Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:4771

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
29-03-2018
Datum publicatie
18-06-2018
Zaaknummer
10/681267-17
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHDHA:2019:141, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bewezenverklaring van het plegen van seksuele handelingen bij een persoon van wie hij weet dat zij aan een zodanige gebrekkige ontwikkeling lijdt dat zij niet of onvolkomen in staat was haar wil daaromtrent te bepalen of kenbaar te maken of daartegen weerstand te bieden. De verdediging heeft aangevoerd dat de wetenschap van de gebrekkige ontwikkeling afwezig was, de rechtbank oordeelt dat de verdachte daarvan op de hoogte was. Gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 3

Parketnummer: 10/681267-17

Datum uitspraak: 29 maart 2018

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres

[adres verdachte] , [woonplaats verdachte] ,

raadsman mr. W.J.J. Trooster, advocaat te Vlaardingen.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 15 maart 2018.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. M. van den Berg heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 8 voorwaardelijk, met een proeftijd van 5 jaar en als bijzondere voorwaarde onder meer dat de verdachte geen contact zal opnemen met [naam slachtoffer] (hierna: het slachtoffer);

  • -

    oplegging van de vrijheidsbeperkende maatregel van 38v Sr, inhoudende een contactverbod met het slachtoffer.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Bewijswaardering

4.1.1.

Standpunt verdediging

Door de verdachte is erkend dat de feitelijke handelingen zoals opgenomen in de tenlastelegging hebben plaatsgevonden, maar hij heeft gesteld dat hieraan een volwaardige – wederzijdse - liefdesrelatie ten grondslag ligt. De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat niet voldaan is aan het vereiste dat er sprake is van een persoon die niet in staat is haar wil te bepalen ten aanzien van de in de dagvaarding opgenomen seksuele handelingen. Het enkele feit dat sprake is van een verstandelijke beperking, is geen reden om aan te nemen dat het slachtoffer niet in staat is haar wil te bepalen. Uit overige omstandigheden volgt bovendien juist dat het slachtoffer in staat is haar wil te bepalen. Voor zover bewezen zou worden geacht dat het slachtoffer niet in staat was haar wil te bepalen, wordt betwist dat de verdachte dat wist of heeft kunnen weten.

4.1.2.

Beoordeling

De volgende feiten en omstandigheden kunnen op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen als vaststaand worden aangemerkt. Deze feiten hebben op de terechtzitting niet ter discussie gestaan en kunnen zonder nadere motivering dienen als vertrekpunt voor de beoordeling van de bewijsvraag.

De nu 58-jarige verdachte heeft het slachtoffer leren kennen in 2012. Hij was toen als taxichauffeur werkzaam en vervoerde leerlingen van een school voor zeer moeilijk lerende kinderen, waaronder het slachtoffer dat toen 16 jaar oud was. De verdachte heeft in die tijd contact met haar gelegd via Hyves, waarop hij haar romantisch getinte berichten heeft verstuurd. De verdachte is daarop aangehouden en gehoord wegens grooming, maar dit heeft in verband met de leeftijd van het slachtoffer niet tot vervolging geleid. De verdachte is als gevolg van dit incident in 2012 wel zijn baan als taxichauffeur verloren.

Medio november 2017 heeft het slachtoffer via Facebook contact opgenomen met de verdachte. Het slachtoffer was op dat moment woonachtig in een instelling voor mensen met een verstandelijke beperking. Het contact heeft ertoe geleid dat de verdachte twee keren ’s nachts bij het slachtoffer in haar kamer op bezoek is geweest. Het slachtoffer heeft vervolgens aan de verdachte medegedeeld dat zij een sleutel van de voordeur te pakken had gekregen zodat zij zelfstandig naar binnen kon. Het slachtoffer heeft daarna een aantal nachten bij de verdachte verbleven, waarbij hij haar laat in de avond ophaalde en midden in de nacht terugbracht. In de nacht van dinsdag 28 op woensdag 29 november 2017 is het slachtoffer wederom opgehaald door de verdachte. Zij is die nacht echter niet teruggekeerd naar haar woning, maar is in de woning van de verdachte gebleven. Daar is zij op vrijdag 1 december 2017 aangetroffen door de politie. In de gehele periode, vanaf het tweede bezoek door de verdachte aan de instelling op 17 november 2017 tot 1 december 2017, heeft hij herhaaldelijk seks met het slachtoffer gehad, in de varianten zoals ten laste gelegd.

