Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:447

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
24-01-2018
Datum publicatie
24-01-2018
Zaaknummer
10/711166-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bewezenverklaring van stalking en bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en poging om een ander uit te lokken om een moord te begaan.

Ondanks de weigering van de verdachte om medewerking te verlenen aan een onderzoek door gedragsdeskundigen is de rechtbank van oordeel dat het aannemelijk is dat bij de verdachte tijdens het begaan van de ten laste gelegde feiten een geestelijke stoornis of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens bestond. In verband daarmee moet de verdachte ten minste in enigszins verminderde mate toerekeningsvatbaar worden geacht.

De rechtbank legt aan de verdachte terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege en een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden op.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 3

Parketnummer: 10/711166-16

Datum uitspraak: 24 januari 2018

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres verdachte] , [woonplaats verdachte] ,

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Rotterdam, locatie De Schie,

raadsvrouw mr. I.A. Groenendijk, advocaat te 's-Gravenhage.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 10 januari 2018.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding, zoals deze overeenkomstig de vorderingen van de officier van justitie is gewijzigd.

De tekst van de gewijzigde tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. L.C. Visser heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het onder 1 cumulatief/alternatief en 2 ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden met aftrek met aftrek van voorarrest, alsmede ter beschikkingstelling van de verdachte met bevel tot dwangverpleging.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Bewijsoverweging feit 1

4.1.1.

Standpunt verdachte

De verdachte ontkent dat hij de mail van 29 oktober 2016, met de inhoud zoals die door de aangever bij de politie is aangeleverd, naar de aangever heeft gestuurd. Hij zou naar eigen zeggen nooit een mail met een SS-dolk sturen naar iemand met een joodse achtergrond, zoals de aangever. De verdachte heeft in dit verband opgemerkt dat de adressering van deze mail verschilt van de adressering die hij heeft gebruikt bij het verzenden van zijn andere mails. Dit is een aanwijzing dat de adressering van de mail is gemanipuleerd.

4.1.2.

Beoordeling

De verdachte heeft verklaard dat hij via de door hem verzonden mailberichten in contact wilde komen met de aangever (hierna ook: de directeur van De Kijvelanden ) en dat het doel van de mailberichten was om van hem een reactie te krijgen op zijn klacht dat De Kijvelanden bij een verlofaanvraag van de verdachte in het verleden fouten heeft gemaakt. De verdachte had gesteld dat hij door de nasleep daarvan schade heeft ondervonden en hij wenste daarvoor financiële genoegdoening. Afgezien van een korte reactie op zijn eerste mail van 3 december 2015 waarbij De Kijvelanden iedere aansprakelijkheid afwees, was er tot groot ongenoegen van de verdachte geen enkele reactie gekomen op zijn mails. Hoewel de mail van 3 december 2015 niet was ondertekend, hield de verdachte de directeur hiervoor verantwoordelijk. De verdachte heeft verder verklaard dat hij zijn mails geadresseerd heeft naar De Kijvelanden, want hij beschikte niet over een - rechtstreeks - mailadres van de directeur. Daarnaast was het ook zijn bedoeling dat het personeel van De Kijvelanden kennis zou nemen van de inhoud van de mails. De verdachte heeft overigens de inhoud van de aan hem toegeschreven mailberichten, waaronder de mail van 29 oktober 2016, op zichzelf niet betwist. Naar zijn zeggen was het noodzakelijk een ‘steeds scherpere toon’ aan te slaan om ‘de discussie op gang te brengen’.

Gelet op de aard en het aantal verzonden berichten, alsmede het feit dat deze gedurende een langere periode zijn verzonden, acht de rechtbank bewezen dat sprake is van een stelselmatige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de aangever, die dat ook als zodanig heeft ervaren.

