Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:4613

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
01-05-2018
Datum publicatie
14-06-2018
Zaaknummer
10/661003-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor een reeks diefstallen uit kleedkamers van een kerk, een school, sportverenigingen, en uit woningen. Daarbij werd door middel van dezelfde modus operandi telkens telefoons, kleine geldbedragen en overige goederen weggenomen. De verdachte heeft zich beroepen op zijn zwijgrecht. Dat de verdachte niet heeft willen verklaren heeft de rechtbank gebruikt bij de bewijsconstructie (de overtuiging van de rechtbank).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team jeugd

Parketnummer: 10/661003-18

Datum uitspraak: 1 mei 2018

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de gevoegde zaken tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren op [geboortedatum verdachte] te [geboorteplaats verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:
[adres verdachte] , [woonplaats verdachte] ,

raadsvrouw mr. S. Bosmans, advocaat te Rotterdam.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de besloten terechtzitting van 17 april 2018.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. P. Swaak heeft gevorderd:

  • -

    vrijspraak van het onder 1, 2 en 7 primair ten laste gelegde;

  • -

    bewezenverklaring van het onder 3, 4 primair, 5, 6 primair, 7 subsidiair, 8 t/m 11 ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van 224 dagen met aftrek van voorarrest, waarvan 180 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren, onder de bijzondere voorwaarden dat de verdachte zich houdt aan een meldplicht bij de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond, dat hij geen verdovende middelen zal gebruiken, een zinvolle dagbesteding heeft en zal meewerken aan begeleiding/behandeling door het forensisch jeugd FACT team,

  • -

    met opdracht aan de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden,

  • -

    alsmede veroordeling van de verdachte tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 80 uur, subsidiair 40 dagen vervangende jeugddetentie.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Vrijspraak feit 2

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat op basis van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting het onder 2 ten laste gelegde niet wettig en overtuigend is bewezen, zodat de verdachte daarvan zonder nadere motivering zal worden vrijgesproken.

4.2.

Bewezenverklaring feiten 8 t/m 11


Ten aanzien van de feiten 8 t/m 11 heeft de verdachte zich op zijn zwijgrecht beroepen en heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting, meer in het bijzonder de inhoud van de hierna in bijlage II genoemde wettige bewijsmiddelen, acht de rechtbank de feiten 8 t/m 11 wettig en overtuigend bewezen.

Daarbij valt op dat de verdachte telkens dezelfde modus operandi heeft gebruikt. Zo betreedt de verdachte openbare ruimtes waar kledingstukken (jassen) en tassen hangen door middel van insluiping, haalt hij deze jassen en/of tassen leeg, terwijl duidelijk is dat de eigena(a)r(en) opdat moment bezig waren met iets anders (in casu: sporten) en hij dus wist dat hij niet betrapt zou worden. Ook zijn de feiten in een kort tijdsbestek achter elkaar gepleegd, in dezelfde buurt, en is iedere keer een zelfde signalement van de dader gegeven/te zien op camerabeelden.

4.3.

Bewijswaardering feiten 1, 3 t/m 7

4.3.1.

Standpunt officier van justitie


De officier van justitie heeft vrijspraak bepleit van het onder 1 ten laste gelegde, vanwege het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs.

Hij heeft zich op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte het onder 3, 4 primair, 5 en 6 primair ten laste gelegde heeft begaan.
In het bijzonder heeft hij daarbij voor feit 3 gewezen op de aangifte van [naam slachtoffer 1] , de herkenning door getuige [naam getuige 1] , die de verdachte op de dag van de diefstal in de school heeft zien lopen, en de verklaring van getuige [naam getuige 2] tegen wie de verdachte zou hebben gezegd dat de simkaart kapot was en de telefoon weg.

Ten aanzien van feit 4 primair en feit 5 heeft de officier van justitie aangegeven dat in het dossier een aangifte van [naam slachtoffer 2] zit, waaruit blijkt dat er op 4 december 2017 omstreeks 11.00 uur goederen zijn weggenomen uit haar woning aan de [adres delict 1] in Maassluis. Uit de aangifte volgt ook dat er om 11.33 uur die dag met de pinpas van aangeefster is gepind bij de Inter Maassluis. De eigenaar van de Inter Maassluis kon zich de man die had gepind nog herinneren en geeft daarvan een signalement. Als vervolgens aan een medewerker van de Inter Maassluis een foto wordt getoond van de verdachte, herkent hij de verdachte als de man die heeft gepind. Nu het tijdstip van het pinnen zo kort op het tijdstip van de diefstal uit de woning ligt, kan geconcludeerd worden dat het de verdachte is geweest die uit de woning de bankpas heeft weggenomen, aldus de officier van justitie.

De officier van justitie heeft verder ten aanzien van feit 6 primair aangegeven dat, nu uit de aangifte van [naam slachtoffer 3] blijkt dat er op 7 december 2017 uit de woning aan de [adres delict 2] in Maassluis goederen zijn gestolen, een deel van die goederen enkele dagen later, te weten op 13 december 2017, is ingeleverd bij de Cashconverters door iemand met de ID-kaart van verdachte, en de verdachte bij zijn aanhouding op 8 januari 2018 in het bezit was van zijn eigen ID-kaart, het niet anders kan dat het de verdachte is geweest die deze inbraak heeft gepleegd. In dat kader heeft de officier van justitie ook nog gewezen op de omstandigheid dat in de telefoon van de verdachte een foto is aangetroffen van het Rolex horloge van de aangever.

Ten aanzien van het onder 7 primair ten laste gelegde heeft de officier van justitie vrijspraak gevorderd, nu zich in het dossier onvoldoende bewijs bevindt om tot het oordeel te komen dat de verdachte de bromfiets van aangeefster [naam slachtoffer 4] heeft gestolen.

Wel acht de officier van justitie wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de bromfiets van aangeefster heeft geheeld. Hij heeft in dat kader gewezen op de aangifte, waaruit blijkt dat de bromfiets op 16 november 2017 is weggenomen, en de verklaring van getuige [naam getuige 3] die op 19 november 2017 een jongen op de bromfiets heeft gezien en heeft gezien dat die jongen vreemd gedrag vertoonde en de bromfiets wegzette toen er een politiehelikopter overvloog. Deze jongen is herkend als de verdachte door getuige [naam getuige 4] , een oude buurman van de verdachte, aldus de officier van justitie.

4.3.2.

Standpunt verdediging

De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit van het onder 1, 3, 4 primair, 5, 6 primair en 7 primair ten laste gelegde, nu zich volgens haar - kort samengevat - in het dossier onvoldoende wettig en overtuigend bewijs bevindt om tot een veroordeling van de verdachte voor deze feiten te komen.

In het bijzonder heeft zij ten aanzien van de feiten 1, 4 primair, 5 en 6 primair betoogd dat er geen bewijsmiddelen zijn waaruit blijkt dat de verdachte in de kerk c.q. de woningen is geweest, waaruit de goederen zijn weggenomen. Hetzelfde geldt volgens de raadsvrouw voor de diefstal van de bromfiets, die onder feit 7 primair is ten laste gelegd. Er is onvoldoende bewijs dat de verdachte de bromfiets heeft weggenomen, aldus de raadsvrouw.

Ten aanzien van het onder 4, 6 subsidiair en 7 subsidiair ten laste gelegde (heling van diverse gestolen goederen) heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

4.3.3.

Beoordeling

Feit 1 – Kerk

Aan de orde is de vraag of de verdachte op 7 januari 2018 in Maassluis autosleutels en sleutelbossen (uit een kerk) heeft weggenomen.

De rechtbank overweegt dat uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting de volgende feiten en omstandigheden kunnen worden afgeleid.

