak op kan reageren. Zijn copingvaardigheden zijn te weinig ontwikkeld om bijvoorbeeld zijn eigen emoties te herkennen maar ook om die van anderen te kunnen begrijpen. Door de ontkennende houding van de verdachte is geen verband aan te brengen tussen deze diagnose en de ten laste gelegde feiten. Omdat het onderzoek vanwege de ontkennende houding van de verdachte te weinig handvatten biedt om tot een advies te komen overweegt ook de psycholoog om een klinisch observatieonderzoek te laten plaatsvinden.

Voorts heeft de rechtbank acht geslagen op een door de psychiater L.J.H. Kuipers en GZ-psycholoog T.W. van de Kant, beiden verbonden aan het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie (locatie Pieter Baan Centrum), op 6 februari 2018 uitgebracht rapport. Dit rapport houdt onder meer het volgende in.

De verschillende contacten met politie en justitie, het zich niet conformeren aan algemeen geldende maatschappelijke normen of opgelegde voorwaarden, het disfunctioneren op vrijwel alle levensterreinen, zijn prikkelbaarheid en agressie, het ontbreken van spijt over eerder handelen en zijn externaliserende en bagatelliserende houding vormen een onderdeel van een zeer zorgelijk verstoorde identiteitsontwikkeling, waarbij de persoonlijkheid van betrokkene zich lijkt uit te rijpen tot een antisociale persoonlijkheidsstoornis met narcistische trekken.

Daarbij is er sprake van psychopathiforme kenmerken en voldoet de verdachte aan de criteria voor psychopathie. De verdachte is charmerend en oppervlakkig in het contact. Hij ontbeert emotionele diepgang, is geneigd de werkelijkheid een andere kleuring te geven ten behoeve van eigen belang, leidt een parasitaire levensstijl en toont verstoorde gebrekkige empathische vermogens en een lacunaire gewetensfunctie.

Dit roept grote zorgen op voor zijn verdere ontwikkeling, zeker gezien zijn nog jonge leeftijd en de ernst van de actuele problematiek. De feiten doen, indien bewezen, eerder berekenend aan dan impulsief. Hoewel de verdachte aanvankelijk liefdevolle opmerkingen maakt naar de aangeefsters lijkt van doorleefde affectie jegens hen geen sprake, ook retrospectief toont de verdachte geen affectie of inlevingsvermogen in de beleving van de aangeefsters. Slachtofferempathie ontbreekt. Het beeld ontstaat van een beheerst, planmatig handelen door de verdachte waarbij slechts op momenten van weerstand vanuit de aangeefster sprake lijkt van meer impulsieve agressie zoals het kapotmaken van telefoons en het gebruik van instrumentele agressie naar de aangeefsters. De controle over de aangeefsters lijkt voornamelijk te worden uitgeoefend door chantage met beelden van de aangeefsters. Gesteld kan worden dat er sprake is van een andere gespecificeerde persoonlijkheidsstoornis met antisociale en narcistische trekken, trekken die zich openbaren door zijn opvallend charmante presentatie, egocentrisme, beperkte empathische vermogens, emotionele oppervlakkigheid en gebrek aan berouw. Opmerkelijk is dat de verdachte op alle op de checklist voor psychopathie vermelde facetten - arrogante en bedrieglijke interpersoonlijke stijl, defectueuze affectieve beleving, impulsieve en onverantwoordelijke stijl en antisociaal gedrag - hoog en ook evenredig hoog scoort en dat deze kenmerken verweven lijken te zijn met zijn gehele persoonlijkheid. Deze waren dus ook aanwezig ten tijde van de ten laste gelegde feiten. Omdat de psychiater en de psycholoog de verdachte niet hebben kunnen spreken over de feiten is onvoldoende zicht verkregen op het mogelijk pathologisch bepaalde recidiverisico. Wel wordt door hen opgemerkt dat coöperatie van de verdachte bij risico-inperkende behandelinterventies als laag ingeschat wordt en dat een langdurig en intensief traject noodzakelijk zal zijn om verandering te bewerkstelligen ten aanzien van de persoonlijkheidsproblematiek van de verdachte. Behandeling binnen een vrijwillig kader, gezien de aard van de problematiek, zijn eerdere onttrekking aan toezicht, behandeling en opgelegde sancties en zijn problemen met het conformeren aan regels, zal niet haalbaar zijn. De verdachte heeft zich in het verleden nimmer bereid getoond behandeling of hulp te accepteren voor de reeds lang bestaande problemen.

Gelet op de inhoud van de hiervoor besproken rapporten van de deskundigen komt de rechtbank tot het oordeel dat bij de verdachte ten tijde van de bewezenverklaarde feiten sprake was van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens als bedoeld in artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht. Hoewel de deskundigen zich daar niet over hebben kunnen uitlaten, komt de rechtbank een eigen bevoegdheid toe om zich een beeld te vormen over de mate van toerekenbaarheid van de feiten aan de verdachte.

De rechtbank oordeelt dat de bewezen feiten op grond van de aard en de ernst van de bij de verdachte aanwezige persoonlijkheidsproblematiek aan de verdachte in een verminderde mate kunnen worden toegerekend, zonder dat de mate waarin dit het geval is geweest komt vast te staan.

