Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:4470

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
06-06-2018
Datum publicatie
21-06-2018
Zaaknummer
C/10/531706 / HA ZA 17-731
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Procedure tussen gewezen echtelieden. Vrouw vordert verkoop woning dan wel herfinanciering door man, omdat bank weigert vrouw te ontslaan uit hoofdelijke aansprakelijkheid. Vordering afgewezen op grond van artikel 6:8 BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven

Zaaknummer / rolnummer: C/10/531706 / HA ZA 17-731

Vonnis van 6 juni 2018

in de zaak van

[eiseres] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiseres,

advocaat mr. M. Drenth te Dordrecht,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde,

advocaat mr. M.M.E. Bowmer te Dordrecht.

Partijen zullen hierna de vrouw en de man genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 11 juli 2017, met producties 1 t/m 12,

  • -

    de conclusie van antwoord, met producties 1 t/m 15,

  • -

    de oproepbrief van de rechtbank van 15 november 2017, waarin een comparitie van partijen is gelast,

  • -

    het op 29 januari 2018 namens de vrouw ingediende B3-formulier, met aanvullende producties 1 en 2,

  • -

    de brief van de rechtbank van 14 maart 2018, waarin is medegedeeld dat de zaak zal worden behandeld door een andere rechter dan de eerder aangekondigde rechter,

  • -

    de zittingsagenda van de rechtbank van 26 maart 2018,

  • -

    de brief van mr. Drenth van 16 april 2018, waarin de eis van de vrouw is verminderd en twee beschikkingen, gegeven in de echtscheidingszaak tussen partijen, zijn overgelegd,

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 20 april 2018.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Partijen zijn op 17 december 1999 onder het maken van huwelijkse voorwaarden met elkaar gehuwd.

2.2.

Op 13 december 2006 heeft de rechtbank Dordrecht de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Op 8 maart 2007 is de echtscheidingsbeschikking ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

2.3.

Voorafgaande aan het sluiten van het huwelijk, op 15 oktober 1996, heeft de man de eigendom verkregen van een woning, gelegen aan de [adres] (hierna: de woning). Partijen zijn nadien in de woning gaan wonen. ABN AMRO Bank N.V. (hierna: de bank) heeft ten behoeve van de aankoop en verbouwing van de woning geldleningen aan partijen verstrekt. Partijen hebben zich jegens de bank hoofdelijk verbonden voor de aflossing van deze leningen. De man heeft tot zekerheid aan de bank hypotheek op de woning verleend.

2.4.

Bij brief van 19 juli 2016 heeft de advocaat van de vrouw aan de man bericht:

“U bent al geruime tijd gescheiden, maar de hypotheek rustend op genoemde woning staat nog steeds op beider naam. […] Het is uiteraard onwenselijk dat u eigenaar bent van de woning en daar woont, terwijl u beiden verbonden bent aan de hypotheek rustende op deze woning. Vandaar aan u het verzoek om de hypotheek over te nemen en de bank te verzoeken cliënte te ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid ter zake deze hypotheek. […]”

2.5.

Bij e-mail van 22 juni 2017 heeft de bank aan de man medegedeeld:

“U heeft verzocht mevrouw [eiseres] te ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid ten behoeve van de volgende geldleningen: 60.73.79.634 + 49.57.66.261. Aan de hand van de door u ingeleverde benodigde stukken hebben wij uw aanvraag in behandeling genomen en beoordeeld. Het verzoek is op basis van het inkomen afgewezen. Helaas kan ik u niet anders berichten.”

3 Het geschil

3.1.

