Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:5031

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
09-05-2018
Datum publicatie
25-06-2018
Zaaknummer
10/691130-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor poging tot zware mishandeling (door het schieten met een vuurwapen) en het samen met een ander voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie. Gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 2

Parketnummer: 10/691130-17

Datum uitspraak: 9 mei 2018

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres: [adres verdachte] ,

[woonplaats verdachte] ,

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Dordrecht,

raadsman mr. J. de Vries, advocaat te Amsterdam.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzittingen van 30 november 2017, 7 februari 2018 en 26 april 2018.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding, zoals deze op de terechtzitting van 30 november 2017 overeenkomstig de vordering van de officier van justitie is gewijzigd.

De tekst van de gewijzigde tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. H.A. van Wijk heeft gevorderd:

  • -

    vrijspraak van het onder 1 impliciet primair ten laste gelegde (poging doodslag);

  • -

    bewezenverklaring van het onder 1 impliciet subsidiair ten laste gelegde (poging zware mishandeling) en het onder 2 ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren met aftrek van voorarrest.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Bewijswaardering

4.1.1.

Vaststaande feiten

Op 27 augustus 2017 kort voor half 3 ’s nacht heeft er op de [plaats delict] in Rotterdam een schietincident plaatsgevonden. De aangever [naam slachtoffer] is daarbij in zijn rechtervoet en linker onderbeen gewond geraakt.

De verdachte en de medeverdachte [naam medeverdachte] zijn kort na dit schietincident door de surveillerende verbalisanten [naam verbalisant 1] en [naam verbalisant 2] gezien op en nabij de plaats delict en daar aangehouden. Op en nabij de plaats delict zijn hulzen en een vuurwapen met munitie aangetroffen.

4.1.2.

Standpunt officier van justitie

Er is voldoende wettig en overtuigend bewijs dat de verdachte tezamen en in vereniging met de medeverdachte [naam medeverdachte] het aangetroffen vuurwapen met munitie voorhanden heeft gehad. Ook is bewezen dat met dit vuurwapen door beide verdachten of door één van hen meerdere malen in de richting van de aangever is geschoten. Er is onvoldoende bewijs dat hierbij sprake was van poging tot doodslag, zoals impliciet primair ten laste is gelegd. Wel is er voldoende bewijs voor medeplegen van poging tot zware mishandeling, zoals onder 1 subsidiair ten laste is gelegd. Ten aanzien van de verdachte is bewezen dat het vuurwapen eerder is gebruikt op 12 augustus 2017. De officier van justitie gaat er dan ook vanuit dat de verdachte het vuurwapen en de munitie voorhanden heeft gehad gedurende de gehele tenlastegelegde periode, te weten 12 tot en met 27 augustus 2017.

4.1.3.

Standpunt verdediging

De verdachte moet van beide ten laste gelegde feiten worden vrijgesproken, omdat daarvoor onvoldoende bewijs aanwezig is. De verdachte ontkent dat hij de schutter is en er is geen ander wettig bewijs op basis waarvan dat kan worden vastgesteld, zodat hij ten aanzien van feit 1 niet kan worden aangemerkt als de pleger.

Niemand heeft hem zien schieten. Of er schotresten op zijn handen/kleren zaten is niet onderzocht. Er zijn geen dactyloscopische sporen of andere biologische sporen van de verdachte op het vuurwapen aangetroffen. Het op het vuurwapen aangetroffen DNA-mengprofiel kan niet dienen als bewijs. Op basis daarvan kan niet worden vastgesteld dat het DNA van de verdachte op het vuurwapen is aangetroffen.

Er is ook onvoldoende bewijs voor het voorhanden hebben van dit vuurwapen en de munitie en van medeplegen. Volgens de verbalisanten zouden zij hebben gezien dat de verdachte het vuurwapen overdroeg aan de medeverdachte [naam medeverdachte] . Aan deze bevindingen kan worden getwijfeld. Uit het relaas van de verbalisant die de beschikbare camerabeelden heeft uitgekeken, blijkt namelijk dat de verdachte en [naam medeverdachte] al uit elkaar waren op het moment dat de politieauto aan kwam rijden. Verder is gebleken dat daar auto’s en containers stonden die het zicht belemmerden. Ook als wel zou kunnen worden vastgesteld dat de verdachte dit vuurwapen aan [naam medeverdachte] heeft overgedragen, is dat onvoldoende voor bewijs van medeplegen. Er is overigens niets op basis waarvan dat kan worden vastgesteld. Onder meer blijkt niet dat de verdachte en [naam medeverdachte] afspraken hebben gemaakt omtrent het plegen van deze feiten.

