Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:4790

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
25-04-2018
Datum publicatie
18-06-2018
Zaaknummer
10/222221-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Art. 6 WVW. Bewezenverklaring van zeer onvoorzichtig en onoplettend rijgedrag. De verdachte heeft een ongeluk met zwaar lichamelijk letsel tot gevolg veroorzaakt. Hij reed midden in de nacht met een veel te hoge snelheid door rood licht. De verdachte rijdt meerdere malen per week midden in de nacht over het bewuste kruispunt, waarbij het aanbod afhankelijke verkeerslicht op groen springt bij het aanrijden. Door de verdediging is aangevoerd dat de verdachte de verwachting kon en mocht hebben dat het verkeerslicht ook in dit geval op groen zou springen op het moment dat hij aan kwam rijden. De rechtbank is van oordeel dat van verkeersdeelnemers wordt verwacht dat zij te allen tijde oplettend zijn en niet vertrouwen op verwachtingen. Automobilisten hebben de plicht met enige zorgvuldigheid een kruispunt te benaderen en de verdachte heeft verzaakt hieraan te voldoen. Straf: 160 uren taakstraf en een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid van 12 maanden, met een proeftijd van twee jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 3

Parketnummer: 10/222221-15

Datum uitspraak: 25 april 2018

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres

[adres verdachte] [woonplaats verdachte] ,

raadsman mr. M. Jansen, advocaat te Spijkenisse.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 11 april 2018.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. L.C. Visser heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een taakstraf van 240 uur te vervangen door 120 dagen hechtenis en een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor 1 jaar met een proeftijd van 2 jaren.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Bewijswaardering

4.1.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair ten laste gelegde feit. Het gedrag van de verdachte is te kwalificeren als zeer onvoorzichtig, onoplettend, onachtzaam en met een aanmerkelijke verwaarlozing van de zorgvuldigheid die van een verkeersdeelnemer mag worden verwacht.

4.1.2.

Standpunt van de verdediging

Door de verdediging is aangevoerd dat het gedrag van de verdachte het gevolg was van een beïnvloeding van zijn waarneming. De verdachte was bekend met de situatie op het kruispunt midden in de nacht, wanneer er nauwelijks verkeer op de weg is. De verkeersaanbodafhankelijke verkeerslichten springen op groen op het moment van aanrijden. De verdediging heeft aan professor Jelicic de vraag gesteld of de wetmatigheid van deze verwachting er voor gezorgd kan hebben dat de verdachte bij het aanrijden groen licht zag en meende door het oranje licht te zijn gereden, terwijl dit daadwerkelijk rood was. De professor heeft deze vraag bevestigend beantwoord. De verdediging stelt zich daarmee op het standpunt dat bij de verdachte geen sprake is van schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW 1994), waarmee hij moet worden vrijgesproken van het primair ten laste gelegde. Subsidiair levert de beïnvloeding van zijn waarneming volgens de verdediging een minder zware vorm van schuld op.

4.1.3.

Beoordeling

De vraag die de rechtbank ten aanzien van het primair ten laste gelegde feit dient te beantwoorden is of de verdachte zich zodanig heeft gedragen dat sprake is van schuld in de zin van artikel 6 van de WVW 1994. Daarvan kan pas worden gesproken als de verdachte zich zodanig in het verkeer heeft gedragen, dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden waardoor een ander wordt gedood of waardoor een ander zwaar lichamelijk letsel wordt toegebracht of zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden ontstaat. Van schuld in de zin van dit artikel is pas sprake in geval van een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid.

Bij deze beoordeling komt het aan op het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Dat brengt mee dat niet in zijn algemeenheid valt aan te geven of één verkeersovertreding voldoende kan zijn voor de bewezenverklaring van schuld in de zin van de even bedoelde bepaling. Daarvoor zijn verschillende factoren van belang, zoals de aard en de concrete ernst van de verkeersovertreding en de omstandigheden waaronder die overtreding is begaan.