De vrouw vordert na vermindering van eis – verkort en zakelijk weergegeven – bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:

  1. primair: de man te veroordelen tot verkoop aan een derde van de woning middels makelaar Vijfvinkel Trossèl Makelaars te Dordrecht en met de verkoopopbrengst de aan de woning verbonden hypothecaire geldlening bij de bank af te lossen, waarbij de vrouw wordt ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid ter zake voornoemde hypothecaire geldlening, en waarbij de man dient te worden veroordeeld tot medewerking in de ruimste zin des woords aan de onderhandse vrije verkoop van de woning en voorts aan medewerking tot levering van de woning, waarbij de opdracht tot verkoop aan de makelaar binnen een maand na dagtekening van het vonnis wordt gedaan, dan wel te bepalen dat dit vonnis, met ingang van de dag gelegen twee maanden na dagtekening van het vonnis, dezelfde kracht heeft als de ontbrekende toestemming, wilsverklaring en/of medewerking van de man, indien hij niet meewerkt aan bovengenoemde gedwongen onderhandse verkoop van de woning dan wel levering van de woning,

  2. subsidiair: de man te veroordelen tot herfinanciering van de huidige hypothecaire geldlening bij de bank, zodat de vrouw wordt ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid ter zake die hypothecaire geldlening, binnen twee maanden na dagtekening van het vonnis, dan wel de man te verplichten om binnen twee maanden na dagtekening van het vonnis aan de vrouw minimaal twee recente hypotheekoffertes te verstrekken waaruit zijn aanvraag – met onderliggende stukken betreffende zijn inkomen en vermogen – tot herfinanciering van de hypothecaire geldlening bij de bank blijkt,

  3. met veroordeling van de man in de proceskosten.

3.2.

Het verweer van de man strekt tot afwijzing van de vordering, met veroordeling van de vrouw, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, in de kosten van het geding.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

De vrouw grondt haar vordering op de redelijkheid en billijkheid. Zij stelt daartoe dat van de man kan worden verlangd dat hij tot verkoop van de woning dan wel herfinanciering overgaat, nu de bank weigert de vrouw te ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid. Volgens de vrouw is het niet redelijk dat de man niet aflost op de schuld, terwijl zij de woning niet bewoont en constant de druk voelt van de schuld en het risico hiervoor te worden aangesproken. Er is sprake van een uitzichtloze situatie, aldus de vrouw. Daarnaast wordt zij door de schuld beperkt in haar financiële mogelijkheden.

4.2.

De man verzet zich tegen de verkoop van zijn woning. Daarnaast voert hij aan dat hij zich heeft ingespannen voor een herfinanciering, maar dat dit op grond van zijn huidige financiële situatie niet mogelijk is gebleken. Enkel de bank kan de vrouw ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid. Volgens de man brengen de redelijkheid en billijkheid niet met zich dat hij thans tot aflossing van de schuld dient over te gaan. De man voldoet alle lasten en de woning biedt voldoende zekerheid voor de aflossing van de schuld.

4.3.

In de kern is tussen partijen in geschil of thans van de man kan worden verlangd dat hij overgaat tot verkoop van de woning of herfinanciering.

4.4.

Indien twee schuldenaren hoofdelijk verbonden zijn, heeft de schuldeiser tegenover ieder van hen recht op nakoming voor het geheel. Nakoming door een schuldenaar bevrijdt ook zijn medeschuldenaar tegenover de schuldeiser. Voor de rechtsbetrekking tussen hoofdelijke schuldenaren onderling geldt dat de redelijkheid en billijkheid met zich kunnen brengen dat zij met elkaars belangen rekening moeten houden.

4.5.

