Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:4430

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
04-06-2018
Datum publicatie
20-06-2018
Zaaknummer
6686463 VZ VERZ 18-3419
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Moet de samenwerking tussen partijen worden gekwalificeerd als een arbeidsovereenkomst? Toepassing Groen/Schoevers

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 27-06-2018
FutD 2018-1773
AR-Updates.nl 2018-0724
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 6686463 VZ VERZ 18-3419

uitspraak: 4 juni 2018

beschikking van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van

[verzoeker] ,

wonende te [plaatsnaam],

verzoeker,

gemachtigde: mr. M.C.V. Dornstedt te Hellevoetsluis,

tegen

de buitenlandse vennootschap

Compressor Products International GMBH,

gevestigd te Gross-Gerau (Duitsland), (mede) kantoorhoudende te Zuidland,

verweerster,

gemachtigden: mrs. V.G.G. Bergwerf en A.L. Heunen te Rotterdam.

Partijen worden hierna aangeduid als [verzoeker] en CPI.

1 Het verloop van de procedure

1.1

De kantonrechter heeft kennisgenomen van de volgende processtukken:

  • -

    het verzoekschrift met producties;

  • -

    het verweerschrift met producties;

  • -

    de brief zijdens [verzoeker] d.d. 26 april 2018 met aanvullende producties.

1.2

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 30 april 2018. [verzoeker] is in persoon verschenen, bijgestaan door de gemachtigde. Namens CPI is de heer [V.] (controller) verschenen, bijgestaan door de gemachtigden. Namens partijen zijn pleitnotities (zijdens [verzoeker]) respectievelijk pleitaantekeningen (zijdens CPI) overgelegd en voorgedragen. Van het overigens ter zitting verhandelde heeft de griffier aantekeningen gemaakt.

1.3

De kantonrechter heeft de uitspraak van de beschikking bepaald op heden.

2 De feiten

In deze procedure wordt uitgegaan van de volgende feiten.

2.1

In de periode van oktober 2013 tot en met december 2017 heeft [verzoeker] werkzaamheden als monteur verricht voor CPI, voornamelijk bij diens opdrachtgever Esso te Botlek-Rotterdam. Partijen hebben terzake mondeling afspraken gemaakt.

2.2

Tussen partijen heeft, voor zover thans van belang, de volgende correspondentie plaatsgevonden:

Emailbericht namens CPI aan [verzoeker] d.d. 27 juli 2017:

“[…]

Onderwerp: Voorstel arbeidsovereenkomst

[…]

Door de vakantieperiode heeft het even geduurd voordat we verder konden gaan met de procedure om jou een dienstverband aan te bieden zoals besproken. Na alle benodigde akkoorden te hebben verkregen, is het ons dan ook een genoegen om jou het bijgaande voorstel te doen toekomen om het team van CPI te komen versterken.

[…]”

Emailbericht van [verzoeker] aan CPI d.d. 22 augustus 2017:

“[…]

Middels deze mail deel ik jullie mede dat ik geen gebruik maak van jullie voorstel. Met ingang van 4 september aanstaande word ik via een andere organisatie als zelfstandige te werk gesteld bij de Esso. Dit betekent dat mijn laatste werkdag, via CPI, vrijdag 1 september 2017 is.”

Brief namens CPI aan [verzoeker] d.d. 29 augustus 2017:

“Betreft: beëindiging samenwerking

[…]

Naar aanleiding van uw e-mail d.d. 22 augustus jl., betreffende de beëindiging van de samenwerking tussen u en Compressor Products International GmbH per eind augustus 2017, willen wij u hierbij informeren dat wij niet akkoord gaan met het termijn van deze beëindiging […].

Sinds oktober 2013 verricht u werkzaamheden voor CPI op een continue basis bij onze klant Esso Raffinaderij te Botlek-Rotterdam. Hierdoor is er een sprake van een constante overeenkomst tussen u en Compressor Products International GmbH. Door deze constante overeenkomst kan men spreken van een verkapt dienstverband en kunnen wij hierdoor een opzegtermijn hanteren. Gezien de langdurige samenwerking stellen wij voor om de samenwerking per 31 december 2017 te beëindigen. […]”

Brief van [verzoeker] aan CPI d.d. 30 augustus 2017:

“[…]

U stelt dat een opzegtermijn moet worden gehanteerd omdat sprake is van een dienst-verband. Ik leg me neer bij wat u uiteenzet, zodat u mijn opzegging d.d. 22 augustus 2017 hierbij als ingetrokken kunt beschouwen.

Daarnaast neem ik kennis van de opzegging tegen het eind van dit jaar. Dat is prima, ik verzet me daar niet tegen en zal mijn werkzaamheden bij Esso vanuit CPI tot en met 31 december blijven uitvoeren.”

