Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:4548

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
23-03-2018
Datum publicatie
11-06-2018
Zaaknummer
10/691001-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling ter zake van poging zware mishandeling, oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen waarvan 37 dagen voorwaardelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 3

Parketnummer: 10/691001-18

Datum uitspraak: 23 maart 2018

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres

[adres verdachte] , [woonplaats verdachte] ,

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd

in de PI Zuid West – De Dordtse Poorten, locatie Dordrecht,

raadsman mr. C.C. Polat, advocaat te Boxtel.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 23 maart 2018.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. P. Wijnands heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het impliciet primair ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Bewijswaardering

4.1.1.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie voert aan dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat er sprake is van poging tot doodslag, nu de verdachte het slachtoffer tegen het hoofd heeft geschopt terwijl hij bewusteloos op de grond lag en daarmee bewust de aanmerkelijke kans aanvaarde dat het slachtoffer zou kunnen overlijden.

4.1.2.

Beoordeling

De volgende feiten en omstandigheden kunnen op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen en de behandeling ter terechtzitting als vaststaand worden aangemerkt. Er heeft op 30 december 2017 een worsteling plaatsgevonden tussen de verdachte en de aangever. De verdachte heeft zowel tijdens het politieverhoor als op de terechtzitting bekend dat hij de aangever hierbij een klap in het gezicht heeft gegeven.

De rechtbank overweegt verder als volgt. De verdachte heeft verklaard dat zowel hij als de aangever op de grond terecht zijn gekomen door de worsteling. Voorts heeft hij verklaard dat hij de aangever toen heeft weggetrapt om los te komen. De verdachte ontkent een trap tegen het hoofd te hebben gegeven. Op basis van het proces-verbaal inhoudende het uitkijken van de camerabeelden blijkt dat een persoon die op de grond ligt tegen het lichaam wordt getrapt door een persoon die net omhoog is gekomen. De vriendin van de verdachte, getuige [naam getuige 1] , en een onafhankelijke getuige, getuige [naam getuige 2] , verklaren beiden dat de aangever tegen zijn hoofd is geschopt. De rechtbank hecht waarde aan deze getuigenverklaringen nu beide getuigen dichtbij waren toen zij deze waarneming deden. Op grond van het voorgaande acht de rechtbank bewezen dat de verdachte de aangever heeft geslagen en vervolgens tegen het hoofd heeft geschopt terwijl de aangever op de grond lag.

Ten aanzien van de impliciet primair ten laste gelegde poging tot doodslag overweegt de rechtbank het volgende. Om te kunnen komen tot een dergelijke bewezenverklaring zal moeten worden vastgesteld of ten minste sprake is geweest van handelingen die de aanmerkelijke kans met zich brengen dat het slachtoffer komt te overlijden en dat de verdachte deze aanmerkelijke kans ook bewust heeft aanvaard. Dit acht de rechtbank echter niet het geval. De verdachte heeft de aangever eenmaal in het gezicht geslagen en eenmaal tegen het hoofd geschopt met zijn gymschoenen aan. Dergelijk handelen kan naar de uiterlijke verschijningsvorm niet worden aangemerkt als een op de dood van de aangever gericht handelen. Daarmee kan niet worden vastgesteld dat sprake is geweest van opzet, al dan niet in voorwaardelijke zin. Bovendien is de kans op het overlijden van de aangever naar algemene ervaringsregels ten gevolge van deze gedraging niet aanmerkelijk te achten. De verdachte zal daarom van het impliciet primair ten laste gelegde feit worden vrijgesproken.

De rechtbank is van oordeel dat het handelen van de verdachte een poging tot zware mishandeling is. Het met kracht met een met gymschoen geschoeide voet schoppen/trappen tegen iemands hoofd, levert naar algemene ervaringsregel de aanmerkelijke kans op dat de aangever van dergelijk geweld als gevolg daarvan zwaar lichamelijk hoofd- en/of schedelletsel zal oplopen. Het impliciet subsidiair ten laste gelegde is daarom wettig en overtuigend bewezen.

4.1.3.

Conclusie

De verdachte wordt van het impliciet primair ten laste gelegde vrijgesproken. Wettig en overtuigend bewezen is dat de verdachte schuldig is aan een poging tot zware mishandeling.