De vrouw heeft zich – evenals de man – hoofdelijk verbonden, hetgeen betekent dat de bank tegenover haar recht heeft op nakoming ten aanzien van de gehele schuld. Bij het aangaan van de geldleningen heeft de vrouw daarmee een financieel risico aanvaard. Tot op heden is de vrouw niet aangesproken door de bank in verband met de lening tot zekerheid waarvan een recht van hypotheek op de woning is verleend. Indien de vrouw de destijds met de bank gemaakte afspraak wenst te herzien, zal zij daartoe in overleg met de bank dienen te treden. Immers, enkel een schuldeiser kan een schuldenaar ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid. Het feit dat de bank het eerdere (door de man gedane) verzoek tot haar ontslag niet heeft ingewilligd, kan er niet toe leiden dat de man thans kan worden verplicht tot het aflossen van de gehele hypothecaire schuld door het aangaan van een herfinanciering dan wel verkoop van de woning. Niet is gebleken dat zich omstandigheden voordoen die maken dat partijen op grond van de redelijkheid en billijkheid rekening dienen te houden met elkaars belangen, in die zin dat voormelde verkoop dan wel herfinanciering van de man kan worden verlangd. De enkele stellingen van de vrouw dat zij constant een druk voelt van de schuld en in haar financiële mogelijkheden wordt beperkt, zijn zonder nadere onderbouwing onvoldoende om de conclusie van de vrouw te rechtvaardigen dat de man zijn woning, waarin hij met zijn nieuwe partner woont en die hij volledig in eigendom heeft, dient te verkopen. Daarbij komt dat door de man onweersproken is gesteld dat de schuld een aflossingsvrije lening betreft, zodat daarop, in tegenstelling tot hetgeen de vrouw betoogt, niet tussentijds hoeft te worden afgelost. Voorts heeft de man stukken in het geding gebracht waaruit kan worden afgeleid dat ondanks de substantiële overwaarde die in de woning is opgebouwd, herfinanciering niet mogelijk is omdat de man vanwege zijn pensionering geen looninkomsten ontvangt.

4.6.

Tegen de enkele stelling van de vrouw dat sprake is van een uitzichtloze situatie, kan de man geen specifiek verweer voeren. Daarvoor is deze stelling te weinig geconcretiseerd. De stelling van de vrouw dat zij in haar financiële mogelijkheden wordt beperkt, heeft zij op geen enkele wijze onderbouwd. Bovendien heeft de vrouw aangevoerd dat de woning een ruime overwaarde heeft, zodat de situatie niet uitzichtloos lijkt. De vrouw heeft als producties 7 en 11 stukken van de bank overgelegd, waaruit blijkt dat de schuld op 3 juni 2016 in totaal € 540.254,73 bedroeg en de woning op 28 mei 2014 een markt- en executiewaarde van € 1.538.000,00 respectievelijk € 1.353.000,00 had. Dit betekent dat, zoals ook door de man is aangevoerd, de schuld uiteindelijk met de verkoopopbrengst zou kunnen worden voldaan.

4.7.

De vrouw heeft ten slotte nog een beroep gedaan op de analoge toepassing van titel 3.7 BW. Daarvoor is naar het oordeel van de rechtbank geen plaats, nu dit geen steun vindt in de wet en de rechtspraak. Titel 3.7 BW betreft goederen die toebehoren aan twee of meer deelgenoten gezamenlijk. Een schuld is geen goed.

4.8.

Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank van oordeel is dat een grondslag voor de vordering van de vrouw ontbreekt en dat het gevorderde daarom zal worden afgewezen.

4.9.

In zaken tussen gewezen echtelieden is het uitgangspunt dat de proceskosten tussen partijen worden gecompenseerd. De rechtbank ziet aanleiding in de onderhavige procedure van dit uitgangspunt af te wijken, nu de man voorafgaand aan de procedure heeft getracht het ontslag van de vrouw uit de hoofdelijke aansprakelijkheid te bewerkstelligen en heeft geprobeerd een herfinanciering te verkrijgen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de man daarmee het nodige gedaan om aan de wensen van de vrouw tegemoet te komen, zodat de kosten van de procedure voor haar rekening dienen te komen. De vrouw zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten zal worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van man worden begroot op:

- griffierecht € 883,00

- salaris advocaat € 904,00 (2,0 punten × tarief € 452,00)

totaal € 1.787,00

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt de vrouw in de proceskosten, aan de zijde van de man tot op heden begroot op € 1.787,00,

5.3.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.A. Muilwijk-Schaaij en in het openbaar uitgesproken op 6 juni 2018.

[2971/2053]