Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:4599

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
12-04-2018
Datum publicatie
12-06-2018
Zaaknummer
10/710477-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Gedeeltelijk voorwaardelijke gevangenisstraf voor het 2 jaar lang handelen in cocaïne en softdrugs.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 3

Parketnummer: 10/710477-16

Datum uitspraak: 12 april 2018

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres verdachte] , [woonplaats verdachte] ,

doch feitelijk zonder vaste woon- of verblijfplaats,

raadsman mr. R.W. de Gruijl, advocaat te Rotterdam.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 29 maart 2018.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding, zoals deze op de terechtzitting overeenkomstig de vordering van de officier van justitie is gewijzigd.

De tekst van de gewijzigde tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. M. van den Berg heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde, met dien verstande dat bij feit 2 het opzettelijk aanwezig hebben van 0,8 gram cocaïne bewezen kan worden in plaats van 8,8 gram cocaïne;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar en als bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich zal gedragen naar de aanwijzingen van de reclassering.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Bewezenverklaring zonder nadere motivering

Het onder 2 en 3 ten laste gelegde is door de verdachte bekend. Deze feiten zullen zonder nadere bespreking bewezen worden verklaard.

4.2.

Bewijswaardering feit 1

De verdachte heeft op de terechtzitting de verklaring die hij bij de politie heeft afgelegd gewijzigd in die zin dat hij niet gedurende een periode van twee jaar cocaïne heeft verkocht, maar dat dit slechts een periode van maximaal zes maanden was.

Naar het oordeel van de rechtbank is er geen aanleiding om de latere verklaring van de verdachte te volgen. De verdachte heeft zijn verklaring bij de politie kort na zijn aanhouding, en dus kort na de laatste pleegdatum van het feit, afgelegd. Het betreft een gedetailleerde en samenhangende verklaring. Die verklaringen heeft hij afgelegd nadat hij overleg had gevoerd met zijn advocaat. Die verklaring heeft hij kort daarna ten overstaan van de rechter-commissaris en in het bijzijn van zijn raadsman herhaald. De eerdere verklaring van de verdachte vindt bovendien steun in de verklaring van één van de gebruikers die is gehoord en heeft verklaard dat hij sinds begin 2015 zijn drugs (pillen en cocaïne) bij de verdachte kocht. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de oorspronkelijke verklaring van de verdachte voor het bewijs gebruiken. Zodoende komt de rechtbank tot een bewezenverklaring voor de gehele periode die in feit 1 ten laste is gelegd.

4.3.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan.

In bijlage III heeft de rechtbank een opgave gedaan van wettige bewijsmiddelen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Met deze opgave wordt volstaan, nu de verdachte het bewezen verklaarde heeft bekend en nadien geen vrijspraak is bepleit. Op grond daarvan is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan.

De verdachte heeft de bewezen verklaarde feiten op die wijze begaan dat:

1.

hij, in de periode van 23 november 2014 tot en met 23 november 2016 te

Spijkenisse, gemeente Nissewaard, (meermalen) (telkens) opzettelijk heeft bewerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, een of meer gebruikershoeveelheden van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

2.

hij, op 23 november 2016 te Spijkenisse, gemeente Nissewaard, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 0,8 gram van een materiaal bevattende cocaïne en 0,3 gram van een materiaal bevattende MDMA, zijnde cocaïne en MDMA telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

3.

hij, in de periode van 23 november 2014 tot en met 23 november 2016 te

Spijkenisse, gemeente Nissewaard, (meermalen) (telkens) opzettelijk heeft verkocht en afgeleverd en verstrekt en vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid van meer dan 30 gram, van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj) waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd, en/of (telkens) opzettelijk heeft verkocht en afgeleverd en verstrekt en vervoerd, (meerdere gebruikershoeveelheden) hennep, zijnde hasjiesj en hennep (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

5 Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:

1.

opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod

2.

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod

3.

opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod

en

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. De feiten zijn dus strafbaar.

6 Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

7 Motivering straf

7.1.

Algemene overweging

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

7.2.

Feiten waarop de straf is gebaseerd

De verdachte heeft gedurende een periode van twee jaar hard- en softdrugs gedeald. Cocaïne en ook softdrugs zijn stoffen die bedreigend zijn voor de volksgezondheid. Voor gebruikers kunnen zij schadelijke lichamelijke, psychische en sociale gevolgen met zich meebrengen. Ten slotte leidt handel in en gebruik van drugs veelal, direct en indirect, tot vele andere vormen van criminaliteit. De verdachte heeft bovendien gehandeld vanuit zijn huis, waar ook zijn kinderen woonachtig zijn. De verdachte heeft hiervoor geen oog gehad en was kennelijk slechts uit op eigen financiële voordeel.

7.3.

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van

14 maart 2018, waaruit blijkt dat aan de verdachte in 2016 een strafbeschikking is opgelegd wegens overtreding van artikel 2 onder C van de Opiumwet.