4.1.4.

Beoordeling

Anders dan door de raadsman wordt gesteld, ziet de rechtbank geen aanleiding om te twijfelen aan hetgeen de verbalisanten [naam verbalisant 1] en [naam verbalisant 2] in hun processen-verbaal hebben gerelateerd over hetgeen zij voorafgaand aan de aanhouding van de verdachte en medeverdachte [naam medeverdachte] hebben waargenomen. Hetgeen is waargenomen op de camerabeelden is niet strijdig met hun bevindingen, maar ondersteunt deze bevindingen en hun aanwezigheid ter plaatse juist. Deze processen-verbaal kunnen daarom voor het bewijs worden gebruikt.

Op basis van de inhoud van de processen-verbaal van de verbalisanten wordt het volgende vastgesteld.

De verbalisanten [naam verbalisant 1] en [naam verbalisant 2] reden op 27 augustus 2017 om 2.28 uur met hun dienstmotorvoertuig over de [plaats delict] in Rotterdam. Zij hoorden op de kruising van de [plaats delict] met de Persoonsstraat een doffe knal en daarna nog 5 à 6 knallen. Vrijwel direct daarna zagen zij op de [plaats delict] twee personen lopen, die later de verdachte en de medeverdachte [naam medeverdachte] bleken te zijn. Zij kwamen uit de richting van de Damstraat en liepen richting de Persoonsstraat. De verbalisanten hebben het voertuig tot stilstand gebracht en zijn uitgestapt. Beide verbalisanten zagen dat de verdachte een voorwerp overhandigde aan [naam medeverdachte] en dat [naam medeverdachte] dit voorwerp vervolgens tijdens het wegrennen langs zijn lichaam hield. [naam verbalisant 1] zag dat dit een op een vuurwapen gelijkend voorwerp betrof. Hij ging achter [naam medeverdachte] aan en zag toen dat [naam medeverdachte] dit voorwerp op de grond liet vallen. Er is toen in de omgeving van waar [naam medeverdachte] uiteindelijk stilstond ook een vuurwapen aangetroffen. Beide verdachten zijn om 2:30 uur, dus slechts enkele minuten na het horen van de knallen, aangehouden. De verbalisanten zagen buiten de verdachte en de medeverdachte [naam medeverdachte] niemand anders op straat. Het voorwerp dat de verdachte eerst in handen had en wat door hem werd overgedragen aan [naam medeverdachte] kan dus niets anders geweest zijn dan dit vuurwapen.

Kort daarna kwam de melding dat er een persoon gewond thuis was gekomen in de woning aan de Persoonskade. Verbalisanten, die hadden geassisteerd bij de aanhouding, gingen naar genoemde woning en troffen daar de aangever aan. Zij zagen dat de aangever gewond was aan zijn rechtervoet en linker onderbeen. De aangever liet hen een kogel zien en vertelde dat die uit zijn sok was gevallen. Dit werd bevestigd door het ter plaatse aanwezige familielid van de aangever.

Op de plaats delict, op de [plaats delict] voor de woningen met de huisnummers [nummers] , werden negen hulzen aangetroffen. Het vuurwapen lag een eindje verderop, ter hoogte van huisnummer [nummer] . In dit vuurwapen zaten nog vier kogelpatronen. De hamer in dit vuurwapen stond gespannen en er was een patroon in de kamer, waaruit blijkt dat dit wapen gereed was om te vuren. Het vuurwapen was dus doorgeladen.

De kogel, de hulzen en het vuurwapen zijn in beslag genomen. Door het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: het NFI) is middels vergelijkend onderzoek onderzocht of de kogel en de hulzen afkomstig kunnen zijn van het op de plaats delict aangetroffen vuurwapen.

Het NFI heeft met betrekking tot de hulzen geconcludeerd dat de resultaten (de overeenkomsten en aansluiting in de afvuursporen in de hulzen) extreem veel waarschijnlijker (meer dan één miljoen keer) zijn wanneer de hulzen verschoten zijn met het vuurwapen dan wanneer de hulzen zijn verschoten met een ander vuurwapen van hetzelfde kaliber en met dezelfde systeemkenmerken als het vuurwapen.