3 Het geschil

3.1

[verzoeker] heeft verzocht bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. CPI te veroordelen tot betaling aan [verzoeker] van de transitievergoeding van € 8.112,00 bruto;

II. CPI te veroordelen tot deugdelijke afwikkeling van het dienstverband, waaronder het verstrekken van een eindafrekening aan [verzoeker] door middel waarvan aan [verzoeker] wordt uitgekeerd de aan hem toekomende vakantie-toeslag, een eventueel positief vakantiedagensaldo en eventuele overige emolumenten;

III. CPI te veroordelen tot betaling aan [verzoeker] van de wettelijke rente en (ad II.) de wettelijke verhoging vanaf het tijdstip van opeisbaarheid van voornoemde bedragen;

IV. CPI te veroordelen in de proceskosten.

3.2

Aan zijn verzoek heeft [verzoeker], naast de hiervoor vermelde vaststaande feiten en voor zover thans van belang, ten grondslag gelegd dat de rechtsverhouding die tussen partijen heeft bestaan dient te worden aangemerkt als een arbeidsovereenkomst.

3.3

Het verweer van CPI strekt (primair) tot afwijzing van het verzoek. CPI heeft daartoe

- kort samengevat - aangevoerd dat sprake is geweest van een overeenkomst van opdracht.

3.4

Op de stellingen van partijen wordt indien en voor zover van belang voor de beoordeling van het verzoek, hierna verder ingegaan.

4 De beoordeling

4.1

Ter beoordeling ligt voor de vraag of tussen partijen een arbeidsovereenkomst heeft bestaan.

4.2

De arbeidsovereenkomst is de overeenkomst waarbij de ene partij, de werknemer, zich verbindt in dienst van de andere partij, de werkgever, tegen loon gedurende zekere tijd arbeid te verrichten (artikel 7:610 lid 1 BW). Het grootste verschil tussen een arbeids-overeenkomst en een overeenkomst van opdracht in de zin van artikel 7:400 BW, die doorgaans tevens strekt tot het verrichten van werkzaamheden tegen betaling, is de voor de arbeidsovereenkomst kenmerkende gezagsverhouding.

4.3

Bij de toetsing of een rechtsverhouding beantwoordt aan de criteria voor het bestaan van een arbeidsovereenkomst moet acht worden geslagen op alle omstandigheden van het geval, in onderling verband bezien. Daarbij dienen niet alleen de rechten en verplichtingen in aanmerking te worden genomen die partijen bij het aangaan van de rechtsverhouding voor ogen stonden, maar dient ook acht te worden geslagen op de wijze waarop partijen uitvoering hebben gegeven aan hun rechtsverhouding en aldus daaraan inhoud hebben gegeven. Voorts is niet één enkel kenmerk beslissend, maar moeten de verschillende rechts-gevolgen die partijen aan hun verhouding hebben verbonden, in hun onderling verband worden bezien (HR 14 november 1997, NJ 1998/149 (Groen/Schoevers)).

4.4

Op grond van artikel 7:610a BW, waarop door [verzoeker] een beroep is gedaan, wordt hij die ten behoeve van een ander tegen beloning door die ander gedurende drie opeenvolgende maanden, wekelijks dan wel gedurende ten minste twintig uren per maand arbeid verricht, vermoed deze arbeid te verrichten krachtens een arbeidsovereenkomst.

4.5

Tussen partijen staat vast dat zij bij het aangaan van de samenwerking in oktober 2013 hebben beoogd een overeenkomst van opdracht aan te gaan. [verzoeker] heeft zich immers op het standpunt gesteld dat de samenwerking als een ZZP-constructie vorm kreeg. CPI heeft gesteld dat een overeenkomst van opdracht tot stand is gekomen. Dit blijkt ook uit de volgende omstandigheden, in samenhang bezien:

  • -

    [verzoeker] is zelfstandig ondernemer: zijn eenmanszaak staat reeds sinds 2006 ingeschreven bij de Kamer van Koophandel. De onderneming van [verzoeker] heeft een eigen website, waarop [verzoeker] zich ook als zelfstandig ondernemer sinds september 2006 presenteert;

  • -

    partijen hebben afgesproken dat [verzoeker] CPI wekelijks zou factureren, waaraan door [verzoeker] uitvoering is gegeven. Op de facturen van [verzoeker] aan CPI staan zijn bedrijfsnaam, website, Kamer van Koophandel-nummer en btw-nummer vermeld. De bankrekening waarnaar CPI de betaling van de facturen diende over te maken staat op naam van de onderneming van [verzoeker]. Over de gefactureerde uren is btw in rekening gebracht;

  • -

    [verzoeker] heeft op 10 oktober 2013 een VAR-WUO verklaring aangevraagd, die door de Belastingdienst is verstrekt;

  • -

    partijen hebben geen afspraken gemaakt over vakantietoeslag, vakantieuren, een eventuele dertiende maand en doorbetaling tijdens ziekte.

