Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:4560

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
29-05-2018
Datum publicatie
11-06-2018
Zaaknummer
C/10/549216 / FT EA 18/677 - C/10/549217 / FT EA 18/678
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek moratorium afwijzen; hennepkwekerij geëxploiteerd in het gehuurde.

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 287b
Faillissementswet 284
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie

voorlopige voorziening ex artikel 287b Faillissementswet: afwijzing

toepassing schuldsaneringsregeling: niet-ontvankelijk

rekestnummers: [nummer]

uitspraakdatum: 29 mei 2018

[naam 1] ,

[adres]

[woonplaats] ,

verzoeker.

1 De procedure

Verzoeker heeft op 23 april 2018, met een verzoekschrift ex artikel 284 Faillissementswet (Fw), een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad.

In het vonnis van deze rechtbank van 23 april 2018 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 24 mei 2018.

Ter zitting van 24 mei 2018 zijn verschenen en gehoord:

  • -

    verzoeker;

  • -

    de heer V.T. Raats, werkzaam bij Noordzij bewindvoerders (hierna: SHV);

  • -

    mevrouw [naam 2] en [naam 3] , beiden werkzaam bij Zekere Zaak (hierna: beoogd beschermingsbewindvoerder);

  • -

    mevrouw [naam 4] , maatschappelijk werkster van verzoeker;

  • -

    mevrouw [naam 5] , werkzaam bij Stichting Woonbron;

  • -

    de heer [naam 6] , werkzaam bij Flanderijn, namens Stichting Woonbron, gevestigd te Rotterdam (hierna: verweerster).

De heer [naam 6] , werkzaam bij Flanderijn, heeft namens verweerster voorafgaand aan de zitting aan de rechtbank een verweerschrift toegezonden.

De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op heden.

2 Het verzoek

Het verzoek strekt ertoe op grond van artikel 287b, eerste lid, Fw, gedurende een termijn van zes maanden bij uitspraak een voorlopige voorziening te treffen en verweerster te verbieden het vonnis van de Rechtbank Rotterdam van 16 maart 2018 tot ontruiming van de woonruimte van verzoeker ten uitvoer te leggen.

SHV heeft ter terechtzitting verklaard dat verzoeker een beschermingsbewindvoerder heeft benaderd en dat het verzoek tot onderbewindstelling is ingediend. De zitting zal 8 juni 2018 plaatsvinden. De beoogd beschermingsbewindvoerder ziet er thans op toe dat verzoeker de huur prioriteert. Daarbij laat verzoeker zich bijstaan door maatschappelijk werk. Stichting ‘Met Zorg en Respect’ heeft de dag voor de zitting een bedrag van € 602,13 betaald teneinde de lopende huur te voldoen. Verzoeker zelf heeft ook een dag voor de zitting

€ 260,00 aan de verhuurder overgemaakt. Hiermee zou de lopende huur voor de maand juni voldaan zijn. Zodra de beschikking beschermingsbewind is afgegeven, kan de huur structureel voor de eerste van de maand betaald worden. Bovendien is verzoeker thans sinds drie weken fulltime werkzaam als heftruckchauffeur. Met dit inkomen is er naast de mogelijkheid om de vaste lasten tijdig te betalen, tevens sprake van een afloscapaciteit voor de schuldeisers. Voorheen zorgden de ouders van verzoeker voor de betalingen van de vaste lasten. Echter, na een ruzie tussen verzoeker en zijn ouders is het contact verbroken en was hij op zichzelf aangewezen. Gebleken is dat verzoeker afhankelijk is van hulp. Verzoeker heeft deze hulp thans aangevraagd en de situatie is stabiel te noemen.

Desgevraagd heeft verzoeker ter zitting verklaard dat hij een hennepkwekerij in het gehuurde heeft geëxploiteerd, omdat hij destijds in een depressie verkeerde. Hij ziet in dat hij een verkeerde beslissing heeft genomen. Verzoeker heeft aangegeven dat hij nog geen dagvaarding heeft gekregen om voor de strafrechter te verschijnen. De vermoedelijke schade is door SHV in de voorlopige schuldenlijst geraamd op een bedrag van € 60.000,00, gebaseerd op het fictieve inkomen dat hij met de hennepkwekerij gegenereerd zou hebben.

