Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:5002

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
24-04-2018
Datum publicatie
22-06-2018
Zaaknummer
18-73 RK
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzet gegrond. Vorderingsrecht niet voldoende aannemelijk geworden. Kostenveroordeling.

Niet vermelden vaste woon-of verblijfplaats leidt niet tot nietigheid van het verzoekschrift.

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 8
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

eRechtbank Rotterdam

Team insolventie

verzet gegrond

insolventienummer [nummer]

uitspraakdatum: 24 april 2018

Vonnis op het verzoekschrift van:

[naam] ,

woon- of verblijfplaats onbekend,

woonplaats gekozen hebbende te Papendrecht ten kantore van zijn advocaat,

verzoeker,

advocaat: mr. M.W. Huijzer,

strekkende tot vernietiging van het vonnis van deze rechtbank van 27 maart 2018, waarbij hij op verzoek van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

BANG & OLUFSEN B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

verweerster,

advocaten: mr. A.H. Vermeulen en mr. Y. Geryszewski,

in staat van faillissement is verklaard met benoeming van mr. C. de Jong tot rechter-commissaris en met aanstelling van mr. P.A. Visser als curator.

1 De procedure

Het verzoekschrift met bijlagen is op 6 april 2018 ter griffie ontvangen.

De curator heeft op 16 april 2018 een faillissementsverslag in het kader van het ingesteld verzet aan de rechtbank doen toekomen.

Het verzoekschrift is ter zitting van 17 april 2018 behandeld. Daarbij zijn verzoeker en zijn advocaat, mr. M.W. Huijzer, verschenen. Voorts zijn mr. A.H. Vermeulen en

mr. Y. Geryszewski, advocaten, zijn namens verweerster en de curator verschenen.

Ter terechtzitting is door zowel mr. Huijzer als mr. Vermeulen en mr. Geryszewski een pleitnota met producties overgelegd.

De uitspraak is bepaald op heden.

2 De standpunten

Zakelijk weergegeven en voor zover van belang hebben partijen de navolgende standpunten ingenomen.

Mr. Huijzer heeft namens verzoeker het vorderingsrecht van verweerster weersproken en heeft betwist dat verzoeker privé hoofdelijk verbonden is voor de betalingsverplichting van [B.V.] jegens verweerster uit hoofde van de pandovereenkomst uit 2007 zoals door verweerster gesteld. Volgens verzoeker is [X] als bestuurder van [B.V.] hoofdelijk aansprakelijk. Beide vennootschappen zijn in 2014 (KG vonnis 16 oktober 2014) hoofdelijk veroordeeld. Verzoeker maakte in privé geen deel uit van die hoofdelijke verbondenheid anders was hij destijds wel mee gedagvaard en mee veroordeeld.

Ten slotte heeft mr. Huijzer, namens verzoeker, de pluraliteit van schuldeisers en de door verweerster aangevoerde steunvorderingen betwist en vanwege de keuze voor de faillissementsprocedure na zoveel jaren verzocht verweerster te veroordelen in de kosten van verzoeker en de kosten van de curator.

Mr. Vermeulen heeft namens verweerster aangevoerd dat het verzoekschrift niet aan de wettelijke vereisten (artikel 278 lid 1 Rv) voldoet en dus nietig is. In het verzoekschrift is geen woonplaats dan wel het werkelijk verblijf van verzoeker vermeld.

Vervolgens heeft mr. Geryszewski namens verweerster de vordering van verweerster nader toegelicht en gehandhaafd met een beroep op het bepaalde in artikel 10 van de pandakte.

In genoemd artikel van de pandakte wordt gesproken van “bestuurders” (meervoud), die onvoorwaardelijk hoofdelijke aansprakelijk zijn als pandgever – [B.V.] zijn verplichtingen jegens pandnemer (rechtbank: verweerster) niet nakomt. Hieruit volgt en dat was ook de bedoeling van partijen, aldus verweerster, dat als aansprakelijke bestuurders van verweerster zijn aan te merken: [X] als onmiddellijk bestuurder van [B.V.] en de heer [naam] (rechtbank: verzoeker) als middellijk bestuurder van [B.V.] Daarnaast volgt, aldus verweerster, uit artikel 9 van de pandakte dat verzoeker persoonlijk hoofdelijk aansprakelijk is voor alle door verweerster geleden schade ofwel de niet-betaalde facturen door [B.V.]

Dat verzoeker verkeert in een toestand van te hebben opgehouden te betalen kan worden afgeleid uit (bijkomende) omstandigheden. Verzoeker houdt zich schuil voor zijn schuldeisers en laat zich uitschrijven uit de Basisregistratie persoonsgegevens en beperkt hen in hun verhaalsmogelijkheden. Daarnaast heeft verzoeker nog (onbetaalde) schuldeisers:

- een vordering uit verschuldigde inkomstenbelasting van de Belastingdienst; en

- een vordering van de assuradeurs (en de telefoonprovider) zoals volgt uit de specificatie bij het faillissementsverslag van 16 april 2018.