4.6

Het vermoeden ex artikel 7:610a BW dat [verzoeker] de werkzaamheden voor CPI krachtens een arbeidsovereenkomst heeft verricht, is hiermee naar het oordeel van de kantonrechter reeds weerlegd.

4.7

[verzoeker] heeft in het verzoekschrift het standpunt ingenomen dat de samenwerkings-relatie tussen partijen gedurende vijf jaar is geëvolueerd tot een arbeidsovereenkomst. [verzoeker] wijst erop dat dit door CPI in haar brief van 29 augustus 2017 is bevestigd.

4.8

De kantonrechter merkt in dit kader allereerst op dat geen concrete feiten en omstandigheden zijn gesteld of gebleken waaruit kan worden afgeleid dat partijen in de loop van hun samenwerking daaraan op een andere wijze uitvoering hebben gegeven. [verzoeker] heeft zijn werkzaamheden tot en met december 2017, dus ook na de hiervoor onder 2.2 weergegeven correspondentie tussen partijen, bij CPI in rekening gebracht middels (btw-) facturen. Ook heeft [verzoeker] gedurende die samenwerking tussen partijen slechts zijn gewerkte uren gefactureerd en uitbetaald gekregen, waarbij CPI geen werknemers-verzekeringspremies inhield. [verzoeker] kreeg steeds niet doorbetaald tijdens vakantie of ziekte en als niet door [verzoeker] betwist staat vast dat [verzoeker] hierover nooit bij CPI heeft geklaagd.

4.9

Voor de beantwoording van de vraag of door de wijze waarop partijen feitelijk uitvoering aan hun rechtsverhouding hebben gegeven, desalniettemin sprake is geweest van een gezagsverhouding in de zin van artikel 7:610 BW, is verder het volgende van belang.

4.10

Vaststaat dat [verzoeker] steeds zelf mocht bepalen hoeveel uren hij wekelijks ten behoeve van CPI werkte en op welke dagen hij dat deed. Dat [verzoeker] in de praktijk (vaak) fulltime voor CPI werkte, zoals hij heeft aangevoerd, maakt dit niet anders. Partijen zijn het er immers over eens dat het [verzoeker] vrijstond om naast zijn werk voor CPI werk-zaamheden voor derden te verrichten.

4.11

[verzoeker] heeft ter onderbouwing van de gestelde gezagsverhouding aangevoerd dat hij vakantie en andere afwezigheid diende af te stemmen met CPI. Dit is door CPI gemotiveerd betwist. CPI heeft daartoe onder meer aangevoerd dat [verzoeker] gedurende de gehele rechts-verhouding tussen partijen niet één keer de gebruikelijke verlofprocedure van CPI heeft gevolgd. [verzoeker] heeft vervolgens niet gesteld op welke wijze hij zijn afwezigheid dan wel met CPI heeft afgestemd, zodat zijn stelling op dit punt onvoldoende is onderbouwd. [verzoeker] wijst er verder op dat hij wekelijks een lijst met de door hem gewerkte uren bij CPI moest indienen. CPI heeft hierover verklaard dat deze lijst, die door Esso moest worden afgetekend, enerzijds diende ter verificatie van de door [verzoeker] opgegeven uren en anderzijds als basis voor de declaratie aan Esso. Dit is als niet door [verzoeker] weersproken komen vast te staan. De betreffende lijst kan dan ook niet dienen ter motivering van de gestelde gezagsverhouding. [verzoeker] heeft voorts aangevoerd dat CPI de bevoegdheid had om hem bij de uitvoering van het werk instructies of aanwijzingen te geven en dat [verzoeker] zich diende te houden aan diverse bedrijfsprotocollen. Door CPI is echter terecht opgemerkt dat bij een overeenkomst van opdracht (ook) sprake is van een zekere instructiebevoegdheid van de opdrachtgever. Daarop gelet, heeft [verzoeker] onvoldoende inzichtelijk gemaakt welke specifieke aanwijzingen of instructies aan hem zijn gegeven. [verzoeker] heeft weliswaar gesteld dat hij elke zondagavond door CPI werd gebeld met de mededeling bij welke opdrachtgever hij de komende week zijn werkzaamheden moest gaan verrichten, alsmede dat hij op verzoek van CPI de handelsnaam van zijn onderneming heeft gewijzigd zodat die beter aansloot bij de door [verzoeker] voor CPI te verrichten werkzaamheden, maar deze stellingen zijn door CPI betwist en op geen enkele wijze onderbouwd, zodat deze worden gepasseerd. Derhalve is niet gebleken dat de instructiebevoegdheid van CPI verder ging dan bij een overeenkomst van opdracht gebruikelijk is.

