Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:4774

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
28-03-2018
Datum publicatie
18-06-2018
Zaaknummer
10/740276-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Het schoppen tegen het hoofd van een persoon die op de grond ligt, kan enkel vol opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel opleveren. Bewezenverklaring van zware mishandeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 3

Parketnummer: 10/740276-16

Datum uitspraak: 28 maart 2018

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] ( [geboorteland verdachte] ) op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres

[adres verdachte] , [woonplaats verdachte] ,

raadsvrouw M.C.A Schulpen, advocaat te 's-Gravenhage.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 28 maart 2018.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. M. van Driel heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 42 dagen met aftrek van voorarrest waarvan 40 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar en een taakstraf voor de duur van 140 uur.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Bewijswaardering

4.1.1.

Standpunt verdediging

Aangevoerd is dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het ten laste gelegde, omdat hij geen opzet had op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.

4.1.2.

Beoordeling

Op zondag 22 mei 2016 vond op de Coolsingel in Rotterdam aan het einde van de nacht een vechtpartij plaats tussen twee groepen, onder wie de verdachte en de aangever. Over de toedracht en de feitelijke gebeurtenissen komen in het dossier 2 scenario’s terug; dat van de aangever, zijn vrienden en 2 horeca stewards enerzijds en dat van verdachte en zijn medeverdachte anderzijds. De aangever heeft verklaard dat hij van de verdachte (als eerste) een klap kreeg en vervolgens van iemand een schop tegen zijn hoofd heeft gehad. Volgens zijn vrienden was het de verdachte die hem die schop gaf. De verdachte heeft erkend dat hij klappen heeft uitgedeeld en iemand een schop heeft gegeven, maar heeft verklaard hiermee in reactie op geweld dat hem en zijn vriend werd aangedaan te hebben gehandeld.

De rechtbank gaat uit van het hierboven als eerste omschreven scenario zoals dat door de aangever naar voren is gebracht en overweegt hiertoe dat dit scenario niet alleen steun vindt in de getuigenverklaringen van de vrienden van aangever, maar ook in de verklaringen van twee horecastewards. De rechtbank beschouwt de verklaringen van die horecastewards als objectief en betrouwbaar nu deze bij (de groep van) aangever, noch bij verdachte hoorden. Deze beide getuigen hebben verklaard dat de verdachte en zijn vriend de eerste klappen hebben uitgedeeld, dat de verdachte de aangever meerdere keren heeft geslagen en dat de verdachte de aangever tegen diens hoofd heeft geschopt toen die op de grond lag.

De verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij acht jaar heeft gevoetbald, dat hij daarom weet dat hij heel hard trapt en een trap van hem hierdoor een ‘rotschop’ kan zijn geweest. De verdachte wist dus dat hij met een dergelijke schop zware schade kon toebrengen aan het lichaam van een ander. Door met die wetenschap iemand die op de grond ligt tegen het hoofd en in het gezicht te schoppen, een kwetsbaar onderdeel van het lichaam, kan het niet anders zijn dan dat de verdachte opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.

4.1.3.

Conclusie

Bewezen is dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan.

4.2.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

1.

hij op 22 mei 2016 te Rotterdam

aan [naam slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten meerdere breuken

in het gelaat, waaronder een breuk van de binnenste oogkaswand en een breuk

in de wand van de kaakholte en neus, heeft toegebracht door die [naam slachtoffer]

(terwijl deze op de grond lag) meermalen in het gelaat te slaan/stompen en

te schoppen;

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

5 Strafbaarheid feit

Het bewezen feit levert op:

zware mishandeling

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het feit is dus strafbaar.

6 Strafbaarheid verdachte

6.1.

Standpunt verdediging

De verdediging stelt zich op het standpunt dat de verdachte zich, althans zijn vriend, heeft verdedigd tegen geweld van de zijde van de aangever en zijn vrienden en moet worden ontslagen van rechtsvervolging. Dat hij daarbij de grenzen van de noodzakelijke verdediging heeft overschreden kan hem niet worden verweten, nu hij door het numerieke overwicht van de andere groep niet anders kon handelen.

6.2.

Beoordeling

Zoals hierboven overwogen, is het de verdachte geweest die de confrontatie opzocht en als eerste geweld heeft gebruikt. Van een noodweersituatie was dus geen sprake. Een beroep op noodweerexces kan reeds om die reden niet slagen.

6.3.

Conclusie

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

7 Motivering straf

7.1.

Algemene overweging

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

7.2.

Feit waarop de straf is gebaseerd

De verdachte heeft het slachtoffer meerdere keren geslagen en eenmaal met geschoeide voet tegen het hoofd geschopt, terwijl het slachtoffer op de grond lag. Het slachtoffer heeft hierdoor zwaar lichamelijk letsel opgelopen.

De verdachte heeft door op deze wijze te handelen een inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Naast de lichamelijke ongemakken die het slachtoffer hierdoor heeft opgelopen, ervaart hij angsten en klachten van een post traumatisch stress syndroom. Bovendien voedt dit soort uitgaansgeweld de in de maatschappij levende gevoelens van onrust en onveiligheid.

7.3.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

7.3.1.

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 6 maart 2018, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

7.3.2.

Overige persoonlijke omstandigheden

Bij het bepalen van de straf zal de rechtbank rekening houden met de omstandigheid dat de verdachte met zijn onlangs geopende supermarkt kostwinner is voor zijn ouders en zijn broertje en zijn inkomen daarom niet gemist kan worden.

