Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:4269

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
30-05-2018
Datum publicatie
04-06-2018
Zaaknummer
10/996766-13 en 10/700141-15 (gev.)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

In onderzoek ‘IJsberg’ heeft de rechtbank Rotterdam vonnis gewezen over het witwassen van bitcoins en gevangenisstraffen opgelegd variërend van 6 maanden tot 6 jaar. De thans terechtstaande verdachten betroffen nagenoeg allemaal bitcoinhandelaren. Een van hen is daarnaast veroordeeld voor het bezit van 21 kilo harddrugs en het voorbereiden van de uitvoer daarvan. Een van de verdachten in het onderzoek betrof een zgn. geldezel: hij stelde zijn bankrekeningen ter beschikking voor de bitcoinhandel van zijn medeverdachte.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 3

Parketnummer: 10/996766-13 en 10/700141-15 (gev.)

Uitspraakdatum: 30 mei 2018

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] ( [geboorteland verdachte] ) op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres

[adres verdachte] , [woonplaats verdachte] ,

feitelijk verblijvende op het adres

[verblijfadres verdachte] , [verblijfplaats verdachte] ( [land van verblijf verdachte] ),

bijgestaan door mr. R.J. van Eenennaam, advocaat te ’s-Gravenhage.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 13, 17, 18 en 19 april en 30 mei 2018.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding, zoals deze op de terechtzitting overeenkomstig de vordering van de officier van justitie is gewijzigd.

De tekst van de gewijzigde tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. M. van der Zwan heeft gevorderd:

  • -

    een vrijspraak voor feit 1 primair en feit 2 primair;

  • -

    een bewezenverklaring van feit 1 subsidiair en feit 2 subsidiair;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf van 48 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar;

  • -

    opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis.

4. Waardering van het bewijs1,2

4.1.

Feit 1 primair (deelneming en leiding geven aan een criminele organisatie)

Met de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is voor feit 1 primair, zodat de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.

4.2.

Feit 1 subsidiair (witwassen van bitcoins en geld)

4.2.1.

Standpunt van de officier van justitie en de verdediging

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot een bewezenverklaring van feit 1 subsidiair. Hij beroept zich in dit verband mede op de zogeheten witwas-typologieën. De raadsman heeft een vrijspraak bepleit. De verdachte handelde inderdaad in bitcoins en cash, hij was een bitcoinondernemer. Hij deed aan mining, nam deel aan bitcoin conferenties en hield zich bezig met alles dat met bitcoins gerelateerd was. De raadsman heeft de omvang van de handel in bitcoins betwist en betwist dat er sprake was van witwassen. Voorts is door hem aangevoerd dat bitcoins geen voorwerpen zijn in de zin van art. 420bis en 420ter van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Op de stellingen en argumenten van de officier van justitie en de raadsman wordt hierna in meer detail ingegaan.

4.2.2.

Inleiding van de beoordeling: omlijning van de relevante bitcoinadressen, bitcoins en gelden

4.2.2.1. Welke transacties vormen het verwijt dat aan de verdachte wordt gemaakt?

Het verwijt dat de verdachte wordt gemaakt, betreft het witwassen van bitcoins en de waarde die deze bitcoins vertegenwoordigen. Het dossier bevat twee ambtshandelingen met een analyse van de FIOD over de bitcoins die de verdachte zou hebben witgewassen, AMB-178 en AMB-197. AMB-178 met daarbij de documenten DOC-683 t/m DOC-685 betreft de oorspronkelijke analyse. Daarin wordt ingegaan op alle bitcoins die de verdachte in de periode van 1 januari 2013 tot 19 januari 2016 gekocht zou hebben. AMB-197 met daarbij de documenten DOC-721 t/m DOC-724 bevat een hernieuwde analyse. De FIOD vermeldt in die ambtshandeling dat verhoudingsgewijs veel wallets van de verdachte geen relatie hebben met het darkweb en dat er ook wallets zijn die kenmerken hebben van ontvangen bitcoins uit bitcoin-mining. In de nieuwe analyse is door de FIOD gekeken welke bitcoinadressen van de verdachte bitcoins hebben ontvangen vanuit wallets die op hun beurt bitcoins hebben ontvangen vanuit het darkweb, naar de mate waarin laatstgenoemde wallets besmet waren met bitcoins afkomstig uit het darkweb, welke bitcoins de verdachte heeft ontvangen uit besmette wallets en naar de waarde daarvan. Het resultaat is neergelegd in DOC-721 tot en met DOC-724.

De bitcoins en geldbedragen die worden genoemd in de tenlastelegging, zijn de aantallen die zijn genoemd in AMB-178/DOC-685. Dit betreft dus alle bitcoins die de verdachte in de pleegperiode zou hebben gekocht. Het betreft dus ook bitcoins die volgens AMB-197 (mogelijk) een niet-criminele herkomst hebben. Bij requisitoir is de officier van justitie niet langer uitgegaan van AMB-178/DOC-685 maar van AMB-197/DOC-724. Weliswaar staan in het schriftelijke requisitoir nog de bedragen uit de tenlastelegging, maar deze zijn doorgehaald en mondeling heeft de officier van justitie aangegeven uit te gaan van de bedragen uit AMB-197 en DOC-724. In de ontnemingszaak vordert de officier van justitie ook een bedrag dat daarop is gebaseerd.

Gelet op het voorgaande zal de rechtbank er vanuit gaan dat bitcointransacties die niet voorkomen in DOC-724 niet (langer) door de officier van justitie en de FIOD als witwassen worden gezien en geen onderdeel uitmaken van het verwijt dat de verdachte wordt gemaakt. Het te beoordelen verwijt betreft dus 43.977,85923 bitcoins met een (gestelde) beurskoerswaarde van € 5.906.758,50 (DOC-724).

4.2.2.2. Handelingen die niet (mede) hebben plaatsgevonden in Nederland, vallen buiten de verdere beoordeling

De tenlastelegging vermeldt als pleegplaats ‘Schiedam, althans Nederland’. Daar zou de verdachte bitcoins en gelden hebben witgewassen. Vaststaat dat de verdachte niet de gehele pleegperiode in Nederland verbleef. Ook staat vast dat hij niet alleen in Nederland handelde in bitcoins. De vraag is wat dat betekent voor het bewijs. Daarover wordt als volgt overwogen.

De verdachte verbleef tot in het voorjaar 2015 hoofdzakelijk in Nederland.3 Het voorhanden hebben van bitcoins en daarmee verkregen digitale en chartale gelden vindt mede plaats op de plaats waar de verdachte hoofdzakelijk woonachtig is, ook als die bitcoins in het buitenland zijn verkregen.4 Zijn handel in bitcoins vond bovendien in ieder geval tot zijn vertrek ook feitelijk mede plaats in Nederland: hij handelde deels in Nederland en hij gebruikte mede Nederlandse bankrekeningen van zichzelf en van de in Nederland woonachtige medeverdachte [naam medeverdachte 1] en diens vriendin [naam medeverdachte 2] .5 [naam medeverdachte 1] en [naam medeverdachte 2] pinden in Nederland bedragen voor de verdachte. De bitcoinhandel van de verdachte vond daarom tot zijn vertrek uit Nederland, mede in Nederland plaats.

Op enig moment in het voorjaar van 2015 is de verdachte Nederland ontvlucht na een ruzie met zijn medeverdachte [naam medeverdachte 3] . Sindsdien verbleef de verdachte (vermoedelijk) in Litouwen en (in ieder geval) niet (aantoonbaar) in Nederland. Uit het dossier blijkt niet, althans niet voor een voor de rechtbank inzichtelijke manier, dat hij sinds zijn vertrek uit Nederland nog in Nederland heeft gehandeld, bijvoorbeeld door gebruik te maken van Nederlandse bankrekeningen of dat hij toen nog samenwerkte met [naam medeverdachte 1] en [naam medeverdachte 2] . Niet bekend is wie de wederpartijen waren bij transacties die plaatsvonden na het vertrek van de verdachte uit Nederland, zodat ook niet langs die band medeplegen van witwassen in Nederland te bewijzen valt.6

Voor de datum van vertrek geldt het volgende. De verdachte heeft verklaard dat hij op 7 maart 2015 door medeverdachte [naam medeverdachte 3] is afgeperst en dat hij kort daarna Nederland heeft verlaten. Vaststaat dat hij op 11 maart 2015 is aangehouden door de douane in Duitsland. Vervolgens was hij in ieder geval op 31 maart 2015 weer in Nederland; hij had toen een confrontatie met [naam medeverdachte 3] .7 Nu een exacte (definitieve) vertrekdatum niet vast te stellen valt en de verdachte in ieder geval op 31 maart 2015 nog in Nederland was, concludeert de rechtbank dat transacties die hebben plaatsgevonden voor en op 31 maart 2015, mede hebben plaatsgevonden in Nederland, van transacties na die datum valt dat niet te bewijzen.8 Er volgt dus vrijspraak voor dat deel van de pleegperiode. Transacties genoemd in DOC-724 na 31 maart 2015 worden daarom niet meegenomen in de verdere beoordeling.9

4.2.3.

Welke bitcoins uit DOC-724 heeft de verdachte daadwerkelijk voorhanden gehad?

4.2.3.1. Aanpak van de rechtbank

De volgende stap van de beoordeling betreft de vraag welke bitcoins de verdachte heeft verkregen, voorhanden gehad, vervreemd etc, zoals de tekst van de tenlastelegging luidt. Daarvoor wordt eerst vastgesteld welke bitcoinadressen aan de verdachte toebehoren. Daarna zal binnen de hiervoor in § 4.2.2 aangegeven omlijning beoordeeld worden welke bitcointransacties met die adressen hebben plaatsgevonden.

4.2.3.2. Welke bitcoinadressen zijn van de verdachte?

Op zitting is uitvoerig gesproken over de vraag welke bitcoinadressen van de verdachte zijn.

Standpunt officier van justitie en FIOD

De FIOD heeft in DOC-680 een lijst opgenomen van bitcoinadressen die aan de verdachte worden toegeschreven. Het gaat in totaal om 98 adressen. In DOC-680 wordt steeds per adres aangeven op welke bron (bewijsmiddel) dit is gebaseerd en er wordt aangeven tot welke wallet het behoort. De adressen #1-66 hebben volgens de FIOD als bron DOC-218. Dat betreft gegevens afkomstig uit de telefoon van de verdachte. De adressen #67-81 zijn volgens de FIOD bitcoinadressen die de verdachte heeft aangeleverd aan de FIOD in het onderzoek IJsberg danwel aan de politie in verband met een aangifte van de verdachte tegen medeverdachte [naam medeverdachte 3] . Adres #82 heeft als bron DOC-679, een screenshot dat hierna nader wordt besproken. De adressen #83-98 zijn volgens de FIOD door middel van clusteranalyse aan de verdachte te koppelen.10

Standpunt verdediging

De verdachte heeft in bijlage 6 van de pleitnota en de daarbij horende annex een reactie per adres gegeven. Hij erkent dat de adressen 1, 2, 65-71, 73, 74, 76-81 van hem zijn. Van de overige adressen heeft hij aangegeven ofwel dat deze niet van hem zijn ofwel dat deze van hem zouden kunnen zijn.