4.12

Gelet hierop duidt de wijze waarop partijen uitvoering aan hun overeenkomst hebben gegeven evenmin op een arbeidsovereenkomst. Dat CPI in haar brief van 29 augustus 2017 spreekt over een “verkapt dienstverband”, maakt dit, in het licht van hetgeen hiervoor is overwogen, niet anders. CPI heeft hierover ter zitting verklaard dat de terminologie ongelukkig is gekozen. Niet is bedoeld aan te geven dat de rechtsverhouding tussen partijen als een arbeidsovereenkomst moet worden aangemerkt, maar dat CPI [verzoeker] vanwege de continue samenwerking aan een opzegtermijn meende te kunnen houden. Een plotseling vertrek van [verzoeker] zou immers operationele problemen opleveren, aldus CPI.

4.13

Eerst ter zitting heeft [verzoeker] zich nog op het standpunt gesteld dat tussen partijen in november 2013 door wilsovereenstemming een arbeidsovereenkomst tot stand is gekomen. [verzoeker] heeft daartoe aangevoerd dat hem drie weken na de aanvang van zijn werkzaam-heden voor CPI is gevraagd of hij in vaste dienst wilde treden, waarop door [verzoeker] positief is gereageerd. De door CPI beloofde schriftelijke vastlegging hiervan is er volgens [verzoeker] pas in december 2016, en in juli 2017 in aangepaste vorm, gekomen. CPI heeft de door [verzoeker] gestelde gang van zaken betwist. Volgens CPI heeft zij in juli 2017 uit economische overwegingen alle voor haar bij Esso werkende ZZP-ers de mogelijkheid geboden om bij CPI in dienst te treden. [verzoeker] heeft dit aanbod, zoals blijkt uit de hiervoor onder 2.2 weergegeven correspondentie, afgewezen. Volgens CPI is geen sprake van een arbeidsovereenkomst die op enig moment door aanbod en aanvaarding tot stand is gekomen.

4.14

De kantonrechter overweegt in dit kader dat de stelling van [verzoeker] dat hij vanaf november 2013 ervan uit is gegaan dat tussen partijen een arbeidsovereenkomst bestond, nergens uit blijkt. Integendeel, op 14 maart 2015 heeft CPI [verzoeker] het volgende email-bericht gestuurd, waarop [verzoeker] niet heeft gereageerd met de mededeling dat hij geen zelfstandige is:

“Ik ben onze administratie van de ZZP-ers aan het nakijken, en ik mis de volgende documenten van jou voor het jaar 2015:

  • -

    VAR Verklaring

  • -

    A1 formulier

Zou jij deze documenten naar mij toe kunnen zenden?”

Toen CPI [verzoeker] in 2016 vroeg om een Risico Inventarisatie & -Evaluatie rapport te laten opstellen, zo volgt uit zijn eigen stellingen, heeft hij hier uitvoering aan gegeven en evenmin opgemerkt dat hij geen ZZP-er, maar werknemer van CPI zou zijn. Voorts heeft [verzoeker], ondanks daar op zitting naar te zijn gevraagd, niet gesteld dat hij zijn van CPI ontvangen vergoedingen bij de Belastingdienst heeft opgegeven als inkomen uit loondienst.

4.15

De kantonrechter merkt ten slotte op dat [verzoeker] tot de inschakeling van zijn gemachtigde nooit aanspraak heeft gemaakt op zijn gestelde rechten als werknemer zoals vakantiedagen, een dertiende maand, doorbetaling tijdens ziekte en de transitievergoeding. Op de ter zitting gestelde vraag waarom [verzoeker] in zijn emailbericht van 22 augustus 2017 noch in zijn brief van 30 augustus 2017 heeft gevraagd om de transitievergoeding en een eindafrekening, antwoordde [verzoeker] dat hij hierover niet eerder heeft nagedacht. Een en ander maakt dat het naar het oordeel van de kantonrechter geenszins aannemelijk is dat [verzoeker] sinds november 2013 in de veronderstelling verkeerde dat tussen partijen een arbeidsovereenkomst bestond. Aan bewijslevering wordt daarom niet toegekomen.

4.16

Al het voorgaande leidt tot de conclusie dat tussen partijen geen arbeidsovereenkomst heeft bestaan. Het verzoek van [verzoeker], dat is gebaseerd op het standpunt dat tussen partijen een arbeidsovereenkomst heeft bestaan, wordt dan ook, in al haar onderdelen, afgewezen.

4.17

[verzoeker] wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten.

5 De beslissing

De kantonrechter:

wijst het verzoek af;

veroordeelt [verzoeker] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van CPI vastgesteld op € 600,00 aan salaris voor de gemachtigde;

verklaart deze beschikking voor wat de proceskostenveroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. I.K. Rapmund en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

673