De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat, gelet op de ernst en de aard van de bewezenverklaarde verkrachtingen in combinatie met de hardnekkigheid van de door de deskundigen bij de verdachte vastgestelde persoonlijkheidsproblematiek, voor herhaling van het plegen van dit soort feiten sterk moet worden gevreesd.

Een langdurig en intensief behandeltraject is volgens de deskundigen nodig om in de bestaande persoonlijkheidsproblematiek verandering aan te brengen. Gelet op de bevindingen van de hiervoor aangehaalde deskundigen is het niet de verwachting dat de verdachte zich wil conformeren aan een behandeling die in een - min of meer - vrijwillig kader plaatsvindt. Naar het oordeel van de rechtbank is daarom alleen een behandeling in het kader van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege toereikend om gedragsverandering aan te brengen en het recidiverisico te reduceren. Hierbij heeft de rechtbank ook rekening gehouden met de aard, ernst en hoeveelheid van de in korte tijd gepleegde feiten.


De algemene veiligheid van personen of goederen eist op grond van het hiervoor overwogene dan ook de terbeschikkingstelling van de verdachte met verpleging van overheidswege. Dat oordeel is gegrond op de ernst en aard van de bewezen verklaarde feiten en het gevaar voor herhaling.

Vastgesteld wordt dat de in de zaak met parketnummer 10/730078-16 onder 1, 4, 5, 6 en 10 en in de zaak met parketnummer 10/692058-17 bewezen verklaarde feiten, ter zake waarvan de terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege zal worden opgelegd, misdrijven betreffen als bedoeld in artikel 37a, eerste lid, aanhef en onder 1, van het Wetboek van Strafrecht.

Daarnaast stelt de rechtbank vast dat de strafbare feiten ter zake waarvan de terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege zal worden opgelegd, misdrijven betreffen die gericht zijn tegen of gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van één of meer personen. Daartoe zijn de aard en de kwalificatie van de bewezen verklaarde feiten redengevend.

De totale duur van de terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege kan daarom een periode van vier jaar te boven gaan.

Aan de verdachte zal, gelet op het voorgaande terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege worden opgelegd.

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf en maatregel passend en geboden.

Anders dan bepleit door de verdediging, ziet de rechtbank in de persoonlijkheid noch in de persoonlijke omstandigheden van de verdachte noch in de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan aanleiding om het jeugdstrafrecht toe te passen.

Vorderingen benadeelde partijen/schadevergoedingsmaatregelen

De benadeelde partij [naam benadeelde 1] :

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [naam benadeelde 1] , ter zake van de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 4.283,95 aan materiële schade, bestaande uit de navolgende posten:

beschadigde zaken/kleding € 1.999,87

geldbedragen € 1.680,00

reis- en parkeerkosten € 104,08

aanvullende kosten in hoger beroep € 500,00

wettelijke rente p.m.

kosten voor rechtsbijstand p.m.

De benadeelde partij vordert in de door haar ingediende schriftelijke vordering daarnaast een bedrag van € 5.000 aan immateriële schade.

Ter terechtzitting heeft de benadeelde partij haar vordering met betrekking tot geleden immateriële schade verhoogd tot een bedrag van € 10.000.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft met betrekking tot de gevorderde materiële schade geconcludeerd tot toewijzing van een bedrag van € 2.103,95 (beschadigde kleding en reis- en parkeerkosten.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijk verklaring van de benadeelde partij in het overig gevorderde.

Met betrekking tot de gevorderde immateriële schade acht de officier van justitie een bedrag van € 10.000 toewijsbaar.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft zich, in geval van bewezenverklaring, primair op het standpunt gesteld dat de vordering in zijn geheel niet-ontvankelijk moet worden verklaard vanwege de onevenredig zware belasting die behandeling ervan voor het strafproces betekent. Subsidiair heeft zij zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de gevorderde materiële schade, met uitzondering van de gevorderde kosten met betrekking tot hoger beroep. Daarvan heeft de raadsman de afwijzing bepleit.

Met betrekking tot de gevorderde immateriële schade heeft de verdediging matiging bepleit tot een bedrag van € 5.000,00.

Beoordeling

Nu is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij door de onder 1, 2 en 3 bewezen verklaarde strafbare feiten rechtstreeks (materiële) schade is toegebracht en de vordering ter zake de gestolen/beschadigde zaken en schade hotelkamer ( € 1.999,87) en de gevorderde parkeerkosten (€ 104,08) genoegzaam is onderbouwd, zal de vordering aan materiële schade tot een bedrag van € 2.103,95 worden toegewezen.

De benadeelde partij zal in de vordering ter zake gevorderde geldbedragen € 1.680,00 niet-ontvankelijk worden verklaard, nu niet is komen vast te staan dat de schade waarvan vergoeding wordt gevorderd rechtstreeks verband houdt met (een van) de onder 1, 2 of 3 bewezen verklaarde feiten.

De gevorderde kosten in hoger beroep zijn in dit stadium van de behandeling van de strafzaak nog niet geleden, zodat deze vordering zal worden afgewezen.

Voorts is vast komen te staan dat aan de benadeelde partij door het onder 1, 2 en 3 bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks immateriële schade is toegebracht.