7.4.

Conclusies van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

Gezien de ernst van het feit kan in beginsel niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. De rechtbank zal echter afzien van het opleggen van een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf, gezien de persoonlijke omstandigheden van de verdachte zoals hierboven naar voren gebracht. In plaats daarvan wordt een grotendeels

voorwaardelijke gevangenisstraf opgelegd. Dit voorwaardelijke strafdeel dient er tevens toe de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen.

Gezien de ernst van het feit zal de rechtbank naast bovenstaande een taakstraf van na te noemen duur opleggen.

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf passend en geboden.

8 Vordering benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd [naam benadeelde] ter zake van het ten laste gelegde feit. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 973,20 aan materiële schade en een vergoeding van € 7.000,00 aan immateriële schade.

8.1.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie vordert een toewijzing van de vordering tot vergoeding van de materiële schade, met uitzondering van het eigen risico over 2017 vanwege een onvoldoende onderbouwing van deze post.

De officier van justitie vordert een toewijzing van de vordering tot vergoeding van de immateriële schade tot een bedrag van € 2.000,00. Voor toewijzing van het meerdere is op dit moment geen plaats nu onvoldoende duidelijkheid bestaat over de blijvendheid van het letsel.

8.2.

Standpunt verdediging

De verdediging stelt zich primair op het standpunt dat het behandelen van de vordering een onredelijke belasting van het strafproces oplevert en verzoekt deze daarom af te wijzen.

Subsidiair verzoekt de verdediging de vordering substantieel te matigen, nu deze onvoldoende is onderbouwd en vanwege het eigen aandeel van de aangever in de vechtpartij.

8.3.

Beoordeling

Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij door het bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks materiële schade is toegebracht. De vordering tot vergoeding van deze schade is genoegzaam onderbouwd, met uitzondering van de post ‘eigen risico 2017’, en zal daarom behoudens dit deel worden toegewezen.

Daarnaast is vast komen te staan dat aan de benadeelde partij door het bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Deze schade zal op dit moment op basis van de gebleken feiten en omstandigheden naar maatstaven van billijkheid worden vastgesteld op € 2.000. De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard, aangezien de huidige bewijsstukken ter onderbouwing van de vordering ontoereikend zijn voor de bepaling van de definitieve schade. Dit deel van de vordering kan indien gewenst te zijner tijd bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 22 mei 2016.

Nu de vordering van de benadeelde partij deels zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil.

8.4.

Conclusie

De verdachte moet de benadeelde partij een schadevergoeding betalen van € 2.588,20, vermeerderd met de wettelijke rente en kosten als hieronder in de beslissing vermeld.

Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

10 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

11 Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte het primair ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 42 (tweeënveertig) dagen;

bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 41 (eenenveertig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van de proeftijd, die hierbij wordt gesteld op 2 (twee) jaar, na te melden voorwaarde overtreedt;

stelt als algemene voorwaarde:

- de veroordeelde zal zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maken;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;


veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 140 (honderdveertig) uren, waarbij de Reclassering Nederland dient te bepalen uit welke werkzaamheden de taakstraf dient te bestaan;

beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 70 (zeventig) dagen;

veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [naam benadeelde] , te betalen een bedrag van € 2.588,20 (zegge: tweeduizend vijfhonderdachtentachtig euro en twintig eurocent), bestaande uit € 588,20 aan materiële schade en € 2.000,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 22 mei 2016 tot aan de dag der algehele voldoening;

verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij [naam benadeelde] te betalen € 2.588,20 (hoofdsom, zegge: tweeduizend vijfhonderdachtentachtig euro en twintig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 22 mei 2016 tot aan de dag van de algehele voldoening; beveelt dat bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal van het bedrag van € 2.588,20 vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 35 (vijfendertig) dagen; toepassing van de vervangende hechtenis heft de betalingsverplichting niet op;

bepaalt dat het bij de maatregel tot schadevergoeding genoemde bedrag in twaalf gedeelten van € 200,00 (tweehonderd euro) en één gedeelte van € 188,20 (honderdachtentachtig euro en twintig eurocent) mag worden voldaan; de termijn voor de betaling van het tweede en de volgende gedeelten wordt gesteld op 12 (twaalf) maanden.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. dr. M.M. Koevoets, voorzitter,

en mrs. A.A.T. Werner en E.B.J. van Elden, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. drs. M.R. Moraal, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 22 mei 2016 te Rotterdam

aan [naam slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten meerdere breuken

in het gelaat, waaronder een breuk van de binnenste oogkaswand en/of een breuk

in de wand van de kaakholte en/of neus, heeft toegebracht door die [naam slachtoffer]

(terwijl deze op de grond lag) meermalen in het gelaat te slaan/stompen en/of

te schoppen/trappen;

Subsidiair

hij op of omstreeks 22 mei 2016 te Rotterdam

[naam slachtoffer] heeft mishandeld door die [naam slachtoffer] (terwijl deze op de grond lag)

meermalen in het gelaat te slaan/stompen en/of schoppen/trappen,

terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten meerdere breuken in het

gelaat, waaronder een breuk van de binnenste oogkaswand en/of een breuk in de

wand van de kaakholte en/of neus, ten gevolge heeft gehad;