Met betrekking tot de kogel heeft het NFI geconcludeerd dat de resultaten (de aansluiting in de afvuursporen in de kogels) ten minste zeer veel waarschijnlijker (10.000 tot 1 miljoen keer) zijn wanneer de kogel is afgevuurd uit de loop van het vuurwapen dan wanneer de kogel is afgevuurd uit een andere loop van hetzelfde kaliber en met dezelfde systeemkenmerken als de loop van het vuurwapen.

De rechtbank stelt op basis van deze bevindingen van het NFI, en mede bezien in samenhang met de inhoud van de overige bewijsmiddelen waaronder de hiervoor genoemde bevindingen van de verbalisanten, vast dat de kogel en de hulzen afkomstig zijn van het op de plaats delict aangetroffen vuurwapen.

Het vuurwapen is ook bemonsterd op de aanwezigheid van DNA en ook daarnaar is onderzoek gedaan door het NFI. Uit de bemonstering is een DNA-mengprofiel verkregen van minimaal drie personen. Het NFI heeft op basis van de resultaten van het vergelijkend DNA-onderzoek geconcludeerd dat de verdachte één van de donoren kan zijn van het DNA in deze bemonstering. Het NFI heeft geconcludeerd dat het verkregen DNA-mengprofiel in deze bemonstering 15 miljoen keer waarschijnlijker is als de bemonstering DNA bevat van de verdachte en twee willekeurige onbekende personen dan wanneer deze DNA bevat van drie willekeurige personen.

De rechtbank stelt op basis hiervan vast dat er DNA van de verdachte op dit vuurwapen is aangetroffen. Anders dan de raadsman heeft gesteld, is voor die vaststelling niet noodzakelijk dat er een individueel mengprofiel met DNA van de verdachte is verkregen.

Tussenconclusie ten aanzien van feit 1: is de verdachte de schutter?

Op grond van het voorgaande acht de rechtbank bewezen dat de verdachte de schutter is geweest. De verdachte is zeer kort na het horen van de schoten als eerste met dit wapen in zijn handen gezien en zijn DNA is hierop aangetroffen. Afgezien van de medeverdachte [naam medeverdachte] was daar toen ook niemand anders op straat aanwezig. De verdachte heeft verder ook geen alternatief scenario aangedragen. Het kan daarom niet anders zijn dan dat hij degene is geweest die op de aangever heeft geschoten.

Medeplegen bij feit 1

Noch aangever, noch getuigen hebben iets verklaard, althans konden iets verklaren over de ware toedracht van de schietpartij. De verdachte en [naam medeverdachte] hebben zich beroepen op hun zwijgrecht. Over de omstandigheden waaronder is geschoten en de toen bestaande onderlinge verhouding tussen de verdachte en [naam medeverdachte] heeft de rechtbank op basis van het dossier en de verklaringen ter zitting derhalve niets kunnen vaststellen. Daarom is niet komen vast te staan dat de verdachte hierbij in nauwe en bewuste samenwerking met de medeverdachte [naam medeverdachte] heeft gehandeld. De enkele omstandigheid dat de verdachte het vuurwapen na het schieten tijdens de vlucht, toen de verbalisanten ter plaatse kwamen, heeft overhandigd aan [naam medeverdachte] is voor het aannemen van medeplegen immers onvoldoende. Anders dan door de officier van justitie is gesteld, is het enkel achterwege laten van een aannemelijke verklaring door de verdachte, terwijl de feiten wel om een verklaring vragen, eveneens onvoldoende om tot het aannemen van medeplegen te komen. Daarom is niet bewezen dat bij feit 1 sprake is van medeplegen.

Poging tot doodslag of poging tot zware mishandeling

Gelet op de feiten en omstandigheden, zoals deze uit de bewijsmiddelen zijn gebleken en die hiervoor zijn beschreven, en met name gelet op het feit dat alle beschadigingen door de afgevuurde kogels laag bij de grond zijn aangetroffen, kan niet bewezen worden geacht dat de verdachte de opzet heeft gehad om de aangever van het leven te beroven. Het is niet vast te stellen of de verdachte zodanig gericht heeft geschoten dat hij de aangever daarbij in de vitale delen had kunnen raken dan wel op andere wijze dodelijk had kunnen verwonden. Er is daarom geen bewijs dat de aanmerkelijke kans heeft bestaan dat de aangever door de met het vuurwapen geloste schoten zou zijn komen te overlijden. De onder 1 impliciet primair ten laste gelegde poging tot doodslag is daarom niet bewezen.

