Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:5241

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
04-07-2018
Datum publicatie
06-07-2018
Zaaknummer
ROT 17/5979
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:CRVB:2020:424, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Pw, schending inlichtingenplicht, vermogen in Turkije, geen discriminatie, onderzoek niet onrechtmatig

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 1

zaaknummer: ROT 17/5979

uitspraak van de meervoudige kamer van 4 juli 2018 in de zaak tussen

[eiser] , eiser, en [eiseres] , eiseres, beiden te Rotterdam, (eisers),

gemachtigde: mr. R. Küçükünal,

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb), verweerder,

gemachtigde: mr. G.E. Eind.

Procesverloop

Bij besluit van 13 april 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder de uitkering van eisers op grond van de Aanvullende Inkomensvoorziening Ouderen (AIO) met ingang van 1 februari 2009 ingetrokken.

Bij besluit van 7 september 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eisers ongegrond verklaard.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 april 2018. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

1.1.

Eisers ontvingen sinds 1 februari 2009 – met onderbrekingen in verband met langdurig verblijf in het buitenland – een AIO-uitkering. In het kader van een steekproefcontrole “project AIO 2e tertaal 2016” is verweerder een onderzoek gestart naar verblijf en vermogen van eisers in het buitenland over het jaar 2015. Op het formulier “Verblijf en vermogen buiten Nederland” dat verweerder aan eisers in het kader van dat onderzoek heeft toegezonden, hebben eisers op 8 maart 2015 vermeld bij familie te verblijven in een woning gelegen aan [adres 1] (Turkije) en voorts dat zij geen (mede-)eigenaar zijn van die woning en dat zij geen grond of woning buiten Nederland bezitten. Omdat eisers daarna voor langere tijd naar het buitenland vertrokken, heeft verweerder toen de AIO-uitkering beëindigd en het onderzoek niet voortgezet.

1.2.

Naar aanleiding van de aanvraag van eisers om een AIO-uitkering van 30 augustus 2016 heeft verweerder een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de uitkering, omdat eisers jaarlijks langer dan drie maanden per jaar in het buitenland verblijven. Het Bureau Sociale Zaken van de Nederlandse Ambassade te Ankara (Bureau Sociale Zaken) heeft vervolgens onderzoek verricht naar het eerder door eisers opgegeven adres in Turkije. Daarbij is naar voren gekomen dat eiser aangiften heeft gedaan bij de afdeling onroerende zaak belastingen (afdeling OZB) van de deelgemeente [naam] voor twee woningen en bouwgrond. Een van de woningen kon niet worden gelokaliseerd, omdat de informatie op de belastingaangifte waarschijnlijk is verouderd. De andere woning, een appartement geduid als [adres 2] , met verwervingsdatum 23 november 2011, is door een buitendienstmedewerker van het Bureau Sociale Zaken bezocht. De actuele taxatiewaarde van het appartement is op 8 december 2016 door een taxateur vastgesteld op € 43.800,-. De taxatiewaarde van de bouwgrond, met verwervingsdatum 1 juli 2005, is op 8 december 2016 vastgesteld op € 55.900,-. Naar aanleiding van deze uitkomsten van het onderzoek heeft verweerder het primaire besluit genomen.

2. Aan de bij het bestreden besluit gehandhaafde intrekking van de AIO-uitkering van eisers over de periode december 2016 tot en met maart 2017 heeft verweerder ten grondslag gelegd dat eisers over die periode beschikten over vermogen in Turkije met een waarde boven de toepasselijke vermogensgrens als bedoeld in artikel 34, derde lid, van de Participatiewet (Pw), zodat over die periode geen recht op een AIO-uitkering bestaat. Aan de intrekking over de periode februari 2009 tot december 2016 heeft verweerder ten grondslag gelegd dat door schending van de inlichtingenplicht de waarde van het vermogen en daardoor het recht op de AIO-uitkering over die periode niet kan worden vastgesteld.

