Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:4606

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
20-04-2018
Datum publicatie
12-06-2018
Zaaknummer
10/775000-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft drie brieven met valse informatie over een bij de Rechtbank ’s-Gravenhage lopende strafzaak op briefpapier van de rechtbank en voorzien van een stempel van de rechtbank overhandigd aan een juridisch administratief medewerker bij de rechtbank Den Haag. Hij heeft die medewerkster de opdracht gegeven die brieven vanuit het gerechtsgebouw te faxen naar drie advocaten die verdachten in die strafzaak bijstonden.

Van feit 1 primair en subsidiair wordt de verdachte vrijgesproken. Een digitaal word-document van een verbetervonnis en GBA-uitdraaien zijn geen goederen als bedoeld in artikel 321 Sr.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 1

Parketnummer: 10/775000-15

Datum uitspraak: 20 april 2018

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] ( [geboorteland verdachte] ) op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres verdachte] , [woonplaats verdachte] ,

raadsman mr. P.M. Rombouts, advocaat te Amsterdam.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzittingen van 1 februari 2018 en 6 april 2018.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding, zoals deze op de terechtzitting van 1 februari 2018 overeenkomstig de vordering van de officier van justitie is gewijzigd. De tekst van de gewijzigde tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. R.E.I. Steen heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het onder 1 primair en 2 primair ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden.

4 Waardering van het bewijs

Vrijspraak feit 1 primair en subsidiair

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het onder 1 primair en subsidiair ten laste gelegde. In de visie van de verdediging kan een digitaal word-document van een verbetervonnis van de rechtbank Den Haag noch een uitdraai uit de Gemeentelijke Basisadministratie (hierna: GBA), dan wel uit die GBA-uitdraai verkregen informatie, worden gekwalificeerd als een ‘goed’ in de zin van artikel 321 van het Wetboek van Strafrecht (Sr).

De rechtbank honoreert het verweer van de raadsman en overweegt daartoe het volgende.

Het begrip ‘goed’ in de zin van artikel 321 Sr wordt in de jurisprudentie ruim uitgelegd.

Ook een niet-stoffelijk object kan, zoals ook door de officier van justitie is aangevoerd, daaronder worden begrepen, mits het gaat om een object dat naar zijn aard geschikt is om aan de feitelijke heerschappij van een ander te worden onttrokken. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad geldt daarbij individualiseerbaarheid als criterium, namelijk dat zodra de één de feitelijke macht over een goed heeft verkregen, de ander deze heeft verloren. Die situatie doet zich hier niet voor. Door het zich wederrechtelijk toe-eigenen van een word-document van de rechtbank Den Haag en van GBA-uitdraaien die door een medewerker van de rechtbank Den Haag zijn opgevraagd uit GBA-online, heeft de rechtbank Den Haag immers niet de beschikkingsmacht over het betreffende word-document en de betreffende gegevens uit de GBA verloren. Nu er dus geen sprake is van ‘goederen’ als bedoeld in artikel 321 en dit bestanddeel dus niet bewezen kan worden, dient er vrijspraak van feit 1 primair en subsidiair te volgen.

Vrijspraak feit 2 primair

Op grond van de inhoud van het dossier en het verhandelde ter zitting is niet met de benodigde mate van zekerheid komen vast te staan dat de verdachte de onder 2 ten laste gelegde brieven heeft opgemaakt. Onder die omstandigheden moet de verdachte van het onder 2 primair ten laste gelegde worden vrijgesproken.

Conclusie

Het onder 1 primair en subsidiair en het onder 2 primair ten laste gelegde is niet wettig en overtuigend bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Op basis van de inhoud van het dossier is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 subsidiair ten laste gelegde feit heeft gepleegd. In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring van feit 2 subsidiair redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan.

De verdachte heeft het bewezen verklaarde feit op die wijze begaan dat:

2. subsidiair

hij op 6 december 2012 in Nederland, telkens opzettelijk, valse geschriften, voorhanden heeft gehad en heeft afgeleverd, bestaande die valsheid hierin dat

-er één of meer brieven (door een persoon, zijnde geen medewerker van de Rechtbank

Den Haag) zijn opgemaakt op briefpapier voorzien van het logo "Rechtbank 's-Gravenhage" en voorzien van een stempel met de tekst "Rechtbank 's-Gravenhage" en gericht aan mr. R.A. Kaarls en mr. I.N. Weski en mr. M. van Stratum;

-met telkens als valselijke inhoud dat er in het tegen hun cliënt(en), (genaamd [naam 1] ), opgemaakte dossier in het onderzoek Diamond onjuistheden staan vermeld en dat er ongeautoriseerd onderzoek naar hun cliënt(en) is uitgevoerd;