Uit de aangiftes van [naam slachtoffer 5] , [naam slachtoffer 6] en [naam slachtoffer 7] blijkt dat op 7 januari 2018 tussen 11.15 uur en 12.30 uur autosleutels en sleutelbossen zijn weggenomen uit jassen die in het verenigingsgebouw [naam vereniging] (de kerk) aan de [adres delict 3] in Maassluis hingen.

Aangeefster [naam slachtoffer 7] heeft daarbij verklaard dat zij rond het tijdstip van de diefstal een man heeft zien lopen in de gang van genoemd gebouw. Deze man had zij nog nooit daar gezien. De man omschrijft zij als volgt:

- blank;

- rond gezicht;

- opvallende rode wangen;

- kort geknipt kapsel, donker van kleur;

- postuur is iets forser dan normaal;

- ongeveer 18-20 jaar oud;

- donkerkleurige jas;

- donkerkleurige trainingsbroek.

In dit signalement hebben verbalisanten van politie de verdachte herkend. De rechtbank heeft geen reden te twijfelen aan deze herkenning. Dit betekent dat de rechtbank van oordeel is dat de verdachte rond het tijdstip van de diefstal in de kerk is geweest.

Dit oordeel wordt ondersteund door bevindingen van de politie waaruit blijkt dat

de verdachte op de bewuste dag van de diefstal omstreeks 10.38 uur op zijn grijze Gazelle fiets is gestapt, en dat hij vervolgens wegreed in de richting van de Nieuwe Kerkstraat in Maassluis.

Omdat de verdachte al enige tijd in beeld was bij de politie in verband met inbraken/insluipingen/diefstallen was in zijn fiets een baken geplaatst.

Bij het uitlezen van het baken van de fiets van de verdachte bleek dat de fiets die dag omstreeks 11.00 uur een shake alarm had gegeven en was gaan rijden.

Tevens bleek uit onderzoek dat de fiets om 11.45 uur bij het Kerkplein in Maassluis enige tijd heeft stilgestaan.

De fiets werd omstreeks 13.00 uur aangetroffen op het kruispunt van het Kerkplein en de Geerkade in Maassluis.

De verdachte heeft geen verklaring willen afleggen over zijn aanwezigheid in de kerk rond het tijdstip van de diefstal, de omstandigheid dat zijn fiets op de bewuste dag rond het tijdstip van de diefstal in de buurt van de kerk aanwezig was, en dat hij die ochtend kort voordat de diefstal werd gepleegd op zijn fiets stapte en in de richting van de kerk reed.

De rechtbank merkt op dat uit het dossier geenszins blijkt van de aanwezigheid van iemand anders in (of rond) de kerk rond genoemd tijdstip.

De rechtbank overweegt dat de verdachte het recht heeft om te zwijgen, maar dat deze situatie wel roept om een verklaring van de verdachte. Dat de verdachte geen verklaring heeft willen afleggen, draagt naar het oordeel van de rechtbank dan ook bij aan de overtuiging van de rechtbank dat het de verdachte is geweest die de sleutels uit de kerk heeft gestolen.

De rechtbank constateert daarbij dat ook ten aanzien van dit feit een zelfde modus operandi is gebruikt als bij eerder door de verdachte gepleegde feiten (feiten 8 t/m 11). Zo heeft de verdachte door insluiping een openbare ruimte betreden waar kledingstukken (jassen) hingen, heeft hij de jassen leeg gehaald, terwijl duidelijk was dat de eigena(a)r(en) opdat moment bezig waren met iets anders (in casu: (koor)zingen) en hij dus wist dat hij niet betrapt zou worden. Opvallend is daarbij ook dat het signalement dat is gegeven door aangeefster [naam slachtoffer 7] , overeenkomt met het signalement dat van de dader is gegeven in de eerdere zaken van de verdachte (feiten 8 t/m 11).

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank het onder 1 ten laste gelegde dan ook wettig en overtuigend bewezen.

Feit 3 - Welzijn

Aan de orde is de vraag of de verdachte op 22 november 2017 een telefoon van aangever [naam slachtoffer 1] heeft gestolen uit een kamer op de 2e verdieping van het [naam school] in Maassluis.

De rechtbank overweegt dat uit de aangifte van [naam slachtoffer 1] blijkt dat hij op die dag omstreeks 11.30 uur zijn telefoon op tafel had gelegd en dat hij vervolgens even wegliep. Hij is naar zijn zeggen 30 seconden uit de kamer geweest. Vijf minuten later, omstreeks 11.35 uur ontdekte hij dat zijn telefoon weg was. Aangever had op de gang een jongen zien lopen met een fors postuur, tussen de 18 en 20 jaar oud en Noord Afrikaans uiterlijk, kort haar. Hij had geen andere personen in de gang gezien.

Locatiemanager [naam locatiemanager] en voormalig lerares van de verdachte heeft op camerabeelden, afkomstig van camera’s die in de school hingen, rond het tijdstip van de diefstal een jongeman zien lopen die alleen door de school liep. Zij herkende de jongen als zijnde de verdachte.

Verder is er een getuige ( [naam getuige 2] ) die heeft verklaard dat de verdachte later op die dag (’s avonds) tegen hem heeft gezegd dat hij de simkaart kapot had gemaakt en dat de telefoon weg was.

De rechtbank heeft geen reden te twijfelen aan de herkenning van de verdachte op de camerabeelden door locatiemanager [naam locatiemanager] .

De rechtbank constateert voorts dat het signalement dat aangever [naam slachtoffer 1] heeft gegeven van de jongen die hij op de gang bij zijn kamer zag - zo begrijpt de rechtbank rond het tijdstip van de diefstal -, past bij het uiterlijk van de verdachte.

Dit betekent dat naar het oordeel van de rechtbank voldoende is komen vast te staan dat de verdachte rond het tijdstip van de diefstal door de school en op de 2e verdieping liep, terwijl niet duidelijk is geworden waarom hij daar was.

De verdachte heeft zich consequent op zijn zwijgrecht beroepen en heeft geen verklaring gegeven voor zijn aanwezigheid toen en daar.

De rechtbank overweegt in dat kader dat de verdachte het recht heeft om te zwijgen, maar dat deze situatie wel roept om een verklaring van de verdachte. Dat de verdachte geen verklaring heeft willen afleggen, draagt naar het oordeel van de rechtbank dan ook bij aan de overtuiging van de rechtbank dat het de verdachte is geweest die de telefoon heeft weggenomen uit de kamer van aangever. Tot dit oordeel ziet de rechtbank zich gesterkt nu een getuige heeft verklaard dat de verdachte op de dag van de diefstal ‘s avonds tegen hem zei dat hij de simkaart kapot had gemaakt en dat de telefoon weg was.

De rechtbank acht op grond van genoemde bewijsmiddelen dan ook voldoende komen vast te staan dat het de verdachte is geweest die de diefstal heeft gepleegd en acht het onder 3 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.

Feit 4 en 5 - [adres delict 1]

Uit de aangifte van [naam slachtoffer 2] volgt dat op 4 december 2017 uit de woning van aangeefster aan de [adres delict 1] in Maassluis goederen zijn gestolen, waaronder een tas met daarin een portemonnee, waardepapieren, geld, een bankpas, een zonnebril en toiletartikelen. Terwijl aangeefster aangifte deed van deze inbraak werden op 6 december 2017 wederom goederen uit haar woning weggenomen.

Aan de orde is de vraag of wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte deze woninginbraken heeft gepleegd en of hij op 4 december 2017 met een pinpas van aangeefster (contactloos) heeft gepind bij de Inter Maassluis.

De rechtbank overweegt als volgt.

Uit de aangifte van [naam slachtoffer 2] blijkt dat de woninginbraak om 11.00 uur is gepleegd en dat 33 minuten later, om 11.33 uur bij de Inter Maassluis (een fietsenstalling bij station Maassluis Centrum) met de bankpas van aangeefster een bedrag van € 25,- contactloos is gepind.