Die schade zal op dit moment op basis van de thans gebleken feiten en omstandigheden naar maatstaven van billijkheid worden vastgesteld op € 5.000. De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard, aangezien de bewijsstukken ter onderbouwing van de vordering thans ontoereikend zijn. Nader onderzoek naar de gegrondheid van dat deel van de vordering en de omvang daarvan zou een uitgebreide nadere behandeling vereisen. De rechtbank is van oordeel dat de nadere behandeling van dit deel van de vordering, gelet ook op de al voor de gepleegde feiten bestaande en thans nog voortdurende psychische problematiek van de benadeelde partij, een onevenredige belasting van het strafproces zou vormen. Dit deel van de vordering kan derhalve slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf 18 september 2016.

Nu de vordering van de benadeelde partij (in overwegende mate) zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Conclusie

De verdachte moet de benadeelde partij een schadevergoeding betalen van € 7.103,95, vermeerderd met de wettelijke rente als hieronder in de beslissing vermeld.

Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

De benadeelde partij [naam benadeelde 2] :

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [naam benadeelde 2] , ter zake van het onder 5 ten laste gelegde feit. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 15.000 aan immateriële schade.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft het standpunt ingenomen dat de vordering voor toewijzing vatbaar is en heeft geconcludeerd tot toewijzing van het gevorderde bedrag van € 15.000.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat, in geval van bewezenverklaring van het onderliggende feit, de vordering toewijsbaar is tot een bedrag van € 5.000,00 en de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

Beoordeling

Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij door het onder 5 bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks immateriële schade is toegebracht.

Die schade zal op dit moment op basis van de thans gebleken feiten en omstandigheden naar maatstaven van billijkheid worden vastgesteld op € 5.000. De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard, aangezien de bewijsstukken ter onderbouwing van de vordering thans ontoereikend zijn. Nader onderzoek naar de gegrondheid van de vordering en de omvang daarvan zou een uitgebreide nadere behandeling vereisen. De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de al voor het gepleegde feit bestaande en thans nog voortdurende psychische problemen bij het slachtoffer, de nadere behandeling van dit deel van de vordering een onevenredige belasting van het strafproces zou vormen. Dit deel van de vordering kan derhalve slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf 15 juni 2016.

Nu de vordering van de benadeelde partij (ten dele) zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Conclusie

De verdachte moet de benadeelde partij een schadevergoeding betalen van € 5.000, vermeerderd met de wettelijke rente als hieronder in de beslissing vermeld.

Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

De benadeelde partij [naam benadeelde 3] :

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [naam benadeelde 3] , ter zake van de onder 6, 7 en 8 ten laste gelegde feiten. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 10.000,00 aan immateriële schade.

Ter terechtzitting heeft de benadeelde partij haar vordering mondeling aangevuld. De benadeelde partij vordert een bedrag van aan materiële schade. De benadeelde partij heeft ter onderbouwing van haar vordering aangegeven dat dit bedrag is weggenomen van haar broer en dat zij diens rekening wegens een debetstand met dit bedrag heeft moeten aanvullen.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering tot een bedrag van € 10.000 aan immateriële schade.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat, ingeval van bewezenverklaring van het onderliggende feit, de vordering toewijsbaar is tot een bedrag van € 5.000 en de benadeelde partij voor het overige niet ontvankelijk dient te worden verklaard.

De verdediging heeft zich met betrekking tot de gevorderde materiële schade op het standpunt gesteld dat de vordering wegens onvoldoende onderbouwing, dient te worden afgewezen.

Beoordeling

De benadeelde partij zal in de vordering ter zake van de gevorderde materiële schade niet-ontvankelijk worden verklaard, nu niet is komen vast te staan dat de schade waarvan vergoeding wordt gevorderd rechtstreeks verband houdt met (een van) de onder 6, 7 of 8 bewezen verklaarde feiten.

Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij door de onder 6, 7 en 8 bewezen verklaarde strafbare feiten rechtstreeks immateriële schade is toegebracht.

Die schade zal op dit moment op basis van de thans gebleken feiten en omstandigheden naar maatstaven van billijkheid worden vastgesteld op € 5.000. De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard, aangezien de bewijsstukken ter onderbouwing van de vordering thans ontoereikend zijn. Nader onderzoek naar de gegrondheid van de vordering en de omvang daarvan zou een uitgebreide behandeling vereisen. De rechtbank is van oordeel dat de behandeling van dit deel van de vordering een onevenredige belasting van het strafproces zou vormen. Dit deel van de vordering kan derhalve slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf 27 april 2016.

Nu de vordering van de benadeelde partij (ten dele) zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Conclusie

De verdachte moet de benadeelde partij een schadevergoeding betalen van € 5.000, vermeerderd met de wettelijke rente als hieronder in de beslissing vermeld.

Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

De benadeelde partij [naam benadeelde 4] :

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [naam benadeelde 4] , ter zake van de onder 10 en 11 ten laste gelegde feiten. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 6.500,00 aan materiële schade, bestaande uit de navolgende posten:

1. armband € 2.250

1. ring € 2.250

1. spaarpot met geld € 2.000

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering tot een bedrag van € 2.000 (spaarpot met geld). De officier van justitie heeft ten aanzien van de overige gevorderde materiële schade het standpunt ingenomen dat de benadeelde partij daarin niet ontvankelijk dient te worden verklaard.