De feitelijke gedragingen kunnen daarmee bewezen worden verklaard. Centraal staat daarom de vraag of het slachtoffer in staat was haar wil daaromtrent te bepalen of kenbaar te maken of daartegen weerstand te bieden en de wetenschap daarvan bij de verdachte. Vast staat dat het slachtoffer lijdt aan het VCF syndroom. Dit is een aangeboren chromosoomafwijking, die naar zijn aard blijvend is. In 2010 is een psychodiagnostisch onderzoek uitgevoerd, waaruit naar voren komt dat het slachtoffer met een IQ van 53 functioneert op licht verstandelijk beperkt niveau. Verder wordt opgemerkt dat zij een relatief sterke behoefte heeft aan erkenning en aanmoediging op haar handelen. De geneesheer-directeur van de instelling waar zij in het kader van de Wet Bijzondere opneming psychiatrische ziekenhuizen (Wet BOPZ) verblijft, heeft op 26 januari 2018 een verklaring afgegeven in het kader van de aanvraag van een rechterlijke machtiging. Daarin schrijft hij onder meer dat het slachtoffer op basis van haar handicap onvoldoende weerbaar is tegen personen die kwalijke bedoelingen met haar hebben. In het verslag van de aanvraag is opgenomen dat het slachtoffer op het gebied van dagelijkse vaardigheden functioneert op het niveau van een 6-jarige. Sociaal-emotioneel is zij zeer zwak en kan haar ontwikkelingsniveau worden vergeleken met een kind tussen de 18 en 36 maanden. Ze heeft weinig weet van haar eigen grenzen en de grenzen van anderen.

Van iemand die op een dergelijk laag niveau functioneert kan niet worden verwacht dat zij haar wil kan bepalen ten aanzien van seksuele handelingen in het algemeen, laat staan de seksuele handelingen waarvan in dit geval – in een tijdbestek van slechts enkele dagen – sprake is geweest. Daar komt bij dat van het slachtoffer niet verwacht kan worden dat zij weerstand biedt aan de verdachte die, anders dan zij, een zelfstandig leven heeft, haar reeds eerder romantisch heeft benaderd en nu weer alle aandacht voor haar heeft en zelfs beloofd heeft haar te trouwen.

Uit het voorgaande volgt naar het oordeel van de rechtbank dat het slachtoffer onvolkomen in staat was om haar wil te bepalen omtrent de seksuele handelingen met de verdachte en evenmin in staat was daartegen weerstand te bieden.

Voor zover de verdachte heeft betoogd dat hij niet wist dat zij een verstandelijke beperking had en evenmin dat zij niet in staat was haar wil te bepalen omtrent de seksuele handelingen met de verdachte geldt het volgende.

De verdachte was al in 2012 op de hoogte van het feit dat het slachtoffer een verstandelijke beperking heeft. Voor de stelling van de verdachte dat hij heeft gemeend en ook kon menen dat zij zich in de periode tot 2017 zo zou hebben ontwikkeld dat daarvan geen sprake meer was, zijn geen aanknopingspunten te vinden in het dossier. Uit het dossier blijkt het tegendeel. Het slachtoffer (op dat moment 22 jaar oud) was immers woonachtig in een instelling waar de verdachte ’s avonds laat naar binnen moest sluipen en zachtjes moest doen opdat de begeleiding niets zou horen. De verdachte wist bovendien dat de kamer van het slachtoffer voorzien was van een inluisterinstallatie die de begeleiding in staat stelde op afstand mee te luisteren. Die installatie was door het slachtoffer afgeplakt. De verdachte had dit waargenomen. Voorts was verdachte ermee bekend dat zij geen eigen voordeursleutel had.

Daar komt nog bij dat uit de manier waarop de verdachte met het slachtoffer omging volgt dat hij wist dat zij een beperking had. Zo verklaart hij onder meer dat hij haar heeft verplicht om tanden te poetsen, omdat hij wist dat ze dat van de instelling moest doen.

De verdachte wist derhalve dat óók ten tijde van het feit er sprake was van een verstandelijke beperking bij het slachtoffer. Zijn verklaring wordt op dit punt ongeloofwaardig geacht.

