Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:454

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
09-01-2018
Datum publicatie
25-01-2018
Zaaknummer
6412476
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Werknemer is voor strafbare handelingen in privésfeer (o.a. drugsbezit) veroordeeld; ontbinding op g-grond. Ontbinding is het gevolg van ernstig verwijtbaar handelen; opzegtermijn niet in acht genomen, gedeeltelijke transitievergoeding toegekend

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2018/485
AR-Updates.nl 2018-0132
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 6412476 \ VZ VERZ 17-26745

uitspraak: 9 januari 2018

beschikking van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

ECT Delta Terminal B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

verzoekster,

gemachtigde: mr. R.L. van Heusden,

tegen

[verweerder]

wonende te [plaatsnaam],

verweerder,

gemachtigde: mr. V.M. Weski.

Partijen worden hierna aangeduid als “ECT” respectievelijk “ [verweerder] ”.

1 Het verloop van de procedure

Van de volgende processtukken is kennisgenomen:

  • -

    het verzoekschrift, met producties, ontvangen op 24 oktober 2017;

  • -

    de brief d.d. 30 november 2017 met één productie aan de zijde van [verweerder] ;

  • -

    de bij gelegenheid van de mondelinge behandeling overgelegde pleitaantekeningen aan de zijde van ECT

  • -

    de bij gelegenheid van de mondelinge behandeling overgelegde pleitaantekeningen

aan de zijde van [verweerder] ;

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 19 december 2017. Aan de zijde van ECT zijn ter zitting verschenen mw. [B.] (legal counsel HR), dhr. [C.] (general manager van de afdeling waar [verweerder] werkzaam is) en dhr. [D.] (de direct leidinggevende van [verweerder] ), bijgestaan door de gemachtigde van ECT. [verweerder] is in persoon ter zitting verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde.

De kantonrechter heeft de uitspraak van deze beschikking bepaald op heden.

2 De feiten

In deze procedure wordt uitgegaan van de volgende feiten:

2.1

ECT is een in Rotterdam gevestigde logistieke dienstverlener. Zij maakt deel uit van een concern waartoe onder meer Europe Container Terminals B.V. en ECT Home Terminal B.V. horen. Gezamenlijk vormen deze drie ondernemingen de grootste containerterminal in Europa. De activiteiten vinden in volcontinubedrijf plaats op twee terminals: ECT Delta Terminal (Maasvlakte) en Euromax Terminal Rotterdam (Maasvlakte).

2.2

ECT hanteert een streng anti alcohol- en drugsbeleid. Dit doet zij vanuit het oogpunt van het waarborgen van de veiligheid en gezondheid van haar medewerkers én vanwege het feit dat drugssmokkel, waarbij hulp wordt verkregen van geronselde ECT-medewerkers, een ontwrichtend effect op de bedrijfsvoering van ECT heeft en schade berokkent aan haar goede naam en reputatie.

2.3

ECT heeft de zogenoemde AEO-status (Authorised Economic Operator). Deze AEO-status vrijwaart ECT van bepaalde douaneformaliteiten, hetgeen een belangrijke tijdwinst oplevert bij de afhandeling en doorvoer van containers.

2.4

ECT eist van haar medewerkers dat zij bij indiensttreding, of kort na indiensttreding, een geldige VOG-verklaring (Verklaring Omtrent Gedrag) kunnen overleggen. Het niet verkrijgen van deze verklaring staat aan indiensttreding in de weg.

2.5

[verweerder] , geboren op [geboortedatum] 1982, is sinds 6 juni 2008 bij ECT in dienst, laatstelijk in de functie van Terminal Operator B3.

2.6

Het loon van [verweerder] bedraagt thans € 4.351,75 bruto per maand, inclusief toeslagen.

2.7

Op 27 januari 2017 is [verweerder] door een derde ziekgemeld bij ECT.

2.8

Op 31 januari 2017 vernam ECT dat [verweerder] op 27 januari 2017 was aangehouden op verdenking van drugshandel en het bezit van vuurwapens en harddrugs, en om die reden voor twee weken in bewaring was gesteld.