Standpunt verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij dient te worden afgewezen, omdat de vordering niet met bescheiden is onderbouwd.

Beoordeling

Nu is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij door het onder 11 bewezenverklaarde strafbare feit tot een bedrag van € 2.000 (spaarpot met geld) rechtstreeks (materiële) schade is toegebracht zal deze tot dit bedrag worden toegewezen.

De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard, aangezien de bewijsstukken ter onderbouwing van dat deel van de vordering thans ontbreken. Dit deel van de vordering kan derhalve slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf 12 mei 2016.

Nu de vordering van de benadeelde partij (in overwegende mate) zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Conclusie

De verdachte moet de benadeelde partij een schadevergoeding betalen van € 2.000, vermeerderd met de wettelijke rente als hieronder in de beslissing vermeld.

Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

De benadeelde partij [naam benadeelde 5] :

Als benadeelde partij heeft zich in de zaak met parketnummer 10/692058-17 in het geding gevoegd: [naam benadeelde 5] . De benadeelde partij vordert een vergoeding aan materiële schade van € 16.300 wegens opgelopen (studievertraging) en een vergoeding van € 400 wegens reiskosten.

Daarnaast vordert de benadeelde partij een vergoeding van € 10.000 aan immateriële schade.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de gevorderde materiële schade wegens studievertraging toewijsbaar is tot een bedrag van € 8.150. De officier acht ook de gevorderde reiskosten toewijsbaar.

De officier van justitie concludeert voorts tot toewijzing van de gevorderde immateriële schade.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft zich, in geval van bewezenverklaring, primair op het standpunt gesteld dat de vordering in zijn geheel niet-ontvankelijk moet worden verklaard vanwege de onevenredig zware belasting die behandeling ervan voor het strafproces betekent. Subsidiair heeft zij met betrekking tot de gevorderde schade wegens studievertraging het standpunt ingenomen dat de conclusie dat er verband bestaat tussen de gepleegde feiten en de studievertraging niet kan worden getrokken.

Ten aanzien van de gevorderde reiskosten heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

De verdediging heeft met betrekking tot de gevorderde immateriële schade het standpunt ingenomen dat dat het causale verband tussen de gestelde posttraumatische stressstoornis en het verweten feit ontbreekt en een immateriële schadevergoeding om die reden niet voor toewijzing vatbaar is.

Beoordeling

Nu is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij door het in de zaak met parketnummer 10/692058-17 bewezen verklaarde strafbare feit ter zake van reiskosten rechtstreeks (materiële) schade is toegebracht en de vordering ten aanzien van die kosten niet is betwist zal deze worden toegewezen.

De rechtbank acht daarnaast aannemelijk dat de benadeelde partij mede als gevolg van het bewezenverklaarde feit studievertraging heeft opgelopen. De rechtbank schat de hoogte van de daarmee verband houdende schade op grond van artikel 6:97 van het Burgerlijk Wetboek op een bedrag van € 8.150. Daarmee is de omvang van de schade tot dat bedrag vastgesteld en zal de vordering voor het meer of anders gevorderde worden afgewezen.

Voorts is vast komen te staan dat aan de benadeelde partij door het bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks immateriële schade is toegebracht.

Die schade zal naar maatstaven van billijkheid worden vastgesteld op € 5000, zodat de vordering tot dit bedrag zal worden toegewezen. Nader onderzoek naar de gegrondheid van dit deel van de vordering en de omvang daarvan zou een uitgebreide nadere behandeling vereisen. De rechtbank is van oordeel dat de nadere behandeling van dit deel van de vordering een onevenredige belasting van het strafproces zou vormen.

De benadeelde partij zal voor dit deel niet-ontvankelijk worden verklaard.

De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf 23 januari 2016.

Nu de vordering van de benadeelde partij (in overwegende mate) zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Conclusie

De verdachte moet de benadeelde partij een schadevergoeding betalen van € 13.550, vermeerderd met de wettelijke rente als hieronder in de beslissing vermeld.

Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 36f, 37a, 57, 242, 285, 300, 310, 317 en 318 van het Wetboek van Strafrecht.

Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

Beslissing

De rechtbank:

verklaart niet bewezen dat de verdachte het de in de zaak met parketnummer 10/730078-16 onder 2 primair (impliciet primair en impliciet subsidiair) ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen dat de verdachte het de in de zaak met parketnummer 10/730078-16 onder 1, 2 subsidiair, 3, 4 primair, 5, 6, 7, 8, 9, 10 primair en 11 ten laste gelegde feiten en het in de zaak met parketnummer 10/692058-17 ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) jaren;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld;

beveelt dat de terbeschikkinggestelde van overheidswege wordt verpleegd;