De rechtbank acht wel bewezen dat de verdachte opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij de aangever. Hij heeft met het vuurwapen meerdere keren geschoten op of in de richting van de aangever en hem daarbij tweemaal geraakt. De kans dat de aangever daardoor zwaar lichamelijk letsel zou oplopen, kan naar het oordeel van de rechtbank als aanmerkelijk worden beschouwd, welke kans de verdachte door het meermalen achtereen blijven vuren in de richting van aangever klaarblijkelijk ook heeft aanvaard.

Conclusie ten aanzien van feit 2

Op grond van het voorgaande is bewezen dat de verdachte het vuurwapen op 27 augustus 2017 tezamen en in vereniging met [naam medeverdachte] voorhanden heeft gehad. Zij waren samen en hebben beiden het vuurwapen in handen gehad. Nu de verdachte dit vuurwapen heeft overhandigd aan [naam medeverdachte] was daarbij ook sprake van een samenwerking gericht op het bezit daarvan.

Er is geen bewijs voor het voorhanden hebben van dit vuurwapen gedurende de gehele ten laste gelegde periode. Dit kan niet blijken uit het DNA-bewijs en de enkele omstandigheid dat met dat vuurwapen ook op 12 augustus 2017 zou zijn geschoten, is niet voldoende om aan te nemen dat het vuurwapen toen ook door de verdachte zou zijn gebruikt.

4.2.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 impliciet subsidiair en 2 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

1 impliciet subsidiair.

hij op 27 augustus 2017 te Rotterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een persoon genaamd [naam slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met dat opzet met een vuurwapen, meermalen kogels op en/of in de richting van die [naam slachtoffer] heeft afgeschoten/afgevuurd, waarbij die [naam slachtoffer] door een of meerdere kogels in een voet en een been is geraakt/getroffen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op 27 augustus 2017, te Rotterdam, tezamen en in vereniging met een andereen vuurwapen in de zin van artikel 1 onder 3, gelet op artikel 2 lid 1 van Categorie III onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een pistool (merk/model: CZ/75b, kaliber: 9X19mm)

en

voor dit vuurwapen geschikte munitie in de zin van artikel 1 onder 4, gelet op artikel 2 lid 2 van Categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten 4 kogelpatronen (merk: Sellier & Bellot, kaliber: 9x19mm),

voorhanden heeft gehad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

5 Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:

1. impliciet subsidiair.

poging tot zware mishandeling;

2.

medeplegen van

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit

begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III

en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De feiten zijn dus strafbaar.

6 Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

7 Motivering straf

7.1.

Algemene overweging

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

7.2.

Feiten waarop de straf is gebaseerd

De verdachte heeft samen met een ander op de openbare weg een doorgeladen vuurwapen voorhanden gehad. Hij heeft bovendien ook meerdere malen met dit vuurwapen op iemand geschoten. Hij heeft zich daarmee schuldig gemaakt aan poging tot zware mishanding. Van enige reële aanleiding is niet gebleken. Hij is aldus vanuit het niets gaan schieten op het slachtoffer dat toen op weg was naar zijn huis. Het slachtoffer is daarbij gewond geraakt in zijn voet en zijn onderbeen. Het had ook nog kunnen leiden tot veel ernstiger letsel. De verdachte heeft hiermee een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Het feit dat er zomaar op hem geschoten werd is erg beangstigend voor het slachtoffer geweest en, blijkens de door hem opgestelde schriftelijke slachtofferverklaring, heeft hij hiervan ook nadien nog veel last gehad, zowel fysiek als mentaal. Dergelijke feiten hebben ook veel impact op andere mensen in de maatschappij. Zeker voor de mensen die in die buurt wonen, die mogelijk ook de schoten hebben gehoord, kan dit hebben gezorgd voor gevoelens van onveiligheid en onrust.

7.3.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

7.3.1.