Aangeefster is vervolgens naar de Inter Maassluis gegaan. De eigenaar herinnerde zich de man en gaf de volgende omschrijving: breed postuur, blanke huidskleur, donkerblauwe jas, ongeveer 175 m lang, droeg een hoodie.

Op 16 december 2017 werd [naam medewerker] , als medewerker van Inter Maassluis, ondervraagd door de politie. Hij verklaarde dat hij op de bewuste dag1 aan het werk was, dat hij zich kon herinneren dat er een manspersoon de winkel in kwam en dat die man 3 pakjes Marlboro en 1 flesje energiedrank kocht. Verder verklaarde hij dat de aangeefster een paar dagen nadat bij haar was ingebroken in de winkel was geweest met een foto van de vermoedelijke dader. De aangeefster vertelde hem dat de man op de foto de inbraak bij haar had gepleegd. De man op de foto van aangeefster was volgens [naam medewerker] dezelfde man als de man die op 4 december 2017 de 3 pakjes sigaretten en 1 flesje energiedrank had gepind. Hierop toonde de politie hem de foto die door aangeefster ter beschikking was gesteld. [naam medewerker] zei daarop: “Ja, die jongen heeft toen bij mij gepind”.

Op 19 december 2017 hebben verbalisanten [naam verbalisant 1] en [naam verbalisant 2] op de betreffende foto de verdachte herkend. Zij herkenden hem aan zijn gezette postuur, rode wangen, haardracht, gezicht en zwartkleurige jas van het merk North Face.

De rechtbank constateert dat de uiterlijke kenmerken waar de verbalisanten de verdachte aan hebben herkend overeenkomen met het signalement dat de eigenaar van Inter Maassluis van de man gaf die op 4 december 2017 in zijn winkel was geweest.

Daarbij komt dat [naam medewerker] op de betreffende foto de verdachte heeft herkend als de man die op 4 december 2017 3 pakjes sigaretten en 1 flesje energiedrank bij hem kocht. De rechtbank merkt op dat aangeefster bij de foto weliswaar heeft gezegd dat dit de man was die bij haar had ingebroken, maar deze opmerking doet naar het oordeel van de rechtbank niets af aan de herkenning door [naam medewerker] . Zo heeft [naam medewerker] uit eigen wetenschap en zeer gedetailleerd verklaard wat de man bij hem kocht. Hij kon zich de man herinneren. De rechtbank acht deze herkenning dan ook bruikbaar voor het bewijs.

Daarbij komt dat uit het dossier geenszins blijkt van een ander persoon die op de betreffende dag rond dat tijdstip iets bij de Inter Maassluis heeft gekocht ter waarde van € 25,-.

Een en ander leidt ertoe dat de rechtbank geen twijfel heeft dat het de verdachte is geweest die op 4 december 2017 om 11.33 uur bij Inter Maassluis 25 euro contactloos heeft gepind met de bankpas van aangeefster. Nu de verdachte slechts 33 minuten na de woninginbraak met de bankpas van aangeefster heeft gepind, en de verdachte geen verklaring heeft gegeven, hoe het kan dat hij zo kort na de inbraak in het bezit was van de bankpas van aangeefster, is de rechtbank van oordeel dat het niet anders kan dan dat de verdachte die bankpas zelf uit de woning van aangeefster heeft weggenomen.

De rechtbank overweegt in dat kader dat de verdachte het recht heeft om te zwijgen, maar dat deze situatie wel roept om een verklaring van de verdachte. Dat de verdachte geen verklaring heeft willen afleggen, draagt naar het oordeel van de rechtbank dan ook bij aan de overtuiging van de rechtbank dat het de verdachte is geweest die de inbraak heeft gepleegd. Daarbij valt op de omstandigheid dat ook dit feit door insluiping is gepleegd (in casu in een woning), hetgeen past bij de modus operandi van de eerder door de verdachte gepleegde feiten (feiten 8 t/m 11).

De rechtbank acht het onder feit 4 primair en 5 ten laste gelegde derhalve wettig en overtuigend bewezen.

Partiële vrijspraak

Ten aanzien van de diefstal uit de woning op 6 december 2017 is de rechtbank van oordeel dat zich in het dossier onvoldoende wettig en overtuigend bewijs bevindt om tot het oordeel te komen dat de verdachte deze inbraak heeft gepleegd. De rechtbank zal de verdachte van dit deel van de tenlastelegging partieel vrijspreken.

Overweging ten overvloede

De rechtbank merkt op dat zich in het dossier voldoende wettig en overtuigend bewijs bevindt dat de verdachte in de periode van 4 december 2017 tot en met 13 december 2017 in Maassluis een van diefstal afkomstige X-box (van aangeefster) voorhanden heeft gehad. Nu dit feit echter als subsidiair feit (en niet cumulatief/alternatief) is ten laste gelegd en de rechtbank het primaire feit reeds bewezen acht, komt zij aan de beoordeling van de subsidiair ten laste gelegde heling niet toe.

Feit 6 – [adres delict 2]

Aan de orde is de vraag of wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte op 7 december 2017 heeft ingebroken in de woning van [naam slachtoffer 3] aan de [adres delict 2] in Maassluis en daar goederen heeft weggenomen.

De rechtbank overweegt dat uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting de volgende feiten en omstandigheden kunnen worden afgeleid.

Op 7 december 2017 is in de woning van [naam slachtoffer 3] een keukenraam ingeslagen en zijn uit de woning goederen weggenomen, waaronder een speelgoedauto, een i-Pad, oplaadsnoeren, een laptop van het merk HP, een oplader, geld en een (nep) Rolex horloge.

Enkele dagen later, te weten op 13 december 2017, is door iemand die zich met de ID-kaart van de verdachte heeft gelegitimeerd, bij de Cash Converters in Rotterdam een laptop van het merk HP ingeleverd tegen ontvangst van een bedrag van € 40,-.

De aangever heeft deze bij Cash Converters ingeleverde laptop herkend als de van hem gestolen laptop.

De verdachte werd op 8 januari 2018 aangehouden door de politie. Bij zijn aanhouding was hij in het bezit van zijn ID-kaart.

Eén dag na de aanhouding van de verdachte werd onder hem een telefoon in beslag genomen. Uit onderzoek naar (de SD kaart van) deze telefoon bleek dat er een foto van een Rolex-horloge op de telefoon stond. Deze foto is volgens systeemdata gemaakt op 7 december 2017 omstreeks 18:36 uur, de dag van de inbraak in de woning van aangever.

De in de telefoon van de verdachte aangetroffen foto van het Rolex horloge is aan aangever [naam slachtoffer 3] getoond. Hierop heeft de aangever zijn (nep) Rolex horloge herkend.

Nu uit het dossier geenszins blijkt dat de ID-kaart van de verdachte op enig moment rond 13 december 2017 is gestolen of door iemand anders is gebruikt, is de rechtbank van oordeel dat het de verdachte is geweest die enkele dagen na de inbraak in de woning van aangever de daarbij gestolen laptop heeft ingeleverd bij de Cash Converters.

Ook staat naar het oordeel van de rechtbank op grond van het bovenstaande vast dat de verdachte sinds de dag van de inbraak een foto op zijn telefoon had staan van het van aangever gestolen (nep) Rolex horloge.

De verdachte heeft geen verklaring willen afleggen. De rechtbank dient derhalve zelf in te vullen hoe het kan dat de verdachte in ieder geval twee van de van aangever gestolen goederen op de dag van de inbraak en/of kort daarna kennelijk onder zich heeft gehad. Gelet op het korte tijdsbestek tussen de inbraak en het onder zich hebben van bij de inbraak gestolen goederen, kan het naar het oordeel van de rechtbank niet anders dan dat de verdachte in de woning van aangever heeft ingebroken en daar de goederen heeft weggenomen.