Beoordeling: algemeen uitgangspunt bij de vaststelling van de bitcoinadressen

Het leeuwendeel van de bitcoinadressen die blijkens DOC-680 zijn gevonden in de telefoon van de verdachte, betreft adressen genoemd in betalingsbevestigingen. Het gaat om e-mails afkomstig van blockchain.info en gericht aan [naam e-mailadres 1] en aan [naam e-mailadres 2] .11 Deze laatste twee e-mailadressen zijn van de verdachte.12 Die e‑mails bevatten bevestigingen van gedane danwel ontvangen bitcoin-betalingen. Onderdeel van die bevestiging zijn het nummer van een transactie, diverse bitcoinadressen en de vermelding van het aantal bitcoins.

Anders dan de verdediging, is de rechtbank van oordeel dat verzendende bitcoinadressen, genoemd in verzendbevestigingen, en ontvangende bitcoinadressen genoemd in ontvangstbevestigingen, in beginsel aan de verdachte kunnen worden toegerekend. In zijn telefoon zijn immers aan hem gerichte bevestigingen aangetroffen dat vanuit danwel naar die adressen bitcoins zijn overgemaakt. Dat er geen bewijs is dat de verdachte ook beschikte over de private keys om die bitcoinadressen daadwerkelijk te kunnen beheren, doet daaraan niet af. Tegenover het vinden van de bevestigingen op zijn telefoon, mag van de verdachte een niet onaannemelijke alternatieve verklaring worden verwacht waarom die bevestigingen aan hem zijn verzonden.

De verklaring dat bepaalde adressen alleen door de verdachte werden bekeken, zogeheten watch only adressen, is geen geloofwaardige alternatieve uitleg voor de aanwezigheid van de bevestigingen op zijn telefoon. Het is weliswaar gebleken dat het technisch inderdaad mogelijk is om adressen te volgen op de wijze zoals door de verdachte beschreven. Echter, op 30 maart 2015 heeft de verdachte een e-mail gezonden aan de Duitse douane (DOC-675-005).13 In die e-mail schrijft de verdachte dat hij een screenshot toezendt van een bitcoin wallet ‘with overview of the addresses and their balances that I currently possess. Total balance is 52.7621 Bitcoins’. In het betreffende screenshot staan diverse bitcoinadressen, met een totaal aantal van 52,7621 bitcoins.14 Twee van die adressen zijn de adressen #72 en 75, waarvan de verdachte in deze procedure zegt dat het watch only adressen betreft. De uitleg die de verdachte op zitting hieraan heeft gegeven, heeft de rechtbank niet overtuigd. Feit is dat de verdachte tegenover de Duitse douane heeft bevestigd dat de adressen #72 en 75 van hem zijn. In deze strafzaak verklaart hij dat ze niet van hem zijn. Dat maakt dat zijn verklaring over watch only adressen geen geloofwaardige alternatieve verklaring vormt.

Beoordeling per bitcoinadres

Tegen de achtergrond van het voorgaande worden hierna de bitcoinadressen besproken uit DOC-680: zijn deze wel of niet van de verdachte? Eerst wordt onder A ingegaan op adressen die afkomstig zijn uit de telefoon van verdachte, inclusief het screenshot uit DOC-679 (de adressen # 1-66 en 82) of die door de verdachte zijn aangeleverd (adres # 67-81). Daarna wordt onder B ingegaan op adressen die door middel van clusteranalyse met hem in verband gebracht worden (adres # 83-98).

A. Adressen uit telefoon of door de verdachte aangeleverd

De rechtbank zal eerst ingegaan op de adressen waarover de verdachte specifieke opmerkingen heeft gemaakt en daarna kijken naar de overige adressen.

Adres # 7

Adres #7 is een bitcoinadres dat afkomstig is uit DOC-218-053. Dit betreft een email van de verdachte aan zichzelf. De verdachte heeft in bijlage 6 bij de pleitnota aangegeven dat er meerdere redenen kunnen zijn waarom hij aan zichzelf deze mail heeft gestuurd, maar hij geeft geen concrete uitleg. Nu dit adres in de telefoon van de verdachte is aangetroffen, rekent de rechtbank dit aan hem toe.

Adres #13, 29, 72 en 75

De verdachte heeft van deze adressen gesteld dat deze niet van hem zijn maar dat het watch only adressen betreft. Dit verweer slaagt niet om de redenen die hiervoor uiteengezet zijn onder het kopje ‘Beoordeling: algemeen uitgangspunt bij de vaststelling van de bitcoinadressen’.

Adres #24-26

De verdachte stelt dat de adressen #24-26 ten onrechte aan hem zijn toegerekend. Hij stelt dat in de verzend- en ontvangstbevestigingen de verzendende adressen steeds links en de ontvangende adressen steeds rechts staan. De rechtbank stelt vast dat de FIOD de bevestigingen ook zo leest.15 De adressen #24-26 komen uit DOC-218-184. Dat betreft een ontvangstbevestiging. De adressen #24-26 staan in deze bevestiging aan de linkerzijde en het betreft dus verzendende adressen. Uit dit document kan dus niet afgeleid worden dat deze drie adressen van de verdachte zijn. De rechtbank vond in het dossier geen andere ontvangst- of verzendbevestiging op grond waarvan vastgesteld kan worden dat deze adressen (toch) aan de verdachte toebehoren. Deze adressen kunnen daarom niet aan hem worden toegerekend.

Adres #64

De verdachte stelt van adres #64 dat deze niet van hem is, maar dat deze toebehoort aan [naam internetsite] van het bedrijf [naam bedrijf] . Adres #64 is blijkens DOC-680 afkomstig uit DOC-218-361, een lijst van bitcoinadressen (het adres staat op positie 349). Uit het dossier blijkt dat [naam bedrijf] een bestaande rechtspersoon is. De uitleg van de verdachte wordt niet weersproken door het dossier en de rechtbank sluit dit adres daarom uit.

Adres #82

Adres #82 betreft een adres afkomstig uit DOC-679. Het betreft een screenshot van blockchain.info . Blijkens de getuigenverklaring op zitting van twee FIOD medewerkers is tijdens de doorzoeking van de woning van de verdachte diens telefoon gevonden. Daarop is, zo hebben zij verklaard, een bitcoinadres gevonden dat door een van hen is overgetypt naar zijn eigen telefoon en daarvan is de betreffende screenshot gemaakt. Hoewel dit niet is geverbaliseerd, heeft de rechtbank er geen twijfel over dat het op deze manier is gegaan. Of er hierbij mogelijk een typefout is gemaakt, zoals de verdediging als optie heeft geopperd, kan verder in het midden blijven. Wat er ook zij van de vraag of dit adres van de verdachte was, de rechtbank stelt vast dat dit bitcoin adres blijkens DOC-724 is gebruikt in de periode oktober – november 2015. In die periode was de verdachte (vermoedelijk) in Litouwen en (in ieder geval) niet (aantoonbaar) in Nederland. Wie de wederpartijen van de betreffende transacties zijn en of die personen zich in Nederland bevonden is niet duidelijk, terwijl de rechtbank bovendien uit het dossier niet kan opmaken dat de transacties over adres #82 via Nederlandse bankrekeningen verliepen danwel anderszins aantoonbaar mede plaatsvonden in Nederland. Nu tenlastegelegd is dat de verdachte in ‘Schiedam, althans in Nederland’, bitcoins en geld heeft witgewassen, al dan niet in vereniging met derden, kan adres #82 verder buiten beschouwing blijven.

Is de hiervoor besproken kritiek van de verdachte van overeenkomstige toepassing op andere adressen uit de reeks adressen #1 – 82?

In het voorgaande is ingegaan op die adressen waarvan de verdachte heeft aangegeven dat deze niet van hem zijn. In de annex bij bijlage 6 bij de pleitnota heeft de verdachte van een substantieel aantal andere adressen gezegd dat deze van hem zouden kunnen zijn, maar – zo maakt de rechtbank uit bijlage 6 op – de verdachte stelt dat niet vaststaat dat deze inderdaad van hem zijn. De rechtbank heeft daarom bekeken of er voldoende bewijs is voor de stelling van de officier van justitie en de FIOD dat die overige adressen inderdaad van de verdachte zijn. Gekeken is of uit het dossier, in het bijzonder de documenten waarnaar DOC-680 verwijst, afdoende blijkt dat het gaat om adressen van de verdachte en/of dat de hiervoor besproken kritiek ook voor die adressen zou gelden. Daarbij is het volgende gebleken.

1)

De kritiek dat ontvangende en verzendende adressen door elkaar gehaald zijn, geldt ook voor 18 andere adressen uit DOC-680. Voor 10 van die 18 adressen vond de rechtbank in het dossier een andere verzend- of ontvangstbevestiging waarmee dit adres alsnog met de verdachte in verband gebracht kon worden. Als voorbeeld kan worden gewezen op adres #12. Dat adres zou volgens DOC-680 blijken uit DOC-218-108. Dat document is een bevestiging die verkeerd gelezen is. Adres #12 wordt echter ook genoemd in DOC-218-127 en daaruit blijkt alsnog dat het adres van de verdachte is. Dit is verder uitgewerkt in bijlage II bij dit vonnis.16

De rechtbank stelt vast dat de bevindingen over deze 18 adressen moeilijk te rijmen zijn met het feit dat de verdachte zelf in de annex bij bijlage 6 bij de pleitnota zegt dat deze adressen van hem zouden kunnen zijn. De verdachte is zich blijkens zijn eigen opmerkingen immers terdege van bewust dat verzendende adressen en ontvangende adressen door elkaar gehaald kunnen worden. Wat daarvan ook zij: het gaat hier om adressen die volgens DOC-721 niet aan het darkweb te relateren zijn. Voor het verwijt dat de verdachte wordt gemaakt, zijn deze adressen dus niet relevant.

2)

De kritiek op adres #7 geldt alleen voor dat adres. Dit geldt ook voor de kritiek op adres #82.