3. Eisers voeren aan dat geen aanleiding bestond voor het doen van onderzoek naar vermogen in Turkije en dat verweerder, gelet op het territorialiteitsbeginsel, daartoe ook niet bevoegd was. Volgens eisers zijn de resultaten van het vermogensonderzoek onrechtmatig verkregen en is sprake van een ongerechtvaardigde inmenging in het recht op respect voor hun privéleven. Verder voeren eisers aan dat verweerder een ongeoorloofd onderscheid heeft gemaakt naar afkomst door het onderzoek naar vermogen van bijstandsgerechtigden in het buitenland te beperken tot bijstandsgerechtigden van Turkse of buitenlandse (niet- Nederlandse) afkomst. Verweerder heeft daarmee volgens eisers gehandeld in strijd met het verbod op discriminatie als bedoeld in artikel 1 van Protocol 12 bij het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Tot slot stellen eisers dat verweerder er niet in is geslaagd om te bewijzen dat eisers de op hen rustende inlichtingenplicht hebben geschonden.

De rechtbank overweegt als volgt.

4.1.

Op grond van artikel 53a, zesde lid, van de Pw, in samenhang bezien met de artikelen 47a en 47b van de Pw, is de Svb bevoegd om een onderzoek in stellen naar de juistheid en volledigheid van de verstrekte gegevens en zo nodig naar andere gegevens die noodzakelijk zijn voor de verlening dan wel de voortzetting van de AIO-uitkering. Deze algemene onderzoeksbevoegdheid kan steeds en spontaan worden uitgeoefend, zonder dat daartoe een redengevend feit, signaal, grond of vermoeden vereist is. Daarbij mag echter niet in strijd worden gehandeld met het discriminatieverbod zoals dat onder meer is opgenomen in artikel 14 van het EVRM en in artikel 1 van Protocol 12 bij het EVRM. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (Raad) van 8 september 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:3249.

4.2.

Artikel 1 van Protocol 12 bij het EVRM luidt in de Nederlandse vertaling:

“1. Het genot van elk in de wet neergelegd recht moet worden verzekerd zonder enige discriminatie op welke grond dan ook, zoals geslacht, ras, kleur, taal, godsdienst, politieke of andere mening, nationale of maatschappelijke afkomst, het behoren tot een nationale minderheid, vermogen, geboorte of andere status.

2. Niemand mag worden gediscrimineerd door enig openbaar gezag op met name een van de in het eerste lid vermelde gronden.”

4.3.

Volgens vaste rechtspraak van de Raad (bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 12 december 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:4326 ) is volgens constante rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) een verschil in behandeling voor de toepassing van artikel 14 van het EVRM, en daarmee voor toepassing van de onder 4.2. geciteerde bepaling, discriminerend als het niet objectief gerechtvaardigd is, dat wil zeggen als met het onderscheid geen gerechtvaardigd doel wordt nagestreefd of als de gehanteerde middelen niet in een redelijke proportionaliteitsrelatie staan tot het nagestreefde doel. De verdragsstaten beschikken over een zekere beoordelingsmarge bij de vaststelling of en in welke mate verschillen in overigens gelijksoortige situaties een verschil in behandeling rechtvaardigen. De omvang van deze beoordelingsmarge is primair afhankelijk van de aard van het gemaakte onderscheid.

4.4.

Volgens eveneens vaste rechtspraak van de Raad (bijvoorbeeld de uitspraak van 6 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:5008) dient een algemeen onderzoek naar eventueel vermogen in het buitenland een legitiem doel. De Svb is in beginsel bevoegd om met het oog op effectiviteit, efficiëntie en kostenbesparing, en vanwege het grote belang van bestrijding van onjuist gebruik van sociale voorzieningen, bij het toepassen van de onder overweging 4.1 genoemde algemene onderzoeksbevoegdheid een selectie uit het totale bestand van AIO-gerechtigden te maken, tenzij hierbij een ongerechtvaardigd verschil in behandeling als bedoeld in artikel 1 van Protocol 12 bij het EVRM wordt gemaakt tussen AIO-gerechtigden. Zoals de Raad heeft geoordeeld in zijn uitspraak van 14 april 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1231, kan het land van herkomst van een bijstandsgerechtigde een gegeven zijn dat van belang is voor de vraag of de controle op vermogen en inkomen van de betrokkene vooral op middelen binnen Nederland moet worden gericht of dat controle ook moet worden gericht op middelen in een ander land.