De rechtbank overweegt in dat kader dat de verdachte het recht heeft om te zwijgen, maar dat deze situatie wel roept om een verklaring van de verdachte. Dat de verdachte geen verklaring heeft willen afleggen, draagt naar het oordeel van de rechtbank dan ook bij aan de overtuiging van de rechtbank dat het de verdachte is geweest die de inbraak heeft gepleegd.

De rechtbank acht het onder 6 primair ten laste gelegde derhalve wettig en overtuigend bewezen.

Feit 7 – pnr 233231-17

Vrijspraak diefstal

De rechtbank overweegt dat uit de aangifte van [naam slachtoffer 4] blijkt dat op 16 november 2017 een bromfiets met kenteken [kentekennummer 1] is gestolen, doordat de dader middels insluiping in de kleedkamer van een dansschool de sleutels van de bromfiets en vervolgens de bromfiets zelf heeft weggenomen.

Uit het dossier blijkt verder dat op 19 november 2017, drie dagen na de diefstal, getuige [naam getuige 3] een jongen op een bromfiets zag rijden, die vreemd gedrag vertoonde. Zo keek de jongen, toen er een politiehelikopter overvloog omhoog, ging hij dicht tegen de muur aan staan, zette hij de bromfiets op slot en liep weg. Getuige [naam getuige 3] vertrouwde het niet, maakte een foto van de jongen, en schakelde de politie in.

Bij het aantreffen van de weggezette bromfiets constateerde de politie dat het om de gestolen bromfiets van aangeefster [naam slachtoffer 4] ging.

Tevens bleek uit verder onderzoek dat de jongen op de foto door een oude buurman (getuige [naam slachtoffer 1] ) als zijnde de verdachte werd herkend. De verdachte heeft geen verklaring over het feit willen afleggen.

De rechtbank heeft geen reden te twijfelen aan de herkenning door getuige [naam slachtoffer 1] . Dit betekent dat de verdachte drie dagen na de diefstal op de van aangeefster gestolen bromfiets rondreed en raar gedrag vertoonde toen er een politiehelikopter overvloog, zonder dat hij daarvoor een verklaring heeft gegeven.

De rechtbank ziet hierin sterke aanwijzingen dat het de verdachte is geweest die de bromfiets heeft gestolen. Daarbij valt op dat ook bij dit feit een zelfde modus operandi is gebruikt als bij de eerder door de verdachte gepleegde feiten (feiten 8 tot en met 11): de verdachte sluipt in kleedkamers, waar een jas of een tas hangt, haalt deze jas en/of tas leeg, terwijl duidelijk is dat de eigenaar opdat moment bezig is met iets anders (in casu: dansen) en hij dus wist dat hij niet betrapt zou worden.

Echter, naar het oordeel van de rechtbank ontbreken in het dossier voldoende wettige bewijsmiddelen om tot een veroordeling van de verdachte voor de diefstal van de bromfiets te komen, vooral doordat niemand de insluiper(s) heeft gezien. Dit betekent dat de rechtbank de verdachte van het onder 7 primair ten laste gelegde zal dienen vrij te spreken.

Bewezenverklaring heling

Wel acht de rechtbank op basis van genoemde bewijsmiddelen voldoende komen vast te staan dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan heling van de bromfiets.

De rechtbank overweegt in dat kader dat de verdachte het recht heeft om te zwijgen, maar dat deze situatie wel roept om een verklaring van de verdachte. Dat de verdachte geen verklaring heeft willen afleggen over waarom hij op de gestolen bromfiets rondreed en zich vreemd gedroeg toen er een politiehelikopter overvloog, draagt naar het oordeel van de rechtbank dan ook bij aan de overtuiging van de rechtbank dat de verdachte wist, althans redelijkerwijs kon vermoeden, dat de bromfiets waar hij op reed van diefstal (of ander misdrijf) afkomstig was.

Het voorgaande betekent dat de rechtbank het onder 7 subsidiair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen zal verklaren.

4.4

Conclusie
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1, 3, 4 primair, 5, 6 primair en 7 subsidiair ten laste gelegde feiten heeft begaan.
De rechtbank zal de verdachte van het onder 7 primair ten laste gelegde vrijspreken.

4.5

Bewezenverklaring


In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 3, 4 primair, 5, 6 primair, 7 subsidiair, 8 t/m 11 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

1.

(ZAAK KERK)

hij op 7 januari 2018 te Maassluis met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen autosleutels en sleutelbossen, toebehorende aan [naam slachtoffer 7] en [naam slachtoffer 6] en [naam slachtoffer 5] ;

3.

(ZAAK WELZIJN)

hij op 22 november 2017 te Maassluis met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een telefoon toebehorende aan [naam slachtoffer 1] ;

4.

(ZAAK [adres delict 1] )

hij op 4 december 2017 te Maassluis, uit een woning gelegen aan de [adres delict 1] met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een tas (met daarin onder meer een portemonnee en diverse (waarde)papieren en geld (150 euro of daaromtrent) en een bankpas en een zonnebril en toiletartikelen) toebehorende aan [naam slachtoffer 2] ;

5.

hij op 4 december 2017 te Maassluis met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een geldbedrag (25 euro), toebehorende aan [naam slachtoffer 2] , waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en dat weg te nemen geldbedrag onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, te weten door met behulp van een pinpas toebehorende

aan die [naam slachtoffer 2] , zijnde een sleutel tot het gebruik waarvan hij, verdachte, niet gerechtigd was, (contactloos) te pinnen;

6.

(ZAAK [adres delict 2] )

hij op 7 december 2017 te Maassluis uit een woning gelegen aan de [adres delict 2] , met het oogmerk van wederrechtelijke toeeigening heeft weggenomen een speelgoedauto en een i-Pad en oplaadsnoeren en een laptop en een oplader en geld (250 euro of daaromtrent) en een horloge toebehorende aan [naam slachtoffer 3] , waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en die weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak;

7.

(pnr 233231-17)

hij op 19 november 2017 te Maassluis een bromfiets (kenteken [kentekennummer 1] ), heeft voorhanden gehad, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van dat goed redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het een door misdrijf, namelijk door diefstal, althans door enig (ander) misdrijf, verkregen goed betrof;

8.

(ZAAK [naam school] )

hij op 7 november 2017 te Maasland, gemeente Midden-Delfland, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen

- een telefoon (merk/type Samsung SG), toebehorende aan [naam slachtoffer 8] , en

- een telefoon (merk/type Samsung Galaxy S7) en een bankpas, toebehorende aan [naam slachtoffer 9] , en

- een telefoon (merk/type Samsung Galaxy S5 Neo) en een bankpas, toebehorende aan [naam slachtoffer 10] , en

- een telefoon (merk/type Samsung Galaxy S7 Edge), toebehorende aan [naam slachtoffer 11] ;

9.

(ZAAK EXCELSIOR MAASSLUIS)

hij 23 augustus 2017 te Maassluis, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen

- een telefoon (merk/type Samsung S4 Mini), toebehorende aan [naam slachtoffer 12] , en

- een geldbedrag (2 euro of daaromtrent), toebehorende aan [naam slachtoffer 13] , en

- een geldbedrag (10 euro of daaromtrent), toebehorende aan [naam slachtoffer 14] , en

- een geldbedrag (10 euro of daaromtrent), toebehorende aan [naam slachtoffer 15] , ;

10.

(ZAAK EXCELSIOR MAASSLUIS)

hij op 25 augustus 2017 te Maassluis met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen

- een geldbedrag (21 euro of daaromtrent), toebehorende aan [naam slachtoffer 16] , en

- een geldbedrag (15 euro of daaromtrent), toebehorende aan [naam slachtoffer 17] , en

- een geldbedrag (10 euro of daaromtrent), toebehorende aan [naam slachtoffer 18] , en

- een geldbedrag (3 euro of daaromtrent), toebehorende aan [naam slachtoffer 19] , ;

11.