2.9

Bij brief d.d. 31 januari 2017 heeft ECT het volgende aan [verweerder] geschreven:

“(…)

Vanaf uw onterechte ziekmelding d.d. 27 januari 2017 (gedaan door uw partner) en gedurende de inbewaringstelling stoppen wij de loondoorbetaling en blokkeren wij het gebruik van de ECT-badge.

(…)

In het geval dat u wordt vrijgelaten en u bent nog verdachte, en u zich meldt voor het hervatten van uw werkzaamheden, ziet ECT zich, gezien de aard van de verdenking (te weten drugshandel; bezit van vuurwapens en harddrugs), genoodzaakt de non-actiefstelling te handhaven in afwachting van de uitkomst of deze verdenking juist is of niet. Ingeval van verdenking is ECT in beginsel gehouden u het loon door te betalen. Van ECT kan echter in redelijkheid niet verlangd worden de non-actiefstelling met behoud van loon maanden voort te zetten. In dat geval wenst ECT met u te praten over de ontstane situatie en de gevolgen daarvan.

In het licht van het voorgaande verzoeken wij u ons op de hoogte te houden van de voortgang.

(…)”

2.10

Nadat ECT had vernomen dat de inbewaringstelling vanaf 10 februari 2017 verlengd was, heeft zij bij brief d.d. 10 februari 2017 omtrent de non-actiefstelling en loonbetaling hetzelfde medegedeeld aan [verweerder] als zij in voornoemde brief van 31 januari 2017 had gedaan en wederom aan [verweerder] verzocht haar op de hoogte te houden van de voortgang.

2.11

Op 18 augustus 2017 heeft [verweerder] zich weer beschikbaar gesteld voor het verrichten van werkzaamheden. Zijn voorlopige hechtenis was geschorst.

2.12

Bij brief d.d. 21 augustus 2017 heeft ECT het volgende aan [verweerder] geschreven:

“(…)

Hierbij bevestigen wij dat u zich op vrijdag 18 augustus 2017 weer beschikbaar stelde voor het verrichten van uw werkzaamheden. Gezien het feit dat u nog verdachte bent, ziet ECT zich, gezien de aard van de verdenking (te weten drugshandel; bezit van vuurwapens en harddrugs), genoodzaakt u op non-actief te stellen met ingang van 19 augustus 2017 in afwachting van de uitkomst of deze verdenking juist is of niet.

Ingeval van verdenking is ECT in beginsel gehouden u het loon door te betalen. Vanaf

19 augustus 2017 hervat ECT de loondoorbetaling aan u. Van ECT kan echter in redelijkheid niet verlangd worden de non-actiefstelling met behoud van loon maanden voort te zetten. ECT nodigt u binnenkort uit voor een gesprek om met u te praten over de ontstane situatie en de gevolgen daarvan.

(…)”

2.13

Bij brief d.d. 31 augustus 2017 heeft ECT [verweerder] uitgenodigd voor een gesprek op

25 september 2017.

2.14

Bij vonnis d.d. 21 september 2017 is [verweerder] veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, waaronder 6 voorwaardelijk. Daartoe heeft de rechtbank bewezen geacht dat [verweerder] zich schuldig heeft gemaakt aan verboden drugs- en vuurwapenbezit, cocaïnehandel en het witwassen van zwart geld.

2.15

Op de dag van de uitspraak heeft de rechtbank de opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis bevolen. [verweerder] is vanaf dat moment weer gedetineerd.

2.16

ECT heeft van deze veroordeling vernomen via een medewerker van ECT die bij de uitspraak aanwezig was. ECT heeft vervolgens een afschrift van het strafvonnis opgevraagd en ontvangen.

2.17

Bij brief d.d. 21 september 2017 heeft ECT als volgt bericht aan [verweerder] :

“(…)

Bij brief d.d. 31 augustus 2017 hebben wij u uitgenodigd voor een gesprek op maandagmiddag

25 september 2017. Tot op heden hebben wij geen reactie op deze uitnodiging ontvangen.

Hierbij delen wij u mee dat wij ons genoodzaakt zien deze uitnodiging te annuleren, omdat u wegens detentie op 25 september 2017 geen gehoor kunt geven aan deze uitnodiging.

In verband met uw detentie vanaf vrijdag 22 september 2017 stoppen wij met ingang van vrijdag 22 september 2017 de loondoorbetaling aan u.

