Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:5202

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
09-05-2018
Datum publicatie
29-06-2018
Zaaknummer
10/690044-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling ter zake van het opzettelijk handelen (medeplegen) in strijd met de Opiumwet (2b, 2c en 3c) en handelen in strijd met de Wet wapens en munitie, oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 22 maanden waarvan 12 maanden voorwaardelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 3

Parketnummer: 10/690044-16

Datum uitspraak: 9 mei 2018

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] ( [geboorteland verdachte] )op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres

[adres verdachte] , [woonplaats verdachte] ,

raadsman mr. G.N. Weski, advocaat te Rotterdam.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 1 maart 2017, 24 mei 2017, 24 april 2018 en 25 april 2018.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. L.C. Visser heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 8 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Bewezenverklaring zonder nadere motivering

De onder 2, 3 en 4 ten laste gelegde feiten zijn door de verdachte - zonder voorbehoud - bekend. Deze feiten zullen zonder nadere bespreking bewezen worden verklaard.

4.2.

Bewijswaardering feit 1

4.2.1.

Standpunt verdediging

Ten aanzien van het dealen in cocaïne is aangevoerd dat niet de gehele ten laste gelegde periode bewezen kan worden verklaard. De verdediging meent dat voor het vaststellen van de periode moet worden uitgegaan van de eigen verklaring van de verdachte en de tapgesprekken die zich in het dossier bevinden en dat komt neer op de periode maart tot en met augustus 2016.

4.2.2.

Beoordeling

De verdachte heeft verklaard dat hij begin 2016 met de handel in cocaïne is begonnen en dat hij ergens in de zomer is gestopt. Hij heeft ter zitting verklaard dat de deallijn toen ‘aan het vervagen’ was.

Uit het dossier blijkt dat met het door de verdachte voor het handelen in cocaïne gebruikte telefoonnummer - het 06-nummer dat eindigt op [nummer] - nog tot in de maand augustus 2016 veelvuldig contacten waren. Nadien heeft de politie dit telefoonnummer niet meer opgenomen en afgeluisterd, evenmin heeft er na deze maand een onderzoek plaatsgevonden naar de telefoongegevens (een zogeheten printertap).

Naast onderzoek naar dit 06-nummer heeft de politie een telefoonnummer onderzocht waarvan uit de bevindingen blijkt dat dit wordt gebruikt door de broer van de verdachte, medeverdachte [naam medeverdachte] . Het telefoonnummer is afgeluisterd en de telefoon is nader onderzocht nadat deze in beslag was genomen. Hierbij zijn WhatsApp gesprekken waargenomen die plaatsvonden in de periode juli tot en met oktober 2016. Op 12 oktober 2016 vindt er een gesprek plaats tussen [naam medeverdachte] en een persoon wiens telefoonnummer als ‘ [naam] ’ in de contactenlijst van de telefoon van [naam medeverdachte] is opgenomen. Dit gesprek gaat over ‘de lijn’. Op 30 oktober 2016 vindt er ook een gesprek plaats tussen [naam medeverdachte] en [naam] . In dit gesprek wordt gesproken over de verdachte en wordt gezegd dat hij het te druk heeft. Besproken wordt of er ‘iemand bij kan’. [naam] heeft het over een verdeling van de dagen in de week.

Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit deze gesprekken in oktober 2016 dat het handelen in cocaïne - de deallijn - door de verdachte nog geenszins was gestopt. Voorts is er op 22 november 2016 in de woning van [naam medeverdachte] te Rhoon een grote hoeveelheid cocaïne aangetroffen. Tevens is er in de woning in de [naam straat] te Rotterdam, waar de moeder en 2 jongere broers van de verdachte en [naam medeverdachte] wonen, heroïne en cocaïne in beslag genomen. Hiervan heeft de verdachte ter terechtzitting gezegd dat deze verdovende middelen van hem zijn en dat hij deze in de ochtend van 22 november 2016 daar in de woning heeft gelegd. Dit betreft de verdenking onder feit 2 van de tenlastelegging, welk feit de verdachte heeft bekend. De aangetroffen hoeveelheden verdovende middelen zijn handelshoeveelheden. Naar het oordeel van de rechtbank was dit de voorraad voor de deallijn. Gelet op de hiervoor beschreven bevindingen uit het dossier en de waarde die de aangetroffen hoeveelheden verdovende middelen vertegenwoordigen, hecht de rechtbank geen geloof aan de verklaring van de verdachte dat de door hem in de woning [naam straat] weggelegde verdovende middelen als het ware over waren nadat hij met het dealen was gestopt.

Nu zowel de verdachte als [naam medeverdachte] gedurende de gehele ten laste gelegde periode betrokken waren bij de deallijn, zij ten aanzien van die deallijn een grote rol hadden en er blijkens de taps ook derden bij de lijn waren betrokken, is sprake van medeplegen van het dealen met anderen.

4.2.3.

