Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:4570

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
29-03-2018
Datum publicatie
12-06-2018
Zaaknummer
10/039322-18 / parketnummer vordering TUL VV: 10/710059-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Openlijk geweld in vereniging met enig lichamelijk letsel ten gevolg, begaan tegen zijn ex-zwager. Tegen het hoofd geslagen met een kleine knuppel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 3

Parketnummer: 10/039322-18

Parketnummer vordering TUL VV: 10/710059-16

Datum uitspraak: 29 maart 2018

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,

niet ingeschreven in de basisregistratie personen,

verblijvende op het adres [adres verdachte] , [woonplaats verdachte] ,

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Dordrecht,

raadsvrouw mr. J.V. van Blitterswijk, advocaat te Rotterdam.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 29 maart 2018.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding, zoals deze op de terechtzitting overeenkomstig de vordering van de officier van justitie is gewijzigd. De tekst van de gewijzigde tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. W.L. van Prooijen heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden met aftrek van voorarrest;

  • -

    afwijzing van de vordering tot tenuitvoerlegging in de zaak met parketnummer 10/710059-16.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Bewezenverklaring zonder nadere motivering

Het ten laste gelegde is door de verdachte bekend. Dit feit zal zonder nadere bespreking bewezen worden verklaard.

4.2.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank een opgave gedaan van wettige bewijsmiddelen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Met deze opgave wordt volstaan, nu de verdachte het bewezen verklaarde heeft bekend en nadien geen vrijspraak is bepleit. Op grond daarvan is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

hij op 25 februari 2018 te Spijkenisse openlijk, te weten op de [plaats delict] , in elk geval aan de openbare weg, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [naam slachtoffer] door die [naam slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, (telkens)

- tegen het lichaam te slaan en te trappen en te schoppen en

- op de grond te gooien en

- met een knuppel, op het achterhoofd te slaan,

terwijl dit door hem gepleegde geweld enig lichamelijk letsel, te weten een wond op het achterhoofd, voor die [naam slachtoffer] ten gevolge heeft gehad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de bewezenverklaarde tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

5 Strafbaarheid feit

Het bewezen feit levert op:

openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen, terwijl het door de schuldige gepleegde geweld enig lichamelijk letsel ten gevolge heeft.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het feit is dus strafbaar.

6 Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

7 Motivering straf

7.1.

Algemene overweging

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

7.2.

Feit waarop de straf is gebaseerd

De verdachte en zijn broer zijn op pad gegaan om het slachtoffer in elkaar te slaan om hem een lesje te leren. Hun zusje had om hulp gebeld omdat het slachtoffer – haar ex-vriend – weer overlast veroorzaakte bij haar woning. De wens van de verdachte om zijn zusje te helpen laat zich invoelen. Daar staat echter tegenover dat de gekozen methode onacceptabel is omdat het een vorm van eigenrichting is. Met het geweld zoals dat bewezen is verklaard, heeft de verdachte de lichamelijke integriteit van het slachtoffer geschonden. Bovendien is de openbare orde verstoord en veroorzaakt dergelijk geweld maatschappelijke onrust en algemene gevoelens van onveiligheid.

7.3.

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van

13 maart 2018, waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

7.4.

Conclusies van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

Gezien de ernst van het feit en de recidive kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd. De op te leggen straf is lager dan de straf die door de officier van justitie is geëist omdat de rechtbank de aanleiding en de voorgeschiedenis enigszins in het voordeel van de verdachte meeweegt.

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf passend en geboden.

8 Vordering benadeelde partij / schadevergoedingsmaatregel

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd [naam benadeelde] zake van het ten laste gelegde feit. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 793,- aan materiële schade en een vergoeding van € 8.500,- aan immateriële schade.

8.1.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijk verklaring van de benadeelde partij in het deel van de vordering dat ziet op de materiële schade, en gedeeltelijke toewijzing tot een bedrag van € 500,- voor het deel van de vordering dat ziet op de immateriële schade. De verdachten moeten hoofdelijk aansprakelijk zijn voor dat bedrag, dat moet worden vermeerderd met de wettelijke rente. Tevens dient de schadevergoedingsmaatregel te worden opgelegd. De benadeelde partij zou in het restant van de vordering niet-ontvankelijk moeten worden verklaard.

8.2.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft verzocht het deel van de vordering dat ziet op de materiële schade af te wijzen, het deel dat ziet op de immateriële schade te matigen tot een bedrag van € 500,-, en geen schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

8.3.