(…)”

2.17

[verweerder] heeft hoger beroep ingesteld tegen een deel van het strafvonnis, namelijk tegen de veroordeling wegens – kort gezegd- meermalen verkopen, afleveren en /of vervoerd van cocaIne, het wiswassen van geld dat afkomstig is uit eigen misdrijf en verboden wapenbezet.

3 Het verzoek en de grondslag daarvan

3.1

ECT heeft verzocht de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst te ontbinden per een zo vroeg mogelijke datum en voor recht te verklaren dat [verweerder] geen transitievergoeding toekomt, met veroordeling van [verweerder] in de kosten van het geding.

3.2

ECT heeft aan dit verzoek naast de hiervoor genoemde vaststaande feiten - zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang - het volgende ten grondslag gelegd.

3.2.1

[verweerder] heeft zich ernstig verwijtbaar gedragen door

1) zich schuldig te maken aan de ernstige misdrijven die hebben geleid tot zijn veroordeling, met grote schade voor ECT tot gevolg, zowel financieel als wat betreft haar goede naam;

2) ECT niet op de hoogte te stellen van zijn aanhouding, doch in plaats daarvan een onterechte ziekmelding te doen; en

3) niet de door ECT gevraagde openheid van zaken te geven, waar het gaat om het verstrekken van informatie uit zijn procesdossier.

De verwijtbare gedragingen van [verweerder] zijn zodanig ernstig dat van ECT in de gegeven omstandigheden niet gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Er is dus sprake van een ontbindingsgrond als bedoeld in artikel 7:669 lid 3 sub e BW.

3.2.2

De hiervoor genoemde verwijtbare gedragingen brengen wat betreft ECT ook mee dat de arbeidsrelatie diepgravend en onherstelbaar verstoord is geraakt, zodat sprake is van een ontbindingsgrond als bedoeld in artikel 7:669 lid 3 sub g BW.

3.2.3

Herplaatsing ligt in de onderhavige bijzondere situatie niet in de rede en ECT ziet bovendien geen mogelijkheden voor herplaatsing van [verweerder] .

3.2.4

Op grond van artikel 7:673 BW zou aan [verweerder] in beginsel een transitievergoeding toekomen ter hoogte van € 13.056,00 bruto. ECT meent echter dat in casu sprake is van ernstig verwijtbaar handelen dan wel nalaten van [verweerder] als bedoeld in artikel 7:673 lid 7 sub c BW, en dat aan [verweerder] dus geen transitievergoeding toekomt.

3.2.5

Gelet op de ernstige verwijtbaarheid aan de kant van [verweerder] bestaat naar de mening van ECT aanleiding de ontbindingsdatum vast te stellen op een eerder tijdstip dan bedoeld in artikel 7:671b lid 8 sub a BW. ECT doet in dit verband een beroep op artikel 7:671b lid 8 sub b BW en verzoekt de kantonrechter de arbeidsovereenkomst zo spoedig mogelijk te beëindigen.

4 Het verweer

4.1

Het verweer strekt primair tot afwijzing van het ontbindingsverzoek en subsidiair, in het geval van toewijzing van het ontbindingsverzoek, tot toekenning van een transitievergoeding van € 13.056,00 aan [verweerder] . Voorts heeft [verweerder] verzocht om de wettelijke bepalingen omtrent de opzegtermijn en ontbindingsdatum in acht te nemen, indien overgegaan zal worden tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst.

4.2

[verweerder] heeft daartoe - zakelijk weergegeven en voor zover van belang - het volgende aangevoerd:

4.2.1

Uitgangspunt in het Nederlandse rechtssysteem is de onschuldpresumptie. [verweerder] heeft hoger beroep ingesteld tegen het strafvonnis, zodat niet vaststaat of de veroordeling in eerste aanleg terecht is. Ontbinding van de arbeidsovereenkomst is thans reeds daarom prematuur. Maar ook indien de veroordeling van [verweerder] in hoger beroep bekrachtigd wordt, zou die bekrachtiging er niet toe moeten leiden dat de arbeidsovereenkomst ontbonden wordt. Er is immers geen relatie tussen de strafzaak en de arbeidsovereenkomst tussen partijen.