7.3.1.

Rapportage

Reclassering Nederland heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 7 maart 2018. Dit rapport houdt – onder meer en voor zover van belang – het volgende in.

De verdachte heeft zich begeleidbaar opgesteld en heeft zich tijdens het toezicht van zijn positieve kant laten zien. Hij heeft de wens geuit om zich los te maken van het criminele circuit en de verdachte heeft zich ingezet voor het verkrijgen van een dagbesteding en een vrijetijdsbesteding. Zo heeft hij wekelijks contact met zijn jobcoach, heeft hij zijn VCA certificaat behaald, werkt hij op de sociale werkplaats en sport hij regelmatig. Het gezin van de verdachte heeft hechte banden. Het recidiverisico is sterk verminderd.

De rechtbank heeft acht geslagen op dit rapport.

7.4.

Conclusies van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

Gezien de ernst van de feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. De verdediging heeft verzocht een onvoorwaardelijke gevangenisstraf achterwege te laten. Hiervoor bestaat echter geen aanleiding vanwege de ernst van de feiten. De verdachte heeft in het jaar dat is verstreken sinds zijn aanhouding laten zien dat hij gemotiveerd is om zich los te maken van het criminele circuit, zelfs ondanks de moeilijke situatie waarin zijn gezin verkeert. Dat siert de verdachte. Waar in soortgelijke zaken gevangenisstraffen van meerdere jaren plegen te worden opgelegd, volgt de rechtbank daarom in dit geval de eis van de officier van justitie. Een deel van de voorgenomen straf zal voorwaardelijke worden opgelegd om de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen. Daarbij zullen de voorwaarden worden opgelegd die hierna worden genoemd zodat de verdachte gebruik kan maken van begeleiding van de reclassering.

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straffen, waaronder de hieronder besproken verbeurdverklaring, passend en geboden.

8 In beslag genomen voorwerpen

Aan dit vonnis is als bijlage een lijst gehecht van de in beslag genomen voorwerpen, waarvan de inhoud als hier ingelast dient te worden beschouwd.

8.1.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd het in beslag genomen geldbedrag te verrekenen met een eventueel op te leggen betalingsverplichting naar aanleiding van wederrechtelijk verkregen voordeel.

8.2.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft zich niet uitgelaten over het beslag.

8.3.

Beoordeling

Het in beslag genomen geldbedrag zal worden verbeurd verklaard. Het geld behoort aan de verdachte toe en kan door hem geheel ten eigen bate worden aangewend. Gelet op de wijze waarop het is aangetroffen en het gegeven dat de verdachte niet over een legaal inkomen beschikte, is aannemelijk dat het geldbedrag geheel door middel van de strafbare feiten 1 en 3 is verkregen.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 14a, 14b, 14c, 33, 33a, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen, 2, 3, 10 en 11 van de Opiumwet.

10 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

11 Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 (achttien) maanden;

bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 6 (zes) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van de proeftijd, die hierbij wordt gesteld op 2 jaar, na te melden voorwaarden overtreedt;

stelt als algemene voorwaarden:

  • -

    de veroordeelde zal zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maken;

  • -

    de veroordeelde zal ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verlenen aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbieden;

  • -

    de veroordeelde zal medewerking verlenen aan reclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

stelt als bijzondere voorwaarde:

de veroordeelde zal zich melden bij Reclassering Nederland, zolang en frequent als die

reclasseringsinstelling noodzakelijk vindt;

geeft aan genoemde reclasseringsinstelling opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

beslist ten aanzien van de voorwerpen, geplaatst op de lijst van inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, als volgt:
- verklaart verbeurd als bijkomende straf voor de feiten 1 en 3 het voorwerp dat op de aan dit vonnis gehechte lijst is genummerd 1.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. A.M.H. Geerars, voorzitter,

en mrs. K. Bakker en W.J. Loorbach, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. J.G. Polke, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

De oudste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst gewijzigde tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

hij, in of omstreeks de periode van 23 november 2014 tot en met 23 november 2016 te

Spijkenisse, gemeente Nissewaard, (meermalen) (telkens) opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, een of meer gebruikershoeveelheden cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2.

hij, op of omstreeks 23 november 2016 te Spijkenisse, gemeente Nissewaard, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 8,8 gram cocaïne en/of 0,3 gram MDMA en/of MDA, in elk geval een of meer hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende cocaïne en/of MDMA en/of MDA, zijnde cocaïne en/of MDMA en/of MDA (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van

artikel 3a van die wet;

3.

hij, in of omstreeks de periode van 23 november 2014 tot en met 23 november 2016 te

Spijkenisse, gemeente Nissewaard, (meermalen) (telkens) opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid van meer dan 30 gram, van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj) waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd, en/of (telkens) opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, (meerdere gebruikershoeveelheden) hennep, zijnde hasjiesj en /of hennep (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.