Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:5243

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
04-07-2018
Datum publicatie
06-07-2018
Zaaknummer
ROT 17/6332
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Pw, schending inlichtingenplicht, vermogen in Turkije, geen discriminatie

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 1

zaaknummer: ROT 17/6332

uitspraak van de meervoudige kamer van 4 juli 2018 in de zaak tussen

[eiser] , eiser, en [eiseres], eiseres, beiden te Schiedam, (eisers),

gemachtigde: mr. E. Kafa,

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb), verweerder,

gemachtigden: mr. G.E. Eind en mr. A. Hoogenraad.

Procesverloop

Bij besluiten van 26 april 2017, gewijzigd bij besluit van 18 juli 2017 (de primaire besluiten), heeft verweerder de uitkering van eisers op grond van de Aanvullende Inkomensvoorziening Ouderen (AIO) over de periode van 21 oktober 2002 tot en met 8 september 2015 ingetrokken onderscheidenlijk tot een bedrag van in totaal € 81.667,61 teruggevorderd.

Bij besluit van 18 juli 2017 heeft verweerder de grondslag van het intrekkingsbesluit gewijzigd.

Bij besluit van 26 september 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eisers tegen de primaire besluiten ongegrond verklaard.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 april 2018. Eisers hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde en hun dochter [naam] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1. Eisers ontvingen sinds 21 oktober 2002 – met onderbrekingen in verband met langdurig verblijf in het buitenland – een AIO-uitkering. Bij brief van 29 april 2015 heeft verweerder eisers geselecteerd voor een controle op de rechtmatigheid van de uitkering en hen in dat verband een formulier “Verblijf en vermogen buiten Nederland” toegezonden. Op het formulier, gedateerd 3 juni 2015 en ondertekend door eisers, hebben eisers aangekruist mede-eigenaar te zijn van een woning gelegen aan [adres 1] (Turkije). Verweerder heeft vervolgens eisers meerdere malen om een eigendomsakte en een taxatierapport verzocht. Toen deze uitbleven, heeft verweerder een nader onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de uitkering. Het Bureau Sociale Zaken van de Nederlandse Ambassade te Ankara (Bureau Sociale Zaken) heeft vervolgens onderzoek verricht naar het door eisers opgegeven adres in Turkije. Daaruit is naar voren gekomen dat eiser aangiften heeft gedaan bij de afdeling onroerende zaak belastingen (afdeling OZB) van de gemeente [gemeente] voor een appartement en een bedrijfsruimte. Blijkens de verkregen gegevens is de bedrijfsruimte volledig eigendom van eiser sinds 1979 en kon de bedrijfsruimte niet worden gelokaliseerd omdat de informatie op de belastingaangifte waarschijnlijk is verouderd. Het appartement, gelegen in de wijk [adres 2] , is volledig eigendom van eiser sinds 1988 en is door een buitendienstmedewerker van het Bureau Sociale Zaken bezocht. De actuele taxatiewaarde van het appartement is op 9 februari 2016 door een taxateur vastgesteld op € 33.000,-. Naar aanleiding van deze uitkomsten van het onderzoek heeft verweerder de primaire besluiten genomen.

2. Aan de bij het bestreden besluit gehandhaafde intrekking van de AIO-uitkering van eisers per oktober 2002 en de terugvordering van die uitkering over de periode van 21 oktober 2002 tot en met 8 september 2015 heeft verweerder ten grondslag gelegd dat door schending van de inlichtingenplicht de waarde van het vermogen van eisers in Turkije en daardoor het recht op de AIO-uitkering over die periode niet kan worden vastgesteld.

3. Eisers voeren aan dat verweerder een ongeoorloofd onderscheid heeft gemaakt naar afkomst door het onderzoek naar het vermogen van bijstandsgerechtigden te beperken tot bijstandsgerechtigden van Turkse afkomst. Verweerder heeft daarmee volgens eisers gehandeld in strijd met het verbod op discriminatie als bedoeld in artikel 14 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), zodat de resultaten van het onderzoek onrechtmatig zijn verkregen en niet aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd hadden mogen worden. Verder is volgens eisers de waarde van het appartement lager dan door de taxateur is vastgesteld. Zelfs al zou moeten worden uitgegaan van de vastgestelde waarde, zou volgens eisers hun vermogen niet boven de toegestane vermogensgrens uitkomen, omdat eiser slechts mede-eigenaar van het appartement is. Tot slot hebben eisers een beroep gedaan op dringende redenen om van terugvordering af te zien.

De rechtbank overweegt als volgt.

4.1.