3)

Voor het verweer aangaande adres #64 geldt dat de rechtbank niet kan controleren of dit ook voor andere adressen zou kunnen gelden, de kennis die daarvoor nodig is zou van de verdachte moeten komen. Het had dan ook op zijn weg gelegen om zich hierover nader uit te laten.

4)

Voor de overige adressen uit de serie #1-82 geldt dat deze blijkens de onderliggende documentatie als genoemd in DOC-680 aan de verdachte kunnen worden toegerekend. De rechtbank stelt daarom vast dat deze van hem zijn.

B. De clusteranalyse Adres # 83-98

De adressen #83-98 zijn afkomstig uit een clusteranalyse van de FIOD. De FIOD heeft met het programma Walletexplorer alle bekende (door de FIOD aan de verdachte toegerekende) adressen bekeken. Bekeken is steeds tot welke wallet een adres behoort en welke overige bitcoinadressen zich in die wallets bevonden.17 Dit heeft volgens DOC-680 geleid tot de adressen #83-98. Daaruit blijkt het volgende:

- de adressen 83-86 zouden onderdeel zijn van wallet [naam wallet 1] , welke wallet volgens DOC-680 ook de adressen #71 en 72 bevat;

- de adressen 87-90 zouden onderdeel zijn van wallet [naam wallet 2] , welke wallet volgens DOC-680 ook de adressen 39, 42 en 49 bevat;

- de adressen 91-98 zouden onderdeel zijn van wallet- [naam wallet 3] , welke wallet volgens DOC-680 ook de adressen 65 en 66 bevat.

De verdediging heeft de clusteranalyse betwist op grond van de volgende argumenten:

A. Verschillende analysewebsites geven verschillende uitkomsten en dus werkt clusteranalyse kennelijk niet goed. (1) Wanneer adres #2 wordt bekeken met chainz.crytoid.info dan blijkt die website adres #2 niet toerekent aan een wallet. Bitcoin analyse website http://bitcoinwhoswho.com zegt daarentegen dat dit adres toebehoort aan de wallet MtGoxAndOthers .18 (2) Volgens DOC-680 behoort adres # 71 tot wallet [naam wallet 4] (net als de adressen #83-86), maar ook volgens Walletexplorer behoort dit adres niet toe tot deze wallet. (3) chainz.cryptoid.info legt geen verband tussen adres #83 en enige wallet. Van de adressen #83-86 staat volgens de verdediging daarom niet vast dat deze de verdachte toebehoren en hij ontkent dat ook.

In DOC-680 worden 14 adressen gekoppeld aan de wallet MtGoxAndOthers . Echter: Walletexplorer clustert meer dan drie miljoen adressen aan die wallet. Wanneer de logica van de FIOD wordt gevolgd dat een wallet aan één persoon of identiteit zou behoren, dan zouden al die adressen dus aan de verdachte moeten toebehoren. Dat toont volgens de verdediging aan dat Walletexplorer niet in staat is om op een juiste wijze de wallets en hun ID te clusteren en dat niet aangenomen kan worden dat de verdachte alle adressen bezit die in een door Walletexplorer gekoppelde wallet zitten.

Walletexplorer kan adressen vaak niet groeperen en geeft deze dan de wallet-ID “multiple”. Walletexplorer wordt toch door de FIOD gebruikt.

Walletexplorer is geen bekende analysetool. Blockchain.info wordt veel meer bezocht en is dus betrouwbaarder.

In reactie op het verweer van de verdediging over de clustering van de adressen #83-86 heeft de FIOD in AMB-209 aangegeven dat deze adressen ook geclusterd worden met adres #72 door de tool Reactor, ontwikkeld door Chainalysis.

Dit geschilpunt wordt als volgt beoordeeld.

Deskundige Van Wegberg heeft over clusteranalyses in het algemeen gezegd dat dit een betrouwbare methode is om een gemeenschappelijke herkomst van bitcoinadressen vast te stellen. Hij kan niet zeggen 100%, maar wel zeer betrouwbaar. De analyse als zodanig wordt op dit moment volgens Wegberg door geen enkele wetenschapper betwist en hij noemt Walletexplorer en Chainalysis als mogelijke platformen.19 De rechtbank gaat uit van de juistheid van de verklaring van de deskundige en trekt hieruit de conclusie dat clusteranalyse als zodanig gebruikt kan worden, zij het dat er kennelijk een (beperkte) foutmarge in zit.

In het verlengde van het voorgaande is onvoldoende aangevoerd om te concluderen dat Walletexplorer als zodanig niet betrouwbaar is. De opmerkingen over de wijze waarop Walletexplorer omgaat met MtGoxAndOthers , zijn – zonder een nadere toelichting, die ontbreekt – niet relevant voor de adressen #83 e.v. MtGox was immers een bitcoinbeurs20 en uit de verklaring van [naam ontwikkelaar Walletexplorer] , de ontwikkelaar van Walletexplorer, blijkt dat MtGox was gehackt. Om dat te verhullen heeft de hacker adressen van MtGox samengevoegd met de adressen van gebruikers van SharedSend. Dit heeft ertoe geleid dat adressen van MtGoxAndOthers in Walletexplorer werden gecombineerd in één wallet.21 Zoals de FIOD en de verdediging het aanduiden: het is een vergaarbak. Mede gelet op de hiervoor bedoelde verklaring van Van Wegberg betekent dit niet dat alle andere wallets in Walletexplorer dus niet betrouwbaar zijn. Dat Walletexplorer de aanduiding ‘Multiple’ gebruikt, komt blijkens de verklaring van [naam ontwikkelaar Walletexplorer] doordat adressen van verschillende afzenders bij één transactie niet worden geclusterd.22 Ook dat doet dus geen afbreuk aan adressen die wel geclusterd kunnen worden door Walletexplorer.23

De vraag is wat dit betekent voor de adressen #83-98.

Voor de adressen 83-86 geldt dat deze door Walletexplorer en Chainalysis, worden geclusterd met adres # 72,24,25 en door chainz.cryptoid.info niet.26 Walletexplorer en Chainalysis kunnen niet gezien worden als twee separate bevestigingen van de juistheid van de clustering. Immers, deze twee programma’s maken gebruik van hetzelfde kern-algoritme.27 Nu het dossier geen inzicht geeft in de vraag waarom chainz.cryptoid.info voor deze adressen een andere uitkomst geeft en er geen andere link is tussen de verdachte en deze adressen, gaat de rechtbank in het voordeel van de verdachte ervan uit dat de adressen #83-86 niet van hem zijn.

De verdediging heeft zich niet specifiek uitgelaten over de clustering voor de adressen #87-90 en #91-98. De adressen #87-90 zijn blijkens DOC-721 niet te relateren aan het darkweb, vormen dus geen onderdeel van het verwijt aan de verdachte en de rechtbank laat deze daarom buiten beschouwing. De adressen #91-98 zijn volgens DOC-721 wel te relateren aan het darkweb. Voor deze adressen geldt dat het op de weg van de verdachte had gelegen om zich hierover nader uit te laten en niet te volstaan met de (voor hem gunstige) uitkomst op adres #83. Dit geldt te meer, zo overweegt de rechtbank ten overvloede, nu blijkens de publiek toegankelijke websites van Walletexplorer en chainz.cryptoid.info deze adressen door beide tools worden geclusterd.28,29

De conclusie is dat het verweer tegen de clusteranalyse alleen slaagt wat betreft de adressen #83-86.

Slotsom t.a.v. de bitcoinadressen

De rechtbank stelt vast dat een deel van de adressen genoemd in DOC-680 ten onrechte daarin is opgenomen. Bij een enkel adres heeft de rechtbank dit niet vastgesteld, omdat het betreffende adres uiteindelijk toch niet relevant is. Als Bijlage II bij dit vonnis is een herziene versie van DOC-680 opgenomen waarin dit is verwerkt.

4.2.3.3. Welke relevante bitcoins zijn middels de bitcoinadressen uit Bijlage II bij dit vonnis verhandeld?

De FIOD heeft op basis van DOC-680 (de lijst met bitcoinadressen) de documenten DOC-721-724 opgesteld.30 DOC-721 bevat de wallets en bitcoinadressen uit DOC-680 en vermeldt daarvan of deze bitcoins hebben ontvangen vanuit wallets die op hun beurt bitcoins hebben ontvangen vanuit het darkweb. In DOC-722 is vervolgens voor ieder van die verzendende wallets gekeken in welke mate zij besmet waren met bitcoins afkomstig uit het darkweb. In DOC-723 is in kaart gebracht welke bitcoins ontvangen zijn vanuit besmette wallets en in DOC-724 is aangegeven welke waarde deze bitcoins hebben.

De rechtbank komt in § 4.2.4 terug op de herkomst van de bitcoins. Wat thans van belang is, zijn de bevindingen van de FIOD zoals neergelegd in DOC-723 en DOC-724. Daarin zijn steeds concrete transacties neergelegd (per datum en tijd, hoeveel bitcoins, van welke wallet naar welke wallet/bitcoinadres). Dit is informatie die de FIOD heeft ontleend aan Walletexplorer. De verdachte heeft niet gesteld dat de FIOD daarbij vergissingen heeft gemaakt, in de zin dat bepaalde transacties genoemd in DOC-723 en DOC-724 niet uit Walletexplorer blijken. Dit is op zich informatie die door de verdachte via het internet gecontroleerd kon worden. Uit het gebrek van een reactie gaat de rechtbank ervan uit dat de FIOD deze documenten op zich juist heeft opgesteld, dus dat de in deze documenten bedoelde transacties inderdaad uit Walletexplorer volgen.

De volgende vraag is of Walletexplorer de in DOC-723 en 724 genoemde transacties juist heeft weergegeven. De verdachte heeft niet concreet aangeven dat Walletexplorer deze transacties als zodanig – dus: nog steeds los van de al dan niet darkweb en/of criminele herkomst – onjuist zou hebben weergegeven.31 Hij betwist wel de wallets-ID’s die Walletexplorer noemt, maar daarvan is hiervoor al aangegeven dat dit verweer niet slaagt (met uitzondering van #83-86). Bovendien en belangrijker: het gaat om transacties die blijkens Walletexplorer opgenomen zijn in de bitcoin blockchain en die op transactienummer in te zien zijn en daarom controleerbaar zijn voor de verdachte met verschillende andere analysetools. Nu de verdachte geen concrete reactie heeft gegeven over de transacties als zodanig – zoals hij wel heeft gedaan bij de clusteranalyse – gaat de rechtbank ervan uit dat de transacties genoemd in DOC-723 en 724 als zodanig hebben plaatsgevonden.

Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank vast dat over de adressen genoemd in DOC-680, voor zover deze niet zijn geëlimineerd in DOC-721, inderdaad de bitcoins zijn verhandeld zoals genoemd in DOC-723 en DOC-724. Wel moeten de wijzigingen die de rechtbank in Bijlage II op DOC-680 heeft gemaakt, ook doorgevoerd worden in DOC-723 en DOC-724. De rechtbank heeft met het oog daarop de in digitale vorm van het OM verkregen DOC-721 tot en met DOC-724 aangepast en deze aangepaste documenten als bijlage III tot en met VI aan dit vonnis gehecht.32

De slotsom is dat de verdachte in de periode van 1 januari 2013 tot en met 31 maart 2015 de bitcoins genoemd in Bijlage V en VI bij dit vonnis heeft verworven, voorhanden gehad, vervreemd, gebruikt etc. Dit zijn dus de voorwerpen waarvan vastgesteld moet worden of de verdachte deze heeft witgewassen. Daarover gaat de volgende paragraaf van dit vonnis.

4.2.4.

Heeft de verdachte voornoemde bitcoins witgewassen?

4.2.4.1. Standpunten officier van justitie en verdediging

De officier van justitie stelt dat er sprake is van een vermoeden van witwassen en stelt dat de verdachte geen voldoende concrete verklaring van een niet-criminele herkomst heeft gegeven, zodat vastgesteld moet worden dat er inderdaad sprake is van witwassen.

De raadsman heeft over de door de officier van justitie gestelde criminele herkomst – verkort samengevat – het volgende gesteld. De raadsman voert allereerst aan dat de handel in cash niet zo uitzonderlijk is als de FIOD doet voorkomen. Dit gebeurde, zeker in het begin, veelvuldig. Het online aan- en verkopen was niet zo eenvoudig als gesteld wordt: daarmee is meer tijd gemoeid en Bitonic en Kraken waren in de beginperiode niet bekend en hadden in de pleegperiode geen reputatie dat ze veilig waren. De bijkomende kosten van Bitonic zijn bovendien hoog en onvoorspelbaar. Handel via exchanges draagt verder een koersrisico in zich: de marktprijs kan gedaald zijn in de tijd die het kost om bitcoins via een exchange te verkopen en te leveren. Exchanges kunnen worden gehackt en dat is ook veelvuldig gebeurd. Ook zit er aan bitcointrading een sociaal aspect: verkopers willen advies krijgen over de aan- en verkoop van bitcoins en willen praten over bitcoins. De raadsman betwist ook dat de verdachte een ongebruikelijke hoge fee hanteerde en voert aan dat de FIOD ten onrechte geen danwel onvoldoende rekening hield met de kosten van de verdachte, de fee van bedrijven als Bitonic en de koers die zij hanteren.

Voor Walletexplorer geldt, aldus de raadsman, dat volkomen ondoorzichtig is welke analysemethode hier achter zit, zodat dit niet te controleren valt. Als voorbeeld wijst de raadsman erop dat in DOC-684 twee exact dezelfde adressen zitten dat één keer wordt gelinkt aan Nucleusmarkt en een keer niet. Verder wijst hij op het feit dat drie miljoen bitcoinadressen worden gelinkt aan MtGoxAndOthers , wat laat zien dat Walletexplorer niet deugt.

Kort samengevat betwist de raadsman dat er sprake is van een vermoeden dat de bitcoins een criminele herkomst hebben. Als er al een vermoeden zou zijn van een criminele herkomst, dan heeft de verdachte een legale herkomst aangeduid door een lijst van zijn klanten te overleggen. Die uitleg van de verdachte is door de officier van justitie niet onderzocht en daarmee niet weerlegd.

Uiterst subsidiair is door de raadsman een berekening gemaakt op basis van de door de verdachte erkende bitcoinadressen en de adressen waarvan hij heeft gezegd dat deze van hem kunnen zijn. Die berekening komt uit op bitcoins met een handelsvolume van € 336.487,90, ervan uitgaand dat de analyse van de FIOD / Walletexplorer op zich juist zijn.

4.2.4.2. Beoordelingskader witwassen

Voor een bewezenverklaring van witwassen van een voorwerp is vereist dat vaststaat dat het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf. Dat hoeft niet een nauwkeurig aangeduid misdrijf te zijn. Als er geen rechtstreeks verband valt te leggen tussen het voorwerp en een delict kan toch bewezen worden geacht dat een voorwerp “uit enig misdrijf” afkomstig is, als het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Het is aan het Openbaar Ministerie om dergelijke feiten en omstandigheden naar voren te brengen. Als uit het door het Openbaar Ministerie aangedragen bewijs feiten en omstandigheden kunnen worden afgeleid dat zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van het voorwerp. Zo’n verklaring moet concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk zijn. Bij de beoordeling van deze verklaring spelen de omstandigheden waaronder en het moment en de wijze waarop deze tot stand is gekomen een rol. Zo kan het van belang zijn of de verdachte van meet af aan een tegenwicht tegen de verdenking heeft geboden of dat hij eerst in een laat stadium van het onderzoek is gaan verklaren op een wijze die aan de hiervoor genoemde eisen voldoet.

Als de verdachte zo’n verklaring heeft gegeven over de herkomst van het voorwerp, dan ligt het vervolgens op de weg van het Openbaar Ministerie om nader onderzoek te doen naar de, uit de verklaringen van de verdachte blijkende, alternatieve herkomst van het voorwerp. Uit een dergelijk onderzoek zal moeten blijken dat met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat het voorwerp waarop de verdenking betrekking heeft, een legale herkomst heeft en dat dus een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring kan gelden.

4.2.4.3. Is er sprake van een vermoeden van witwassen?

Met de officier van justitie en de verdediging stelt de rechtbank vast dat er geen direct brondelict valt aan te wijzen als herkomst van de bitcoins.33 De vraag is dus of wel vastgesteld kan worden dat de bitcoins van enig misdrijf afkomstig zijn. Anders dan de verdediging, is de rechtbank van oordeel dat er zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen.

Vaststaat – de verdachte erkent dat ook – dat de verdachte aanzienlijke hoeveelheden bitcoins tegen cash heeft ingekocht en daarna weer verkocht. Voor de ontvangst van de verkoopprijs werd mede gebruik gemaakt van de bankrekeningen van anderen, zoals [naam medeverdachte 1] en [naam medeverdachte 2] . De verdachte zegt zelf dat hij circa 1000 klanten had en dat hij met circa 100 daarvan in cash handelde.34 Via de bankrekeningen van de verdachte, door hem gecontroleerde bedrijven en de bankrekeningen van derden, liep in totaal meer dan drie miljoen euro als betaling voor verkochte bitcoins.35 De uitleg die de verdachte hieraan geeft, namelijk dat het gebruik van de bankrekeningen van derden nodig was omdat banken niet langer toestonden dat hij gebruik maakte van zijn eigen bankrekeningen voor bitcointransacties, doet daaraan onvoldoende af. Banken staan het gebruik van bankrekeningen voor het ontvangen van grote bedragen uit bitcoinhandel en het vervolgens cash opnemen in grote bedragen immers onder meer niet toe omdat dit op witwassen duidt.

De verdachte hanteerde bij inkoop van bitcoins naar eigen zeggen een koers die gemiddeld 6% onder de marktprijs lag. De FIOD gaat ervan uit dat de verdachte een marge van 10% hanteerde, maar de onderbouwing daarvan is noodzakelijkerwijs beperkt nu er slechts een beperkte administratie is gevonden. De belangrijkste onderbouwing betreft DOC-641a, waaruit blijkt dat de verdachte voor ‘ [naam ] ’ – die naar eigen zeggen voor ‘tonnen’ heeft gewisseld bij de verdachte – een marge van 10% hanteerde. Dat betreft een bericht uit het voorjaar van 2013, dus aan het begin van de pleegperiode. Daarnaast wordt een inkoop tegen 90% voorgesteld in DOC-702 en DOC-700. De verdachte zegt daarvan dat het gaat om een potentiële klant die een zeer kleine transactie voorstelt waarvoor hij naar Venlo zou moeten gaan en noemt dat niet representatief. Het dossier bevat, zoals de raadsman terecht aanvoert, ook aanwijzingen dat de verdachte niet standaard een marge van 10% hanteerde. De rechtbank zal er daarom in het voordeel van de verdachte van uitgaan dat hij inderdaad voor gemiddeld 94% van de marktprijs bitcoins inkocht.

Uit de verklaring van de deskundige Van Wegberg blijkt dat de kosten van verkoop bij Bitonic en Kraken aanzienlijk lager zijn dan die 6%.36 De verdachte stelt dat Bitonic en Kraken veel hogere kosten (fees) in rekening brachten, maar de rechtbank gaat af op de verklaring van Van Wegberg. Die verklaring weegt voor de rechtbank zwaarder dan de overgelegde reviews van enkele ontevreden klanten van Bitonic. De verdachte stelt ook niet concreet en onderbouwd welke vergoedingen hij betaald heeft aan Bitonic en Kraken. Over de koers bij verkoop heeft de verdachte verklaard dat verkoop bij Kraken tegen de beurskoers feitelijk niet altijd mogelijk is: er wordt gewerkt met een orderboek en dat betekent dat vraag en aanbod bepalen wat de uiteindelijke prijs is. Dit is op zitting ook gedemonstreerd door de verdachte en door medeverdachte [naam medeverdachte 4] . Deze uitleg wordt door het dossier onvoldoende weersproken en komt de rechtbank aannemelijk over. De verdachte stelt echter niet concreet en onderbouwd tot welke feitelijke koers dit leidt. Al met al is niet aannemelijk geworden dat de totale kosten van verkoop (dus commissie/kosten en koersverlies) hoger zijn dan 1%.

De klanten van de verdachte betaalden dus een niet onaanzienlijke vergoeding. Daarmee verkregen zij destijds, door de wijze waarop de verdachte handelde, anonimiteit.37 Het kostte hen bovendien extra inspanning in vergelijking met een online-verkoop: er moest een afspraak gemaakt worden, daar moesten verkoper en koper naartoe en het gebruik van aanzienlijke hoeveelheden contanten draagt (ook38) risico’s in zich. Van Wegberg verklaart hierover dat de extra vergoeding bij een cashtrade een vergoeding betreft voor anonimiteit.39 Dat verschillende bedrijven met bitcoin-geldautomaten – automaten die de verdachte niet had – vergelijkbare marges rekenen op bitcoin cash transacties, doet daaraan niet af.