Beoordeling

Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij door het bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Die schade zal naar maatstaven van billijkheid worden vastgesteld op € 500,-, zodat de vordering tot dit bedrag zal worden toegewezen.. De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf 25 februari 2018.

Voor het overige zal de vordering worden afgewezen bij gebrek aan onderbouwing.

Nu de verdachte het strafbare feit, ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met een mededader heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Indien en voor zover de mededader de benadeelde partij betaalt is de verdachte in zoverre jegens de benadeelde partij van deze betalingsverplichting bevrijd.

Nu slechts een deel van de vordering van de benadeelde partij zal worden toegewezen, is er aanleiding om de proceskosten te compenseren op zodanige wijze dat ieder der partijen de eigen proceskosten draagt

8.4.

Conclusie

De verdachte moet de benadeelde partij een schadevergoeding betalen van € 500,- vermeerderd met de wettelijke rente als hieronder in de beslissing vermeld.

Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht, gelet op de verstoorde relatie tussen het slachtoffer en de verdachte als ex-zwagers.

9 Vordering tenuitvoerlegging

9.1.

Vonnis waarvan tenuitvoerlegging wordt gevorderd

Bij vonnis van 7 april 2017 van de meervoudige kamer van deze rechtbank is de verdachte ter zake van mishandeling en bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht veroordeeld voor zover van belang tot een gevangenisstraf van 150 dagen, waarvan een gedeelte groot 30 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar.

De proeftijd is ingegaan op 22 april 2017.

9.2.

Standpunt officier van justitie/Standpunt verdediging

De officier van justitie heeft gevorderd, en de verdediging heeft verzocht, om de vordering tot tenuitvoerlegging af te wijzen omdat bij vonnis van 6 juli 2017 van de meervoudige kamer van deze rechtbank al de tenuitvoerlegging is bevolen van het eerder opgelegde voorwaardelijke strafdeel (wegens overtreding van de bijzondere voorwaarde(n)) en dit vonnis inmiddels is geëxecuteerd.

9.3.

Beoordeling

Omdat het bij vonnis van 7 april 2017 opgelegde voorwaardelijke strafdeel reeds bij vonnis van 6 juli 2017 ten uitvoer is gelegd en dit vonnis inmiddels ook is geëxecuteerd, zal de vordering worden afgewezen.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Behalve op het reeds genoemde artikel is ook gelet op artikel 141 van het Wetboek van Strafrecht.

11 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

12 Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) maanden;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;


heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van de dag waarop de totale duur van de tot dan toe ondergane verzekering en voorlopige hechtenis gelijk zal zijn aan die van de opgelegde gevangenisstraf;

veroordeelt de verdachte hoofdelijk met diens mededader, des dat de een betalende de ander zal zijn bevrijd, om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [naam benadeelde] te betalen een bedrag van € 500,- (zegge: vijfhonderd euro), bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 25 februari 2018 tot aan de dag der algehele voldoening;

wijst af het door de benadeelde partij meer of anders gevorderde;

compenseert de proceskosten op zodanige manier dat elk der partijen de eigen proceskosten draagt;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij [naam benadeelde] te betalen € 500,- (hoofdsom, zegge: vijfhonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 februari 2018 tot aan de dag van de algehele voldoening; beveelt dat bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal van het bedrag van € 500,- vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 10 dagen; toepassing van de vervangende hechtenis heft de betalingsverplichting niet op;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij, waaronder begrepen betaling door zijn mededader, tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd;

wijst af de gevorderde tenuitvoerlegging van de bij vonnis van 7 april 2017 van de meervoudige kamer van deze rechtbank aan de veroordeelde opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. A.M.H. Geerars, voorzitter,

en mrs. K. Bakker en W.J. Loorbach, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. J.G. Polke, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

De oudste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen. 

Bijlage I

Tekst gewijzigde tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 25 februari 2018 te Spijkenisse openlijk, te weten op de [plaats delict] , in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijjke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [naam slachtoffer] door die [naam slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, (telkens)

- tegen het lichaam te slaan en/of te trappen en/of te schoppen en/of

- op de grond te gooien en/of

- met een knuppel, althans een hard voorwerp, op het (achter)hoofd en/of in / tegen de nek de slaan,

terwijl dit door hem gepleegde geweld enig lichamelijk letsel, te weten een wond op het (achter)hoofd, voor die [naam slachtoffer] ten gevolge heeft gehad.