Conclusie

Bewezen is dat de verdachte gedurende de gehele ten laste gelegde periode tezamen en in vereniging met anderen heeft gehandeld in cocaïne.

4.3.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan.

In bijlage III heeft de rechtbank een opgave gedaan van wettige bewijsmiddelen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Met deze opgave wordt volstaan, nu de verdachte het bewezen verklaarde heeft bekend en nadien geen vrijspraak is bepleit. Op grond daarvan is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2, 3 en 4 ten laste gelegde heeft begaan.

De verdachte heeft de bewezen verklaarde feiten op die wijze begaan dat:

1.

Hij in de periode 1 maart 2016 tot en met 21 november 2016, te Rotterdam, tezamen en in vereniging met anderen, meermalen, telkens opzettelijk heeft bereid en bewerkt en verkocht en afgeleverd en verstrekt en vervoerd, (gebruikers) hoeveelheden cocaïne, in elk geval een of meer (gebruikers)hoeveelheden van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde

cocaïne een middel, als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

2.

hij op 22 november 2016 te Rotterdam, opzettelijk aanwezig heeft gehad

- ongeveer 37 gram heroïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne en

- ongeveer 201,9 gram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde heroïne en cocaïne (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

3.

hij op 22 november 2016 te Rotterdam opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 94,7 gram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;

4.

Hij op 22 november 2016, te Rotterdam, een wapen als bedoeld in art. 2 lid 1 categorie III onder 1° van de Wet wapens en munitie, te weten,

- een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3° van die Wet, in de vorm van een pistool van het merk Glock, type 19, kaliber: 9x19mm, en

- bijbehorende munitie in de zin van artikel 1 onder 4° van de Wet wapens en

munitie als bedoeld in art. 2 lid 2 van die wet, Categorie III, te weten 11 kogelpatronen,

(groot) aantal kogelpatronen, van het merk Sellier & Bellot, kaliber 9x19mm,

voorhanden heeft gehad;

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

5 Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:

1.

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen en tezamen en in vereniging met anderen gepleegd,

2.

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod,

3.

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod,

4.

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III

en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De feiten zijn dus strafbaar.

6 Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

7 Motivering straf

7.1.

Algemene overweging

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

7.2.

Feiten waarop de straffen zijn gebaseerd

De verdachte heeft zich gedurende een periode van bijna 9 maanden - tezamen en in vereniging met anderen - schuldig gemaakt aan het handelen in harddrugs. Daarnaast heeft hij handelshoeveelheden hard- en softdrugs voorhanden gehad alsmede een vuurwapen met bijbehorende munitie. Het enkel voorhanden hebben van een vuurwapen levert al een onaanvaardbaar veiligheidsrisico voor de maatschappij op. Dit geldt te meer nu sprake was van een gebruiksklaar, want geladen, wapen. Het bezit van een dergelijk wapen vergemakkelijkt het gebruik ervan. Nu de verdachte het vuurwapen voorhanden had in combinatie met zijn handelen in verdovende middelen, levert dit een nog groter veiligheidsrisico op. Het komt regelmatig voor dat een vuurwapen in de drugswereld wordt gebruikt ter beveiliging van de verkoper of bescherming van zijn handelsvoorraad.

Met het handelen in harddrugs heeft de verdachte bijgedragen aan het in stand houden van het gebruik hiervan. Het gebruik van harddrugs levert een gevaar op voor de gezondheid van de personen die dit gebruiken en bij gebruik op grote schaal ook voor de volksgezondheid. Daarnaast leidt het gebruik van (hard)drugs tot andere criminaliteit, zoals vermogensdelicten, omdat gebruikers daarmee hun aankoop van drugs bekostigen en tot geweldsdelicten zoals hiervoor reeds benoemd.

De feiten die de verdachte heeft gepleegd zijn dan ook ernstige feiten en de rechtbank neemt het de verdachte kwalijk dat hij deze feiten heeft gepleegd en daarbij alleen maar heeft gedacht aan zijn eigen financieel belang.

7.3.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

7.3.1.

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 19 maart 2018, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten. Hiermee wordt in het voordeel van de verdachte rekening gehouden.

7.3.2.

Rapportage

Reclassering Nederland heeft een (ongedateerd) rapport over de verdachte opgemaakt, dat op 3 augustus 2017 door de reclassering met de verdachte is besproken. De rechtbank heeft acht geslagen op dit rapport. De reclassering adviseert de rechtbank om aan de verdachte een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen, waarbij reclasseringstoezicht is geïndiceerd omdat de verdachte problemen ondervindt op het gebied van financiën en werk/dagbesteding.

7.4.

Bevindingen en conclusies van de rechtbank

De rechtbank stelt voorop dat gezien de ernst van de feiten niet anders kan worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd. De eis van de officier van justitie past in dat kader, met dien verstande dat de rechtbank rekening houdt met de omstandigheid dat de verdachte de harddrugs voorhanden had in verband met het dealen. Bij het bepalen van de uiteindelijke strafmaat zal de rechtbank dan ook niet twee keer - zowel voor het dealen in als voor het bezit van harddrugs - aan de bovengrens van de toepasselijke straffen gaan zitten.