Op grond van artikel 53a, zesde lid, van de Participatiewet (Pw), in samenhang bezien met de artikelen 47a en artikel 47b van de Pw, is de Svb bevoegd om een onderzoek in stellen naar de juistheid en volledigheid van de verstrekte gegevens en zo nodig naar andere gegevens die noodzakelijk zijn voor de verlening dan wel de voortzetting van de AIO-uitkering. Deze algemene onderzoeksbevoegdheid kan steeds en spontaan worden uitgeoefend, zonder dat daartoe een redengevend feit, signaal, grond of vermoeden is vereist. Daarbij mag echter niet in strijd worden gehandeld met het discriminatieverbod zoals dat onder meer is opgenomen in artikel 14 van het EVRM en in artikel 1 van Protocol 12 bij het EVRM. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep ( Raad) van 8 september 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:3249.

4.2.

Artikel 1 van Protocol 12 bij het EVRM luidt in de Nederlandse vertaling:

“1. Het genot van elk in de wet neergelegd recht moet worden verzekerd zonder enige discriminatie op welke grond dan ook, zoals geslacht, ras, kleur, taal, godsdienst, politieke of andere mening, nationale of maatschappelijke afkomst, het behoren tot een nationale minderheid, vermogen, geboorte of andere status.

2. Niemand mag worden gediscrimineerd door enig openbaar gezag op met name een van de in het eerste lid vermelde gronden.”

4.3.

Volgens vaste rechtspraak van de Raad (bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 12 december 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:4326) is volgens constante rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) een verschil in behandeling voor de toepassing van artikel 14 van het EVRM, en daarmee voor toepassing van de onder 4.2. geciteerde bepaling, discriminerend als het niet objectief gerechtvaardigd is, dat wil zeggen als met het onderscheid geen gerechtvaardigd doel wordt nagestreefd of als de gehanteerde middelen niet in een redelijke proportionaliteitsrelatie staan tot het nagestreefde doel. De verdragsstaten beschikken over een zekere beoordelingsmarge bij de vaststelling of en in welke mate verschillen in overigens gelijksoortige situaties een verschil in behandeling rechtvaardigen. De omvang van deze beoordelingsmarge is primair afhankelijk van de aard van het gemaakte onderscheid.

4.4.

Volgens eveneens vaste rechtspraak van de Raad (bijvoorbeeld de uitspraak van 6 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:5008) dient een algemeen onderzoek naar eventueel vermogen in het buitenland een legitiem doel. De Svb is in beginsel bevoegd om met het oog op effectiviteit, efficiëntie en kostenbesparing, en vanwege het grote belang van bestrijding van onjuist gebruik van sociale voorzieningen, bij het toepassen van de onder 4.1. genoemde algemene onderzoeksbevoegdheid een selectie uit het totale bestand van AIO-gerechtigden te maken, tenzij hierbij een ongerechtvaardigd verschil in behandeling als bedoeld in artikel 1 van Protocol 12 bij het EVRM wordt gemaakt tussen AIO-gerechtigden. Zoals de Raad heeft geoordeeld in zijn uitspraak van 14 april 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1231, kan het land van herkomst van een bijstandsgerechtigde een gegeven zijn dat van belang is voor de vraag of de controle op vermogen en inkomen van de betrokkene vooral op middelen binnen Nederland moet worden gericht of dat controle ook moet worden gericht op middelen in een ander land.

4.5.

De rechtbank leidt uit de onder 1. genoemde brief van verweerder aan eisers van 29 april 2015 en de handhavingsrapportage van 6 maart 2017 af dat verweerder eisers naar aanleiding van “de steekproef Turkije” heeft geselecteerd voor een controle op de rechtmatigheid van de uitkering. Verweerder heeft in het bestreden besluit en nader ter zitting toegelicht dat in de periode van 2013 tot 2019 elk jaar specifieke delen van het klantenbestand worden benaderd. In 2015 zijn alle mensen met een Turkse achtergrond benaderd om het formulier “Verblijf en vermogen buiten Nederland” in te vullen. Omdat eisers de verzochte nadere informatie over het opgegeven adres niet aanleverden, zijn zij aan een nader onderzoek onderworpen.

4.6.