-en (telkens valselijk zijn ondertekend door 'een bezorgde rechtsdienaar',

elk zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen en bestaande dat voorhanden hebben en het afleveren hierin dat hij, voornoemde valse geschriften, heeft overhandigd aan een persoon genaamd [naam medeverdachte] (werkzaam bij de Rechtbank Den Haag), met het verzoek deze vanuit de Rechtbank

Den Haag per fax te verzenden aan (respectievelijk) mr. R.A. Kaarls en mr. I.N. Weski, en mr. M. Stratum,

terwijl hij wist dat deze geschriften bestemd waren voor gebruik als ware deze echt en onvervalst.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet (ook) daarvan worden vrijgesproken.

5 Strafbaarheid feit

Het bewezen feit levert op:

2. subsidiair

opzettelijk een geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, voorhanden hebben en afleveren, terwijl hij weet dat dit geschrift bestemd is voor gebruik als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het feit is dus strafbaar.

6 Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

7 Motivering straffen

De straffen die aan de verdachte worden opgelegd, zijn gegrond op de ernst van het feit,

de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft drie brieven met valse informatie over een bij de Rechtbank

’s-Gravenhage lopende strafzaak op briefpapier van de rechtbank en voorzien van een stempel van de rechtbank overhandigd aan een juridisch administratief medewerker bij de rechtbank Den Haag. Hij heeft die medewerkster de opdracht gegeven die brieven vanuit het gerechtsgebouw te faxen naar drie advocaten die verdachten in die strafzaak bijstonden. Dit is een zeer ernstig feit. De verdachte heeft door zijn handelen een eerlijke en onafhankelijke rechtsgang op onheuse wijze proberen te beïnvloeden. Het vertrouwen in onafhankelijke rechtspraak is een cruciaal onderdeel van de rechtsstaat en de verdachte heeft dit vertrouwen op forse wijze geschonden. De rechtbank rekent dit de verdachte zwaar aan.

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van

19 januari 2018, waaruit blijkt dat de verdachte vele malen eerder, waaronder voor soortgelijke delicten, is veroordeeld.

Tenslotte constateert de rechtbank, zoals ook door de verdediging is aangevoerd, dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM met ruim één jaar is overschreden, nu er reeds op 24 februari 2015 een doorzoeking in de woning van de verdachte heeft plaatsgevonden en de verdachte op 25 februari 2015 is verhoord en hij daaraan de verwachting kon ontlenen dat tegen hem door het openbaar ministerie een strafvervolging zou worden ingesteld. De rechtbank zal daarmee rekening houden bij het bepalen van de strafmaat.

Gezien de ernst van het feit kan in beginsel niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. De rechtbank zal echter, gelet op het tijdsverloop en de overschrijding van de redelijke termijn alsmede het gegeven dat de verdachte zijn leven inmiddels goed op de rit heeft en al enige tijd niet meer met politie en justitie in aanraking is gekomen afzien van het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. In plaats daarvan wordt een taakstraf opgelegd en een voorwaardelijke gevangenisstraf.

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straffen passend en geboden.

8 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57 en 225 van het Wetboek van Strafrecht.

9 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

10 Beslissing

De rechtbank:

verklaart niet bewezen, dat de verdachte de onder 1 primair, 1 subsidiair en 2 primair ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen, dat de verdachte het onder 2 subsidiair ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) maanden;

bepaalt dat deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van de proeftijd, die hierbij wordt gesteld op 2 jaar, na te melden voorwaarde overtreedt;

stelt als algemene voorwaarde:

- de veroordeelde zal zich voor het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maken;

veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 100 (honderd) uren, waarbij de Reclassering Nederland dient te bepalen uit welke werkzaamheden de taakstraf dient te bestaan;

beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 50 (vijftig) dagen.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. J. van der Groen, voorzitter,

en mrs. L. Amperse en C.A. van Beuningen, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. H.C. Fraaij, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 20 april 2018.

