Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:4690

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
21-03-2018
Datum publicatie
15-06-2018
Zaaknummer
10/660624-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Het voorhanden hebben van 5,3 kg cocaïne en 5 kg phenacetine en het witwassen van 92.850,- euro en 69.900, Zwitserse franc. Gezien de ernst van de feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf van een aanzienlijke duur.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 2

Parketnummer: 10/660624-17

Datum uitspraak: 21 maart 2018

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren op [geboortedatum verdachte] te [geboorteplaats verdachte] ( [geboorteland verdachte] ),

zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande,

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Alphen aan den Rijn,

raadsman mr. G.N. Weski, advocaat te Rotterdam.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 7 maart 2018.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. C.J.A. de Bruijn heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het onder 1, 2 en 3 primair ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden met aftrek van het voorarrest;

  • -

    verbeurd verklaring van de in beslag genomen geldbedragen, te weten 92.850,- euro en 69.900,- Zwitserse franc.

4 Waardering van het bewijs

Standpunt verdediging

De raadsman heeft bepleit de verdachte vrij te spreken van het onder 1 en 2 ten laste gelegde. Daartoe heeft hij aangevoerd dat de verdachte geen wetenschap van en beschikkingsmacht had over de in de woning aanwezige cocaïne en phenacetine.

Beoordeling

De verbalisanten stellen op 22 november 2017 een onderzoek in bij de woning aan de [adres delict] te Rotterdam. Zij worden aldaar, na herhaaldelijk aanbellen binnengelaten door de verdachte. Tijdens het aanbellen nemen verbalisanten waar dat de lichten in de woning één voor één worden uitgedaan. De verbalisanten ruiken na binnenkomst een chemische lucht en zien drie luchtverfrissers in de hal van de woning. Bij nader onderzoek wordt in de slaapkamer van de verdachte een geopende sporttas aangetroffen met daarin openlijk zichtbaar een grote hoeveelheid geld. In dezelfde ruimte wordt later ook een plastic tas aangetroffen met Zwitsers geld. Bij (latere) telling blijkt het om 92.850,- euro en 69.900,- Zwitserse franc te gaan. Verder wordt in het washok, naast de wasmachine, door de politie een doorzichtige opbergbox aangetroffen met daarin onder andere drie gele rolverpakkingen met daarin een witte substantie. Na onderzoek door het Nederlands Forensisch Instituut blijkt het in totaal 5.310,1 gram cocaïne en 5.026,8 gram waarschijnlijk phenacetine te gaan. Ook worden een grote hoeveelheid elastiekjes en sealbags, aangetroffen, maar ook plastic handschoentjes, grammenweegschaaltjes, 2 grote jerrycans aceton, een geldtelmachine, een notitieblok waarin de voornaam van de verdachte is geschreven en overige administratie aangetroffen.

De verdachte heeft verklaard dat hij niet de eigenaar was van de woning, maar dat hij er sinds september 2017 regelmatig verbleef en de sleutel van de woning had. De verdachte heeft verder verklaard dat hij alleen in de woning verbleef, dat hij niets met het aangetroffen geld en de verdovende middelen te maken heeft en dat zijn leven in gevaar is als hij hierover gaat verklaren. Ter zitting heeft de verdachte verklaard dat hij twee dagen voor de aanhouding de sporttas met geld in zijn slaapkamer heeft gezien. Naar aanleiding hiervan heeft hij de eigenaar van de woning gebeld om hierover duidelijkheid te verkrijgen. Hij kreeg te horen dat het beter was dat hij niet teveel hierover wist en dat de sporttas binnenkort opgehaald zou worden. Tegenover de politie heeft de verdachte ook verklaard dat hij de eigenaar van de woning heeft opgebeld om op uitleg te krijgen over de gele rollen. Volgens de verdachte werd hem toen verteld dat het beter was dat hij daarvan niets wist.