4.5

Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat het onderzoek naar de vermogenspositie van eisers deel uitmaakt van een breed onderzoek naar de rechtmatigheid van de AIO-uitkering van alle AIO-gerechtigden in een periode van 2013 tot 2019. Hiertoe wordt jaarlijks aan een deel van de AIO-gerechtigden het formulier “Verblijf en vermogen buiten Nederland” toegestuurd. De controle was in 2013 gericht op in Suriname en Bosnië geboren AIO-gerechtigden. In 2014 betrof de controle onder meer AIO-gerechtigden met als geboorteland Marokko. In 2015 was de controle gericht op AIO-gerechtigden die in Turkije zijn geboren (waartoe eisers behoren) en van 2016 tot en met 2019 is de controle gericht op de overige AIO-gerechtigden. Uit de teruggestuurde formulieren wordt een steekproef gedaan. Daarbij wordt gekeken naar AIO-gerechtigden die langdurig verblijf hebben in het land van herkomst. Zij worden onderworpen aan een nader onderzoek. Op deze wijze zijn eisers in 2016 geselecteerd.

4.6.

Uit verweerders toelichting blijkt dat het onderzoek naar de vermogenspositie van eisers deel uitmaakt van een breed onderzoek waarbij elk jaar steekproefsgewijs een andere specifieke groep van het klantenbestand aan bod komt en daarmee (uiteindelijk) een steekproef wordt verricht onder het totale klantenbestand. De beroepsgrond van eisers dat het onderzoek discriminerend is, omdat daarbij een niet te rechtvaardigen onderscheid tussen de uitkeringsgerechtigden wordt gemaakt naar nationaliteit, slaagt dus niet.

4.7.

Verweerder was dan ook bevoegd om onderzoek te doen naar de vermogenspositie van eisers in Turkije.

5.1

In hetgeen eisers hebben aangevoerd, ziet de rechtbank geen grond om te oordelen dat het onderzoek dat heeft plaatsgevonden bij de afdeling OZB onrechtmatig was. Uit de rapportage van het Bureau Sociale Zaken blijkt dat de medewerker van dit Bureau enkel heeft verzocht om gegevens, die vervolgens door de betreffende afdeling zijn gegeven. Eisers hebben niet onderbouwd dat het enkele vragen om en vervolgens in ontvangst nemen van gegevens door de medewerker onrechtmatig is. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraken van de Raad van 24 april 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1213 en van 25 april 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1643.

5.2

De gehanteerde onderzoeksmiddelen vormden een inbreuk op het recht op respect voor het privéleven van eisers. Volgens vaste rechtspraak biedt de in artikel 53a vermelde onderzoeksbevoegdheid hiervoor een wettelijke grondslag in de zin van artikel 8, tweede lid, van het EVRM. De inbreuk die door de medewerker van het Bureau Sociale Zaken op het privéleven van eisers is gemaakt door de gehanteerde onderzoeksmiddelen, was niet onevenredig zwaar in verhouding tot het met het onderzoek beoogde doel van het behartigen van het belang van het economisch welzijn van Nederland. Het navraag doen bij de afdeling OZB vormde onder de gegeven omstandigheden een beperkte en aanvaardbare inbreuk op het respect voor het privéleven van eisers. Het al dan niet beschikken over een onroerende zaak vormt immers maar een zeer bescheiden onderdeel van het privéleven van eisers en niet kan worden geoordeeld dat een minder ingrijpend onderzoeksmiddel ter beschikking stond. Zie in vergelijkbare zin de hiervoor genoemde uitspraak van de Raad van 24 april 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1213.