Vast staat dat het mailbericht van 29 oktober 2016 is aangetroffen in het Gmail account van de verdachte. De rechtbank stelt verder vast dat deze mail in de adresregel onder meer het adres “ [naam e-mailadres 1] ” bevat. Dit is kennelijk, anders dan door de verdachte is gesteld, geen ander emailadres dan het adres van De Kijvelanden ( [naam e-mailadres 2] ), maar de postbus die door een intern technisch geautomatiseerd proces bij De Kijvelanden aan deze mail is toegekend en waarbij een mailbericht na ontvangst direct wordt doorgezonden. Dit valt af te leiden uit het feit dat tijdstippen van ontvangst en doorzending van de betreffende mail gelijk zijn. Ook andere mails van de verdachte zijn op deze manier intern doorgestuurd. Anders dan de verdachte heeft gesteld blijkt uit de verzonden mailberichten die in zijn Gmail account zijn aangetroffen, dat de verdachte steeds heeft geadresseerd aan [naam e-mailadres 2] en niet aan [naam postbus] . Op grond hiervan - en ook overigens - is niet aannemelijk geworden dat het bericht van 29 oktober 2016 op enigerlei wijze is gemanipuleerd.

De betreffende mail is bovendien rechtstreeks, en dus niet in cc, aan De Kijvelanden gericht.

Gelet hierop en gelet op de verwijzingen in deze mail naar een “Bovenbaas” en de verklaring van de verdachte dat hij met zijn mails de aangever wilde bereiken, acht de rechtbank bewezen dat de verdachte ook met deze mail bewust de aangever heeft willen bereiken.

De inhoud van deze mail is naar het oordeel van de rechtbank naar de aard en context ervan bedreigend, temeer nu de aangever van joodse afkomst is. In die email is onder meer een afbeelding meegestuurd van een zeis, de genoemde SS-dolk en de tekst "And you, Bovenbaas, I never got to know your name. Shame. Is it?". De mail dient immers bezien te worden tegen de achtergrond dat de verdachte in het kader van een TBS-maatregel opgenomen is geweest in TBS-kliniek De Kijvelanden, waarvan aangever de directeur is. Dit maakt het voor de aangever des te bedreigender zoals ook blijkt uit de aangifte. Daarin verklaart de aangever immers dat het voor hem duidelijk was dat de verdachte op hem gefixeerd is en dat hij vreest dat de verdachte in toenemende psychotische wijze met hem bezig is. Een vergelijkbare fixatie leidde volgens de aangever tot het levensdelict waar de verdachte eerder voor is veroordeeld. Dit alles bevestigt het bedreigende karakter van de email.

4.2.

Bewijsoverweging feit 2

4.2.1.

Standpunt verdachte

De verdachte heeft gesteld dat hij [naam ex-medegedetineerde] heeft gevraagd om familieleden en vrienden op te zoeken, maar alleen om hen duidelijk te maken in welke situatie hij zich bevond. De familieleden hielden namelijk ieder contact met hem af en hij wist niet hoe hen anders te bereiken dan door iemand langs te sturen.

4.2.2.

Beoordeling

Getuige [naam ex-medegedetineerde] , een medegedetineerde van de verdachte in zijn toenmalige verblijfplaats PI De Schie in Rotterdam, heeft verklaard dat de verdachte hem rond de Kerst van 2016 kwam opzoeken voor een klusje. De verdachte zei daarbij dat zijn familie hem weer in een TBS-kliniek wilde hebben en dat hij hen dit kwalijk nam. Enkele dagen later kwam de verdachte naar [naam ex-medegedetineerde] met een pakje vloeitjes. Op deze vloeitjes stonden de namen en adressen van familieleden en vrienden van de verdachte. De verdachte heeft [naam ex-medegedetineerde] gevraagd om de personen genoemd op de vloeitjes dag voor dag te vermoorden. De verdachte heeft daarbij ook aangegeven in welke volgorde zij zouden moeten worden vermoord, aldus [naam ex-medegedetineerde] .

Vast staat dat op de betreffende vloeitjes de namen en adressen van de aangevers staan. De verdachte heeft niet alleen bekend dat hij de vloeitjes aan [naam ex-medegedetineerde] heeft gegeven en dat het handschrift daarop van hem is, maar heeft ook verklaard dat hij dit heeft gedaan juist toen hij tot de conclusie was gekomen dat zijn familie in samenwerking met de politie en De Kijvelanden bezig zou zijn om hem (weer) in een TBS-kliniek te krijgen.