Op grond van de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen staat voor de rechtbank vast dat de verdachte op 17 februari 2015 omstreeks 01:49 uur als bestuurder van een bedrijfsauto op de Europaweg te Maasvlakte Rotterdam heeft gereden. De verdachte, komende uit de richting van de Antarcticaweg en met een snelheid van minimaal 97 en maximaal 107 km per uur in de richting van de N15/A15 rijdende, is op de kruising met de Coloradoweg en de Dardanellenstraat in botsing gekomen met [naam slachtoffer 1] . Slachtoffer [naam slachtoffer 1] reed op hetzelfde moment vanaf de Coloradoweg in de richting van de Dadanellenstraat de kruising op. Uit de verkeersongevallen analyse is gebleken dat het verkeerslicht dat de verdachte naderde sinds ruim 10 minuten op rood stond en dit bleef toen hij het kruispunt naderde en op reed. Het verkeerslicht dat het slachtoffer naderde sprong op groen toen hij het kruispunt naderde en stond sinds 3,2 seconden op groen op het moment dat hij het kruispunt op reed. De verdachte is met de voorkant van zijn auto op de rechterflank van de auto van het slachtoffer ingereden. Het slachtoffer heeft als gevolg van de aanrijding twee gebroken nekwervels en een scheur in de wand van de slagader in zijn nek opgelopen.

De plek van het ongeval is een overzichtelijk kruispunt van twee rechte wegen, waar de verkeersinstallaties naar behoren werkten. Op het moment van de aanrijding was het buiten donker, maar door de werkende straatverlichting was het zicht voldoende. Er is niet gebleken van (weers-)omstandigheden waardoor het zicht anderszins was beperkt.

De verdachte heeft de ter plaatse maximaal toegestane snelheid van 50 km per uur met ten minste 47 km per uur overschreden. Een getuige heeft verklaard dat hij werd ingehaald door een Opel die zeker 100 km per uur reed. Ter terechtzitting heeft de verdachte verklaard dat hij niet door heeft gehad dat hij zo hard reed en ook niet dat hij op de tweebaansweg een inhaalmanoeuvre heeft gemaakt.

Daarnaast heeft de verdachte verklaard dat hij ter plaatse goed bekend was. Zo goed, dat hij er van uit ging dat de verkeerslichten op groen zouden springen op het moment dat hij aan kwam rijden zoals dat altijd het geval was. Door de verdediging, ondersteund door een rapport van professor Jelicic, is aangevoerd dat het mogelijk is dat de verdachte waarnam wat hij verwachtte waar te nemen. Hij zou daarmee een verkeerslicht dat op groen stond en bij het passeren op oranje sprong hebben waargenomen.

De rechtbank meent op basis van de door de verdediging overlegde stukken (CV met overzicht van publicaties) dat prof Jelicic als een deskundige in de zin van de wet kan worden aangemerkt. De rechtbank meent verder dat de door de deskundige geduide verwachtingseffecten op zichzelf een verklaring kunnen vormen voor het ongeval. Dat staat er echter niet aan in de weg dat de rechtbank het handelen of nalaten van verdachten niet in een normatief kader zou kunnen beoordelen. Het gaat er in het recht immers niet primair om te verklaren waarom een verdachte heeft gehandeld (of nagelaten te handelen), maar vooraleerst om de vraag hoe de verdachte had behoren te handelen. De rechtbank is in dat verband van oordeel dat, ondanks dat de verdachte deze verwachting kan hebben gehad, hij de plicht had met een zekere mate van zorgvuldigheid het kruispunt op te rijden. Van verkeersdeelnemers wordt verwacht dat zij te allen tijde oplettend zijn en niet vertrouwen op verwachtingen. Verwachtingspatronen vergen juist een extra oplettendheid. Ondanks de situatie dat een verkeerslicht gewoonlijk op groen zal springen, mocht van de verdachte worden verwacht dat hij bij het naderen van een kruispunt zijn voet van het gaspedaal zou halen, teneinde snel te kunnen reageren op eventuele onverwachtheden. Daar komt bij dat de verdachte ter terechtzitting heeft verklaard dat hij dacht dat het verkeerslicht op oranje stond. Deze stand van het verkeerslicht vergde van hem een extra oplettendheid en dat hij af zou remmen om te proberen tot stilstand te komen, niet dat hij met zeer hoge snelheid door zou blijven rijden.