6. Volgens eisers heeft verweerder niet aan zijn bewijslast voor de gestelde schending van de inlichtingenplicht voldaan, omdat de onderzoeksbevindingen geen toereikende grondslag bieden voor het standpunt van verweerder dat de woning en de bouwgrond eigendom van eisers zijn.

6.1.

Eisers hebben bevestigd noch ontkend dat zij eigenaar zijn van de woning en de bouwgrond. De gedetailleerde gegevens van de afdeling OZB bieden een toereikende grondslag voor de conclusie dat de woning en de bouwgrond in de periode in geding bestanddeel vormden van het vermogen waarover eisers hebben beschikt of redelijkerwijs hebben kunnen beschikken. Die gegevens zijn immers afkomstig uit de door eisers zelf ingediende aangiften onroerende zaakbelasting. Niet valt in te zien waarom eisers belasting zouden betalen voor onroerende zaken die hen niet toebehoren. Het is aan eisers om aannemelijk te maken dat het tegendeel het geval is. Nu eisers hiertoe geen gegevens hebben overgelegd, mocht verweerder van de eigen opgave van eisers bij de afdeling OZB uitgaan.

6.2.

Naar aanleiding van de gegevens die van de afdeling OZB zijn verkregen, heeft de buitendienstmedewerker van het Bureau Sociale Zaken met een taxateur de locaties van de woning en de bouwgrond bezocht. De beëdigd taxateur heeft de waarde ervan vastgesteld en vastgelegd in een taxatierapport. Eisers hebben hun stelling dat verweerder ten onrechte van de door de taxateur vastgestelde waarde is uitgegaan, niet met stukken onderbouwd, bijvoorbeeld door middel van een tegentaxatie. Er bestaat geen aanleiding om te twijfelen aan de door de taxateur vastgestelde waarde van de woning. Het taxatierapport bevat een beschrijving van de staat waarin het gebouw en de grond verkeren. Hiermee is dan ook rekening gehouden bij het bepalen van de waarde.

7. Naar het oordeel van de rechtbank hebben eisers de op hen rustende inlichtingenplicht geschonden. Het feit dat eisers eigenaar zijn van onroerende goederen rechtvaardigt de veronderstelling dat dit een bestanddeel vormt van hun vermogen. Reeds hieruit volgt dat het bezit hiervan een omstandigheid is waarvan het eisers redelijkerwijs duidelijk had moeten zijn dat deze relevant was voor het recht op AIO-uitkering, zodat zij daarvan mededeling hadden moeten doen. Dat verweerder op het verkorte aanvraagformulier van 14 oktober 2014 uit gaat van voorgaande gegevens, maakt niet dat eisers de op hen rustende inlichtingenplicht niet hebben geschonden. Van een onverwijlde mededeling van hun vermogen uit eigen beweging, zoals artikel 17, eerste lid, van de Pw vereist, is immers geen sprake geweest.

8. Gelet op de op 8 december 2016 vastgestelde waarde van de woning en de grond en gelet op artikel 19, eerste lid, onder b van de Pw in samenhang met artikel 34, derde lid, onder c van de Pw, heeft verweerder kunnen vaststellen dat eisers over de periode van december 2016 tot en met maart 2017 geen recht hadden op een AIO-uitkering. Nu eisers geen informatie hebben verstrekt over (de waarde van) hun vermogen in Turkije, heeft verweerder voorts niet kunnen vaststellen of eisers in de periode van februari 2009 tot december 2016 recht hadden op een AIO-uitkering, zodat verweerder op grond van artikel 54, derde lid, van de Pw, verplicht was de AIO-uitkering per februari 2009 in te trekken.

9. Het beroep is ongegrond.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.V. van Baaren, voorzitter, en mr. H. Bedee en mr. A.M.E.A. Neuwahl, leden, in aanwezigheid van mr. M.B. Volp, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 juli 2018.

De griffier is buiten staat te ondertekenen. voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.