De benadeelde partij [naam benadeelde 1] :

veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [naam benadeelde 1] , te betalen een bedrag van € 7.103,95 (zegge: zevenduizend honderd drie euro en vijfennegentig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 18 september 2016 tot aan de dag der algehele voldoening;

verklaart de benadeelde partij voor de gevorderde materiële schade wegens gevorderde geldbedragen niet-ontvankelijk; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

wijst af de vordering van de benadeelde partij ter zake aanvullende kosten hoger beroep;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij [naam benadeelde 1] te betalen € 7.103,95 (zegge: zevenduizend honderd drie euro en vijfennegentig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 18 september 2016 tot aan de dag van de algehele voldoening; beveelt dat bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal van het bedrag van € 7.103,95 vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 70 dagen; toepassing van de vervangende hechtenis heft de betalingsverplichting niet op;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd;

De benadeelde partij [naam benadeelde 2] :

veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [naam benadeelde 2] , te betalen een bedrag van € 5.000 (zegge: vijfduizend euro), te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 15 juni 2016 tot aan de dag der algehele voldoening;

verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij te betalen € 5.000 (zegge: vijfduizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 juni 2016 tot aan de dag van de algehele voldoening; beveelt dat bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal van het bedrag van € 5.000 vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 60 dagen; toepassing van de vervangende hechtenis heft de betalingsverplichting niet op;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd;

De benadeelde partij [naam benadeelde 3] :

veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [naam benadeelde 3] , te betalen een bedrag van € 5.000 (zegge: vijfduizend euro), te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 27 april 2016 tot aan de dag der algehele voldoening;

verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij te betalen € 5.000 (zegge: vijfduizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 april 2016 tot aan de dag van de algehele voldoening; beveelt dat bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal van het bedrag van € 5.000 vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 60 dagen; toepassing van de vervangende hechtenis heft de betalingsverplichting niet op;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd;

De benadeelde partij [naam benadeelde 4] :

veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [naam benadeelde 4] , te betalen een bedrag van € 2.000 (zegge: tweeduizend euro), te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 12 mei 2016 tot aan de dag der algehele voldoening;

verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij te betalen € 2.000 (zegge: tweeduizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 mei 2016 tot aan de dag van de algehele voldoening; beveelt dat bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal van het bedrag van € 2.000, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 30 dagen; toepassing van de vervangende hechtenis heft de betalingsverplichting niet op;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd;

De benadeelde partij [naam benadeelde 5] :

veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [naam benadeelde 5] , te betalen een bedrag van € 13.550 (zegge: dertienduizend vijfhonderdvijftig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 23 januari 2016 tot aan de dag der algehele voldoening;

verklaart de benadeelde partij voor de overig gevorderde immateriële schade niet-ontvankelijk; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

wijst af de vordering van de benadeelde partij wegens studievertraging voor het overige;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij te betalen € 13.550 (zegge: dertienduizend vijfhonderdvijftig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 23 januari 2016 tot aan de dag van de algehele voldoening; beveelt dat bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal van het bedrag van € 13.550 vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 102 dagen; toepassing van de vervangende hechtenis heft de betalingsverplichting niet op;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. A. Verweij, voorzitter,

en mrs. R.H. Kroon en J.C. Tijink, rechters,

in tegenwoordigheid van J.P. van der Wijden, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 4 juli 2018.

De oudste rechter en de griffier zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst gewijzigde tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

In de zaak met parketnummer 10/730078-16:

1.

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 31 augustus

2016 tot en met 18 september 2016 te Rotterdam, althans in Nederland,

(in het Mainport Hotel en/of het Art Hotel)

meermalen (telkens) door geweld en/of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of

door bedreiging met geweld en/of bedreiging met (een) andere

feitelijkhe(i)d(en)

[naam slachtoffer 2] heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die bestonden uit

of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die

[naam slachtoffer 2] , hebbende verdachte, meermalen, althans eenmaal, telkens

- zijn vinger(s) in de vagina van die [naam slachtoffer 2] geduwd en/of gestopt en/of

- zijn penis in de mond van die [naam slachtoffer 2] geduwd en/of gestopt en/of

- zijn penis in de vagina van die [naam slachtoffer 2] geduwd en/of gestopt

het geweld en/of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of de bedreiging met

geweld en/of de bedreiging met (een) ander feitelijkhe(i)d(en) heeft/hebben

bestaan uit het

(meermalen) dreigen met het op social media en/of internet plaatsen van een

door verdachte gemaakt filmpje, waarop seksuele handelingen tussen verdachte

en die [naam slachtoffer 2] te zien zijn;

2.

hij in of omstreeks 15 september 2016 tot en met 18 september 2016 te

Rotterdam, althans in Nederland,

(in het Mainport Hotel en/of Art Hotel)

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een

persoon genaamd [naam slachtoffer 2] van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk

letsel toe te brengen,

met dat opzet (meermalen) (met kracht)

- de keel van die [naam slachtoffer 2] heeft dichtgeknepen en/of heeft dichtgeknepen gehouden

en/of

- ( terwijl hij, verdachte, de keel van die [naam slachtoffer 2] dichtgeknepen hield) die

[naam slachtoffer 2] met haar hoofd onder water heeft geduwd en/of gehouden en/of

- die [naam slachtoffer 2] in/op/tegen het gezicht/hoofd heeft geslagen/gestompt

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

dat hij in of omstreeks 15 september 2016 tot en met 18 september 2016 te Rotterdam,

althans in Nederland,

(in het Mainport Hotel en/of Art Hotel)