De rechtbank beschouwt het handelen van de verdachte gezien de gegeven omstandigheden als zeer onvoorzichtig en onoplettend. Ook is de verdachte met zijn handelen tekortgeschoten in de van hem, als bestuurder van een motorvoertuig, te verwachten zorgvuldigheid.

Als gevolg van het ongeval is het slachtoffer gewond geraakt. Het letsel bestond onder meer uit twee gebroken nekwervels en een scheur in de wand van de slagader in de nek met een verwachte lange herstelduur. Het slachtoffer heeft ter zitting zijn verklaring voorgehouden en daaruit blijkt dat van een volledig herstel tot op heden geen sprake is. De rechtbank stelt vast dat de opgelopen verwondingen aan te merken zijn als zwaar lichamelijk letsel.

4.1.4.

Conclusie

Bewezen is dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan.

4.2.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

1.

hij op 17 februari 2015 te Rotterdam als verkeersdeelnemer,

namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), zich zodanig

heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft

plaatsgevonden door met dat motorrijtuig zeer onvoorzichtig en onoplettend en met

aanmerkelijke verwaarlozing van de te dezen geboden zorgvuldigheid te

rijden op de kruising gevormd door de voor het openbaar verkeer

openstaande wegen, de Europaweg en de Coloradoweg, welk genoemd rijgedrag hierin heeft bestaan dat hij, verdachte, toen daar,

met een snelheid gelegen tussen 97 en 107 km/uur, zijnde een veel hogere

snelheid dan de ter plaatse toegestane maximumsnelheid van 50 km/uur,

en in strijd met een voor zijn rijrichting geldend verkeerslicht dat reeds

lange tijd rood licht uitstraalde (te weten 10 minuten en 18 seconden)

bovengenoemde kruising is genaderd en opgereden en aldaar in botsing of

aanrijding is gekomen met de bestuurder van een bestelauto, die de

kruising inmiddels was opgereden terwijl het verkeerslicht voor die

laatstgenoemde bestuurder reeds 3,2 seconden groen licht uitstraalde,

waardoor de bestuurder van die bestelauto, genaamd [naam slachtoffer 1] , zwaar

lichamelijk letsel (te weten twee gebroken nekwervels en een scheur in de

wand van een slagader in de nek) werd toegebracht.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

5 Strafbaarheid feit

Het bewezen feit levert op:

overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander zwaar lichamelijk letsel wordt toegebracht

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het feit is dus strafbaar.

6 Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

7 Motivering straffen

7.1.

Algemene overweging

De straffen die aan de verdachte worden opgelegd, zijn gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

7.2.

Feit waarop de straffen zijn gebaseerd

De verdachte heeft als bestuurder van een bedrijfsauto door zeer onvoorzichtig en onoplettend te rijden, te weten door rood licht rijden met een snelheid die dubbel zo hoog was als ter plaatse was toegestaan, een botsing met een personenauto veroorzaakt. De gevolgen van het gedrag van de verdachte zijn ernstig. Het slachtoffer heeft zwaar lichamelijk letsel opgelopen, onder meer bestaande uit twee gebroken nekwervels en een scheur in de aderwand van de slagader in zijn nek. Zoals uit zijn slachtofferverklaring blijkt, is het slachtoffer langere tijd in zijn dagelijks functioneren belemmerd geweest en ervaart hij daar tot op heden de gevolgen van. De rechtbank rekent dit de verdachte aan.

7.3.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

7.3.1.

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 27 maart 2018, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

7.4.

Conclusies van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

In de oriëntatiepunten voor straftoemeting geldt als uitgangspunt bij overtreding van artikel 6 van de WVW 1994, indien sprake is van een ernstige schuld en zwaar lichamelijk letsel, een taakstraf van 160 uren waarbij de ernstige overschrijding van de maximumsnelheid straf verhogend werkt. Gelet op de overschrijding van de redelijke termijn, zal de rechtbank de door de officier van justitie gevorderde werkstraf enigszins matigen.