Bij het bepalen van de aan de verdachte op te leggen straf heeft de rechtbank meer in het bijzonder acht geslagen op het feit dat de verdachte in een vrij vroeg stadium van de procedure heeft bekend dat hij heeft gedeald in harddrugs. De verdachte heeft ruim zes maanden in voorlopige hechtenis gezeten en is sinds 25 mei 2017 geschorst, onder voorwaarden, waaronder reclasseringstoezicht. Sinds zijn aanhouding en sinds de verdachte op vrije voeten is gesteld, is geruime tijd verstreken. Na zijn vrijlating is de verdachte niet meer in aanraking gekomen met politie en justitie. Hij heeft getracht zijn leven - zonder criminaliteit - weer op de rails te zetten, hetgeen is gelukt met uitzondering van het vinden van een betaalde en legale baan. Dat dit niet is gelukt houdt - volgens zijn zeggen - (onder meer) verband met het feit dat hij ingevolge de schorsingsvoorwaarden zijn paspoort - heeft ingeleverd. De verdachte zorgt voor zijn dochtertje en doet vrijwilligerswerk op de school waar zij naartoe gaat. Zijn vrouw werkt en met haar inkomen zouden al (delen van) schulden zijn afbetaald. Naar eigen zeggen kan de verdachte vrij snel werk vinden als hij in het bezit is van een paspoort of legitimatiebewijs. De verdachte heeft op de zitting er blijk van gegeven zijn criminele verleden achter zich te willen laten. Gelet op deze omstandigheden en gelet op het feit dat de reclasseringsrapportage ruim een half jaar geleden is opgesteld, ziet de rechtbank geen meerwaarde in reclasseringstoezicht.

Alles afwegende, kan de rechtbank de verdediging niet volgen in haar verzoek om een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen gelijk aan het voorarrest, eventueel aangevuld met een taakstraf. De feiten lenen zich niet voor een dergelijk, relatief, kort deel van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf en het opleggen van een taakstraf. Met name aan het vuurwapenbezit - met bijbehorende munitie - in combinatie met het dealen in harddrugs tilt de rechtbank zwaar. De rechtbank zal echter een minder groot deel onvoorwaardelijk opleggen dan is geëist door de officier van justitie, waarmee rekening wordt gehouden met de hierboven geschetste persoonlijke omstandigheden en het verloop van deze procedure. Het voorwaardelijk op te leggen deel van de gevangenisstraf zal aanzienlijk zijn, enerzijds om recht te doen aan de ernst van de feiten, anderzijds om de verdachte te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.

Gezien het feit dat de verdachte reeds geruime tijd op vrije voeten is en gelet op het ontbreken van gronden zal de rechtbank het geschorste bevel voorlopige hechtenis opheffen.

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straffen passend en geboden.

8 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 2, 3, 10 en 11 van de Opiumwet en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

9 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

10 Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen dat de verdachte de onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 22 (tweeëntwintig) maanden;

bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 12 (twaalf) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van de proeftijd, die hierbij wordt gesteld op 2 (twee) jaar, de hierna te melden voorwaarden overtreedt;

stelt als algemene voorwaarde:

- de veroordeelde zal zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maken;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;


heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte, die bij eerdere beslissing is geschorst.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. A. Verweij, voorzitter,

en mrs. J. Bergen en A.A.T. Werner, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. L.M. van Herwijnen, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 9 mei 2018.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

Hij, op of omstreeks de periode 1 maart 2016 tot en met 21 november 2016, te Rotterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of meer anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, een of meer (gebruikers) hoeveelhe(i)d(en) cocaïne, in elk geval een of meer

(gebruikers)hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde

cocaïne een middel, als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

2.

hij op of omstreeks 22 november 2016 te Rotterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad

- ongeveer 37 gram heroïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne en/of

- ongeveer 201,9 gram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne,

zijnde heroïne en/of cocaïne (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

3.

hij op of omstreeks 22 november 2016 te Rotterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 94,7 gram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel

aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

4.

Hij, op of omstreeks 22 november 2016, te Rotterdam, althans in Nederland, een wapen als bedoeld in art. 2 lid 1 categorie III onder 1° van de Wet wapens en munitie, te weten,

- een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3° van die Wet, in de vorm van een pistool van het merk Glock, type 19, kaliber: 9x19mm, en/of

- ( bijbehorende) munitie in de zin van artikel 1 onder 4° van de Wet wapens en

munitie als bedoeld in art. 2 lid 2 van die wet, Categorie III, te weten 11 kogelpatronen,

(groot) aantal kogelpatronen, van het merk Sellier & Bellot, kaliber 9x19mm,

voorhanden heeft gehad;