(ZAAK VDL)

hij op 26 augustus 2017 te Maassluis met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen

- een geldbedrag (10 euro of daaromtrent), toebehorende aan [naam slachtoffer 20] , en

- een telefoon (merk/type Samsung Galaxy J3), toebehorende aan [naam slachtoffer 21] , ;

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet (ook) daarvan worden vrijgesproken.

5 Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:

Feit 1: diefstal;

Feit 3: diefstal;

Feit 4 primair: diefstal;

Feit 5: diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels;

Feit 6 primair: diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak;

Feit 7 subsidiair: schuldheling;

Feit 8: diefstal, meermalen gepleegd;

Feit 9: diefstal, meermalen gepleegd;

Feit 10: diefstal, meermalen gepleegd;

Feit 11: diefstal, meermalen gepleegd.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. De feiten zijn dus strafbaar.

6 Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

7 Motivering straf

7.1.

Algemene overweging

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

7.2.

Feiten waarop de straf is gebaseerd

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een reeks diefstallen, waaronder twee woninginbraken en aan heling van een brommer, gepleegd in een periode verspreid over vier maanden. De diefstallen pleegde hij door bij kleedkamers van sportverenigingen en van/in een school, in huizen en in een kerk, naar binnen te sluipen dan wel in te breken, om daar vervolgens de goederen weg te nemen.

Door aldus te handelen heeft hij enkel gedacht aan zijn eigen (financiële) gewin en

niet aan de gevolgen die dergelijke feiten hebben voor de slachtoffers daarvan. Door de diefstallen is materiële schade aan de slachtoffers toegebracht en overlast veroorzaakt.

Daarnaast wordt door diefstal van persoonlijke eigendommen, vooral uit woningen, ernstig inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de benadeelden. Dergelijke feiten dragen bij aan maatschappelijke onrust en brengen bovendien bij veel mensen gevoelens van onveiligheid teweeg.

De rechtbank rekent de verdachte dit alles zwaar aan, en acht het in het bijzonder kwalijk dat de verdachte gedurende een langere periode heeft volhard in deze handelwijze.

Over de reden waarom de verdachte de feiten heeft gepleegd tast de rechtbank in het duister. De verdachte heeft bij de politie en ter terechtzitting geen verklaring willen geven waarom hij de feiten heeft gepleegd. Het is de rechtbank niet duidelijk geworden of de verdachte spijt heeft van zijn daden. Dit maakt het voor de rechtbank lastig in te schatten of de verdachte zich in de toekomst weer schuldig zal maken aan het plegen van soortgelijke strafbare feiten.

7.3.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

De verdachte was ten tijde van de gepleegde feiten 17 respectievelijk 18 jaar.

7.3.1.

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 21 maart 2018, waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor het plegen van een vermogensfeit.

7.3.2.

Rapportages en ter terechtzitting gedane mededelingen

De Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) heeft diverse rapporten over de verdachte opgemaakt, waaronder het rapport gedateerd 11 april 2018.

Uit dit rapport blijkt onder meer dat de verdachte bij zijn vader in Maassluis woont. De ouders van de verdachte zijn gescheiden toen de verdachte 8 jaar was. De verdachte heeft twee oudere zussen.

In 2014 is bij de verdachte ADHD vastgesteld. De verdachte heeft hiervoor medicatie geslikt, maar doet dit thans niet meer (vanwege de bijwerkingen). Volgens de Raad is de verdachte gebaat bij structuur en duidelijkheid en behandeling en/of medicatie voor zijn ADHD, omdat de indruk bestaat dat de ADHD problematiek samenhangt met zijn criminele gedrag.

De verdachte heeft zijn VMBO diploma gehaald, maar volgt thans geen vervolgopleiding. De Raad maakt zich zorgen over het ontbreken van een gestructureerde dagbesteding/vervolgopleiding en het feit dat de verdachte veel op straat hangt, zijn omgang met anti-sociale jongeren en de omstandigheid dat de vader van de verdachte niet altijd zicht heeft op waar de verdachte mee bezig is buitenshuis. De verdachte blowde veelvuldig en rookte ook. Ook bestaan er bij de Raad zorgen over de copingvaardigheden van de verdachte op emotioneel gebied. De verdachte lijkt zichzelf te hebben aangeleerd zijn emoties als verdriet en boosheid voor zichzelf te houden en dit op te lossen door te stelen om zich beter te voelen. De verdachte vindt zelf niet dat hulp nodig is. Zijn ouders staan wel open voor hulpverlening.

Gelet op een en ander schat de Raad het risico op recidive in als midden. De Raad adviseert aan de verdachte op te leggen een onvoorwaardelijke taakstraf en een deels voorwaardelijke jeugddetentie (waarbij het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan het voorarrest), onder de bijzondere voorwaarden dat de verdachte zich houdt aan een meldplicht bij de jeugdreclassering, een positieve dagbesteding heeft, geen drugs gebruikt en meewerkt aan hulpverlening door het forensisch jeugdteam FACT of een andere behandeling, wanneer de jeugdreclassering dit nodig acht. De Raad is van mening dat - hoewel de verdachte meerderjarig is - begeleiding door de jeugdreclassering (in plaats van door Reclassering Nederland) passend is, gelet op de bij de verdachte aanwezige problematiek en de omstandigheid dat hij scherpe controle nodig heeft en snel overschat wordt.

Uit hetgeen door de verdachte en zijn ouders ter terechtzitting is medegedeeld blijkt dat de verdachte na de schorsing van zijn voorlopige hechtenis fulltime aan het werk is gegaan. Hij werkt op dit moment bij Flora Holland. De verdachte wil graag in augustus van dit jaar starten met een vervolgopleiding.

Door of namens de jeugdreclassering is ter terechtzitting aangegeven dat de verdachte zich goed heeft gehouden aan de aan hem opgelegde voorwaarden in het kader van de schorsing van zijn voorlopige hechtenis.

De verdachte is onderzocht door GZ-psycholoog A.J. van der Linde.

Uit het rapport van de psycholoog d.d. 26 maart 2018 blijkt dat bij de verdachte sprake is van een ziekelijke stoornis in de vorm van ADHD, die samenhangt met gedragsproblematiek bestaande uit impulsief en taakvermijdend gedrag, met een neiging plezier te zoeken en inspanning uit de weg te gaan, en ook problemen en negatieve gevoelens te vermijden.

Over de manier waarop en de mate waarin de stoornis invloed had op het plegen van de ten laste gelegde feiten (indien bewezen geacht) kan de psycholoog weinig zeggen, omdat de verdachte tijdens het onderzoek niet heeft willen praten over de feiten.

Volgens de psycholoog kan wel de conclusie getrokken worden dat verschillende gedragskenmerken die samenhangen met ADHD invloed hebben (gehad) op het totale functioneren van de verdachte. Daarbij gaat het bijvoorbeeld om de directe invloed van impulsiviteit, een kenmerk dat hoort bij ADHD. Doordat de verdachte impulsief handelt, kan hij sneller ondoordacht en mogelijk delinquent gedrag vertonen. Daarnaast werkt de ADHD ook op een indirecte manier door in het handelen van de verdachte. Zo is hij innerlijk onrustig en heeft hij moeite stil te staan bij negatieve gevoelens, onzekerheden of spanningen. Hij heeft de neiging om problemen te bagatelliseren en te ontkennen, vraagt hierdoor ook weinig hulp met als gevolg dat hij vastliep op school, en weinig gestructureerd bezig was met het werken aan een toekomstperspectief. Ook dat kan invloed hebben gehad op het plegen van het ten laste gelegde.