Ten aanzien van de verzochte kostenveroordeling is namens verweerster tot slot aangevoerd dat deze ten laste van verzoeker moet komen. Verzoeker heeft zichzelf uitgeschreven uit de Basisadministratie persoonsgegevens, waardoor hij door de griffier is opgeroepen voor de behandeling van het faillissementsrekest middels een bericht in de Staatscourant. Dat verzoeker vervolgens niet ter terechtzitting verschijnt en thans in verzet komt, moet voor zijn risico komen (rechtbank Den Haag, ECLI: NL: RBDHA: 2017: 10569).

De curator heeft ter zitting zijn advies tot vernietiging van het faillissement gehandhaafd. Daarnaast heeft hij aangevoerd dat nu de vordering van verweerster niet summierlijk vast staat en er geen sprake is van pluraliteit van schuldeisers zowel de kosten van verweerster als de faillissementskosten voor rekening van verweerster dienen te komen.

3 De beoordeling

Nu het verzet tijdig is ingesteld, is verzoeker ontvankelijk in zijn verzoek.

Noch uit de Wet, noch uit de parlementaire geschiedenis van artikel 278 lid 1 Rv volgt dat het niet vermelden van een vaste woon- of verblijfplaats leidt tot nietigheid van het verzoekschrift. Door de woonplaatskeuze aan het adres van zijn advocaat heeft de rechtbank procesrechtelijk geen aanleiding gezien om verzoeker in de gelegenheid te stellen het verzoekschrift aan te passen.

De kern van het geschil tussen partijen betreft de vraag of verzoeker door ondertekening van de pandakte zich privé mede hoofdelijk heeft verbonden jegens verweerster en of aannemelijk is dat verweerster uit dien hoofde een vorderingsrecht op verzoeker heeft. Beide partijen geven een andere uitleg aan de pandakte en komen tot tegenovergestelde conclusies. De faillissementsrechter is niet het forum om ten aanzien daarvan een beslissing te nemen, nu tegenover de stellingen van verweerster ten aanzien van haar vorderingsrecht op verzoeker een onderbouwde betwisting van verzoeker staat. Feit is dat verzoeker privé niet in de procedure is betrokken en als zodanig niet is veroordeeld. De vordering is mitsdien niet voldoende aannemelijk geworden.

De rechtbank oordeelt dat het verzet vanwege het niet summierlijk blijken van het vorderingsrecht van verweerster gegrond dient te worden verklaard en het verzoek tot vernietiging van het vonnis van deze rechtbank van 27 maart 2018, waarbij verzoeker in staat van faillissement werd verklaard, dient te worden toegewezen.

Door zowel verzoeker als verweerster is verzocht om de wederpartij in de kosten te veroordelen. Ten aanzien van de verzochte kostenveroordelingen overweegt de rechtbank het volgende.

Nu de vordering van verweerster niet voldoende aannemelijk is geworden, heeft verweerster de faillietverklaring van verzoeker te lichtvaardig, nu ook de toestand van te hebben opgehouden te betalen onvoldoende aannemelijk is geworden, uitgelokt. Om die reden dient verweerster in de faillissementskosten te worden veroordeeld. Voor wat betreft het verzoek van verzoeker om verweerster eveneens in de kosten van het verzet te veroordelen, overweegt de rechtbank het volgende. Hoewel van een volledige oproeping van verzoeker niet is gebleken, weegt de rechtbank de omstandigheid dat verzoeker zich geruime tijd niet heeft laten registreren in de Basisregistratie personen mee. Onder deze omstandigheden ziet de rechtbank aanleiding om te bepalen dat verzoeker de kosten gemaakt ten behoeve van dit verzet zelf dient te dragen.

Voorts is de rechtbank van oordeel dat het verzoek van verweerster om verzoeker in de kosten te veroordelen dient te worden toegewezen voor zover het betreft de kosten verbonden aan onderhavig verzet welke kosten volgens het liquidatietarief rechtbanken en gerechtshoven zullen worden vastgesteld zoals in het dictum is vermeld.

Voor het overige dient ieder der partijen haar eigen kosten te dragen.

4 De beslissing

De rechtbank:

- verklaart het verzet gegrond;

- vernietigt het vonnis van deze rechtbank van 27 maart 2018, waarbij verzoeker in staat van faillissement is verklaard;

  • -

    wijst af het verzoek tot faillietverklaring;

  • -

    stelt het salaris van de curator vast op € 2.898,04 (exclusief de daarover verschuldigde omzetbelasting) en brengt dit bedrag ten laste van verweerster;

- stelt de verschotten vast op € 115,92 (exclusief de daarover verschuldigde omzetbelasting) en brengt dit bedrag ten laste van verweerster;

- veroordeelt verzoeker in de kosten van verweerster ter zake van de behandeling van onderhavig verzet welke kosten worden begroot op € 904,00;

- bepaalt dat ieder der partijen voor het overige haar eigen kosten draagt;

- wijst af het anders of meer verzochte.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.J. Roos-van Toor, rechter, en in aanwezigheid van

mr. D.H.H. Peters, griffier, in het openbaar uitgesproken op 24 april 2018.1

1 Tegen deze uitspraak kan degene aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak, hoger beroep instellen. Het hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat worden ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moet nemen.