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 4 april 2018, waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare (gewelds)feiten.

7.3.2.

Rapportage reclassering

Reclassering Nederland heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 20 november 2017. Dit rapport houdt – onder meer - het volgende in.

De verdachte heeft zich beroepen op zijn zwijgrecht en heeft geen medewerking verleend aan de totstandkoming van het adviesrapport. Hierdoor heeft de reclassering geen volledig onderzoek kunnen doen. Hierdoor is het niet duidelijk geworden hoe de verdachte momenteel in het dagelijks leven functioneert. Uit het dossier van de reclassering (eerdere rapporten) komt wel een zorgelijk beeld naar voren. Daaruit zijn op verschillende leefgebieden problemen naar voor gekomen die het risico op recidive kunnen verhogen. De verdachte lijkt een negatieve houding te hebben ten aanzien van hulpverlening, hij heeft geen zinvolle dagbesteding, er zijn aanwijzingen voor een deels negatief sociaal netwerk en er is sprake van softdrugsgebruik. Ook zijn er vermoedens van persoonlijkheidsproblemen. Het gedrag van de verdachte oogt zorgelijk en begeleiding gericht op gedragsbeïnvloeding lijkt noodzakelijk, maar momenteel niet uitvoerbaar vanwege zijn afwijzende houding. Daarnaast is uit de praktijk gebleken dat een reclasseringstoezicht geen recidive verminderend effect heeft gehad.

Geadviseerd wordt om aan de verdachte, indien hij schuldig wordt bevonden, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen.

De rechtbank heeft acht geslagen op dit rapport.

7.4.

Conclusies van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

Gezien de ernst van de feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd. Een forse, onvoorwaardelijke gevangenisstraf is hier op zijn plaats. De verdachte staat, zoals ook blijkt uit zijn verklaring op zitting, niet open voor hulp en begeleiding voor de reclassering, zodat er geen reden is om de straf deels voorwaardelijk op te leggen.

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf passend en geboden.

8 In beslag genomen voorwerpen

Het in beslag genomen vuurwapen en de in beslag genomen munitie (vier kogelpatronen) zullen worden onttrokken aan het verkeer. Het ongecontroleerde bezit daarvan is in strijd met de wet.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 36b, 36c, 45, 47, 57 en 302 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet Wapens en Munitie.

10 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

11 Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte het onder 1 impliciet subsidiair en 2 ten laste gelegde, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 (dertig) maanden,

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

beslist ten aanzien van de voorwerpen, geplaatst op de lijst van inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, als volgt:

- verklaart onttrokken aan het verkeer: het vuurwapen en de munitie (vier kogelpatronen).

Dit vonnis is gewezen door:

mr. M.A. van der Laan-Kuijt, voorzitter,

en mrs. C.G. van de Grampel en H. de Doelder, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. A.K. van Zanten, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst gewijzigde tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

hij

op of omstreeks 27 augustus 2017 te Rotterdam ter uitvoering van het door

verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of

anderen, althans alleen, opzettelijk een persoon genaamd [naam slachtoffer]

van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen

met dat opzet met een vuurwapen, meermalen een of meer kogels op en/of in de

richting van die [naam slachtoffer] heeft afgeschoten/afgevuurd, waarbij die [naam slachtoffer] door

een of meerdere kogels in een voet en/of een been is geraakt/getroffen,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

(art. 287/302 jo 47 jo 45 Wetboek van Strafrecht)

art 287 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij

in of omstreeks de periode van 12 augustus 2017 tot en met 27 augustus 2017,

althans op 27 augustus 2017, te Rotterdam, (meermalen) tezamen en in

vereniging met (een) ander(en) een vuurwapen in de zin van artikel 1 onder 3,

gelet op artikel 2 lid 1 van Categorie III onder 1 van de Wet wapens en

munitie, te weten een pistool (merk/model: CZ/75b, kaliber: 9X19mm)

en/of

(voor dit vuurwapen geschikte)

munitie in de zin van artikel 1 onder 4, gelet op artikel 2 lid 2 van

Categorie III van de Wet wapens en munitie,

te weten 4 kogelpatronen (merk: Sellier & Bellot, kaliber: 9x19mm),

voorhanden heeft gehad;

(art. 26 jo 55 Wet wapens en munitie)

art 26 lid 1 Wet wapens en munitie