Gelet op een en ander adviseert de psycholoog het ten laste gelegde (indien bewezen geacht) in verminderde mate toe te rekenen aan de verdachte.

Geadviseerd wordt verder aan de verdachte een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen, met als bijzondere voorwaarden dat hij zich houdt aan de aanwijzingen van de jeugdreclassering, ook als dat inhoudt dat de verdachte zich ambulant laat begeleiden en behandelen door een (forensisch) jeugd FACT-team of door een andere behandelinstelling.

Daarbij heeft de psycholoog overwogen dat hoewel de verdachte door zijn postuur en zijn houding 'volwassen' over kan komen, er nog veel verwacht kan worden van een pedagogische aanpak gericht op het versterken van vaardigheden en het bieden van steun en begeleiding aan de ouders (en zussen) van de verdachte.

7.4.

Conclusies van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

Toepassing van het jeugdstrafrecht

Krachtens artikel 77c van het Wetboek van Strafrecht, kan de rechtbank - ten aanzien van een verdachte die ten tijde van het begaan van een strafbaar feit de leeftijd van 18 jaren doch niet die van 23 jaren heeft bereikt - recht doen overeenkomstig de artikelen 77g tot en met 77gg, indien de rechtbank daartoe grond vindt in de persoonlijkheid van de dader of in de omstandigheden waaronder het feit is begaan.

De rechtbank stelt vast dat de verdachte het onder 1 bewezenverklaarde feit heeft gepleegd toen hij de leeftijd van 18 jaren had bereikt. In beginsel geldt voor dit feit het meerderjarigenstrafrecht. Gelet op genoemde rapportage van de Raad, het advies van de psycholoog en de geschetste persoonlijkheid van de verdachte, zal de rechtbank ten aanzien van dit feit op grond van artikel 77c van het Wetboek van Strafrecht echter het jeugdstrafrecht toepassen. Daartoe komt de rechtbank nu de verdachte ten tijde van dit feit nog geen maand 18 jaar was, en de verdachte dit feit heeft gepleegd in het verlengde van de feiten die hij pleegde toen hij minderjarig was. Ook houdt de rechtbank rekening met de omstandigheid dat een pedagogische aanpak van de (problemen van de) verdachte de voorkeur verdient, hetgeen bij uitstek past bij een veroordeling volgens het jeugdstrafrecht.

Toerekeningsvatbaarheid

Nu de conclusies van de psycholoog gedragen worden door zijn bevindingen en door hetgeen ook overigens op de terechtzitting is gebleken, neemt de rechtbank die conclusies over en maakt die tot de hare. Dit betekent dat de verdachte ten aanzien van de bewezenverklaarde feiten in verminderde mate toerekeningsvatbaar wordt geacht.

Straf

Gezien de ernst en de hoeveelheid van de feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een deels onvoorwaardelijke jeugddetentie. Bij de bepaling van de duur van de jeugddetentie heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd en gekeken naar de geldende oriëntatiepunten voor straftoemeting. Daarbij overweegt de rechtbank in het bijzonder dat de rechtbank, nu zij meer feiten bewezen acht dan door de officier van justitie is gevorderd, een hogere jeugddetentie zal opleggen dan door de officier van justitie is geëist.

De rechtbank is van oordeel dat begeleiding van de verdachte en oplegging van bijzondere voorwaarden noodzakelijk is. Dit maakt dat de rechtbank een deel van de voorgenomen jeugddetentie voorwaardelijk zal opleggen, onder de voorwaarden zoals door Raad en de psycholoog is geadviseerd, en door de officier van justitie geëist.

De rechtbank acht een forse voorwaardelijke straf op zijn plaats, nu de verdachte - zoals hiervoor onder 7.1 overwogen - geen enkel inzicht heeft gegeven in de redenen waarom hij de feiten heeft gepleegd. Deze voorwaardelijk straf dient als stok achter de deur en dient er tevens toe de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen.

De rechtbank zal daarnaast aan de verdachte een onvoorwaardelijke taakstraf bestaande uit een werkstraf opleggen.

Algemene afsluiting

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf passend en geboden.

8 Vorderingen benadeelde partijen / schadevergoedingsmaatregel

Feit 2

Ten aanzien van feit 2 heeft zich [naam benadeelde 1] als benadeelde partij gevoegd met een vordering tot schadevergoeding van € 300,-, bestaande uit een vergoeding van materiële schade (eigen risico autoverzekering vanwege uitkering schade vervanging sloten en lakschade), te vermeerderen met de wettelijke rente en kosten.

Feit 8

Ten aanzien van feit 8 hebben zich de volgende personen als benadeelde partij gevoegd:

  • -

    [naam benadeelde 2] , met een vordering tot schadevergoeding van € 224, bestaande uit een vergoeding van materiële schade (Samsung J7 2016), te vermeerderen met de wettelijke rente en kosten;

  • -

    [naam benadeelde 3] , met een vordering tot schadevergoeding van € 534,76, bestaande uit een vergoeding van materiële schade (Samsung Galaxy S7 Edge Bold), te vermeerderen met de wettelijke rente en kosten.

Feit 9

Ten aanzien van feit 9 heeft [naam benadeelde 4] zich als benadeelde partij gevoegd, met een vordering tot schadevergoeding van € 244,85, bestaande uit een vergoeding van materiële schade (€ 208,- Samsung Galaxy S4, € 5,- simcard kruitvatmobiel, € 16,90 micro sd card 16gb, € 14,95 Samsung S-view cover, kleuroranje), te vermeerderen met de wettelijke rente en kosten.

Feit 10

Ten aanzien van feit 10 heeft zich [naam benadeelde 5] als benadeelde partij gevoegd met een vordering tot schadevergoeding van € 20,- bestaande uit een vergoeding van € 10,- materiële schade en € 10,- immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en kosten.

8.1.

Standpunt officier van justitie

Feit 2

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij [naam benadeelde 1] in de vordering niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, nu de verdachte van het onder 2 ten laste gelegde feit, waarop de vordering betrekking heeft, dient te worden vrijgesproken.

Feit 8

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat:

  • -

    de benadeelde partij [naam benadeelde 2] niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, nu de vordering niet is onderbouwd;

  • -

    de vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde 3] ad € 534,76 kan worden toegewezen nu deze voldoende is onderbouwd, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Feit 9

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat van de vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde 4] een bedrag van € 36,85 dient te worden toegewezen en dat deze voor het overige dient te worden afgewezen, nu uit het dossier is gebleken dat de telefoon van [naam benadeelde 4] (met hoesje) is of zal worden teruggegeven aan hem. Hij heeft daarbij gevorderd dat de maatregel van schadevergoeding wordt opgelegd.

Feit 10

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat van de vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde 5] een bedrag van € 10,- aan materiële kosten kan worden toegewezen en dat de vordering voor het overige dient te worden afgewezen. Hij heeft daarbij gevorderd dat de maatregel van schadevergoeding wordt opgelegd.

8.2.

Standpunt verdediging

Feit 2

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij [naam benadeelde 1] in de vordering niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, nu zij vrijspraak heeft bepleit van het onder 2 ten laste gelegde feit, waarop de vordering betrekking heeft.

Feit 8

De raadsvrouw heeft:

  • -

    zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde 2] dient te worden afgewezen, nu de vordering niet is onderbouwd;

  • -

    zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank voor wat betreft de vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde 3] .

Feit 9

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat van de vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde 4] een bedrag van € 19,50 dient te worden afgewezen, nu dit deel van de vordering niet is onderbouwd, en de benadeelde partij voor het overige in de vordering niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, nu uit het dossier is gebleken dat de telefoon van [naam benadeelde 4] (met hoesje) is of zal worden teruggegeven aan hem.