Gelet hierop acht de rechtbank het niet aannemelijk dat de verdachte aan [naam ex-medegedetineerde] heeft gevraagd om de personen genoemd op de vloeitjes alleen maar op te zoeken om een boodschap over te brengen omdat het hem zelf niet lukte om met hen contact op te nemen. Hier komt nog bij dat uit alle aangiften blijkt dat het juist de verdachte is geweest die het contact met de verschillende familieleden had verbroken. De verdachte handelde daarbij steeds met boosheid wanneer vragen werden gesteld of zorgen werden geuit met betrekking tot zijn geestelijke gezondheid. Uit niets blijkt dat de verdachte zijn familie niet heeft kunnen bereiken.

De rechtbank ziet ook overigens geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de verklaring van [naam ex-medegedetineerde] (waarover de verdachte niet heeft willen verklaren) te twijfelen.

4.3.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 cumulatief/alternatief en 2 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

1.

hij op meerdere tijdstippen in de periode van 3 december 2015 tot en met 01 december 2016 te Rotterdam of Poortugaal, gemeente Albrandswaard, (telkens) wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [naam slachtoffer 1] , zijnde bestuurder en directeur van TBS kliniek de Kijvelanden, met het oogmerk die

[naam slachtoffer 1] , te dwingen iets te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen,

immers heeft hij, verdachte, met voornoemd oogmerk, in genoemde periode

die [naam slachtoffer 1] (p/a [naam e-mailadres 2] of [naam e-mailadres 3] ) veelvuldig e-mailberichten gestuurd, al dan niet van bedreigende aard, onder meer:

- een e-mailbericht met afbeeldingen van een zeis en een (SS-)dolk met

(daarbij) de teksten:"Which judge will preside over your case, mate?" en/of

"And you, bovenbaas, I never got to know your name, shame, is it?";

en

hij op 29 oktober 2016 te Rotterdam [naam slachtoffer 1] , zijnde bestuurder en directeur van TBS kliniek de Kijvelanden, heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend die [naam slachtoffer 1] (p/a [naam e-mailadres 2] )

een e-mailbericht gestuurd dat, naar die [naam slachtoffer 1] verwijst, met afbeeldingen van

een zeis en een (SS-)dolk met (daarbij) de teksten:"Which judge will preside

over your case, mate?" en/of "And you, bovenbaas, I never got to know your

name, shame, is it?";

2.

hij in de periode van 25 december 2016 tot en met 27 december 2016 te Rotterdam, in ieder geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om door het verschaffen van inlichtingen [naam slachtoffer 2] uit te lokken om opzettelijk en met voorbedachten rade personen genaamd [naam slachtoffer 3] en [naam slachtoffer 4] en [naam slachtoffer 5] en [naam slachtoffer 6] en [naam slachtoffer 7] en [naam slachtoffer 8] en [naam slachtoffer 9] en [naam slachtoffer 10] en [naam slachtoffer 11] en [naam slachtoffer 12] en [naam slachtoffer 13] en [naam slachtoffer 14] van bet leven te beroven

  • -

    tegen die [naam slachtoffer 2] heeft gezegd dat bij verdachte een klusje voor hem had en

  • -

    tegen die [naam slachtoffer 2] heeft gezegd: " [voornaam slachtoffer 2] ik heb de namen op de vloeitjes, bet begint op de tweede vloei. Ik wil dat jij er voor gaat zorgen dat de mensen met de namen op de vloeitjes gaat vermoorden, dag voor dag" en

  • -

    tegen die [naam slachtoffer 2] heeft gezegd dat bij hem hiervoor een geschikte persoon vond en

  • -

    die [naam slachtoffer 2] vloeitjes heeft overhandigd met daarop de namen en adressen van de hiervoor genoemde personen en

  • -

    tegen die [naam slachtoffer 2] heeft gezegd: "Ik wil dat ze opgeruimd worden want ze betekenen niks meer voor mij";

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de bewezenverklaarde tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

5 Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:

1.

stalking en bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;

2.

poging om een ander door het verschaffen van inlichtingen uit te lokken om een moord te begaan, meermalen gepleegd.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De feiten zijn dus strafbaar.

