Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:4492

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
07-06-2018
Datum publicatie
08-06-2018
Zaaknummer
AWB - 18 _ 2456
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Nu het voortbestaan van eiseres na een eerste sluiting van drie maanden in gevaar is en verweerder eiseres geen enkel perspectief biedt terwijl de instelling, zoals verweerder meerdere malen heeft bevestigd, geen verwijt treft, overweegt de voorzieningenrechter dat verweerder in zijn afweging in het bestreden besluit onvoldoende, althans onvoldoende inzichtelijk, rekening houdt met de belangen van eiseres, hoe groot het belang van de openbare orde in het algemeen ook is. Daarbij onderbouwt verweerder niet dat er thans nog sprake is van een dreiging van de verstoring van de openbare orde, anders dan dat het politieonderzoek niet is afgerond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 4

zaaknummer: ROT 18/2456

uitspraak van de voorzieningenrechter van 7 juni 2018 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[eiseres] , te Rotterdam, verzoekster,

gemachtigde: mr. J. Nagtegaal,

en

de burgemeester van de gemeente Rotterdam, verweerder,

gemachtigden: mr. S.B.H. Fijneman, mr. C.W. de Jong en drs. L. Voncke.

Procesverloop

Bij besluit van 24 april 2018 heeft verweerder de openbare inrichting [eiseres] , gevestigd aan de [adres] te Rotterdam ( [eiseres] ), op grond van artikel 2:30, eerste lid, aanhef en onder b, gelezen in samenhang met artikel 2:28, zesde lid, aanhef en onder a en b, alsmede op grond van artikel 2:30, eerste lid, aanhef en onder d, gelezen in samenhang met artikel 1:8, eerste lid, aanhef en onder a, van de Algemene plaatselijke verordening Rotterdam 2012 (APV), welke artikelen kort gezegd zien op de bescherming van de openbare orde, in aansluiting op een eerdere sluiting van drie maanden, voor een periode van drie maanden gesloten verklaard.

Tegen dit besluit heeft verzoekster bezwaar gemaakt. Ook heeft verzoekster de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 mei 2018. Verzoekster heeft zich laten vertegenwoordigen door haar bestuurder en exploitant, [persoon 1] ( [persoon 1] ), bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1.1.

Op 2 mei 2016 is aan verzoekster, met [persoon 1] als bestuurder, een exploitatievergunning verleend. Op 15 december 2017 werd op de openbare weg tegen de gevel van [eiseres] een op scherp staande handgranaat aangetroffen. Op 16 december 2017 werd tegen de gevel en de deur van het naast [eiseres] gevestigde restaurant een explosief, vermoedelijk een zware vuurwerkbom, tot ontploffing gebracht. Op 19 december 2017 werd graffiti aangetroffen op de in- en uitgangsdeur van het naast [eiseres] gevestigde restaurant. Op 20 december 2017 werden op het trottoir, direct voor de trap naar de ingang van [eiseres] , patroonhulzen aangetroffen en kogelgaten in de toegangsdeur van [eiseres] . Op 20 december 2017 heeft [persoon 1] aangifte gedaan van bedreiging. Diezelfde dag is [eiseres] voor een periode van twee weken gesloten (spoedsluiting).

1.2.

Bij besluit van 23 januari 2018 heeft verweerder [eiseres] in het belang van de openbare orde, op grond van artikel 2:30, eerste lid, aanhef en onder b, in verbinding met artikel 2:28, zesde lid, aanhef en onder a en b, van de APV, voor een periode van drie maanden gesloten. Bij besluit van 9 mei 2018 heeft verweerder het bezwaar van verzoekster tegen dat besluit ongegrond verklaard.

1.3.

Op 9 april 2018 heeft R.H. de Brie van de politie-eenheid Rotterdam, district Rijnmond Oost, rapport uitgebracht over de stand van zaken van het strafrechtelijk onderzoek naar de incidenten bij [eiseres] . Daaruit komt naar voren dat voor het graffiti- incident drie verdachten zijn aangehouden en dezelfde dag heengezonden. De zaak is vooralsnog (en in afwachting van mogelijk ander bewijs) nog niet geseponeerd. Tot op heden ontbreekt ieder aanvullend bewijs tegen de drie aangehouden verdachten. Er wordt nog onderzoek gedaan aan de in beslag genomen telefoons van deze verdachten. Met betrekking tot de andere incidenten zijn geen verdachten in beeld gekomen tot dusver. DNA-onderzoek, Team Criminele Inlichtingen en andere informatiebronnen hebben tot dusver niets opgeleverd. Over de afname van de dreiging kan geen uitspraak gedaan worden, omdat het onderzoek nog gaande is en niet geleid heeft tot aanhoudingen. De feitelijke situatie is onveranderd bij [eiseres] en bij de huidige stand van zaken kan de politie geen garantie geven voor de veiligheid van personeel en bezoekers, aldus het rapport.