Naar het oordeel van de rechtbank staat vast dat de verdachte wetenschap had van de in de woning aanwezige drugs alsmede van de phenacetine. De verdachte heeft verklaard dat hij de doorzichtige opbergbox en de daarin aanwezige gele rollen heeft gezien. Ook was hij zich bewust van de aanwezigheid van een grote hoeveelheden contant geld, de geldtelmachine, de gramweegschaaltjes en de administratie. Al deze goederen zijn open in zicht in de door hem gebruikte woning aangetroffen. Hij geeft aan dat hij over de verpakte rollen en het geld nadere vragen gesteld aan de eigenaar van de woning, maar dat die hem vertelde dat het beter was als hij niets of niet teveel wist. Mede gezien zijn verklaringen bij de politie dat zijn leven in gevaar was als hij zou praten, heeft de verdachte op zijn minst genomen welbewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat er in de woning een grote hoeveelheid drugs aanwezig was en dat het in de woning aangetroffen geld daar ook mee te maken had.

Mede gelet op de wijze waarop de cocaïne en het versnijdingsmiddel phenacetine zijn aangetroffen staat voor de rechtbank vast dat de verdachte over zowel drugs als andere goederen en stoffen in de woning de beschikkingsmacht had. Daarbij wordt verder in aanmerking genomen dat de verdachte als enige aanwezig was in de woning ten tijde van het aantreffen van deze middelen, dat hij de sleutel had van de woning en volledig vrije toegang had tot alle in de woning aanwezige ruimten.

Ten aanzien van het voorhanden hebben de phenacetine oordeelt de rechtbank dat het, gelet op de overige in de woning aangetroffen goederen, de verdachte ernstig had te vermoeden dat dit middel bestemd was tot het versnijden, en dus bewerken, van de aangetroffen hoeveelheid cocaïne.

Ten aanzien van de aangetroffen geldbedragen oordeelt de rechtbank dat op grond van de eigen verklaring van verdachte in combinatie met de wijze waarop de woning een grote hoeveelheid cocaïne en goederen ter vervaardiging/versnijding/(verdere) bewerking hiervan zijn aangetroffen, de verdachte ook moet hebben geweten dat de geldbedragen afkomstig waren uit enig misdrijf.

De rechtbank is van oordeel dat de verdachte de aan hem ten laste gelede feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden verklaard.

4.1.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 primair sub b ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

1.

hij op 22 november 2017 te Rotterdam, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 5.310,1 gram, cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2.

hij op 22 november 2017 te Rotterdam om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden 5.026,8 gram phenacetine voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte ernstige redenen had te vermoeden, dat dat bestemd was tot het plegen van dat feit

3. primair

hij op 22 november 2017, te Rotterdam, meerdere voorwerpen, te weten meerdere geldbedragen van in totaal 92.850 euro en 69.900 Zwitserse franc, voorhanden heeft gehad, terwijl hij, wist dat bovenomschreven geldbedragen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig(e) misdrijf/misdrijven.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

5 Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:

1: opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod;

2: om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor de bereiden of te bevorderen, stoffen voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit;

3 primair: witwassen.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. De feiten zijn dus strafbaar.

6 Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

7 Motivering straf

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van ruim 5,3 kilogram cocaïne en ruim 5 kilogram phenacetine. Phenacetine is een versnijdingsmiddel voor cocaïne. Deze grote hoeveelheden duiden op strafbaar gedrag dat is gericht op verdere verspreiding van de drugs. De verdachte heeft aldus bijgedragen aan de verdere verspreiding en het gebruik van cocaïne. Dit vormt een ernstig gevaar voor de volksgezondheid en is bezwarend voor de samenleving, onder andere vanwege de daarmee gepaard gaande vormen van criminaliteit.

Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan witwassen door geldbedragen van 92.850,- euro en 69.900,- Zwitserse franc, voorhanden te hebben, terwijl hij wist dat dit geld onmiddellijk of middellijk afkomstig was uit enig misdrijf. Door het witwassen van crimineel vermogen wordt de onderliggende criminaliteit gefaciliteerd. Het vormt een aantasting van de legale economie en is, mede vanwege de ondermijnende invloed ervan op het legale handelsverkeer, een bedreiging voor de samenleving.