4.2.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

1.

hij op 30 december 2017 te Rotterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een persoon genaamd [naam slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met kracht

- die [naam slachtoffer] tegen het gezicht heeft gestompt, als gevolg waarvan die [naam slachtoffer] hard ten val is gekomen en

- vervolgens, terwijl die [naam slachtoffer] op de grond lag, die [naam slachtoffer] met geschoeide voet tegen het hoofd heeft geschopt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

5 Strafbaarheid feit

Het bewezen feit levert op:

Poging tot zware mishandeling

5.1.

Strafbaarheid

5.1.1.

Standpunt verdediging

De raadsman van de verdachte heeft betoogd dat de verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging omdat hij heeft gehandeld in een situatie van noodweer. Daartoe heeft de raadsman aangevoerd dat de verdachte de aangever een klap heeft gegeven in reactie op het agressieve gedrag van de aangever. De raadsman wijst erop dat het colbert van de verdachte door de aangever is gescheurd. Ook verder licht hij feiten en omstandigheden toe op grond waarvan is voldaan aan de vereisten voor een geslaagd beroep op noodweer.

5.1.2.

Beoordeling

Vaststaat dat er een worsteling tussen de verdachte en de aangever heeft plaatsgevonden. De verdachte verklaart dat hij als eerste is geslagen door de aangever en daarom zichzelf, alsmede zijn vriendin en haar broertje moest verdedigen door de aangever te slaan. De rechtbank acht dit niet aannemelijk, nu de lezing dat de aangever als eerste heeft geslagen, geen ondersteuning vindt in de overige verklaringen in het dossier. Dat er tussen beide partijen over en weer gescholden is en de aangever zich “groot” heeft gemaakt toen hij voor de vriendin van aangever stond, rechtvaardigt eveneens niet dat er een klap door de verdachte wordt gegeven. De scheur in het colbert van de verdachte overtuigt de rechtbank er niet van dat de aangever als eerste een fysieke handeling heeft gepleegd, omdat die scheur ook kan zijn ontstaan door de worsteling. Ook overigens is niet gebleken dat de noodzaak bestond tot verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, dan wel het onmiddellijk dreigend gevaar daarvoor.

Het verweer wordt verworpen.

5.1.3.

Conclusie

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het feit is dus strafbaar.

6 Strafbaarheid feit

6.1.

Standpunt verdediging

De raadsman van de verdachte heeft betoogd dat de verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging, daar hij heeft gehandeld in een situatie van noodweerexces. Daartoe heeft de raadsman aangevoerd dat de verdachte als reactie op een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding in een hevige gemoedsbeweging de aangever een trap heeft gegeven.

6.2.

Beoordeling

Op grond van hetgeen onder 5.1.2. is overwogen is er geen sprake geweest van een noodweersituatie, zodat ook het beroep op noodweerexces niet slaagt.

Het verweer wordt verworpen.

6.3.

Conclusie

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

7 Motivering straf

7.1.

Algemene overweging

De straf en maatregel die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

7.2.

Feit waarop de straf is gebaseerd

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling. Hij heeft het slachtoffer naar aanleiding van een verkeersruzie geslagen en vervolgens tegen het hoofd geschopt toen het slachtoffer reeds bewusteloos op de grond lag. Het slachtoffer heeft hierdoor verwondingen opgelopen, waardoor onder meer bloed dat uit zijn oor kwam. De verdachte heeft hiermee een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer en het is evident dat dit feit een grote impact heeft op het slachtoffer. Dat het letsel uiteindelijk is meegevallen, is een gelukkige omstandigheid en zeker niet aan de verdachte te danken. Dit soort geweld veroorzaakt bovendien gevoelens van onrust en onveiligheid in de maatschappij. De rechtbank rekent dit alles de verdachte zwaar aan.

7.3.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

7.3.1.

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 27 februari 2018, waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten. Dit weegt in het nadeel van de verdachte mee bij de strafoplegging.

7.3.2.

Rapportages

Het Leger des Heils, afdeling Jeugdbescherming & Reclassering heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 20 maart 2018. Dit rapport houdt het volgende in.