Uit onderzoek is gebleken dat de verdachte zelf op (boven)gemiddeld niveau functioneert. Hij heeft het slachtoffer in 2012 gedurende enkele maanden meegemaakt, waardoor hij bekend was met (de omvang van) haar beperking (destijds). Gelet op de intelligentie van de verdachte had hij zich kunnen realiseren dat de beperking van het slachtoffer ook invloed kan hebben op de mogelijkheid haar wil te bepalen omtrent de seksuele handelingen die hebben plaatsgevonden of haar vermogen aan dergelijke handelingen weerstand te bieden. De verdachte verklaart dat het slachtoffer hem tijdens het tweede afspraakje vroeg of hij seks met haar wilde en dat hij daar wel vraagtekens bij had, maar hij verricht vervolgens binnen enkele dagen diverse seksuele handelingen met haar tot aan anale penetratie toe. Hoewel de verdachte verklaart over liefdevolle gevoelens, is van een romantisch samenzijn niet gebleken.

Gelet op alle omstandigheden, in samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat de verdachte tevens willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard heeft dat het slachtoffer als gevolg van haar beperking niet in staat was haar wil omtrent de ten laste gelegde seksuele handelingen te bepalen of daaraan weerstand te bieden.

4.1.3.

Conclusie

Uit het voorgaande volgt dat de verdachte wist dat het slachtoffer leed aan een zodanige gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens dat zij niet of onvolkomen in staat was haar wil te bepalen of weerstand te bieden tegen de gepleegde handelingen, mede bestaand uit het seksueel binnendringen.

4.2.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

1.

hij in de periode van 16 november 2017 tot en met 01 december 2017 te Alblasserdam, met [naam slachtoffer] , van wie hij, verdachte, wist dat die [naam slachtoffer] aan een zodanige gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van haar geestvermogens leed dat die [naam slachtoffer] niet of onvolkomen in staat was haar wil daaromtrent te bepalen of kenbaar te maken of daartegen weerstand te bieden, handelingen heeft gepleegd die mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, heeft gepleegd, namelijk het meermalen, althans eenmaal,

- uitkleden van die [naam slachtoffer] , en

- brengen/duwen/houden van zijn, verdachte ’s, vingers en/of penis in de vagina en/of anus van die [naam slachtoffer] , en

- het brengen/duwen/houden van zijn, verdachte ’s penis in de mond van die [naam slachtoffer] , en

- het likken aan/in de vagina van die [naam slachtoffer] en

- voelen aan/betasten van de borsten en/of de vagina van die [naam slachtoffer] .

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

5 Strafbaarheid feit

Het bewezen feit levert op:

met iemand van wie hij weet dat hij aan een zodanige gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens lijdt dat hij niet of onvolkomen in staat is zijn wil daaromtrent te bepalen of kenbaar te maken of daartegen weerstand te bieden, handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het feit is dus strafbaar.

6 Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

7 Motivering straf en maatregel

7.1.

Algemene overweging

De straf en maatregel die aan de verdachte worden opgelegd, zijn gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

7.2.

Feit waarop de straf en maatregel zijn gebaseerd

De verdachte is een seksuele relatie aangegaan met het slachtoffer, wiens sociaal-emotionele ontwikkeling vergelijkbaar is met een kind van 18 tot 36 maanden. Daarbij heeft hij misbruik gemaakt van haar wens om een normaal leven te leiden, onder meer door haar in 2012 vele romantisch getinte berichtjes te sturen en meer recent door haar voor te spiegelen dat zij zouden trouwen. Door op die manier in te spelen op de onzekerheden en verlangens van het slachtoffer, heeft de verdachte op ernstige wijze misbruik gemaakt van de bij haar aanwezige verstandelijke beperking. Het slachtoffer is als gevolg van wat er is gebeurd gedwongen opgenomen in een psychiatrisch ziekenhuis en het is voorstelbaar dat zij de psychische gevolgen van hetgeen haar is overkomen nog lange tijd met zich mee zal dragen. Voorts heeft de verdachte het slachtoffer van dinsdagnacht tot vrijdagmiddag verborgen gehouden. De verdwijning van het slachtoffer heeft grote onrust en angst veroorzaakt bij haar familie en haar begeleiders. Ook nadat hij op internet las over de vermissing van het slachtoffer heeft hij geen contact opgenomen met de politie. De grote impact die dit handelen heeft gehad op de omgeving van het slachtoffer is naar voren gekomen in de ter zitting door de zus van het slachtoffer voorgelezen slachtofferverklaring.