Feit 10

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat van de vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde 5] een bedrag van € 10,- aan materiële kosten kan worden toegewezen en dat de vordering voor het overige dient te worden afgewezen. Zij heeft zich daarbij gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

8.3.

Beoordeling

Feit 2

De rechtbank is met de officier van justitie en de raadsvrouw van oordeel dat de benadeelde partij [naam benadeelde 1] in de vordering niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, nu de verdachte van het onder 2 ten laste gelegde feit, waarop de vordering betrekking heeft, zal worden vrijgesproken.

Feit 8

De rechtbank:

  • -

    zal de benadeelde partij [naam benadeelde 2] in de vordering niet-ontvankelijk verklaren, nu de vordering op geen enkele wijze is onderbouwd;

  • -

    zal de vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde 3] ad € 534,76 (materiële schade) toewijzen, nu is komen vast te staan dat de benadeelde partij door het onder 8 bewezenverklaarde feit rechtstreeks materiële schade heeft geleden en de vordering voldoende is onderbouwd en door de verdediging ook overigens niet is betwist. De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank zal bepalen dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf de datum van het ontstaan van de schade, te weten 7 november 2017.

Feit 9

De rechtbank zal van de vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde 4] een bedrag van

€ 24,90 aan materiële schade (simcard ad € 5,- en microcard ad
€ 16,90) toewijzen, nu is komen vast te staan dat de benadeelde partij door het onder 8 bewezenverklaarde feit rechtstreeks materiële schade heeft geleden en de vordering, voor wat betreft de gevorderde simcard en microcard, voldoende is onderbouwd. De vordering zal voor het overige worden afgewezen, nu uit het dossier is gebleken dat de telefoon van [naam benadeelde 4] (met hoesje) is of zal worden teruggegeven aan hem. De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank zal bepalen dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf de datum van het ontstaan van de schade, te weten 23 augustus 2017.

Feit 10

De rechtbank is van oordeel dat de vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde 5] kan worden toegewezen tot een bedrag van € 10,- (materiële schade), nu is komen vast te staan dat de benadeelde partij door het onder 10 bewezenverklaarde feit rechtstreeks materiële schade heeft geleden en dat de vordering voldoende is onderbouwd en ook overigens door de verdediging niet is betwist. De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf de datum van het ontstaan van de schade, te weten 25 augustus 2017.

Kostenveroordeling

Nu de vorderingen van de benadeelde partijen [naam benadeelde 3] , [naam benadeelde 4] en [naam benadeelde 5] (in overwegende mate) zullen worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door die benadeelde partijen gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Nu de benadeelde partijen [naam benadeelde 1] en [naam benadeelde 2] in hun respectieve vorderingen niet-ontvankelijk zullen worden verklaard, zullen zij worden veroordeeld in de kosten door de verdachte ter verdediging van de vorderingen gemaakt, welke kosten tot op heden worden begroot op nihil.

Schadevergoedingsmaatregel

Ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen die (deels) zijn toegewezen, acht de rechtbank oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden.

8.4.

Conclusie

De benadeelde partijen [naam benadeelde 1] en [naam benadeelde 2] zullen in hun respectieve vorderingen niet-ontvankelijk worden verklaard.

De verdachte moet de benadeelde partij:

  • -

    [naam benadeelde 3] een schadevergoeding betalen van € 534,76;

  • -

    [naam benadeelde 4] een schadevergoeding betalen van € 24,90;

  • -

    [naam benadeelde 5] een schadevergoeding betalen van € 10,-,

een en ander te vermeerderen met rente en kosten, en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 36f, 77a, 77c, 77g, 77i, 77m, 77n, 77p, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 310, 311 en 417bis van het Wetboek van Strafrecht.

10 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

11 Beslissing

De rechtbank:

verklaart niet bewezen, dat de verdachte het onder 2 en onder 7 primair ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1, 3, 4 primair, 5, 6 primair, 7 subsidiair, 8, 9, 10 en 11 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte (ook) daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van 284 dagen,

bepaalt dat een gedeelte van de jeugddetentie groot 240 dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten wegens niet nakoming van na te melden voorwaarden;

stelt de proeftijd vast op twee jaren onder de algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich voor het einde van die proeftijd niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit zijn medewerking zal verlenen aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 Wet op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden;

- zijn medewerking zal verlenen aan het door de jeugd/reclassering te houden toezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich gedurende een door gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond, te bepalen periode (die loopt tot maximaal het einde van de proeftijd) en op door de jeugd/reclassering te bepalen tijdstippen zal melden bij de reclassering, zo frequent en zo lang deze instelling dat noodzakelijk acht;

- zich gedurende de proeftijd zal onthouden van het gebruik van verdovende middelen en zich verplicht ten behoeve van de naleving van dit verbod mee te werken aan bloedonderzoek of urineonderzoek;

- gedurende de proeftijd een zinvolle dagbesteding zal hebben;

- gedurende de proeftijd mee zal werken aan begeleiding en/of behandeling door

een (forensisch) jeugd FACT-team of door een andere behandelinstelling, op de tijden en plaatsen als door of namens de jeugd/reclassering aan te geven, en indien en zo lang de jeugd/reclassering dit nodig acht;

geeft opdracht aan de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

en legt voorts op:

een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 40 (veertig) uur, waarbij de Raad voor de Kinderbescherming dient te bepalen uit welke werkzaamheden de werkstraf dient te bestaan;

beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 20 dagen;

bepaalt dat de vervangende jeugddetentie ten uitvoer kan worden gelegd als vervangende hechtenis, indien de veroordeelde bij aanvang van de eventuele tenuitvoerlegging van de vervangende jeugddetentie de leeftijd van achttien jaren heeft bereikt;

heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte, dat bij eerdere beslissing is geschorst;

verklaart de benadeelde partij [naam benadeelde 1] niet-ontvankelijk in de vordering;

verklaart de benadeelde partij [naam benadeelde 2] niet-ontvankelijk in de vordering;

veroordeelt de verdachte aan de benadeelde partij [naam benadeelde 3], te betalen een bedrag van € 534,76 (zegge: vijfhonderd en vierendertig euro en zesenzeventig eurocent), bestaande uit materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 7 november 2017, tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt de verdachte aan de benadeelde partij [naam benadeelde 4], te betalen een bedrag van € 24,90 (zegge: vierentwintig euro en negentig eurocent), bestaande uit materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 23 augustus 2027, tot aan de dag der algehele voldoening;

wijst af de vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde 4] voor het overige;

veroordeelt de verdachte aan de benadeelde partij [naam benadeelde 5], te betalen een bedrag van € 10,-(zegge: tien euro), bestaande uit materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 26 augustus 2017, tot aan de dag der algehele voldoening;

verklaart de benadeelde partij [naam benadeelde 5] niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partijen [naam benadeelde 3], [naam benadeelde 4] en [naam benadeelde 5] gemaakt, tot op heden aan de zijde van die benadeelde partijen begroot op nihil, aan salaris voor de advocaat en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

veroordeelt de benadeelde partij [naam benadeelde 1] en [naam benadeelde 2] in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen hun vordering gemaakt, en begroot deze kosten op nihil;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij [naam benadeelde 3] te betalen € 534,76 (zegge: vijfhonderd en vierendertig euro en zesenzeventig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 7 november 2017 tot aan de dag van de algehele voldoening; beveelt dat bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal van het bedrag van
€ 534,76 vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 10 dagen; toepassing van de vervangende jeugddetentie heft de betalingsverplichting niet op;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij [naam benadeelde 4] te betalen € 24,90 (zegge: vierentwintig euro en negentig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 23

augustus 2017 tot aan de dag van de algehele voldoening; beveelt dat bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal van het bedrag van € 24,90 vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 1 dag; toepassing van de vervangende jeugddetentie heft de betalingsverplichting niet op;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij [naam benadeelde 5] te betalen € 10,- (zegge: tien euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 26 augustus 2017 tot aan de dag van de algehele voldoening; beveelt dat bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal van het bedrag van € 10,- vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 1 dag; toepassing van de vervangende jeugddetentie heft de betalingsverplichting niet op.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. D.C. van Reekum, voorzitter, tevens kinderrechter,

en mrs. A.M.I. van der Does en S. Woudman-Bijl, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. K.K. Paap, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 1 mei 2018.