Aan de verdachte wordt tevens de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen ontzegd voor de duur van één jaar. Gezien het tijdsverloop en de consequenties die dit voor de verdachte zou hebben, ziet de rechtbank aanleiding om de voorgenomen ontzegging voorwaardelijk op te leggen, met een proeftijd van twee jaar. Deze voorwaardelijke straf dient er toe de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen.

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straffen passend en geboden.

8 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

9 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

10 Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte het primair ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 160 (honderdzestig) uren, waarbij de Reclassering Nederland dient te bepalen uit welke werkzaamheden de taakstraf dient te bestaan;

beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 80 (tachtig) dagen;

ontzegt de verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de tijd van 12 (twaalf) maanden;

bepaalt dat deze straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders gelast omdat de veroordeelde zich voor het einde van de op 2 jaren gestelde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. W.H.J. Stemker Köster, voorzitter,

en mrs. D.L. Spierings en G.A.J.M. van Vugt, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. drs. M.R. Moraal, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 17 februari 2015 te Rotterdam als verkeersdeelnemer,

namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), zich zodanig

heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft

plaatsgevonden door met dat motorrijtuig zeer, althans aanmerkelijk,

onvoorzichtig en/of onoplettend en/of onachtzaam en/of met

aanmerkelijke verwaarlozing van de te dezen geboden zorgvuldigheid te

rijden op de kruising gevormd door de voor het openbaar verkeer

openstaande wegen, de Europaweg en de Coloradoweg, althans op één van

deze wegen, welk genoemd rijgedrag hierin heeft bestaan dat hij, verdachte,

toen daar,

met een snelheid gelegen tussen 97 en 107 km/uur, zijnde een veel hogere

snelheid dan de ter plaatse toegestane maximumsnelheid van 50 km/uur,

en in strijd met een voor zijn rijrichting geldend verkeerslicht dat reeds

lange tijd rood licht uitstraalde (te weten 10 minuten en 18 seconden)

bovengenoemde kruising is genaderd en opgereden en aldaar in botsing of

aanrijding is gekomen met de bestuurder van een bestelauto, die de

kruising inmiddels was opgereden terwijl het verkeerslicht voor die

laatstgenoemde bestuurder reeds 3,2 seconden groen licht uitstraalde,

waardoor de bestuurder van die bestelauto, genaamd [naam slachtoffer 1] , zwaar

lichamelijk letsel (te weten twee gebroken nekwervels en een scheur in de

wand van een slagader in de nek) of zodanig lichamelijk letsel werd

toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening

van de normale bezigheden is ontstaan;

subsidiair althans,

hij op of omstreeks 17 februari 2015 te Rotterdam als bestuurder van een

motorrijtuig (personenauto), daarmee rijdende op de kruising gevormd

door de voor het openbaar verkeer openstaande wegen, de Europaweg en

de Coloradoweg, althans op één van deze wegen, zich zodanig heeft

gedragen dat gevaar op die weg/wegen werd veroorzaakt, althans kon

worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg/wegen werd gehinderd,

althans kon worden gehinderd,

welk genoemd gedrag hierin heeft bestaan dat hij, verdachte, toen daar,

met een snelheid gelegen tussen 97 en 107 km/uur, zijnde een veel hogere

snelheid dan de ter plaatse toegestane maximumsnelheid van 50 km/uur,

en in strijd met een voor zijn rijrichting geldend verkeerslicht dat reeds

lange tijd rood licht uitstraalde (te weten 10 minuten en 18 seconden)

bovengenoemde kruising is genaderd en opgereden en in botsing of

aanrijding is gekomen met de bestuurder van een bestelauto, die de

kruising inmiddels was opgereden terwijl het verkeerslicht voor die

laatstgenoemde bestuurder reeds 3,2 seconden groen licht uitstraalde.