[naam slachtoffer 2] heeft mishandeld door (meermalen)

- met kracht in/tegen het been, althans het lichaam, van die [naam slachtoffer 2] te schoppen en/of

- met beide handen (met kracht) de keel vast te pakken en/of dicht te knijpen en/of

- in/op/tegen het gezicht, althans het hoofd, en/of het lichaam te slaan/stompen;

3.

hij in of omstreeks de periode van 15 september 2016 tot en met 18 september

2016 te Rotterdam, althans in Nederland,

met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen

een telefoon (Iphone 7, matzwart), in elk geval enig goed, geheel of ten dele

toebehorende aan [naam slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan

verdachte,

welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld

en/of bedreiging met geweld tegen die [naam slachtoffer 2] ,

gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te

maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht

mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit het

(meermalen) (met kracht)

- dichtknijpen en of dichtgeknepen houden van de keel van die [naam slachtoffer 2] en/of

- ( terwijl hij, verdachte, de keel van die [naam slachtoffer 2] dichtgeknepen hield) onder

water duwen en of houden van het hoofd van die [naam slachtoffer 2] en/of

- slaan/stompen in/op/tegen het gezicht van die [naam slachtoffer 2] en/of

- schoppen/trappen tegen het/de be(e)n(en) van die [naam slachtoffer 2] en/of

- gooien van een lamp in de richting van die [naam slachtoffer 2] ;

4.

hij op of omstreeks 23 mei 2016 te Rotterdam en/of Schiedam, althans in

Nederland,

door geweld en/of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of door bedreiging met

geweld en/of bedreiging met (een) andere feitelijkhe(i)d(en)

[naam slachtoffer 3] , heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die bestonden

uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die

[naam slachtoffer 3] , hebben verdachte, meermalen, althans eenmaal, telkens

- zijn penis in de mond van die [naam slachtoffer 3] geduwd en/of gestopt en/of

- zijn penis in de vagina van die [naam slachtoffer 3] geduwd en/of gestopt

het geweld en/of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of de bedreiging met

geweld en/of de bedreiging met (een) ander feitelijkhe(i)d(en) heeft/hebben

bestaan uit het (meermalen)

- dreigen met het op social media en/of internet plaatsen van een naaktfoto

van die [naam slachtoffer 3] en/of een door verdachte gemaakt filmpje, waarop seksuele

handelingen tussen verdachte en die [naam slachtoffer 3] te zien zijn en/of

- afpakken van de telefoon van die [naam slachtoffer 3] en/of

- ( met kracht) geven van een kaakslag aan die [naam slachtoffer 3] ;

- ( met kracht) uittrekken van haar broek en/of onderbroek en/of

- op agressieve/boze toon praten en/of kijken en/of

- op dreigende toon zeggen “ik ontvoer jou en je broers, ik maak ze dood”, althans

woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

hij op of omstreeks 23 mei 2016 te Rotterdam en/of Schiedam, althans in

Nederland,

met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien had

bereikt, te weten met [naam slachtoffer 3] (geboren op [geboortedatum slachtoffer 3] 2001),

buiten echt ontuchtige handelingen heeft gepleegd die bestonden uit of mede

bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam, namelijk het

- brengen en/of houden van zijn, verdachtes, penis in de mond van die

[naam slachtoffer 3] en/of

- brengen en/of houden van zijn, verdachtes, penis in de vagine van die

[naam slachtoffer 3] ;

- betasten van de borsten en/of vagina van die [naam slachtoffer 3] ;

meer subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring mocht of zou

kunnen leiden:

hij op of omstreeks 23 mei 2016 te Rotterdam en/of Schiedam, althans in Nederland,

met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren, te weten

[naam slachtoffer 3] (geboren op [geboortedatum slachtoffer 3] 2001),

buiten echt, een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd,

namelijk het meermalen, althans eenmaal,

- betasten/wrijven van/over de vagina van die [naam slachtoffer 3] en/of

- betasten/aanraken van de borsten van die [naam slachtoffer 3] ;

5.

hij op één of meer tijdstip(pen) op of omstreeks 15 juni 2016 te Schiedam

en/of Rotterdam, althans in Nederland,

(in een auto en/of Hotel Turkuaz)

meermalen (telkens) door geweld en/of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of

door bedreiging met geweld en/of bedreiging met (een) andere

feitelijkhe(i)d(en)

[naam slachtoffer 1] heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die bestonden

uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die

[naam slachtoffer 1] , hebbende verdachte, meermalen, althans eenmaal, telkens

- zijn penis in de mond van die [naam slachtoffer 1] geduwd en/of gestopt en/of

- zijn penis in de vagina van die [naam slachtoffer 1] geduwd en/of gestopt

het geweld en/of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of de bedreiging met

geweld en/of de bedreiging met (een) ander feitelijkhe(i)d(en) heeft/hebben

bestaan uit het (meermalen)

- slaan/stompen op het hoofd en/of lichaam van die [naam slachtoffer 1] en/of

- dichtknijpen en/of dichtgeknepen houden van de keel van die [naam slachtoffer 1] en/of

- tonen/voorhouden van een mes aan die [naam slachtoffer 1] en/of maken van stekende

bewegingen met voornoemd mes in de richting van die [naam slachtoffer 1] en/of

- ( dreigen met het) vernielen van de telefoon van die [naam slachtoffer 1] en/of

- op slot draaien/doen van de deur(en) van de auto en/of hotelkamer en/of

- dreigen de kleding van die [naam slachtoffer 1] kapot te scheuren en/of

- toevoegen van de woorden "ik schiet je dood", althans woorden van gelijke

dreigende aard en/of strekking;

6.