De verdachte is als 13-jarige vluchteling naar Nederland gekomen en heeft hier zijn leven opgebouwd. Hij heeft een opleiding gevolgd en heeft als zelfstandig ondernemer snel carrière gemaakt. De verdachte wordt omschreven als een gepassioneerd zakenman en een harde werker, zonder problemen rondom middelengebruik of zijn financiën. Er is voorts sprake van een positief en steunend netwerk. Op basis van genoemde informatie wordt het recidiverisico ingeschat als laag. De rechtbank ziet de genoemde persoonlijke omstandigheden als positief en neemt dit mee in het voordeel van de verdachte.

7.4.

Conclusies van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

Gezien de ernst van het feit kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. De rechtbank heeft hierbij acht geslagen op de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg van Voorzitters van de Strafsectoren (LOVS) die gelden voor een zware mishandeling. Bij de bepaling van de duur van de straf houdt de rechtbank er echter ook rekening mee dat hier sprake is van een poging en niet van een voltooid delict. Voorts worden de persoonlijke omstandigheden in het voordeel van de verdachte meegewogen. In deze omstandigheden ziet de rechtbank aanleiding om de verdachte een gevangenisstraf op te leggen waarvan het overgrote deel voorwaardelijk is en het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan het aantal dagen dat de verdachte tot aan de uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht. Dit voorwaardelijk strafdeel dient er toe de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen.

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf passend en geboden. De voorlopige hechtenis van de verdachte heft de rechtbank, gelet op het voorgaande, op bij deze uitspraak.

8 Vordering benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd [naam benadeelde] ter zake van het ten laste gelegde feit. De benadeelde partij vordert een vergoeding van €3.039,09, waarvan € 839,09 aan materiële schade en € 2.200,00 aan immateriële schade. Tevens wordt de wettelijke rente gevorderd.

8.1.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de vordering voldoende is onderbouwd en voor toewijzing vatbaar is, vermeerderd met wettelijke rente en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel.

8.2.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

8.3.

Beoordeling

Nu is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij door het bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks schade is toegebracht en de vordering door de verdachte niet is betwist, zal de vordering worden toegewezen.

De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf 30 december 2017. Voorts acht de rechtbank termen aanwezig voor het opleggen van de schadevergoedingsmaatregel.

Nu de vordering van de benadeelde partij zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt tot op heden begroot op nihil.

8.4.

Conclusie

De verdachte moet de benadeelde partij een schadevergoeding betalen van € 3039,09, bestaande uit € 839,09 aan materiële schade en € 2.200,00 aan immateriële schade vermeerderd met de wettelijke rente.

Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 45 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

10 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

11 Beslissing

De rechtbank:

verklaart niet bewezen, dat de verdachte het impliciet primair ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen, dat de verdachte het impliciet subsidiair ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen;

bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 37 (zevenendertig) dagen niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van de proeftijd, die hierbij wordt gesteld op 2 jaar, na te melden voorwaarden overtreedt;

stelt als algemene voorwaarde:

- de veroordeelde zal zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maken;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

heft op het bevel tot voorlopige hechtenis;

veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [naam benadeelde], te betalen een bedrag van € 3.039,09 (zegge: drieduizend en negenendertig euro en negen cent), bestaande uit € 839,09 aan materiële schade en € 2.200,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 30 december 2017 tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij [naam benadeelde] te betalen € 3.039,00 (hoofdsom, zegge: drieduizend en negenendertig euro en negen cent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 30 december 2017 tot aan de dag van de algehele voldoening;

beveelt dat bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal van het bedrag van € 3.039,09 vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 40 dagen;

toepassing van de vervangende hechtenis heft de betalingsverplichting niet op;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. J.B. van den Beld, voorzitter,

en mrs. K. Bakker en mr. T.M.J. Smits, rechters,

in tegenwoordigheid van J. van Twist, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

De jongste rechter buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 30 december 2017 te Rotterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een persoon genaamd [naam slachtoffer] van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet (met kracht)

- die [naam slachtoffer] op/tegen het gezicht/hoofd heeft gestompt, (als gevolg waarvan die [naam slachtoffer] hard ten val is gekomen) en/of

- ( vervolgens), terwijl die [naam slachtoffer] op de grond lag, die [naam slachtoffer] met geschoeide voet op/tegen het hoofd/gezicht heeft geschopt/getrapt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.