4.2.2

[verweerder] kan niet verweten worden dat hij ECT niet op de hoogte heeft gehouden over zijn aanhouding en dat hij geen openheid van zaken heeft gegeven over de strafrechtelijke procedure. [verweerder] zat in de eerste periode van zijn hechtenis in volledige beperkingen en was dus niet in staat om zelf ECT te informeren. Waarschijnlijk heeft iemand uit zijn naaste omgeving, die op dat moment ook niet wist wat er aan de hand was, hem ziek gemeld. ECT heeft niet lang daarna vernomen wat er werkelijk aan de hand was. Het is niet zo dat ECT ten onrechte aan [verweerder] salaris dat niet meer teruggevorderd kan worden, heeft doorbetaald. ECT is door het OM volledig op de hoogte gehouden over de strafrechtelijke procedure. ECT heeft dan ook geen schade geleden. Een werknemer is alleen al op grond van de bescherming van privacy niet verplicht volledig inzicht in zijn strafrechtelijk dossier te geven, zeker niet als de strafrechtelijke verdenking geen verband houdt met het werk of bedrijf van de werkgever.

4.2.3

[verweerder] heeft zich in zijn functie tijdens werktijden en/of op de werkplek nimmer verwijtbaar gedragen. Hij heeft zijn werk altijd goed uitgevoerd.

Van een verstoorde arbeidsverhouding tussen partijen is geen sprake, althans niet van een onherstelbaar verstoorde arbeidsrelatie.

[verweerder] dient recht te hebben op een tweede kans in de maatschappij en dus ook bij ECT, voor welk bedrijf hij bijna 10 jaar zeer loyaal, plichtsgetrouw en hard gewerkt heeft.

4.2.4

Indien er overgegaan zal worden tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst, zal de kantonrechter naar de mening van [verweerder] de opzegtermijn in acht moeten nemen en aan hem een transitievergoeding moeten toekennen. Er is immers geen sprake van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten door [verweerder] . Zelfs indien de veroordeling in hoger beroep stand houdt, geldt dat de betreffende misdrijven geen verband houden met de arbeidsovereenkomst en daarom niet ernstig verwijtbaar kunnen zijn jegens ECT.

De transitievergoeding is bovendien juist mede bedoeld om de overgang naar ander betaald werk te vergemakkelijken. Indien de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden zal [verweerder] - na een periode van hechtenis - deze vergoeding nodig hebben om nieuw werk te kunnen vinden.

5 De beoordeling

5.1

Gesteld noch gebleken is dat er in deze zaak een opzegverbod aan de orde is dan wel dat het verzoek van ECT met het bestaan van een dergelijk verbod verband houdt. Daarvan wordt bij de verdere beoordeling dan ook uitgegaan.

5.2

De kantonrechter stelt voorop dat uit artikel 7:669 lid 1 BW volgt dat de arbeidsovereenkomst alleen kan worden opgezegd indien daar een redelijke grond voor is en herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn niet mogelijk is of niet in de rede ligt. Die eisen gelden ingevolge artikel 7:671b lid 2, eerste volzin, BW ook voor de ontbinding van de arbeidsovereenkomst door de kantonrechter. In artikel 7:669 lid 3 BW is onder a t/m h (limitatief) omschreven wat onder een redelijke grond moet worden verstaan.

ECT heeft om ontbinding van de arbeidsovereenkomst tussen partijen verzocht primair op de zogenoemde e-grond, te weten verwijtbaar handelen of nalaten van de werknemer, zodanig dat van de werkgever in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren, en subsidiair op de zogenoemde g-grond, te weten een verstoorde arbeidsverhouding, zodanig dat van de werkgever in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren.

5.3

Feitelijk vult ECT de e-grond op dezelfde manier in als zij de g-grond invult.