6 Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

7 Motivering maatregel en straf

7.1.

Algemene overweging

De maatregel en de straf die aan de verdachte worden opgelegd, zijn gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

7.2.

Feiten waarop de maatregel en de straf zijn gebaseerd

De verdachte heeft de directeur van De Kijvelanden gedurende een periode van een jaar gestalkt door hem (indirect) een groot aantal mails te sturen, waaronder een mail waarin hij deze directeur heeft bedreigd.

De verdachte heeft daarnaast geprobeerd een medegedetineerde uit te lokken om familieleden en vrienden te vermoorden. De verdachte heeft die gedetineerde met dit doel gedetailleerde inlichtingen verschaft over hun verblijfplaats. Ook heeft hij de volgorde waarin zij zouden moeten worden vermoord nauwkeurig bepaald. Dat het uiteindelijk bij een mislukte uitlokking is gebleven, is niet te danken aan enige actie van de zijde van de verdachte, maar aan het feit dat die gedetineerde zich niet heeft laten uitlokken tot het plegen van de door de verdachte gewenste moorden en het handelen van de verdachte heeft gemeld.

De genoemde directeur en de familieleden en vrienden van de verdachte hebben door de gedragingen van de verdachte lange tijd in angst geleefd, hetgeen zij bij de politie dan wel in hun slachtofferverklaring hebben beschreven.

7.3.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

7.3.1.

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van

14 december 2017, waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor levensdelicten waarbij TBS met dwangverpleging is opgelegd.

7.3.2.

Rapportages en verklaringen van de deskundigen op de terechtzitting

GZ-psycholoog drs. S.P. van der Hoorn heeft op 11 januari 2017 over de verdachte gerapporteerd. De verdachte weigerde aan een onderzoek mee te werken. Op deze weigering wilde de verdachte geen toelichting geven.

Voorts heeft psychiater dr. D.J. Vinkers op 3 januari 2017 over de verdachte gerapporteerd. Een psychiatrisch onderzoek heeft niet kunnen plaatsvinden omdat de verdachte hieraan niet wenste mee te werken. De psychiater heeft een klinische observatie in de psychiatrische observatiekliniek van het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie (hierna: het PBC) geadviseerd.

De verdachte is van 19 juni 2017 tot 4 augustus 2017 ter observatie opgenomen in het PBC.

Ook daar heeft hij niet meegewerkt aan een onderzoek. Hij weigerde om inhoudelijke gesprekken te voeren over andere onderwerpen dan de rechtsgang. Ook weigerde de verdachte machtigingen te tekenen voor het opvragen van medische informatie. Daarnaast bood hij nauwelijks gelegenheid tot groepsobservatie. Op basis van de collaterale informatie ten tijde van het (onder 1) ten laste gelegde, zou sprake kunnen zijn van een achteruitgang in het functioneren van de verdachte. Hoe deze door hen waargenomen achteruitgang gedragskundig moet worden geduid, is door de beperkingen van het onderzoek in het PBC niet duidelijk geworden. Het was voor de rapporteurs door het beperkte onderzoek en volgens de voor hen geldende normen niet mogelijk om vast te stellen of bij de verdachte ten tijde van het ten laste gelegde feit 1 sprake was van een ziekelijke stoornis en/of gebrekkige ontwikkeling.

Nu overigens de vervolging voor feit 2 pas later, na de observatieplaatsing, is aangevangen, is dit feit niet betrokken geweest in het onderzoek.