De rechtbank rekent het de verdachte zwaar aan dat hij zich aan dit alles niets gelegen heeft laten liggen en zich slechts heeft laten leiden door zijn eigen lusten.

7.3.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

7.3.1.

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 26 februari 2018, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld.

7.3.2.

Rapportages

Reclassering Nederland heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 14 maart 2018. In dit rapport is opgenomen dat het risico op recidive onbekend is. Het risico op onttrekking aan voorwaarden wordt laag ingeschat. De rechtbank heeft acht geslagen op dit rapport.

Psycholoog dr. R.A.R. Bullens heeft een rapport over de verdachte opgemaakt gedateerd 5 maart 2018. Dit rapport houdt het volgende in. Bij de verdachte zijn geen aanwijzingen gevonden voor een ziekelijke stoornis of een gebrekkige ontwikkeling. De rechtbank heeft acht geslagen op dit rapport.

7.4.

Conclusies van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

Gezien de ernst van het feit kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd.

De rechtbank zal een deel van de voorgenomen straf voorwaardelijk opleggen, met de voorwaarden die hierna worden genoemd. Dit voorwaardelijk strafdeel dient er mede toe de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw contact op te nemen met het slachtoffer of andere strafbare feiten te plegen.

Gezien de omstandigheid dat de verdachte na een periode van vijf jaar wederom contact met het slachtoffer heeft gehad en hij na zijn aanhouding op 1 december 2017 twee keer één van de voorwaarden van zijn schorsing, namelijk de voorwaarde inhoudende dat hij direct noch indirect contact mocht opnemen met het slachtoffer, heeft overtreden, moet er ernstig rekening mee worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. De proeftijd zal worden vastgesteld op vijf jaar. Voorts zullen de op te leggen bijzondere voorwaarden, inhoudende een contactverbod en een meldplicht en het op te leggen reclasseringstoezicht, dadelijk uitvoerbaar worden verklaard.

Ter voorkoming van strafbare feiten wordt aan de verdachte de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid voor de duur van vijf jaren opgelegd, inhoudende een contactverbod met het slachtoffer. Zoals hiervoor overwogen moet er ernstig rekening mee worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen of zich belastend zal gedragen jegens het slachtoffer. Daarom wordt bevolen dat de maatregel dadelijk uitvoerbaar is.

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf en maatregel passend en geboden.

8 Vordering benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd [naam benadeelde] ter zake van het ten laste gelegde feit. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 130,60 aan materiële schade en een vergoeding van € 10.000,00 aan immateriële schade.

8.1.

Standpunt officier van justitie

De officier heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

8.2.

Standpunt verdediging

Ten aanzien van de materiële schade heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de gestelde schade niet door het slachtoffer zelf is geleden. Ten aanzien van de immateriële schade is aangevoerd dat uit de verklaringen niet blijkt dat het slachtoffer ten gevolge van de onderhavige feiten schade heeft geleden. Nu een en ander niet eenvoudig is vast te stellen, moet de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard.

8.3.

Beoordeling

Ten aanzien van de materiële schade geldt dat de opgevoerde kosten door de zus van het slachtoffer in haar hoedanigheid als bewindvoerder zijn gemaakt, en als zodanig ten laste van de boedel en daarmee voor rekening van het slachtoffer komen. Deze is dan ook toewijsbaar.

Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij door het bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks immateriële schade is toegebracht.

Die schade zal op dit moment op basis van de thans gebleken feiten en omstandigheden naar maatstaven van billijkheid worden vastgesteld op € 5.000,00. De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard, nu de aard en omvang van de door het slachtoffer geleden psychische schade op dit moment onvoldoende zijn onderbouwd. Nader onderzoek naar de omvang daarvan zou een uitgebreide nadere behandeling vereisen. De rechtbank is van oordeel dat de nadere behandeling van dit deel van de vordering een onevenredige belasting van het strafproces zou vormen. Dit deel van de vordering kan derhalve slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf 1 december 2017.