2. Indien voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank tegen een besluit bezwaar is gemaakt, kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd kan worden in de hoofdzaak op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Voor zover de daartoe uit te voeren toetsing meebrengt dat de rechtmatigheid van het bestreden besluit wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter een voorlopig karakter en is dat oordeel niet bindend voor de beslissing op bezwaar of in een eventuele beroepsprocedure.

3. In het bestreden besluit heeft verweerder zich, met verwijzing naar het politierapport van 9 april 2018, op het standpunt gesteld dat het strafrechtelijk onderzoek nog gaande is en nog niet heeft geleid tot aanhoudingen, zodat de situatie feitelijk onveranderd is. Verweerder acht daarbij van belang dat vermoedelijk sprake is van verwevenheid tussen de genoemde geweldsincidenten en de exploitant, dan wel de exploitatie, van [eiseres] , en van een lopend conflict tussen de exploitant en derden en dat het geweld vermoedelijk afkomstig is uit de hoek van de zware criminaliteit. Daarom dient volgens verweerder het belang van de bescherming van de openbare orde en de veiligheid van het woon- en leefklimaat in de omgeving zwaarder te wegen dan verzoeksters belang bij heropening van de inrichting.

4. Verzoekster stelt zich op het standpunt dat het bestreden besluit onrechtmatig is. Volgens verzoekster is een tweede sluiting van drie maanden in strijd met het beleid van de burgemeester. Voorts was de burgemeester volgens haar niet bevoegd tot sluiting omdat de incidenten in 2017 niet in of vanuit de inrichting hebben plaats gevonden, omdat de leefbaarheid in de omgeving van de inrichting niet wordt aangetast door de exploitatie en omdat een tweede sluiting van drie maanden niet in het belang is van de openbare orde.

Verzoekster heeft aangevoerd dat zij veel schade heeft geleden door de eerste sluiting van drie maanden. Thans is er sprake van een actuele financiële noodsituatie waardoor de continuïteit van de onderneming wordt bedreigd. Volgens verzoekster is er, anders dan verweerder stelt, geen sprake van een lopend conflict met de exploitant van [eiseres] . In 2016 is een bezoeker, die zich misdroeg, de onderneming uitgezet en vervolgens gearresteerd. Deze bezoeker heeft later geprobeerd [eiseres] af te persen en hij heeft geweld gebruikt tegen de instelling. De bezoeker zit al geruime tijd vast en verzoeker is sinds de incidenten in 2017 niet meer bedreigd of afgeperst. [eiseres] zelf treft geen verwijt, zij heeft steeds meegewerkt met de politie. [eiseres] heeft een zeer uitvoerig veiligheidsplan laten opstellen. Veiligheidsspecialist [persoon 2] , voorheen “rechercheur bijzondere wetten” en “evenementen coördinator bij de politie Rotterdam-Rijnmond district West” -met 25 jaar ervaring bij de politie-, is van mening dat dit plan voorziet in meer dan benodigd is voor een normale exploitatie en dat het ruim voldoet voor de beveiliging van [eiseres] . De heer [persoon 2] is het niet eens met het politierapport en de conclusie die daarin wordt getrokken en heeft dit onderbouwd in een “beveiligingsscan”.

5.1.

De voorzieningenrechter acht het bestreden besluit niet zonder meer in strijd met het beleid van de burgemeester en hij acht de burgemeester bevoegd over te gaan tot sluiting dan wel verlenging van een sluiting in het belang van de openbare orde. De vraag is of de openbare orde thans nog zodanige bescherming behoeft dat dit een tweede sluiting van drie maanden van [eiseres] rechtvaardigt. Tegen het belang van de openbare orde, waaronder valt de veiligheid van bezoekers en personeel van de inrichting en de leefbaarheid in de omgeving daarvan, moeten de belangen van [eiseres] zorgvuldig zijn gewogen.