Nu vast staat dat de verdachte zijn medewerking aan een onderzoek door gedragsdeskundigen heeft geweigerd is daarmee de op grond van artikel 37a lid 3 j°. artikel 37 lid 3 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) voor het opleggen van TBS gestelde eis van een multidisciplinair onderzoek als bedoeld in artikel 37 lid 2 Sr komen te vervallen. De in artikel 37a lid 1 Sr genoemde voorwaarde dat bij de verdachte tijdens het begaan van het feit een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond, blijft echter onverminderd van kracht.

Het is aan de rechter die over de feiten oordeelt om daarover te oordelen. Daarbij zal de rechter zich in zeer sterke mate moeten laten leiden door bevindingen en conclusies van gedragsdeskundigen, voor zover die er zijn. Naar vaste rechtspraak heeft de rechter daarbij evenwel een eigen verantwoordelijkheid, waarbij de vaststelling dat al dan niet sprake is van een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens niet hoeft te geschieden overeenkomstige wetenschappelijke maatstaven en binnen medische classificaties. Ook in het geval de gedragsdeskundigen op basis van de door hen geldende wetenschappelijke criteria en tuchtrechtelijke normen niet kunnen vaststellen dat sprake was van een stoornis, kan de rechter aldus tot een andere conclusie komen.

Voor de beantwoording van de vraag of ten tijde van de bewezenverklaarde feiten bij de verdachte sprake was van een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens, acht de rechtbank in het bijzonder de volgende feiten en omstandigheden uit het procesdossier van belang:

- De familie van de verdachte nam met ingang van 2014 bij de verdachte signalen waar die wezen op een terugval in een stoornis die was vastgesteld in 2003:

Het ging hierbij om een zich terugtrekken uit het contact, het overmatig fel zijn in discussies en een verhoogde rigiditeit in zijn functioneren. De familie deed hiervan melding bij De Kijvelanden.

- De Kijvelanden deelde de zorgen van de familie en maakte zich dusdanig zorgen om het welzijn van de verdachte en zijn omgeving, dat melding werd gedaan bij het Openbaar Ministerie. Zulks met verbreking van het beroepsgeheim, nu men dit op grond van het mogelijk dreigende ernstige gevaar verantwoord en aangewezen achtte. In deze melding van 1 juli 2014 werd het volgende door drs. B. Koudstaal, klinisch psycholoog, en dr. J. Lucieer, psychiater – samengevat weergegeven – naar voren gebracht:

De verdachte lijdt aan een waanstoornis, inhoudende een tegen hem gerichte uitgebreide complotvorming om hem te doden. Deze waan heeft zich bij hem gedurende 15 jaar geleidelijk en op een verborgen wijze kunnen ontwikkelen zonder dat hij daar met iemand over heeft gesproken respectievelijk heeft kunnen spreken. Dit heeft ertoe geleid dat hij hiervan steeds meer overtuigd is geraakt en zijn leven door de inhoud van zijn waan steeds meer werd bepaald. Het levensdelict van 2003 vloeide regelrecht voort uit deze paranoïde denkstoornis. De keuze van het slachtoffer was relatief willekeurig.

De behandeling binnen De Kijvelanden die door de rechtbank is opgelegd heeft er uit bestaan dat de verdachte meer ziektebesef en - inzicht heeft verkregen, dat hij een solide maatschappelijke inbedding heeft gerealiseerd en dat hij het gebruik van een antipsychoticum is gaan accepteren. Daarbij is van belang om te weten dat een waanstoornis nooit overgaat en evenmin afdoende te behandelen is met medicatie. De voorgeschreven medicatie is echter essentieel voor het risicomanagement, aangezien het in belangrijke mate bijdraagt aan zijn stabiliteit. Deze medicamenteuze basis haalt ‘de scherpe kanten’ van de waan af en maakt de weg vrij om vast te kunnen houden aan de overige beschermende factoren (dagstructuur, sociaal netwerk). Deze combinatie van factoren dringt de waan en de daaraan verbonden risico's terug tot beheersbare proporties.