De oudste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

(ZAAK KERK)

hij op of omstreeks 07 januari 2018 te Maassluis met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen één of meerdere autosleutel(s) en/of sleutelbos(sen), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [naam slachtoffer 7] en/of [naam slachtoffer 6] en/of [naam slachtoffer 5] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte;

(artikel 310 van het Wetboek van Strafrecht);

art 310 Wetboek van Strafrecht

2.

hij in of omstreeks de periode van 07 januari 2018 tot en met 8 januari 2018 te Maassluis met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen

- een auto met kenteken [kentekennummer 2] , in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [naam slachtoffer 7] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte,

en/of

- een auto met kenteken [kentekennummer 3] , in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [naam slachtoffer 6] , in elk geval aan een ander dan verdachte;

(artikel 310 van het Wetboek van Strafrecht);

art 310 Wetboek van Strafrecht

3.

(ZAAK WELZIJN)

hij op of omstreeks 22 november 2017 te Maassluis met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een telefoon, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [naam slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte;

(artikel 310 van het Wetboek van Strafrecht);

art 310 Wetboek van Strafrecht

4.

(ZAAK [adres delict 1] )

hij in of omstreeks de periode van 04 december 2017 tot en met 06 december 2017 te Maassluis, in of uit een woning gelegen aan de [adres delict 1] , meermalen, althans eenmaal (telkens) met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een tas (met daarin onder meer een portemonnee en/of diverse (waarde)papieren en/of geld (150 euro of daaromtrent) en/of een bankpas en/of een zonnebril

en/of toiletartikelen) en/of een laptop en/of een Xbox en/of sieraden, in elk geval (telkens) enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [naam slachtoffer 2] , in elk geval (telkens) aan een ander dan aan verdachte;

(artikel 310 van het Wetboek van Strafrecht);

art 310 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij in of omstreeks de periode van 04 december 2017 tot en met 13 december 2017 te Maassluis (een) goed(eren), te weten een Xbox heeft verworven en/of heeft voorhanden gehad en/of heeft overgedragen,

terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dat goed/die goederen wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het (een) door misdrijf, namelijk door diefstal, althans door enig (ander) misdrijf, verkregen goed(eren) betrof;

(artikel 416/417bis van het Wetboek van Strafrecht);

art 416 lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht

5.

hij op of omstreeks 04 december 2017 te Maassluis met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een geldbedrag (25 euro), in elk geval enig geldbedrag, geheel of ten dele toebehorende aan [naam slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en/of dat weg te nemen geldbedrag onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, te weten door met behulp van een pinpas toebehorende

aan die [naam slachtoffer 2] , zijnde een sleutel tot het gebruik waarvan hij, verdachte, niet gerechtigd was, (contactloos) te pinnen;

(artikel 311 van het Wetboek van Strafrecht);

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht

6.

(ZAAK SPARRENDAL)

hij op of omstreeks 07 december 2017 te Maassluis in of uit een woning gelegen aan de [adres delict 2] ,

met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een speelgoedauto en/of een i-pad en/of oplaadsnoeren en/of een laptop en/of een oplader en/of geld (250 euro of daaromtrent) en/of een horloge, in elk geval enig goed en/of geldbedrag, geheel of ten dele toebehorende aan [naam slachtoffer 3] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan hem, verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en/of die/dat weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door

middel van braak/verbreking en/of inklimming;

(artikel 311 van het Wetboek van Strafrecht);

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij in of omstreeks de periode van 07 december 2017 tot en met 13 december 2017 te Maassluis (een) goed(eren), te weten een laptop heeft verworven en/of heeft voorhanden gehad en/of heeft overgedragen,

terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dat goed/die goederen wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het (een) door misdrijf, namelijk door diefstal, althans door enig (ander) misdrijf, verkregen goed(eren) betrof;

(artikel 416/417bis van het Wetboek van Strafrecht);

art 416 lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht

7.

(pnr 233231-17)

hij op of omstreeks 16 november 2017 te Maassluis met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een sleutelbos en/of een bromfiets (kenteken [kentekennummer 1] ) en/of een rijbewijs (op naam

van [naam slachtoffer 4] ) en/of een portemonnee, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [naam slachtoffer 5] en/of [naam slachtoffer 4] , in elk geval aan een ander of anderen dan verdachte;

(artikel 310 Wetboek van Strafrecht);

art 310 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 19 november 2017 te Maassluis een goed, te weten een bromfiets (kenteken [kentekennummer 1] ), heeft verworven en/of heeft voorhanden gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van de

verwerving of het voorhanden krijgen van dat goed wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het een door misdrijf, namelijk door diefstal, althans door enig (ander) misdrijf, verkregen goed betrof;

(artikel 416/417bis Wetboek van Strafrecht);

art 416 lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht

8.

(ZAAK [naam school] )

hij op of omstreeks 07 november 2017 te Maasland, gemeente Midden-Delfland, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen

- een telefoon (merk/type Samsung SG), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [naam slachtoffer 8] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte, en/of

- een telefoon (merk/type Samsung Galaxy S7) en/of een bankpas, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [naam slachtoffer 9] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte, en/of

- een telefoon (merk/type Samsung Galaxy S5 Neo) en/of een bankpas, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [naam slachtoffer 10] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte, en/of

- een telefoon (merk/type Samsung Galaxy S7 Edge), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [naam slachtoffer 11] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte;

(artikel 310 Wetboek van Strafrecht);

art 310 Wetboek van Strafrecht

9.

(ZAAK EXCELSIOR MAASSLUIS)

hij op of omstreeks 23 augustus 2017 te Maassluis, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen

- een telefoon (merk/type Samsung S4 Mini), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [naam slachtoffer 12] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte, en/of

- een geldbedrag (2 euro of daaromtrent), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [naam slachtoffer 13] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte, en/of

- een geldbedrag (10 euro of daaromtrent), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [naam slachtoffer 14] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte, en/of

- een geldbedrag (10 euro of daaromtrent), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [naam slachtoffer 15] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte;

(artikel 310 Wetboek van Strafrecht);

art 310 Wetboek van Strafrecht

10.

(ZAAK EXCELSIOR MAASSLUIS)

hij op of omstreeks 25 augustus 2017 te Maassluis met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen

- een geldbedrag (21 euro of daaromtrent), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [naam slachtoffer 16] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte, en/of

- een geldbedrag (15 euro of daaromtrent), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [naam slachtoffer 17] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte, en/of

- een geldbedrag (10 euro of daaromtrent), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [naam slachtoffer 18] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte, en/of

- een geldbedrag (3 euro of daaromtrent), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [naam slachtoffer 19] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte;

(artikel 310 Wetboek van Strafrecht);

art 310 Wetboek van Strafrecht

11.

(ZAAK VDL)

hij op of omstreeks 26 augustus 2017 te Maassluis met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen

- een geldbedrag (10 euro of daaromtrent), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [naam slachtoffer 20] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte, en/of

- een telefoon (merk/type Samsung Galaxy J3), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [naam slachtoffer 21] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte;

(artikel 310 Wetboek van Strafrecht);

art 310 Wetboek van Strafrecht

1 De rechtbank merkt op dat in het proces-verbaal van bevindingen de datum van 4 september 2017 staat. De rechtbank begrijpt dat dit een kennelijke verschrijving is en leest voor 4 september 2017, 4 december 2017.