De kantonrechter stelt daarom in het kader van de beoordeling van beide gestelde ontbindingsgronden voorop dat, zoals ook [verweerder] heeft betoogd, ook in het arbeidsrecht het beginsel geldt dat iemand aan enig strafbaar feit onschuldig is, indien en zolang zijn schuld niet is komen vast te staan (de onschuldpresumptie). De onschuldpresumptie geldt ook ten aanzien van strafbare feiten, die in eerste aanleg bewezen worden geacht en waartegen een hoger beroep is gericht. In het onderhavige geval is vast komen te staan dat [verweerder] niet in hoger beroep is gegaan tegen zijn veroordeling voor zover die gegrond is op het - kort gezegd - opzettelijk in bezit hebben van harddrugs en het opzettelijk telen van hennep.

5.4

Ter beoordeling ligt allereerst de vraag voor of het drugsbezit en de hennepteelt, eventueel in samenhang met de verwijten die ECT [verweerder] maakt ten aanzien van de informatieverstrekking vanaf het moment van aanhouding, voor zover terecht, zodanig verwijtbaar zijn aan [verweerder] dat van ECT niet gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst voort te laten duren.

Voor ontbinding van een arbeidsovereenkomst op de e-grond komt het de kantonrechter voor dat het handelen dat een werknemer wordt verweten, in de uitoefening van zijn functie heeft plaatsgevonden of in sterke mate verband houdt met zijn werkzaamheden. Vaststaat dat de strafbare handelingen, waarvan vaststaat dat [verweerder] die heeft verricht, hebben plaatsgevonden in de privésfeer. ECT heeft ter zitting weliswaar een vermoeden getoond van verkoop van drugs door [verweerder] aan een andere medewerker van ECT, maar heeft dit vermoeden op geen enkele wijze onderbouwd, zodat dit vermoeden gepasseerd wordt. Hoewel de kantonrechter van oordeel is dat van ECT in beginsel, gelet op haar bijzondere positie en de aard van haar bedrijfsvoering, niet verlangd hoeft te worden een voor drugsbezit veroordeelde werknemer in dienst te houden, acht de kantonrechter een beëindiging van de arbeidsovereenkomst op de e-grond vanwege deze strafbare gedragingen in de privésfeer te vergaand.

Nog daargelaten hetgeen ten aanzien van de overige verwijten naar voren is gebracht door [verweerder] , oordeelt de kantonrechter dat ook indien juist is dat [verweerder] opdracht heeft gegeven aan zijn vriendin tot het doen van een valse ziekmelding en ECT niet op de hoogte heeft gehouden van het strafproces, één en ander in samenhang bezien met het drugsbezit en de hennepteelt, onder de gegeven omstandigheden niet zodanig verwijtbaar geacht wordt dat de arbeidsovereenkomst ontbonden moet worden op de e-grond.

5.5

De kantonrechter acht gerechtvaardigd dat ECT, gelet op haar bijzondere positie in de Rotterdamse haven en haar AEO-status, alsmede gelet op haar kwetsbare positie op het gebied van drugssmokkel juist vanwege haar fysieke ligging en activiteiten, op geen enkele wijze geassocieerd wenst te worden met drugs(bezit) en zeker niet met drugsbezit in de hoeveelheid welke bij [verweerder] is aangetroffen, welke een hoeveelheid voor eigen gebruik verre overstijgt. Met ECT is de kantonrechter van oordeel dat de aard van ECT als logistieke dienstverlener en de locatie van ECT met zich brengen dat ECT erop moet kunnen vertrouwen dat haar medewerkers zich niet schuldig maken aan strafbare feiten zoals het in bezit hebben van harddrugs en dat aan personeel van ECT gelet op de risico’s gerelateerd aan de werkplek in de haven en de geldende beveiligingsvoorschriften hoge integriteitseisen mogen worden gesteld.

De kantonrechter acht dan ook begrijpelijk en bovendien gerechtvaardigd dat ECT, nu vaststaat dat [verweerder] zich heeft schuldig gemaakt aan harddrugsbezit en hennepteelt, het vertrouwen in [verweerder] als werknemer en in een voortzetting van de samenwerking met hem is verloren. Dit brengt in casu mee dat sprake is van een zodanige verstoring van de arbeidsverhouding dat van ECT niet verlangd hoeft te worden de arbeidsovereenkomst met [verweerder] voort te laten duren en dat bovendien herplaatsing niet in de rede ligt.