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 11 maart 2016

tot en met 27 april 2016 te Schiedam en/of Rotterdam, althans in Nederland,

meermalen (telkens) door geweld en/of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of

door bedreiging met geweld en/of bedreiging met (een) andere

feitelijkhe(i)d(en)

[naam slachtoffer 4] heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die bestonden uit

of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die

[naam slachtoffer 4] , hebbende verdachte, meermalen, althans eenmaal, telkens

- zijn vinger(s) in de vagina van die [naam slachtoffer 4] geduwd en/of gestopt en/of

- zijn penis in de mond van die [naam slachtoffer 4] geduwd en/of gestopt en/of

- zijn penis in de vagina van die [naam slachtoffer 4] geduwd en/of gestopt

het geweld en/of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of de bedreiging met

geweld en/of de bedreiging met (een) ander feitelijkhe(i)d(en) heeft/hebben

bestaan uit het (meermalen)

- ( met kracht) slaan/stompen in/op/tegen het gezicht, althans hoofd, en/of

lichaam van die [naam slachtoffer 4] en/of

- ( met kracht) trekken aan de hoofddoek van die [naam slachtoffer 4] en/of

- ( met kracht) duwen van die [naam slachtoffer 4] tegen een muur en/of

- tonen/voorhouden van een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, aan

die [naam slachtoffer 4] en/of

- dat mes tegen de borst, althans het lichaam, van die [naam slachtoffer 4] zetten/duwen

en/of

- dreigen met het versturen van een door verdachte gemaakt filmpje, waarop

seksuele handelingen tussen verdachte en die [naam slachtoffer 4] te zien zijn, aan de

moeder en/of vader en/of broer van die [naam slachtoffer 4] en/of

- ( daarbij) aan die [naam slachtoffer 4] toevoegen van de woorden: "Kankerhoer, je moet doen

wat ik wil" en/of "Denk je nu echt dat je zomaar weg kan gaan" en/of "Het is

beter als je hier blijft";

7.

hij op of omstreeks 07 april 2016 te Rotterdam en/of Schiedam, althans in

Nederland,

[naam slachtoffer 4] heeft mishandeld door (meermalen)

- ( met kracht) in/op/tegen het gezicht, althans hoofd, en/of lichaam van die

[naam slachtoffer 4] te slaan/stompen en/of

- met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in de zij van die

[naam slachtoffer 4] te prikken en/of

- met dat mes op de/het be(e)n(en) van die [naam slachtoffer 4] te slaan en/of

- met een auto op die [naam slachtoffer 4] in te rijden, waardoor die [naam slachtoffer 4] ten val kwam;

8.

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 10 april 2016

tot en met 21 april 2016 te Rotterdam, althans in Nederland,

[naam slachtoffer 4] heeft bedreigd met

enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, en/of

enig misdrijf waardoor gevaar voor goederen ontstaat (te weten vernieling),

immers heeft verdachte opzettelijk die [naam slachtoffer 4] dreigend (een) sms-bericht(en)

gestuurd met de volgende teksten:

- " Ik heb een kkr clock billah ga hem mond stoppen neeem kkr op geen tijd

spelklktjess neem op" en/of

- " Neeem op maakt me agresief" en/of

- " Sta voor je deur of gaat nu bellen of trap kkr deur openn bellen of trap m

opennn kiezzzz billah sta voor deur van je aangetrouwde familie" en/of

- " Hand op koran kaoutar je speelt met vuur en je weet hoe ik ben" en/of

- " Je gaat nu zien wie egte [naam verdachte] is" en/of

- " Ga je zusje vermoorde bloedruk kkr hoog klaar heb bloedneus",

althans woorden en/of sms-berichten van gelijke dreigende aard of strekking;

9.

hij op of omstreeks 24 april 2016 te Rotterdam, althans in Nederland,

[naam slachtoffer 5] heeft bedreigd

met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling,

en/of met verkrachting, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [naam slachtoffer 5]

dreigend de woorden toegevoegd:

"Ik ga jongens naar jouw dochters sturen, en die gaan jouw dochters allemaal

verkrachten, één voor één" en/of "Ik ga jullie huis helemaal verbranden" en/of

"ik ga ook jullie oudste zoon schieten",

althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

10.