Van belang zijn verder de documenten DOC-721 t/m DOC-724 (en de daarop gebaseerde bijlagen III-VI bij dit vonnis). Uit die documenten blijkt dat de FIOD met Walletexplorer heeft vastgesteld dat de verdachte aanzienlijke hoeveelheden bitcoins ontving vanuit wallets die op hun beurt in aanzienlijke mate waren gevoed vanuit marktplaatsen op het darkweb. Als feit van algemene bekendheid mag aangenomen worden dat transacties via dergelijke marktplaatsen in overwegende mate drugs en andere illegale transacties betreffen.40 Op de kritiek van de verdachte over Walletexplorer voor het traceren van de herkomst van bitcoins, is hiervoor in § 4.2.3.2 (onder het kopje ‘De clusteranalyse Adres # 83-98’) al ingegaan. Daar is de conclusie getrokken dat clusteranalyse en Walletexplorer gebruikt kunnen worden, zij het dat er kennelijk een zekere foutmarge in zit. Ook rekening houdend met een foutmarge, blijft het een gegeven dat Walletexplorer laat zien dat de verdachte grote aantallen bitcoins heeft ontvangen vanuit bitcoinadressen die op hun beurt in substantiële mate werden gevoed vanuit darkweb-marktplaatsen. Dat gegeven – dat dus geen absolute zekerheid ten aanzien van iedere bitcointransactie pretendeert – kan meegenomen worden bij de vraag of er een vermoeden van witwassen is.

Meer specifiek merkt de rechtbank naar aanleiding van gevoerde verweren over de herkomst van bitcoins nog het volgende op.

- Walletexplorer maakt gebruik van naamlabels, die worden verbonden aan bekende bitcoinadressen van marktplaatsen op het darkweb, zoals Agora Market, Nucleus Market, Evolution Market en MiddleEarthMarketplace.41 Uit de schriftelijke verklaring van [naam ontwikkelaar Walletexplorer] blijkt dat hij in de meeste gevallen aan de wallet gegevens van dergelijke markten is gekomen doordat hij transacties met hen heeft gedaan. Hij heeft ook verklaard alleen namen te verbinden aan wallets, indien hij daar absoluut zeker van is. De omstandigheid dat Walletexplorer minder wordt gebruikt dan andere analyse tools en dat het daardoor minder adressen zou bevatten, doet niet af aan deze opmerkingen van [naam ontwikkelaar Walletexplorer] . 42

- Over de adressen #2, 13 en 29 stelt de verdachte dat deze volgens Walletexplorer een connectie hebben met het darkweb, maar dat andere websites een connectie laten zien met MtGoxAndOthers . De verdachte heeft dit voor adres #2 toegelicht aan de hand van een paar screenshots, waarop te zien is dat dit adres door verschillende analyse-tools soms wel en soms niet aan MtGoxAndOthers wordt toegewezen. Dit argument van de verdachte raakt echter niet het punt waar het hier om gaat. Dat is, dat op transactieniveau is vastgesteld dat adressen van de verdachte bitcoins hebben ontvangen uit wallets die zijn gevoed door darkweb-marktplaatsen. Of de adressen #2, 13 en 29 door Walletexplorer worden geclusterd in MtGoxAndOthers , is daarvoor niet relevant.43

- Over de adressen #65 en 66 stelt de verdachte dat één van deze adressen volgens Walletexplorer een connectie heeft met [naam 3] , maar dat andere websites een andere connectie laten zien. De verdachte licht dit verder niet toe. De rechtbank gaat daar dan ook aan voorbij.

- De verdachte stelt over de adressen #69, 70 en 77 dat hij deze gebruikte voor (reguliere) transacties van specifieke wederpartijen ( [naam 1] , Bitcoin.de exchange en Kraken). De rechtbank stelt vast dat de FIOD in DOC-621 van deze adressen zegt dat ze niet aan het darkweb gerelateerd zijn. De FIOD en de verdachte hebben dus geen verschil van inzicht over deze adressen.

- Over adres #71 geeft de verdachte aan dat hij deze gebruikte voor (reguliere) transacties met [naam 4] . Dit betrof het adres dat ten onrechte was geclusterd in de wallet [naam wallet 1] .44 Nu die gehele wallet vanwege verschillen in clusteranalyse buiten beschouwing wordt gelaten en over adres #71 geen separate informatie beschikbaar is, blijft adres #71 verder buiten beschouwing.

Bij de beoordeling of er sprake is van een vermoeden van witwassen, is tenslotte DOC-641a van belang. Dit betreft bevat mail/appberichten tussen ‘ [naam ] ’ en ‘ [naam 2] ’ uit februari 2013. Uit die berichten blijkt dat de verdachte voor ‘tonnen’ heeft gewisseld voor ‘ [naam ] ’.45 Uit het document blijkt, mede in combinatie met DOC-360 en 361, verder dat ‘ [naam ] ’ een grote handelaar was die via [naam 3] , een marktplaats op het darkweb, verdovende middelen verkocht tegen betaling in bitcoins.46 Kortom: een hele concrete aanwijzing dat deze wederpartij van de verdachte inkomsten genereerde met de drugshandel via het internet en zijn bitcoins bij de verdachte wisselde.

Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot een vermoeden van witwassen. Dat betreft de bitcoins (en bijbehorende waarde) genoemd in bijlagen V en VI van dit vonnis. Die bijlagen zijn, zoals hiervoor is overwogen, de documenten DOC-723 en DOC-724 met de aanpassingen vanwege de bevindingen van de rechtbank over de bitcoinadressen van de verdachte. Tevens zijn in bijlagen V en VI de transacties met de wallets [naam wallet 5] , [naam wallet 6] en [naam wallet 7] verwijderd. Dit zijn wallets van waaruit de verdachte bitcoins heeft ontvangen. Deze verzendende wallets zijn blijkens DOC-722 slechts voor 4%, 1% respectievelijk 8% besmet. Met de verdachte is de rechtbank van oordeel dat een dergelijke lage mate van besmetting van een bron-wallet, zonder een nadere toelichting van de zijde van de FIOD, onvoldoende is om bij te dragen aan het vermoeden van witwassen.

4.2.4.4. Verklaring van de verdachte omtrent de herkomst van de bitcoins

De verdachte heeft het vermoeden van witwassen onvoldoende weerlegd. Weliswaar heeft hij een lijst van circa 1200 klanten aan de officier van justitie gegeven, maar dit kwalificeert niet als een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring omtrent een niet-criminele herkomst van de bitcoins. De verdachte geeft met zijn lijst geen inzicht in de niet-criminele herkomst van de bitcoins en in veel gevallen geeft hij niet meer dan een naam van een gestelde wederpartij en het land waarin deze woont. Er is geen enkele link gelegd tussen die namen en de bitcointransacties uit het FIOD dossier en er wordt zelfs niet aangegeven welke klanten ‘cashklanten’ zijn en welke klanten niet. Daarmee geeft hij onvoldoende aanknopingspunten voor nader onderzoek. Bovendien is deze lijst eerst in een zeer laat stadium overgelegd, namelijk twee weken voor de zitting. Voordien had hij slechts enkele namen van wederpartijen gegeven zonder nadere concrete gegevens.

De verdachte heeft in bijlage 6 bij de pleitnota (onder het kopje ‘conclusies’) aangegeven dat de adressen 1, 3, 4, 5, 6, 8, 9, 10, 11, 12, 14, 15, 16, 17, 18, 19, 20, 21, 22, 23, 27, 28, 30, 31, 32, 33, 34, 35, 36, 37, 38, 39, 40, 41, 42, 43, 44, 45, 46, 47, 48, 49, 50, 51, 52, 53, 54, 55, 56, 57, 58, 59, 60, 61, 62, 63, 67, 68, 73, 74 en 76 gebruikt werden in verband met mining en handel. Dit sluit aan bij – de rechtbank neemt aan: is mede ontleend aan - de bevindingen van de FIOD in DOC-721. Daarin staat van deze adressen dat zij niet aan het darkweb te relateren zijn. De officier van justitie, de FIOD en de verdachte zitten ten aanzien van deze adressen dus op dezelfde lijn. Dat de op deze adressen ontvangen bitcoins een legale herkomst hebben, is geen verklaring omtrent de legale herkomst van de bitcoins ontvangen op andere adressen.

De slotsom is dat de rechtbank uitgaat van een criminele herkomst van de bitcoins genoemd in Bijlage VI van dit vonnis, te weten 36.046,794 bitcoins met een beurswaarde van € 4.011.184,44.47

4.2.4.5. Wist of behoorde de verdachte weten van deze criminele herkomst?

Er is onvoldoende bewijs dat de verdachte onvoorwaardelijke opzet had op witwassen. De enkele opmerking van [naam medeverdachte 3] in een OVC gesprek – kort gezegd dat de verdachte, als klanten over hun drugshandel begonnen, er over heen sprak, is daarvoor onvoldoende.48 Er zijn immers ook contra-indicaties. Illustratief is het bericht waarin [naam ] schrijft dat hij niet denkt dat de verdachte weet van [naam 3] en dat er geen SR (rechtbank: [naam 3] ) namen genoemd moeten worden (DOC-641a). De verdachte weigert ook zaken te doen met ene ‘ [naam 5] ’, die hem via de mail (op een vrij knullige wijze) benadert voor een uitleg hoe bitcoins te verkrijgen om zo vals geld te kunnen kopen (DOC-705).49 Met de raadsman is de rechtbank van oordeel dat er onvoldoende bewijs is dat de verdachte zelf op het TOR-netwerk actief was. Van belang is verder dat [naam ontwikkelaar Walletexplorer] heeft aangegeven dat hij in 2013 is begonnen met het toevoegen van naamlabels aan Walletexplorer, maar dat er eind 2013 maar een beperkt aantal naamlabels in deze tool zat en dat dit in de jaren 2013-2015 is uitgebreid. Daaruit kan afgeleid worden dat het in de loop van de pleegperiode voor de verdachte wel mogelijk is geworden om met Walletexplorer bitcoinadressen op herkomst te onderzoeken, maar dit kon zeker niet de gehele pleegperiode voor alle adressen. Uit het dossier blijkt niet wanneer andere analyse tools zijn begonnen met het gebruik van naamlabels.

Het voorgaande sluit echter geen opzet in voorwaardelijke zin uit. De verdachte was, zo is op zitting gebleken en zegt hij zelf ook, bijzonder goed bekend met de handel in bitcoins. Het kan dan ook niet anders dan dat hij zich destijds gerealiseerd heeft dat een aanzienlijk deel van de door hem ingekochte bitcoins een criminele herkomst had en dat hij, door grote hoeveelheden bitcoins tegen cash in te kopen, mensen in staat stelde om op anonieme basis op het darkweb te handelen en de criminele opbrengst vervolgens contant te maken. De verdachte heeft met zijn handelswijze de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij samen met klanten bitcoins witwaste. Dat hij die herkomst gedurende een deel van de pleegperiode (mogelijk) niet kon controleren, doet daaraan niet af: in de periode dat controle niet mogelijk was, had de verdachte zich moeten onthouden van de handel in bitcoins op de wijze zoals in dit vonnis beschreven. Gezien een en ander is de rechtbank van oordeel dat er bij de verdachte sprake was van voorwaardelijk opzet.