Anders dan in de rechtspraak waarnaar eisers hebben verwezen, waarin het vermogensonderzoek zich enkel richtte op bijstandsgerechtigden met een Turkse achtergrond, blijkt uit verweerders toelichting ter zitting dat het onderzoek naar de vermogenspositie van eisers deel uitmaakt van een breed onderzoek, waarbij elk jaar steekproefsgewijs een andere specifieke groep van het klantenbestand aan bod komt en daarmee (uiteindelijk) een steekproef wordt verricht onder het totale klantenbestand. De beroepsgrond van eisers dat het onderzoek discriminerend is, omdat daarbij een niet te rechtvaardigen onderscheid naar afkomst wordt gemaakt, slaagt dus niet.

5. Er bestaat geen aanleiding om te twijfelen aan de door de taxateur vastgestelde waarde van het appartement. De waarde is vastgesteld door een beëdigd taxateur en onderbouwd in het taxatierapport. Eisers hebben niet aannemelijk gemaakt dat het rapport onzorgvuldig tot stand is gekomen of niet deugdelijk is. Zij hebben ook geen rapport van een ter zake deskundige overgelegd waaruit de onjuistheid van de taxatie blijkt. Eisers zijn er dan ook niet in geslaagd aan de hand van objectieve en verifieerbare gegevens aannemelijk te maken dat het college niet mocht uitgaan van de uit het taxatierapport blijkende waarde van € 33.000,-.

6. De gedetailleerde gegevens van de afdeling OZB bieden een toereikende grondslag voor de conclusie dat het appartement in de periode in geding volledig bestanddeel vormde van het vermogen waarover eisers hebben beschikt of redelijkerwijs hebben kunnen beschikken. Uit de eigen opgaaf van eiser bij de afdeling OZB volgt dat hij volledig eigenaar is. De enkele stelling dat eiser het appartement deelt met zijn broers en zussen, dan wel hun nazaten, in verband met een (onverdeelde) erfenis, is onvoldoende om aan te nemen dat eiser niet het volledige beschikkingsrecht over het appartement heeft en geen aanspraak kan maken op de volledige waarde ervan bij verkoop. Het ligt op de weg van eisers om met de gegevens uit het Turkse kadaster of op een andere manier het tegendeel te bewijzen. Dat eisers in bewijsnood verkeren omdat zij geen contact meer hebben met hun familieleden, kan niet worden afgewenteld op verweerder en dient voor rekening en risico van eisers te komen.

7. Naar het oordeel van de rechtbank hebben eisers de op hen rustende inlichtingenplicht geschonden. Het feit dat eiser eigenaar is van een appartement rechtvaardigt de veronderstelling dat dit een bestanddeel vormt van het vermogen. Reeds hieruit volgt dat het bezit hiervan een omstandigheid is waarvan het eisers redelijkerwijs duidelijk had moeten zijn dat deze relevant was voor het recht op AIO-uitkering zodat zij daarvan mededeling hadden moeten doen.

8. Nu eisers geen informatie hebben verstrekt over (de waarde van) hun vermogen in Turkije, heeft verweerder niet kunnen vaststellen of eisers in de periode van 21 oktober 2002 tot en met 8 september 2015 recht hadden op een AIO-uitkering, zodat verweerder op grond van artikel 54, derde lid, van de Pw, verplicht was de AIO-uitkering in te trekken en de te veel ontvangen AIO-uitkering over de periode van 21 oktober 2002 tot en met 8 september 2015 op grond van artikel 58, eerste lid, van de Pw terug te vorderen.

9.1.

Volgens vaste rechtspraak van de Raad (bijvoorbeeld de uitspraak van 13 maart 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:779) kunnen dringende redenen om van terugvordering af te zien slechts gelegen zijn in onaanvaardbare sociale en/of financiële consequenties van een terugvordering voor de betrokkene. Het moet dan gaan om incidentele gevallen, waarin iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand is en waarin een individuele afweging van alle relevante omstandigheden plaatsvindt.

9.2.

Verweerder heeft in hetgeen eisers aan feiten en omstandigheden hebben aangevoerd, geen dringende redenen hoeven zien om van de terugvordering af te zien. Financiële gevolgen van een besluit tot terugvordering doen zich bovendien in het algemeen pas voor indien daadwerkelijk tot invordering wordt overgegaan. In dat kader geldt dat een bestaansminimum wordt geacht te zijn gewaarborgd door de beslagvrije voet die verweerder in acht moet nemen op grond van de artikelen 475b tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Ter zitting is door verweerder gesteld dat, gelet hierop, op dit moment wordt afgezien van invordering.

10. Het beroep is ongegrond.

11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.V. van Baaren, voorzitter, en mr. H. Bedee en mr. A.M.E.A. Neuwahl, leden, in aanwezigheid van mr. M.B. Volp, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 juli 2018.

De griffier is buiten staat te tekenen. voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.