Nu de vordering van de benadeelde partij in overwegende mate zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt. Deze kosten worden begroot op nihil.

8.4.

Conclusie

De verdachte moet de benadeelde partij een schadevergoeding betalen van € 5.130,60, vermeerderd met de wettelijke rente als hieronder in de beslissing vermeld. Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 38v, 38w en 243 van het Wetboek van Strafrecht.

10 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

11 Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 (vierentwintig) maanden,

bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 8 (acht) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van de proeftijd, die hierbij wordt gesteld op 5 (vijf) jaar, na te melden voorwaarden overtreedt;

stelt als algemene voorwaarden:

  • -

    de veroordeelde zal zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maken;

  • -

    de veroordeelde zal ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verlenen aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbieden;

  • -

    de veroordeelde zal medewerking verlenen aan reclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

stelt als bijzondere voorwaarden:

1. de veroordeelde zal zich melden bij Reclassering Nederland, zolang en frequent als die reclasseringsinstelling noodzakelijk vindt;

2. de veroordeelde zal op geen enkele wijze contact (laten) opnemen, zoeken of hebben met [naam slachtoffer] , geboren [geboortedatum slachtoffer] , gedurende vijf jaar na heden, of zoveel korter als de reclassering verantwoord vindt;

geeft aan genoemde reclasseringsinstelling opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

beveelt dat de onder nummers 1 en 2 genoemde bijzondere voorwaarden en het aan genoemde reclasseringsinstelling opgedragen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

legt de veroordeelde op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid voor de

duur van 5 (vijf) jaren, inhoudende dat de veroordeelde wordt bevolen zich te onthouden van direct of indirect contact met [naam slachtoffer] , geboren [geboortedatum slachtoffer] ;

beveelt dat, voor het geval de veroordeelde niet aan de maatregel voldoet, vervangende hechtenis zal worden toegepast;

bepaalt dat voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan vervangende hechtenis wordt toegepast voor de duur van 2 (twee) weken, met een totale duur van ten hoogste zes maanden;

beveelt dat de maatregel dadelijk uitvoerbaar is;

heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte, die bij eerdere beslissing is geschorst;

veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [naam benadeelde] , te betalen een bedrag van € 5.130,60 (zegge: vijfduizend honderddertig euro en zestig eurocent), bestaande uit € 130,60 aan materiële schade en € 5.000,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 1 december 2017 tot aan de dag der algehele voldoening;

verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij [naam benadeelde] te betalen € 5.130,60 (hoofdsom, zegge: vijfduizend honderddertig euro en zestig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 december 2017 tot aan de dag van de algehele voldoening; beveelt dat bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal van het bedrag van € 5.130,60 vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 60 (zestig) dagen; toepassing van de vervangende hechtenis heft de betalingsverplichting niet op.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. J.A.M.J. Janssen-Timmermans, voorzitter,

en mrs. A.A.T. Werner en W.J. Loorbach, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. drs. M.R. Moraal, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

De voorzitter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

hij in of omstreeks de periode van 01 november 2017 tot en met 01 december 2017 te Alblasserdam, met [naam slachtoffer] , van wie hij, verdachte, wist dat die [naam slachtoffer] in

staat van bewusteloosheid of lichamelijke onmacht verkeerde, dan wel aan een

zodanige gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van haar

geestvermogens leed dat die [naam slachtoffer] niet of onvolkomen in staat was haar

wil daaromtrent te bepalen of kenbaar te maken of daartegen weerstand te

bieden, handelingen heeft gepleegd die mede bestaan uit het seksueel binnendringen van

het lichaam, althans, een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, namelijk het meermalen, althans eenmaal, (telkens)

- uitkleden van die [naam slachtoffer] , en/of

- brengen/duwen/houden van zijn, verdachte's, vingers en/of penis in de vagina en/of anus van die [naam slachtoffer] , en/of

- het brengen/duwen/houden van zijn, verdachte's penis in de mond van die [naam slachtoffer] , en/of

- het likken aan/in de vagina van die [naam slachtoffer] en/of

- voelen aan/betasten van de borsten en/of de vagina van die [naam slachtoffer] ;