De rechtbank houdt bij het bepalen van de duur van de op te leggen straf acht geslagen op een uittreksel uit de Franse justitiële documentatieregister, ontvangen op 28 november 2017, waaruit blijkt dat de verdachte eerder tot gevangenisstraf is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

Gezien de ernst van de feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf van een aanzienlijke duur. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in min of meer vergelijkbare zaken worden opgelegd en op de LOVS-oriëntatiepunten. Alles afwegend acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden passend en geboden.

8 In beslag genomen voorwerpen

8.1.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd de in beslag genomen geldbedragen van 92.850,- euro en 69.900,- Zwitserse franc verbeurd te verklaren. Het geldbedrag dat bij de fouillering van verdachte is aangetroffen kan terug worden gegeven aan de verdachte.

8.2.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft zich niet uitgelaten over de in beslag genomen geldbedragen.

8.3.

Beoordeling

De in beslag genomen geldbedragen van 92.850,- euro en 69.900,- Zwitserse franc, zal worden verbeurd verklaard. De verbeurdverklaring zal worden opgelegd als bijkomende straf voor het onder 3 bewezen verklaarde feit. Het bewezen feit is met betrekking tot deze geldbedragen begaan. Ten aanzien van het bij de fouillering van de verdachte in beslag genomen geldbedrag van 606,15 (445,- en 161,15) euro zal een last worden gegeven tot teruggave aan de verdachte.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 33, 57 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht en artikelen 2, 10 en 10a van de Opiumwet.

10 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

11 Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1, 2 en 3 primair sub b ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 (zegge: vierentwintig) maanden;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

beslist ten aanzien van de voorwerpen, geplaatst op de lijst van inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, als volgt:
- verklaart verbeurd als bijkomende straf voor feit 3:

92.850,- euro en

69.900,- Zwitserse franc.

- gelast de teruggave aan de verdachte van 606,15 euro.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. W.A.F. Damen, voorzitter,

en mrs. J. van Dort en J. de Lange, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. S. Salah-Hashim, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 21 maart 2018.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 22 november 2017 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 5.310,1 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2.

hij op of omstreeks 22 november 2017 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en/of te bevorderen 5.026,8 gram phenacetine voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte en/of verdachtes mededader(s) wist(en) of ernstige redenen had(den) te vermoeden, dat dat/die bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en);

3.

hij op of omstreeks 22 november 2017, te Rotterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

a. a) van een of meerdere voorwerpen, te weten een of meerdere geldbedrag(en) van in totaal 92.850 euro en/of 69.900 Zwitserse Franc, althans van een of meerdere geldbedragen,

de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats heeft verborgen en/of heeft verhuld, dan wel verborgen heeft gehouden en/of heeft verhuld wie de rechthebbende op dit voorwerp/deze voorwerpen is, en/of dit voorwerp/deze voorwerpen geld voorhanden heeft gehad, dan wel

b) een of meerdere voorwerpen, te weten een of meerdere geldbedrag(en) van in totaal 92.850 euro en/of 69.900 Zwitserse Franc, althans een of meerdere geldbedragen,

heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad, en/of heeft overgedragen en/of heeft omgezet, en/of van een of meerdere voorwerpen, te weten een of meerdere geldbedrag(en) van in totaal 92.850 euro en/of 69.900 Zwitserse Franc, althans een of meerdere geldbedrag(en), gebruik heeft gemaakt,

terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) wist(en), althans had moeten vermoeden, dat bovenomschreven voorwerp(en)/geldbedrag(en) geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren/was uit enig(e) misdrijf/misdrijven;

Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden

hij op of omstreeks 22 november 2017, te Rotterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een of meer voorwerp(en), te weten een of meer geldbedrag(en) van (in totaal) 92.850 euro en/of 69.900 Zwitserse Franc, heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad terwijl hij, verdachte, wist, althans had moeten vermoeden, dat dat voorwerp onmiddellijk afkomstig was uit enig eigen misdrijf.