De familie - die intensief betrokken is geweest bij de behandeling - was totaal overvallen door het levensdelict, maar heeft retrospectief wel signalen kunnen benoemen van de toenemende ontregeling voorafgaande aan dit delict. Deze signalen hadden betrekking op het zich terugtrekken uit het contact, het zich fixeren op voor hem maatschappelijk relevante onderwerpen en het overmatig fel zijn in gesprekken en contacten met zijn omgeving. Terugkijkend waren er destijds ook enkele signalen van een falende realiteitstoetsing, maar deze zijn nimmer zo sterk geweest dat evident van een psychose gesproken kon worden, dan wel aan een psychotische ontregeling is gedacht.

Via de reclassering heeft het behandelteam vernomen dat de TBS maatregel in het voorjaar van 2012 volledig is beëindigd. Aangezien de verdachte op dat moment de bereidheid toonde zijn behandeling bij het Dok voort te zetten, hij goed contact had met zijn familie én er afspraken waren dat de familie zo nodig contact zou leggen met de behandelaars, werd het opleggen van een voorwaardelijke rechterlijke machtiging door een forensisch psychiater van de reclassering niet geïndiceerd geacht. Dit advies is door de rechtbank overgenomen.

Op 20 mei 2014 wordt De Kijvelanden door familie van de verdachte geïnformeerd over een achteruitgang in het toestandsbeeld van de verdachte. Bij de familie is geleidelijk twijfel ontstaan of hij zijn medicatie nog wel neemt. Er wordt gesproken met de verdachte. Deze verzekert hen in eerste instantie dat er niets aan de hand is en dat hij via de huisarts zijn medicatie gebruikt. Hij wijst een gesprek en een verwijzing naar een psychiater af en toont zich ook boos als blijkt dat zijn familie contact heeft opgenomen met De Kijvelanden. Twee dagen later ontvangt de familie een mail, waarin de verdachte (volledig onverwacht) mededeelt dat hij besloten heeft de zomer in Duitsland door te brengen. In deze mail geeft de verdachte aan zijn vertrek in overleg met zijn werkgever en zijn huisarts te hebben voorbereid.

De huisarts blijkt echter niet op de hoogte van de plannen van de verdachte en laat over de medicatie weten dat de verdachte vrijwel direct na de beëindiging van de TBS-maatregel aandrong op het staken van de medicatie. De huisarts heeft hem nog een jaar kunnen bewegen tot het voortzetten van een gehalveerde dosering, maar sinds juni 2013 neemt de verdachte zijn medicatie in het geheel niet meer in. Evenmin heeft hij - tegen de afspraken met de huisarts in - contact gelegd met een psychiater.

De Kijvelanden schat in dat het minderen en staken van de medicatie geleidelijk een ontregelende invloed heeft gehad op het toestandsbeeld van de verdachte. Op basis daarvan moet rekening gehouden worden met een zich opbouwend waansysteem, van waaruit de verdachte eerder heeft bewezen zeer destructief te kunnen reageren. Deze zorgen worden nog versterkt door het feit dat de verdachte een gesprek over de zorgen afhoudt en (ondanks expliciete navraag door de familie) niet open is over het staken van medicatie. Het leggen van contact en het aanbieden van hulp zal door de verdachte waarschijnlijk als bedreigend worden gezien. Dit zou zijn waansysteem kunnen versterken, met als risico dat hij zich verder afkeert van hen die zich zorgen om hem maken.

- Rapportage van de GZ-psycholoog drs. S.P. van der Hoorn van 11 januari 2017

Bij de verdachte is in het verleden telkens dezelfde chronische psychiatrische problematiek vastgesteld. Er is daarom een redelijke kans dat er bij de verdachte nu nog sprake is van psychiatrische problematiek, die een verband kan hebben met het huidige tenlastegelegde.

- Verklaringen ter terechtzitting van de PBC-rapporteurs M.J. van Haaren (psychiater) en E.J. Muller (klinisch psycholoog).