3 Het verweer

Verweerster heeft zich in haar verweerschrift van 18 mei 2018 verzet tegen toewijzing van het verzoek. Zij heeft hiertoe aangevoerd dat de huurachterstand teruggaat tot oktober/november 2017. Naast de hoge huurachterstand is er op 13 maart 2018 door het Hennepteam Rotterdam geconstateerd dat er een professionele hennepkwekerij werd geëxploiteerd in het verhuurde. De hennepkwekerij werd gerund onder brand- en elektrocutiegevaarlijke omstandigheden die niet alleen een gevaar voor het verhuurde vormden, maar ook voor de naastgelegen woningen. Verzoeker heeft daarmee niet gehandeld als een goed huurder betaamt en heeft daarmee tevens in strijd gehandeld met de Opiumwet en de Algemene huurvoorwaarden van Woonbron. Inmiddels is verweerster een kort geding gestart om alsnog het verhuurde te mogen ontruimen.

Verweerster heeft ter zitting haar standpunt gehandhaafd. Daarnaast geeft verweerster aan dat zij op de ochtend van de zitting gecontroleerd heeft of verzoeker de huur heeft overgemaakt, maar dat dit nog niet op de rekening zichtbaar was. In de visie van verweerster is de situatie niet stabiel en zal deze naar verwachting ook niet stabiel worden.

4 De beoordeling

Allereerst dient te worden beoordeeld of sprake is van een bedreigende situatie zoals dwingend is voorgeschreven in artikel 287b, tweede lid, Fw. Nu verzoeker een kopie van het vonnis van de Rechtbank Rotterdam van 16 maart 2018 tot ontruiming van de woonruimte van verzoeker en een kopie van het exploot van 3 april 2018 heeft overgelegd waarin wordt aangekondigd dat verweerster op 24 april 2018 zal overgaan tot ontruiming van de woning van verzoeker, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bedreigende situatie.

De wetgever heeft met een moratorium beoogd om een schuldenaar bij een – dreigende – executie een adempauze te bieden opdat de schuldenaar in staat wordt gesteld om met zijn schuldeisers een regeling van zijn schulden overeen te komen.

Artikel 287b Fw bevat geen criterium op grond waarvan kan worden beslist of de voorlopige voorziening dient te worden toegewezen dan wel afgewezen. De rechtbank zoekt daarom aansluiting bij de voorziening zoals genoemd in artikel 287, vierde lid, Fw waarbij een afweging dient plaats te vinden tussen het belang van verzoeker enerzijds en de schuldeiser, in dit geval verweerster, anderzijds.

Het belang van verzoeker bestaat erin dat hij in de huurwoning kan blijven wonen en dat het minnelijk schuldhulpverleningstraject door verzoeker kan worden doorlopen.

Het belang van verweerster bestaat erin dat zij het vonnis van 16 maart 2018 ten uitvoer kan leggen.

De rechtbank is van oordeel dat verweerster terecht heeft aangevoerd dat naast de hoge huurachterstand in de afweging van de rechtbank een rol dient te spelen dat verzoeker een professionele hennepkwekerij in het gehuurde heeft geëxploiteerd, waardoor verzoeker een gevaarlijke situatie heeft gecreëerd voor zichzelf en de omwonenden. Bovendien heeft verzoeker hiermee schade veroorzaakt aan het gehuurde. De rechtbank is van oordeel dat de belangen van verweerster in deze zwaarder dienen te wegen dan het belang van verzoeker. Dat verzoeker inmiddels werk heeft, beschermingsbewind heeft aangevraagd en begeleiding heeft van maatschappelijk werk, is positief, maar rechtvaardigt in deze omstandigheden niet dat het belang van verzoeker de doorslag geeft. De verzochte voorziening zal dan ook worden afgewezen.

Nu het minnelijk traject naar verwachting niet op korte termijn zal zijn afgerond, zal verzoeker gelet op het bepaalde in artikel 285, eerste lid, sub f, in samenhang met artikel 287, tweede lid, Fw, ten aanzien van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, niet-ontvankelijk worden verklaard. Zo nodig kan verzoeker te zijner tijd een nieuw verzoek indienen.

5 De beslissing

De rechtbank:

- wijst het verzoek ex artikel 287b Fw af;

- verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek ex artikel 284, tweede lid, Fw.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.J. van Spengen, rechter, en in aanwezigheid van

mr. N.A. Masrom, griffier, in het openbaar uitgesproken op 29 mei 2018.