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 30 april 2016

tot en met 12 mei 2016 te Schiedam en/of Rotterdam, althans in Nederland,

meermalen (telkens) door geweld en/of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of

door bedreiging met geweld en/of bedreiging met (een) andere

feitelijkhe(i)d(en)

[naam slachtoffer 6] heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die bestonden

uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die

[naam slachtoffer 6] , hebbende verdachte, meermalen, althans eenmaal, telkens

- zijn penis in de mond van die [naam slachtoffer 6] geduwd en/of gestopt

het geweld en/of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of de bedreiging met

geweld en/of de bedreiging met (een) ander feitelijkhe(i)d(en) heeft/hebben

bestaan uit het (meermalen)

- slaan/stompen op het gezicht, althans hoofd, en/of lichaam van die [naam slachtoffer 1]

en/of

- dreigen met het op social media en/of internet plaatsen en of

tonen/versturen aan de broer van die [naam slachtoffer 6] van een door verdachte

gemaakt filmpje, waarop seksuele handelingen tussen verdachte en die [naam slachtoffer 6]

te zien zijn;

Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 30 april 2016

tot en met 12 mei 2016 te Schiedam en/of Rotterdam, althans in Nederland,

(meermalen) met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van

zestien had bereikt, te weten met [naam slachtoffer 6] (geboren op [geboortedatum slachtoffer 6] 2000),

buiten echt ontuchtige handelingen heeft gepleegd die bestonden uit of mede

bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam, namelijk het

brengen en/of houden van zijn, verdachtes, penis in de mond van die [naam slachtoffer 6] ;

11.

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 30 april 2016

tot en met 12 mei 2016 te Rotterdam en/of Schiedam, althans in Nederland,

met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door

geweld en/of bedreiging met geweld [naam slachtoffer 6] heeft gedwongen tot de

afgifte van

- een spaarpot inhoudende een geldbedrag (ongeveer 2000 euro) en/of

- ongeveer 300 euro en/of

- een (gouden) ring en/of armband

in elk geval van enig goed en/of geldbedrag, geheel of ten dele toebehorende

aan [naam slachtoffer 7] en/of [naam slachtoffer 6] , in elk geval aan een ander of anderen

dan aan verdachte, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en)

uit het

- slaan/stompen in/op/tegen het gezicht, althans hoofd, en/of lichaam van die

[naam slachtoffer 6] en/of

- ( woordelijk en/of schriftelijk per whatsapp-bericht(en) en/of

sms-bericht(en)) dreigen die [naam slachtoffer 6] te zullen slaan;

en/of

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 30 april 2016

tot en met 12 mei 2016 te Rotterdam en/of Schiedam, althans in Nederland,

met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen, door bedreiging met

smaad, smaadschrift en/of openbaarmaking van (een) geheim(en) [naam slachtoffer 6]

heeft gedwongen tot afgifte van

- een spaarpot inhoudende een geldbedrag (ongeveer 2000 euro) en/of

- ongeveer 300 euro en/of

- een (gouden) ring en/of armband

in elk geval enig goed en/of geldbedrag, geheel of ten dele toebehorende

aan [naam slachtoffer 7] en/of [naam slachtoffer 6] , in elk geval aan een ander of anderen

dan aan verdachte, welke bedreiging bestond uit het

dreigen met het op social media en/of internet plaatsen en/of tonen/versturen

aan de broer van die [naam slachtoffer 6] van een door verdachte gemaakt filmpje, waarop

seksuele handelingen tussen verdachte en die [naam slachtoffer 6] te zien zijn,

althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking;

In de zaak met parketnummer 10/692058-17:

hij op of omstreeks 23 januari 2016 te Venlo, althans in Nederland,

door geweld en/of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of door bedreiging met

geweld en/of bedreiging met (een) andere feitelijkhe(i)d(en)

[naam slachtoffer 8] , heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die bestonden

uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die

[naam slachtoffer 8] , hebbende verdachte, meermalen, althans eenmaal, telkens

- zijn penis in de vagina van die [naam slachtoffer 8] geduwd en/of gestopt,

het geweld en/of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of de bedreiging met

geweld en/of de bedreiging met (een) ander feitelijkhe(i)d(en) heeft/hebben

bestaan uit het (meermalen)

- ( met kracht) slaan/stompen in/op/tegen het gezicht, althans hoofd, en/of

lichaam van die [naam slachtoffer 8] en/of

- ( met kracht) schoppen/trappen op/tegen het been, althans het lichaam, van

die [naam slachtoffer 8] en/of

- op slot draaien van de deur, zodat die [naam slachtoffer 8] de hotelkamer niet kon

verlaten en/of

- ( met kracht) duwen van die [naam slachtoffer 8] op het bed en/of

- bovenop die [naam slachtoffer 8] gaan liggen en/of

- ( vervolgens) (met kracht) klemmen van zijn, verdachtes, hand(en) om de nek

van die [naam slachtoffer 8] en/of

- uittrekken van de broek van die [naam slachtoffer 8] en/of

- ( met kracht) uit elkaar duwen van de benen van die [naam slachtoffer 8] en/of

- ( daarbij) aan die [naam slachtoffer 8] toevoegen van de woorden -zakelijk weergegeven-

dat hij haar wilde ontmaagden en/of dat hij haar had gefilmd en/of dat hij

haar kaak zou breken;

Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

hij op of omstreeks 23 januari 2016 te Venlo, althans in Nederland,

[naam slachtoffer 8] heeft mishandeld door

(meermalen) (met kracht)

- in/op/tegen het gezicht, althans hoofd, en/of lichaam van die [naam slachtoffer 8] te

slaan/stompen en/of

- op/tegen het been, althans lichaam, van die [naam slachtoffer 8] te schoppen/trappen;