Dat bij de verdachte ten tijde van de observatie geen stoornis is vastgesteld, kwam door de beperkingen van het onderzoek. Dat wil dus niet zeggen dat er geen stoornis is. Verder is van belang dat de psychotische waanstoornis die bij de verdachte in 2004 is gediagnosticeerd, een chronische psychotische kwetsbaarheid veroorzaakt en daardoor kan opleven indien gestopt wordt met de medicijnen die de stoornis onderdrukken.

7.4.

Conclusies van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

Geestelijke stoornis of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens

De rechtbank is op grond van het vorengenoemde van oordeel dat aannemelijk is dat bij de verdachte tijdens het begaan van de ten laste gelegde feiten een geestelijke stoornis of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens bestond. Daarbij neemt de rechtbank tevens in aanmerking dat ook de feiten zelf en de wijze waarop de verdachte deze feiten heeft begaan, bijdragen aan deze conclusie. De stalking en de bedreigingen van de directeur van De Kijvelanden, gedurende een lange periode en bovendien in de vorm van doorgaans onnavolgbare en in toenemende mate lugubere teksten en verwijzingen in de e-mails, alsmede de door de verdachte gewenste moorden op familieleden en vrienden, passen naar het oordeel van de rechtbank binnen het hiervoor beschreven patroon van fixatie op specifieke personen, die in de voorstelling van de verdachte erop uit zijn om hem te benadelen. Tot dit oordeel draagt voorts bij dat bij de verdachte eerder een psychotische waanstoornis is gediagnosticeerd, welke een chronisch karakter draagt en welke weliswaar beheersbaar kan worden gemaakt met medicatie, maar waarbij tegelijkertijd moet worden vastgesteld dat de verdachte vrijwel direct na de beëindiging van de TBS-maatregel aandrong op het staken van de medicatie en daarmee sinds juni 2013 geheel is gestopt.

De rechtbank kan geen uitspraken doen over de specifieke aard, oorzaak en mogelijke behandeling van de stoornis. Deze vragen vallen niet binnen haar competentie en dienen tijdens het uitvoeren van na te noemen maatregel aan de orde te komen.

Toerekeningsvatbaarheid

Nu bij de verdachte tijdens het begaan van de feiten een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond, is de rechtbank van oordeel dat hij in verband daarmee ten minste in enigszins verminderde mate toerekeningsvatbaar moet worden geacht. Anderzijds is de rechtbank van oordeel dat niet is gebleken dat de verdachte volledig buiten de realiteit stond en/of bij hem ieder inzicht in de gevolgen van zijn handelen heeft ontbroken.

TBS

De veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen of goederen eisen de terbeschikkingstelling van de verdachte met verpleging van overheidswege. Dat oordeel is gegrond op de ernst en aard van het bewezen verklaarde feiten en het gevaar voor herhaling, temeer nu de feitelijke situatie in de verhouding tussen de verdachte enerzijds en de aangevers anderzijds, ongewijzigd is. De rechtbank acht het daarom onverantwoord dat de verdachte zonder behandeling terug zal keren in de maatschappij.

Vastgesteld wordt dat de bewezen verklaarde feiten, ter zake waarvan de terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege zal worden opgelegd, misdrijven betreffen als bedoeld in artikel 37a, eerste lid, aanhef en onder 1, Sr.

Vastgesteld wordt verder dat de strafbare feiten ter zake waarvan de terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege zal worden opgelegd, misdrijven betreffen die gericht zijn tegen of gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van één of meer personen. Daartoe zijn de aard en de kwalificatie van de bewezen verklaarde feiten redengevend. De totale duur van de terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege kan daarom een periode van vier jaar te boven gaan.

Aan de verdachte zal, gelet op het voorgaande, terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege worden opgelegd.

Gevangenisstraf

De rechtbank is van oordeel dat naast de TBS met dwangverpleging een gevangenisstraf dient te worden opgelegd. Alles afwegende komt de rechtbank tot het oordeel dat de door de officier van justitie gevorderde gevangenisstraf recht doet aan de ernst van de feiten en de persoon van verdachte.