4.2.5.

Conclusie

Geconcludeerd wordt dat de verdachte in de periode van 1 januari 2013 tot en met 31 maart 2015 bitcoins en girale en/of chartale gelden witgewassen heeft. Dit betreft 36.046,794 bitcoins met een beurskoerswaarde van € 4.011.184,44 (zie bijlage VI). Rekening houdend met kosten van Bitonic/Kraken en koersverlies bij verkoop tot maximaal 1%, komt deze beurswaarde overeen met een witgewassen bedrag van (afgerond) 3.971.000,00.

4.2.6.

Overige overwegingen

4.2.6.1. Nader onderzoek door een deskundige

De verdediging heeft een subsidiair verzoek gedaan tot de benoeming van een deskundige. Deze zou de analyse van de FIOD van de bitcoinstromen en de analyse van de verdachte (bijlage 6 bij de pleitnota) naast elkaar kunnen leggen. De rechtbank toetst dit verzoek aan het noodzakelijkheidscriterium en daaraan toetsend, wijst zij het af. Daarbij is mede betrokken dat de verdachte pas bij gelegenheid van de zitting een zeer uitvoerige beschouwing heeft gegeven van zijn bitcoinstromen en de herkomst daarvan. Voor een substantieel onderdeel van bijlage 6 bij de pleitnota geldt dat ook zonder teruggave van in beslag genomen bestanden, een eerdere reactie mogelijk was geweest. Dat betreft met name de kritiek op de werking van Walletexplorer.

4.2.6.2. Bitcoins als voorwerp van witwassen

Het begrip voorwerp in de zin van artikel 420 bis en 420ter Sr komt een autonome strafrechtelijke betekenis toe en is ruim omschreven: het omvat alle zaken en alle vermogensrechten. Anders dan de verdediging is de rechtbank van oordeel dat bitcoins hieronder vallen. Bitcoins zijn immers voor menselijke beheersing vatbare objecten met een waarde in het economische verkeer die voor overdracht vatbaar zijn. Er kan mee betaald worden. Ze zijn ook individueel bepaalbaar: alle bitcoins die ooit zijn gewonnen en alle transacties die ermee worden uitgevoerd, worden in de blockchain bijgehouden. De benadering dat een bitcoin slechts een reeks van getallen is, doet geen recht aan de economische realiteit.

4.2.6.3. Gewoontewitwassen

Uit de frequentie van de transacties, zoals vermeld in bijlage V en VI bij dit vonnis, blijkt zonder meer dat er sprake is van gewoontewitwassen.

4.3.

Waardering van het bewijs van feit 2 (diefstal met geweld, subsidiair mishandeling)

4.3.1

Primair: medeplegen van diefstal met geweld

De rechtbank is, met de officier van justitie en de raadsman, van oordeel dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is voor feit 2 primair. Het dossier bevat wel aanwijzingen die erop duiden dat één of meer telefoons zijn weggenomen en er is – zie onder – in vereniging geweld gepleegd. Uit de bewijsmiddelen volgt echter niet dat de verdachte iets heeft weggenomen en ook niet dat het in vereniging gepleegde geweld is gebruikt met het oogmerk om een diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken.

4.3.2

Subsidiair: medeplegen van mishandeling

De raadsman heeft vrijspraak bepleit. Volgens hem lopen de verklaringen ver uiteen en is de betrouwbaarheid van de diverse verklaringen ver te zoeken, zodat er teveel twijfel is omtrent hetgeen zich in de woning heeft afgespeeld en niet bewezen kan worden verklaard dat de verdachte (in vereniging) heeft mishandeld. De rechtbank overweegt hierover als volgt.

De verklaringen van [naam medeverdachte 3] en [naam medeverdachte 5] vinden in belangrijke mate steun in ander bewijsmateriaal. Weliswaar blijkt uit een proces-verbaal van bevindingen dat [naam medeverdachte 3] op straat, toen de politie arriveerde, heeft verklaard dat alleen de verdachte binnen is geweest. Vervolgens hebben hij en [naam medeverdachte 5] echter verklaard dat er op de kamerdeur werd geklopt, dat de verdachte onverwacht met drie mannen binnen kwam en dat de verdachte zich met [naam medeverdachte 5] bezighield terwijl de drie andere mannen met [naam medeverdachte 3] vochten.50 Dit alles is erkend door de verdachte.51 [naam medeverdachte 3] heeft verklaard dat hij op de grond terecht kwam. Ook dat vindt steun in de verklaring van de verdachte die inhoudt dat [naam medeverdachte 3] tegen de grond is gewerkt. De verklaring van [naam medeverdachte 3] en [naam medeverdachte 5] dat [naam medeverdachte 3] is bewerkt met een taser vindt steun in de FARR-verklaring.52 De verklaring van [naam medeverdachte 5] dat zij bij haar gezicht is gepakt en die van [naam medeverdachte 3] dat iemand zijn hand op haar mond heeft gelegd, vindt steun in de verklaring van de verdachte en in foto’s die bij de aangifte van [naam medeverdachte 5] zijn gevoegd. De verdachte heeft immers verklaard dat een van de andere mannen zijn hand over de mond van [naam medeverdachte 5] heeft gelegd en op de foto’s is bloed te zien op haar lip bij haar beugel. Nu de verklaringen van [naam medeverdachte 3] en [naam medeverdachte 5] in belangrijke mate steun vinden in ander bewijsmateriaal heeft de rechtbank geen aanleiding om ervan uit te gaan dat hun verklaringen voor het overige niet kloppen. Dit betekent dat de rechtbank hun verklaringen zal volgen. Ter zitting heeft de verdachte erkend dat hij de drie mannen tevoren had geregeld en dat [naam medeverdachte 2] hem op zijn verzoek de sleutel van de woning heeft bezorgd. De verdachte is dan ook degene op wiens initiatief dit alles is gebeurd.

4.4.

Bewezenverklaring

Op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte feit 1 subsidiair en feit 2 subsidiair heeft begaan.

De verdachte heeft de bewezen verklaarde feiten op die wijze begaan dat:

1. subsidiair

hij in de periode van 1 januari 2013 tot en met 31 maart 2015 in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen meermalen,

a.
voorwerpen, te weten
- 36.046,794 bitcoins en

- geldbedragen van in totaal circa 3.971.000,00 euro,

heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen en/of omgezet, en/of van genoemde voorwerp(en) gebruik heeft gemaakt, terwijl hij, verdachte, en zijn mededader(s) wisten dat bovenomschreven voorwerpen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf, terwijl hij, verdachte, en zijn mededader(s) van het plegen van dat feit een gewoonte hebben gemaakt,

en

b.
voorwerpen, te weten

- 36.046,794 bitcoins en

- geldbedragen van in totaal circa 3.971.000,00 euro,

de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding, de verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld, en/of heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende(n) op genoemde voorwerpen was/waren, en/of heeft verborgen en/of verhuld wie genoemde voorwerpen voorhanden heeft gehad, terwijl hij, verdachte, en zijn mededader(s) wisten dat bovenomschreven voorwerpen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf, terwijl hij, verdachte van het plegen van dat feit een gewoonte heeft gemaakt;

2. subsidiair

hij, op 31 maart 2015 te Rotterdam, tezamen en in vereniging met anderen [naam slachtoffer 1] en [naam slachtoffer 2] heeft mishandeld door:
- (stevig) bij het gezicht en/of de kaak vastpakken van die [naam slachtoffer 1] en

- ( met kracht) duwen/draaien van de arm en hand van die [naam slachtoffer 1] op/tegen haar rug en

- ( meermalen) slaan en/of stompen in het gezicht en tegen de kaak van die [naam slachtoffer 2] en

- ( wanneer die [naam slachtoffer 2] op de grond lag) met een hand(schoen) de mond van die [naam slachtoffer 2] dichtdrukken, althans afdekken, en (meermalen) trappen tegen het lichaam van die [naam slachtoffer 2] en

- zetten van een taser, althans een stroomstootwapen, op de borst en het bovenbeen van die [naam slachtoffer 2] .

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet (ook) daarvan worden vrijgesproken.

5 Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:

1.

medeplegen van gewoontewitwassen;

2.

medeplegen van mishandeling.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De feiten zijn dus strafbaar.

6 Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

7 Motivering straf

7.1.

Algemene overweging

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

7.2.

Feit en omstandigheden waarop de straf is gebaseerd

De verdachte heeft gedurende een periode van 27 maanden een gewoonte gemaakt van het witwassen van uit criminele bron verkregen bitcoins. Het gaat om grote aantallen bitcoins met een totale waarde van circa € 4.000,000,00. Witwassen is een ernstig feit dat de integriteit van het financiële handelsverkeer schaadt alsmede het vertrouwen dat daarin moet kunnen worden gesteld. Bovendien heeft verdachte door zijn handelwijze de opbrengsten uit misdrijf aan het zicht van justitie onttrokken. Het handelen van de verdachte heeft er toe bijgedragen dat door anderen gepleegde misdrijven hebben geloond, waarmee de onderliggende criminaliteit is gefaciliteerd. De rechtbank neemt dit de verdachte kwalijk.

Daarnaast heeft de verdachte samen met enkele mededaders [naam slachtoffer 1] en [naam slachtoffer 2] mishandeld. Wat die mishandeling te meer kwalijk maakt, is dat het een vooraf geplande mishandeling betreft en dat daarbij een taser is gebruikt.

De vraag is wat voor straf hiervoor passend is.

Om te bevorderen dat landelijk door gerechten in gelijke gevallen gelijke straffen worden opgelegd heeft het LOVS oriëntatiepunten voor straftoemeting opgesteld. Deze oriëntatiepunten gaan voor fraude bij een benadelingsbedrag van € 1.000.000,- of meer uit van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van ten minste 24 maanden. Zoals blijkt uit de toelichting op deze oriëntatiepunten wordt onder fraudedelicten tevens geschaard witwassen, mits de gedragingen in een frauduleuze context hebben plaatsgevonden. Hoewel bij witwassen niet (direct) kan worden gesproken van een benadelingsbedrag zoals bij fraudedelicten, ziet de rechtbank toch aanleiding om aan te knopen bij het oriëntatiepunt fraude. De rechtbank volgt bij de straftoemeting, anders dan de officier van justitie, niet de ‘Richtlijn voor strafvordering witwassen’ van het Openbaar Ministerie, aangezien de daarin opgenomen straffen te zeer afwijken van de door rechtbanken en hoven opgelegde straffen.