De voorzieningenrechter stelt vast dat het politieonderzoek, dat in december 2017 is aangevangen, tot dusverre geen resultaat heeft opgeleverd. Verweerder kon ter zitting geen nadere concrete informatie geven over het politieonderzoek, niet over een aanpak in deze stand van zaken of over de te verwachten duur. Verweerder kon voorts niets zeggen over haar mogelijke opstelling, als het politieonderzoek onverhoopt over drie maanden (derhalve na ommekomst van een tweede sluiting van drie maanden) nog niets opgeleverd zal hebben of zonder resultaat afgerond zal worden. Gezien het tijdsverloop heeft verweerder naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet in redelijkheid kunnen volstaan met het antwoord dat de zaak na drie maanden opnieuw zal worden bekeken; een meer constructieve houding was aangewezen. Verweerder kon ter zitting niet beamen dat hij heeft gezocht naar minder vergaande maatregelen ter bescherming van de openbare orde. Niet is gebleken dat verweerder in de afgelopen maanden heeft onderzocht hoe hij zelf, eventueel in een verdergaande samenwerking met [eiseres] , kan bijdragen aan het herstel en de bescherming van de openbare orde en veiligheid in en rond de inrichting, terwijl dit eveneens een taak is van de burgemeester. Nu het voortbestaan van [eiseres] na een eerste sluiting van drie maanden in gevaar is en verweerder [eiseres] geen enkel perspectief biedt terwijl de instelling, zoals verweerder meerdere malen heeft bevestigd, geen verwijt treft, overweegt de voorzieningenrechter dat verweerder in zijn afweging in het bestreden besluit onvoldoende, althans onvoldoende inzichtelijk, rekening houdt met de belangen van [eiseres] , hoe groot het belang van de openbare orde in het algemeen ook is.

Daarbij onderbouwt verweerder niet dat er thans nog sprake is van een dreiging van de verstoring van de openbare orde, anders dan dat het politieonderzoek niet is afgerond. Verweerder gaat, zonder dit nader te motiveren, uit van een voortdurend lopend conflict met de exploitant van [eiseres] , maar is niet ingegaan op het in verband hiermee door [eiseres] gemelde incident met de (inmiddels gedetineerde) bezoeker in 2016, als aanleiding van de geweldsdelicten. [eiseres] heeft aantoonbare inspanningen verricht om de veiligheid van de instelling te verbeteren en te garanderen, zoals het uitwerken van een veiligheidsplan. [eiseres] heeft de hiervoor sub 4 genoemde heer [persoon 2] als veiligheidsspecialist om advies gevraagd. Hij is blijkens de door hem opgestelde beveiligingsscan van mening dat het veiligheidsplan voorziet in meer dan benodigd is voor een normale exploitatie en dat het ruim voldoet voor de beveiliging van [eiseres] . Tegen deze achtergrond heeft verweerder zijn standpunt, dat de veiligheid van bezoekers en personeel niet kan worden gegarandeerd nu de feitelijke situatie bij [eiseres] onveranderd is, onvoldoende onderbouwd. Daarbij rijst de vraag in hoeverre veiligheid rondom openbare gelegenheden gegarandeerd kan worden.

5.2.

Onder deze omstandigheden ziet de voorzieningenrechter aanleiding het bestreden besluit te schorsen totdat op het bezwaar van verzoekster tegen het bestreden besluit is beslist.

6. Reeds uit het voorgaande volgt dat in bezwaar het bestreden besluit naar verwachting niet in stand kan blijven, zodat er aanleiding is voor het treffen van een voorlopige voorziening in de zin van schorsing van het bestreden besluit totdat op het daartegen gerichte bezwaar is beslist.

7. De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de door verzoekster gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.002,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 501,- en wegingsfactor 1).

Beslissing

De voorzieningenrechter:

  • -

    wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe en schorst het bestreden besluit totdat op het bezwaar van verzoekster tegen het bestreden besluit is beslist;

  • -

    bepaalt dat verweerder aan verzoekster het betaalde griffierecht van € 338,- vergoedt;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van € 1.002,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.P.M. Jurgens, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van M.G. den Ambtman, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 juni 2018.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.