8 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 37a, 37b, 46a, 47, 285, 285b en 289 van het Wetboek van Strafrecht.

9 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

10 Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen dat de verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 (vijftien) maanden;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld;

beveelt dat de terbeschikkinggestelde van overheidswege wordt verpleegd.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. J.A.M.J. Janssen-Timmermans, voorzitter,

en mrs. R. Brand en E.B.J. van Elden, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. L. Lobs-Tanzarella, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

Bijlage I

Tekst gewijzigde tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

hij op een of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 01 juli 2014

tot en met 01 december 2016 te Rotterdam en/of Poortugaal, gemeente Albrandswaard, althans in Nederland,

(telkens) wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt

op de persoonlijke levenssfeer van [naam slachtoffer 1] , zijnde bestuurder en directeur van

TBS kliniek de Kijvelanden, in elk geval van een ander, met het oogmerk die

[naam slachtoffer 1] , in elk geval die ander te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden

en/of vrees aan te jagen,

immers heeft hij, verdachte, met voornoemd oogmerk, in genoemde periode

die [naam slachtoffer 1] (p/a [naam e-mailadres 1] en/of [naam e-mailadres 2] en/of

[naam e-mailadres 3] ) veelvuldig e-mailberichten gestuurd,

al dan niet van bedreigende aard,

onder meer:

- een e-mailbericht met afbeeldingen van een zeis en een (SS-)dolk met

(daarbij) de teksten:"Which judge will preside over your case, mate?" en/of

"And you, bovenbaas, I never got to know your name, shame, is it?";

en/of

hij op of omstreeks 29 oktober 2016 te Rotterdam

[naam slachtoffer 1] , zijnde bestuurder en directeur van TBS kliniek de Kijvelanden, heeft

bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware

mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend die [naam slachtoffer 1] (p/a [naam e-mailadres 1]

en/of [naam e-mailadres 2] )

een e-mailbericht gestuurd dat, naar die [naam slachtoffer 1] verwijst, met afbeeldingen van

een zeis en een (SS-)dolk met (daarbij) de teksten:"Which judge will preside

over your case, mate?" en/of "And you, bovenbaas, I never got to know your

name, shame, is it?";

2.

hij in of omstreeks de periode van 25 december 2016 tot en met 27 december 2016 te Rotterdam, in ieder geval in Nederland,

ter uitvoering van bet door verdachte voorgenomen misdrijf om door giften, beloften, of door bet verschaffen van gelegenheid, middelen of inlichtingen [naam slachtoffer 2] uit te lokken om tezamen en in vereniging met een ander of anderen opzettelijk en met voorbedachten rade een of meer personen genaamd [naam slachtoffer 3] en/of [naam slachtoffer 4] en/of [naam slachtoffer 5] en/of [naam slachtoffer 6] en/of [naam slachtoffer 7] en/of [naam slachtoffer 8] en/of [naam slachtoffer 9] en/of [naam slachtoffer 10] en/of [naam slachtoffer 11] en/of [naam slachtoffer 12] en/of [naam slachtoffer 13] en/of [naam slachtoffer 14] van bet leven te beroven

  • -

    tegen die [naam slachtoffer 2] heeft gezegd dat bij verdachte een klusje voor hem had en/of

  • -

    tegen die [naam slachtoffer 2] heeft gezegd: " [voornaam slachtoffer 2] ik heb de namen op de vloeitjes, bet begint op de tweede vloei. Ik wil dat jij er voor gaat zorgen dat de mensen met de namen op de vloeitjes gaat vermoorden, dag voor dag" en/of

  • -

    tegen die [naam slachtoffer 2] heeft gezegd dat bij hem hiervoor een geschikte persoon vond en/of

  • -

    die [naam slachtoffer 2] vloeitjes heeft overhandigd met daarop de namen en adressen van de hiervoor genoemde personen en/of

  • -

    tegen die [naam slachtoffer 2] heeft gezegd: "Ik wil dat ze opgeruimd worden want ze betekenen niks meer voor mij";

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.