De rechtbank heeft bij het bepalen van de strafmaat verder gekeken naar straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. Daarbij noemt de rechtbank met name de vonnissen die door de rechtbank Midden-Nederland zijn gewezen naar aanleiding van het Nocis-onderzoek53, de vonnissen in het onderzoek Air Holland54 en de eerder gewezen vonnissen in het onderzoek IJsberg55.

Er is in deze ingewikkelde strafzaak sprake van een beperkte overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank volstaat met de constatering daarvan en zal daar geen gevolgen aan verbinden.

De rechtbank heeft op het punt van de persoonlijke omstandigheden acht geslagen op het uittreksel uit de justitiële documentatie betreffende verdachte, waaruit blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld.

7.3

Conclusies van de rechtbank

Gelet op het voorgaande kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf van de hierna vermelde duur.

8 Voorlopige hechtenis

De officier van justitie heeft gevorderd om de schorsing van de voorlopige hechtenis op te heffen, de verdediging heeft primair gevraagd de voorlopige hechtenis op te heffen en subsidiair om de schorsing te laten doorlopen.

De rechtbank is van oordeel dat de ernstige bezwaren en gronden die hebben geleid tot het bevel gevangenhouding zich nog steeds voordoen en ziet ook overigens geen reden dit bevel op te heffen. Het verzoek van de raadsman tot opheffing van de (geschorste) voorlopige hechtenis wordt dan ook afgewezen.

De rechtbank is van oordeel dat er onvoldoende grond is om de verdachte een eventueel hoger beroep niet in vrijheid te laten afwachten en ziet daarom onvoldoende reden de schorsing op te heffen. De daartoe strekkende vordering van de officier van justitie wordt dan ook afgewezen.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 14a, 14b, 14c, 47, 57, 300, 420bis en 420ter van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze golden ten tijde van de bewezen verklaarde feiten.

10 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

11 Beslissing

De rechtbank:

verklaart niet bewezen, dat de verdachte de feiten 1 primair en 2 primair heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen, dat de verdachte de feiten 1 subsidiair en 2 subsidiair, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte (ook) daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden;

bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot twaalf maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd, die hierbij wordt gesteld op 2 jaar, aan een strafbaar feit schuldig maakt;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

wijst af van de vordering van de officier van justitie tot opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis;

wijst af van het verzoek van de raadsman tot opheffing van de voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. N. Doorduijn, voorzitter,

en mrs. I.W.M. Laurijssens en W.J.M. Diekman, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. D. Ince, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

Bijlage I

Tekst gewijzigde tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

hij op een of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2013 tot en met 19 januari 2016 te Rotterdam en/of Schiedam en/of (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een samenwerkingsverband van natuurlijke personen en/of (een) rechtsperso(o)n(en), bestaande uit hem, verdachte, en/of [naam medeverdachte 1] en/of [naam medeverdachte 2] en/of een of meer andere (rechts)perso(o)n(en), welke organisatie tot oogmerk had het plegen van (een) misdrij(f)(ven), namelijk witwassen (artikel 420bis/420quater WvSr), bestaande die deelneming (onder meer) uit:

- het (op dark web) adverteren en/of zich presenteren als bitcoincasher en/of
- het tegen contante betaling (voor een lage, niet-marktconforme prijs) kopen van bitcoins (die verkregen zijn uit enig(e) misdrij(f)(ven)) van klanten/derden en/of
- het (in dat kader) doen/laten storten van (die) bitcoins op/in bitcoinwallets (welke op naam staan/stonden van hem, verdachte, en/of [naam medeverdachte 1] en/of [naam medeverdachte 2] en/of (een) ander(en)) en/of
- het (vervolgens) verkopen van die bitcoins aan reguliere bitcoinbedrijven en/of het (laten en/of doen) betalen door die bedrijven op bankrekeningen ten name van hem, verdachte, en/of [naam medeverdachte 1] en/of [naam medeverdachte 2] en/of (een) ander(en)) en/of
- het (vervolgens) contant pinnen van geldbedragen van genoemde bankrekeningen (mede) ter contante betaling aan (genoemde/andere) klanten/derden en/of
- het (zodoende) verhullen en/of verwerven en/of overdragen en/of omzetten en/of gebruik maken van bitcoins en/of gelden die verkregen zijn uit enig(e) misdrij(f)(ven),

terwijl hij, verdachte, binnen die organisatie een leidinggevende rol heeft vervuld en/of bestuurder van die organisatie was;

Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op een of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2013 tot en met 19 januari 2016 te Rotterdam en/of Schiedam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal,

a.
(telkens) één of meer voorwerp(en), te weten
- 62.827,83 bitcoins, althans een grote hoeveelheid bitcoins (DOC-683 e.v.) en/of
- een of meer geldbedrag(en) van in totaal 9.699.794,04 euro, althans een of meer (grote) (girale en/of contante) geldbedrag(en),
heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen en/of omgezet, en/of van genoemde voorwerp(en) gebruik heeft gemaakt, terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat bovenomschreven voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf, terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) van het plegen van dat feit een gewoonte heeft/hebben gemaakt,

en/of

b.
(telkens) van één of meer voorwerp(en), te weten

- 62.827,83 bitcoins, althans een grote hoeveelheid bitcoins (DOC-683 e.v.) en/of
- een of meer geldbedrag(en) van in totaal 9.699.794,04 euro, althans een of meer (grote) (girale en/of contante) geldbedrag(en),
de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding, de verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld, en/of heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende(n) op genoemde voorwerpen was/waren, en/of heeft verborgen en/of verhuld wie genoemde voorwerpen voorhanden heeft gehad, terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat bovenomschreven voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf, terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) van het plegen van dat feit een gewoonte heeft/hebben gemaakt;

2.

Ter berechting gevoegd parketnummer 10/700141-15:

hij,

op of omstreeks 31 maart 2015 te Rotterdam, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen 5 mobiele telefoons, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [naam slachtoffer 1] en/of [naam slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [naam slachtoffer 1] en/of [naam slachtoffer 2] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan (een) andere deelnemer(s) van voormeld misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit het:
- (stevig) bij het gezicht en/of de kaak vastpakken van die [naam slachtoffer 1] en/of
- (met kracht) duwen/draaien van de arm en/of hand van die [naam slachtoffer 1] op/tegen haar rug en/of
- die [naam slachtoffer 1] en/of [naam slachtoffer 2] (dreigend) de woorden toevoegen: "Je moet niet schreeuwen" en/of "Cash, now!", althans woorden van gelijke aard en/of strekking, en/of
- leggen van een hand op de mond van die [naam slachtoffer 1] en/of
- in de nabijheid van die [naam slachtoffer 1] en/of [naam slachtoffer 2] roepen/zeggen: "Snel, snel, vecht, vecht en dan gaan we weg", althans woorden van gelijke (dreigende) aard en/of strekking, en/of
- (meermalen) slaan en/of stompen in het gezicht en/of tegen de kaak van die [naam slachtoffer 2] en/of
- (wanneer die [naam slachtoffer 2] op de grond lag) met een hand(schoen) de mond van die [naam slachtoffer 2] dichtdrukken, althans afdekken, en/of (meermalen) schoppen en/of trappen tegen het lichaam van die [naam slachtoffer 2] en/of
- zetten van een taser, althans een stroomstootwapen, op de borst en/of het bovenbeen, althans het lichaam, van die [naam slachtoffer 2] ;

Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij,

op of omstreeks 31 maart 2015 te Rotterdam, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

[naam slachtoffer 1] en/of [naam slachtoffer 2] heeft mishandeld door:
- (stevig) bij het gezicht en/of de kaak vastpakken van die [naam slachtoffer 1] en/of
- (met kracht) duwen/draaien van de arm en/of hand van die [naam slachtoffer 1] op/tegen haar rug en/of
- (meermalen) slaan en/of stompen in het gezicht en/of tegen de kaak van die [naam slachtoffer 2] en/of
- (wanneer die [naam slachtoffer 2] op de grond lag) met een hand(schoen) de mond van die [naam slachtoffer 2] dichtdrukken, althans afdekken, en/of (meermalen) schoppen en/of trappen tegen het lichaam van die [naam slachtoffer 2] en/of
- zetten van een taser, althans een stroomstootwapen, op de borst en/of het bovenbeen, althans het lichaam, van die [naam slachtoffer 2] .

1 De door de rechtbank als proces-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn steeds in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen. Waar wordt verwezen naar documenten, zijnde emails, overzichten e.d., wordt steeds bedoeld te verwijzen naar een ander geschrift als bedoeld in artikel 344 lid 1 onder 5 Sv.

2 Voor de leesbaarheid van dit vonnis verwijst de rechtbank naar stukken uit het dossier zoveel mogelijk aan de hand van de FIOD gehanteerde indeling en nummering (AMB-001, DOC-001 etc). Verder wordt de nummering #1-98 uit DOC-680 gebruikt om de hierna te bespreken bitcoinadressen aan te duiden.

3 Dit is door de verdachte op zitting verklaard.

4 Vergelijk in een andere context Hoge Raad 9 december 2008, LJN BF5557.

5 Het gebruik van zijn eigen bankrekeningen is niet in geschil. Kortheidshalve verwijst de rechtbank naar het zaaksoverzicht Z1 inzake verdachte [naam medeverdachte 6] , p. 14 e.v. en DOC-006. Dat hij de bankrekeningen van [naam medeverdachte 1] en [naam medeverdachte 2] gebruikte voor zijn bitcoinhandel en dat zij voor hem pinden, is door de verdachte op de zitting erkend.

6 De enige uitzondering betreft mogelijk [naam medeverdachte 7] , de gebruiker van wallet [naam wallet 8] . De link naar deze medeverdachte loopt echter via de door de FIOD aan de verdachte toegerekende wallet [naam wallet 9] . Dit is de wallet waar volgens de FIOD de bitcoinadressen #72 en #83-86 toebehoren. Hierna zal geoordeeld worden dat de adressen #80-83 om andere redenen dan de pleegplaats buiten beschouwing gelaten dienen te worden. Nu DOC-724 geen onderscheid maakt tussen adres #72 (zoals hierna zal blijken: wel van de verdachte) en de adressen #83-86 (zoals hierna zal blijken: niet aantoonbaar van de verdachte) en het om een betrekkelijk gering aantal bitcoins gaat, laat de rechtbank de transacties met wallet [naam wallet 9] verder buiten beschouwing.