De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst gewijzigde tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2013 tot en met 24 februari 2015 te Den Haag, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, opzettelijk een (digitaal) word-document, betreffende een (sjabloon van een) verbetervonnis, en/of gba-uitdraaien, in elk geval de bijbehorende personalia en/of adres(-sen) van

- een persoon genaamd [naam 2] en/of

- een persoon genaamd [naam 3] en/of

- een persoon genaamd [naam 4] en/of

- een persoon genaamd [naam 5] en/of

- een persoon genaamd [naam 6] en/of

- een persoon genaamd [naam 7] en/of

- een persoon genaamd [naam 8] en/of

- een persoon genaamd [naam 9] en/of

- een persoon genaamd [naam 10] en/of

- een persoon genaamd [naam 11] en/of

- een persoon genaamd [naam 12]

dat/die toebehoorde(n) aan de Rechtbank Den Haag en welke goed (-eren) verdachte en/of zijn mededader(s) uit hoofde van zijn/haar persoonlijke dienstbetrekking als medewerker van de Rechtbank voornoemd, in elk geval anders dan door misdrijf onder zich had(den), zich wederrechtelijk heeft/hebben toegeëigend;

Subsidiair,

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2013 tot en met 24 februari 2015 te Den Haag, in elk geval in Nederland, (een) goed(eren), te weten een (digitaal) word-document, betreffende een (sjabloon van een) verbetervonnis, en/of gba-uitdraaien, in elk geval de bijbehorende personalia en/of adres(-sen) van

- een persoon genaamd [naam 2] en/of

- een persoon genaamd [naam 3] en/of

- een persoon genaamd [naam 4] en/of

- een persoon genaamd [naam 5] en/of

- een persoon genaamd [naam 6] en/of

- een persoon genaamd [naam 7] en/of

- een persoon genaamd [naam 8] en/of

- een persoon genaamd [naam 9] en/of

- een persoon genaamd [naam 10] en/of

- een persoon genaamd [naam 11] en/of

- een persoon genaamd [naam 12]

dat/die toebehoorde aan de Rechtbank Den Haag en/of de Staat der Nederlanden, heeft verworven (van een persoon genaamd [naam medeverdachte] ) en/of heeft voorhanden gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dat goed/die goederen wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het (een) door misdrijf, namelijk door opzettelijke schending van wettelijke geheimhoudingsplichten/beroeps- of ambtsgeheimen, althans door enig (ander) misdrijf, verkregen goed(eren) betrof;

2.

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks het jaar 2012 te Den Haag, in elk geval in Nederland, telkens een geschrift een dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt en/of vervalst, immers heeft verdachte en/of zijn mededader(s);

-één of meer brieven opgemaakt op briefpapier voorzien van het logo "Rechtbank

's-Gravenhage" en voorzien van een stempel met de tekst "Rechtbank 's-Gravenhage" en deze heeft gericht aan mr. R.A. Kaarls en/of mr. I.N. Weski en/of mr. M. Stratum;

-met (telkens) als (valselijke) inhoud dat er in het tegen hun cliënt(en), (telkens) genaamd [naam 1] , opgemaakte dossier in het onderzoek Diamond onjuistheden staan vermeld en/of dat er ongeautoriseerd onderzoek naar hun cliënt(en) is uitgevoerd;

-en met (telkens) valselijk ondertekend door 'een bezorgde rechtsdienaar'

zulks met het oogmerk om die/dat geschrift(en)/document(en) als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;

art 225 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 6 december 2012, te Den Haag, in elk geval in Nederland, (telkens) opzettelijk (een) vals(e) of vervalst(e) geschrift(en), voorhanden heeft gehad en/of heeft afgeleverd, bestaande die valsheid of vervalsing hierin dat

-er één of meer brieven (door een persoon, zijnde geen medewerker van de Rechtbank

Den Haag) zijn opgemaakt op briefpapier voorzien van het logo "Rechtbank 's-Gravenhage" en voorzien van een stempel met de tekst "Rechtbank 's-Gravenhage" en gericht aan mr. R.A. Kaarls en/of mr. I.N. Weski en/of mr. M. van Stratum;

-met (telkens) als (valselijke) inhoud dat er in het tegen hun cliënt(en), (genaamd [naam 1] ), opgemaakte dossier in het onderzoek Diamond onjuistheden staan vermeld en/of dat er ongeautoriseerd onderzoek naar hun cliënt(en) is uitgevoerd;

-en (telkens) (valselijk)(op ambtseed) zijn ondertekend door 'een bezorgde rechtsdienaar'

(elk) zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen

en bestaande dat voorhanden hebben en/of het afleveren hierin dat door hij, voornoemde vals(e) of vervalst(e) geschrift(en), heeft overhandigd aan een persoon genaamd [naam medeverdachte] (werkzaam bij de Rechtbank Den Haag), met het verzoek deze vanuit de Rechtbank Den Haag per fax te verzenden aan (respectievelijk) mr. R.A. Kaarls en/of mr. I.N. Weski, en/of mr. M. Stratum.

terwijl hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat dit/deze geschrift(en) bestemd was/waren voor gebruik als ware deze echt en onvervalst;

art 225 lid 2 Wetboek van Strafrecht