De arbeidsovereenkomst zal dan ook worden ontbonden op de g-grond. Omdat ontbinding op de g-grond plaatsvindt vanwege het voorhanden hebben van harddrugs en de hennepteelt, zullen de overige verwijten in het kader van de beoordeling van deze ontbindingsgrond onbesproken blijven.

5.6

Hoewel de arbeidsovereenkomst niet ontbonden wordt op grond van verwijtbaar handelen, acht de kantonrechter het feit dat uiteindelijk ontbinding van de arbeidsovereenkomst plaatsvindt vanwege het in bezit hebben van harddrugs en de hennepteelt ernstig verwijtbaar aan [verweerder] . [verweerder] heeft zich immers schuldig gemaakt aan misdrijven, waardoor hij het vertrouwen van ECT onwaardig is geworden.

5.7

Omdat de ontbinding van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen door [verweerder] , zal de kantonrechter op de voet van artikel 7:671b lid 8 sub b zonder acht te slaan op de opzegtermijn de arbeidsovereenkomst per 1 februari 2018 ontbinden.

5.8

Ten aanzien van de transitievergoeding wordt het volgende overwogen.

De transitievergoeding is bedoeld als financiële compensatie voor de gevolgen van het ontslag van de werknemer én als financiële steun om de overstap naar een andere baan te organiseren. In beginsel is de werkgever geen transitievergoeding verschuldigd aan de werknemer indien het eindigen van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen van de werknemer. Artikel 7:673 lid 8 BW geeft de kantonrechter de mogelijkheid om ook in het geval dat de werknemer ernstig verwijtbaar heeft gehandeld, toch geheel of gedeeltelijk een transitievergoeding toe te kennen, indien het niet toekennen daarvan naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. In het onderhavige geval acht de kantonrechter naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar [verweerder] geen transitievergoeding toe te kennen, nu als weersproken vaststaat dat hij sinds zijn indiensttreding, en dus ruim 9 jaar, goed heeft gefunctioneerd alsmede gelet op de ontstane persoonlijke omstandigheden van [verweerder] , één en ander in het licht bezien van de ratio van de transitievergoeding. [verweerder] zal zolang hij in detentie zit namelijk geen aanspraak kunnen maken op enige uitkering en voor de periode na detentie geldt dat de kantonrechter, mede omdat [verweerder] naar alle waarschijnlijk geen VOG zal krijgen voor werkzaamheden als hij gewend was te verrichten bij ECT, aannemelijk acht dat de kansen van [verweerder] op de arbeidsmarkt aanzienlijk verminderd zullen zijn. De kantonrechter zal derhalve een gedeeltelijke transitievergoeding ad

€ 5.000,00 bruto aan [verweerder] toekennen ten laste van ECT.

5.9

Nu aan [verweerder] een transitievergoeding wordt toegekend, terwijl ECT geen transitievergoeding wenst te betalen aan [verweerder] , zal aan ECT op grond van artikel 7:686a lid 6 BW een termijn worden geboden om het ontbindingsverzoek in te trekken.

5.10

[verweerder] wordt als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten veroordeeld, indien ECT niet overgaat tot intrekking van het ontbindingsverzoek. Indien ECT het verzoek intrekt, zal zij in de proceskosten worden veroordeeld.

6 De beslissing

De kantonrechter:

stelt ECT in de gelegenheid het verzoek in te trekken door middel van een uiterlijk op dinsdag 23 januari 2018 te 10:00 uur ter griffie te ontvangen schriftelijke mededeling met gelijktijdige toezending van een afschrift daarvan aan de wederpartij;

veroordeelt in dat geval ECT in de kosten van de procedure, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] vastgesteld op € 600,00 aan salaris voor de gemachtigde;

en voor het geval het verzoek niet of niet tijdig wordt ingetrokken:

ontbindt de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst met ingang van 1 februari 2018;

kent aan [verweerder] ten laste van ECT een vergoeding toe van €5.000,00 bruto en veroordeelt ECT deze vergoeding te betalen;

veroordeelt [verweerder] in de kosten van de procedure, tot aan deze uitspraak aan de zijde van ECT vastgesteld op € 117,00 aan griffierecht en € 600,00 aan salaris voor de gemachtigde.

Deze beschikking is gegeven door mr. C.H. Kemp-Randewijk en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

757