7 Zie de hierna volgende behandeling van feit 2.

8 Blijkens het persoonsdossier van de verdachte is hij in verband met de confrontatie met [naam medeverdachte 3] in de avond van 1 april 2015 in Rotterdam aangehouden en is hij hierover op 2 april 2015 gehoord. Uit DOC-724 blijkt dat er geen relevante transacties zijn op 1 en 2 april 2015, zodat de rechtbank die datums verder buiten beschouwing laat.

9 De rechtbank laat in het midden of witwashandelingen in Litouwen vanaf 1 april 2015 mogelijk zouden kunnen bijdragen aan het oordeel dat witwassenhandelingen in Nederland voor 1 april 2015 een gewoonte vormen. Hierna zal blijken dat dit geen relevant gezichtspunt is bij de beoordeling.

10 Zie AMB-197 en 209.

11 Zie DOC-218-049 e.v.

12 Dat deze mailadressen van de verdachte zijn, is niet in geschil. Voor het adres [naam e-mailadres 1] verwijst de rechtbank naar DOC-675-005 (dit is een email waarvan de verdachte op zitting heeft verklaard dat hij deze heeft verzonden). In § 76 van de pleitnota wordt erkend dat het adres [naam e-mailadres 2] van de verdachte is.

13 Op zitting heeft de verdachte bevestigd dat hij deze email heeft gezonden.

14 Zie DOC-675-005 en AMB-209 (p. 3 e.v.).

15 Zie het zaaksoverzicht Z1, p. 47 en 48.

16 Voorafgaand aan bijlage II bij dit vonnis is een leeswijzer opgenomen voor de bijlagen II-VI.

17 Zo blijkt uit AMB-178, p. 3 onderaan en § 1 van AMB-197.

18 De rechtbank merkt op dat ook volgens DOC-680, samengesteld met Walletexplorer, adres #2 onderdeel uitmaakt van wallet MtGoxAndOthers .

19 Proces verbaal van getuigenverhoor d.d. 11 december 2017 (RC 15/763), p. 10 en 11

20 Zie de schriftelijke verklaring van [naam ontwikkelaar Walletexplorer] , het antwoord op vraag 29 (in het Engelse origineel, de Nederlandse vertaling bevat een evidente vertaalfout).

21 Zie de schriftelijke verklaring van [naam ontwikkelaar Walletexplorer] , de antwoorden op de vragen 29 tot 31.

22 Zie de schriftelijke verklaring van [naam ontwikkelaar Walletexplorer] , het antwoord op vraag 28.

23 Hierna wordt in § 4.2.4.3 nog nader ingegaan op bepaalde aspecten van Walletexplorer.

24 Dit blijkt voor Walletexplorer uit AMB-197 in samenhang met DOC-680 en voor Chainanalysis uit AMB-209.

25 Adres #71 wordt in DOC-680 ook genoemd als onderdeel van deze cluster, maar Walletexplorer, de basis voor DOC-680, clustert dit niet met de adressen # 72 en 83-86, maar met de wallet MtGoxAndOthers (zoals de verdachte heeft aangevoerd). Adres #71 dient dus niet in deze clustering meegenomen te worden. Dit betreft een fout van de FIOD bij de samenstelling van DOC-680, zoals getuige [naam getuige 1] op zitting heeft verklaard en geen fout van Walletexplorer. Anders dan de verdediging aanvoert, toont dit niet aan dat clustering analyse niet gebruikt kan worden. In Bijlage II bij dit vonnis is dit gecorrigeerd.

26 De rechtbank heeft tijdens het raadkameren door middel van chainz.cryptoid.info gecontroleerd dat dit niet alleen voor adres #83 geldt, maar ook voor de adressen #84-86.

27 Zie de schriftelijke verklaring van [naam ontwikkelaar Walletexplorer] , het antwoord op vraag 22. [naam ontwikkelaar Walletexplorer] is blijkens zijn antwoord op vraag 5 en 6 de ontwikkelaar van Walletexplorer en thans werkzaam bij Chainalysis.

28 Voor chainz.cryptoid.info, zie https://chainz.cryptoid.info/btc

29 De rechtbank heeft dit tijdens het raadkameren gecontroleerd. Overwogen is of het onderzoek op zitting moest worden heropend om de resultaten van deze controle van Walletexplorer en chainz.cryptoid.info met partijen te bespreken. De rechtbank is tot de conclusie gekomen dat dit niet nodig was. De controle op de hier bedoelde adressen betreft het logische vervolg op een gevoerd verweer en is de toepassing van publiek toegankelijke bronnen die op zitting (uitvoerig) aan de orde zijn geweest.

30 Zie AMB-197.

31 Met een mogelijke uitzondering voor adres # 2. Daarover wordt het volgende overwogen. Volgens DOC-721 werd adres #2 gevoed uit de wallets [naam wallet 5] , [naam wallet 10] , [naam wallet 11] die op hun beurt werden gevoed uit darkweb. Adres #2 is volgens de verdachte onderdeel van een wallet waarop betalingen van een mining pool werden ontvangen. Hij heeft dit toegelicht met een verwijzing naar blockchain.info . Op die website is te zien dat er enkele keren een betaling op adres #2 is ontvangen van 0.00000001 BTC als onderdeel van een aantal transacties waarbij een groot aantal andere adressen ook 0.00000001 BTC ontvangen. Daarmee gaat hij niet, althans niet specifiek, in op de transacties die de FIOD aan dit adres koppelt (via DOC-721 naar DOC-723 en DOC-724). Hij laat slechts zien dat dit adres (ook) een aantal keren bedragen ontvangt waarvan hij stelt – en de rechtbank wil aannemen – dat het ziet op mining. Hij stelt niet, althans niet op voor de rechtbank inzichtelijke wijze, dat er daarnaast geen andere bitcoins op deze rekening werden ontvangen. De opmerkingen van de verdachte over adres #2 doen dan ook niet af aan de bevinding van de FIOD dat de in DOC-723 en DOC-724 genoemde transacties hebben plaatsgevonden via in de adressen die zijn genoemd in DOC-680 (zoals verder ingeperkt door DOC-721).

32 In die bijlagen is tevens een andere wijziging doorgevoerd, die hierna onder 4.2.4.3 (aan het einde) zal worden besproken.

33 Voor bitcoins afkomstig van ‘ [naam ] ’ geldt dat er wel bewijs is dat deze bitcoins van drugshandel afkomstig zijn (zoals hierna zal blijken), maar niet duidelijk is welke bitcoins dit betreft. De rechtbank behandelt daarom alle bitcoins als bitcoins zonder een direct aanwijsbaar brondelict.

34 Verhoor V01-02a.

35 Zie het zaaksoverzicht Z1 inzake [naam medeverdachte 6] , p. 14 e.v. Bij de FIOD heeft de verdachte verklaard dat een deel van dit geld zag op de eigen handel van [naam medeverdachte 1] en [naam medeverdachte 2] , maar op zitting heeft hij verklaard dat zij geen eigen handel hadden.

36 Zie het proces-verbaal d.d. 11 december 2017, het antwoord op vraag 22 e.v. Van Wegberg verklaarde dat Bitonic destijds 0,25% rekende als vergoeding en dat hij geen exchanges kende die boven de 1% kwamen.

37 Het dossier bevat verhoudingsgewijs weinig identiteitsbewijzen, afgezet tegen de 1000 klanten die de verdachte zegt te hebben gehad.

38 De verdachte benadrukt dat online handelen met bitcoins risico’s in zich draagt: het risico van hacken en van faillissementen van online beurzen. Uit de verklaring van [naam getuige 2] bij de rechter-commissaris blijkt dat deze getuige het risico van cash transacties groter acht dan bij online transacties, zie het antwoord op vraag 12.

39 Van Wegberg in zijn verhoor bij de rechter-commissaris op 11 december 2017, het antwoord op vraag 29.

40 Zie AMB-147, p. 11. Zie ook het proces-verbaal van verhoor van deskundige Van Wegberg d.d. 5 juli 2016, p. 15. Blijkens onderzoek van deze deskundige was circa 80% van het aanbod op marktplaatsen op het darkweb druggerelateerd en betreft circa 20% en ander product, goed of dienst, waarbij gedacht kan worden aan bitcoins-mixers, cybercrime als dienst, producten die het kweken van drugs vereenvoudigen en vuurwapen. Uit het verhoor van dezelfde deskundige op 11 december 2017 blijkt dat dit onderzoek ziet op de periode 2011-2015 (zie het antwoord op vraag 42). Blijkens laatstgenoemd verhoor staat in een recent rapport van Europol een percentage van 73/74%, naar de rechtbank begrijpt (gelet op de vraagstelling) als zijnde het druggerelateerd aanbod op marktplaatsen op het darkweb. Rekening houdend met andere vormen van illegaal aanbod, zou het percentage ‘van misdrijf afkomstig’ dus nog hoger liggen.

41 De stelling van de verdediging dat Walletexplorer niet te controleren valt, is in zoverre niet juist, dat ook andere analysetools naamlabels hanteren (vergelijk AMB-197 en bijlage 6 bij de pleitnota).

42 De verdachte heeft er op p. 16 van de pleitnota terecht op gewezen dat in DOC-684, p. 34 twee transacties staan met hetzelfde adres, waarbij één met een verwijzing naar Nucleusmarket en Abraxasmarket en de ander zonder verwijzing. Dit is voor de verdachte een van de argumenten waarom Walletexplorer niet betrouwbaar moet worden geacht. Echter, het gaat in beide gevallen om bitcoins, ontvangen uit wallet 1717e12eba, en in DOC-683 wordt aangegeven dat beide transacties te linken zijn aan Nucleusmarket en Abraxasmarket.

43 Voor zover dit verweer van de verdachte zich (mede) richt op de betrouwbaarheid van Walletexplorer, merkt de rechtbank op dat het hier gaat om adressen die al dan niet geclusterd moeten worden in MtGoxAndOthers . De rechtbank verwijst voor de betekenis daarvan naar hetgeen hierover in § 4.2.3.2 (onder het kopje B) is overwogen.

44 Zie voetnoot 25.

45 In DOC-641a mailt/appt [naam ] met ‘ [naam 2] ’. [naam 2] vraagt [naam ] om zijn contact om bitcoins te cashen en [naam ] geeft dan het nummer [gsm-nummer] door (blijkens verhoor V-01-04, p. 2, het nummer van de verdachte). [naam ] schrijft dat hij al voor tonnen heeft gewisseld met de gebruiker van dit 06 nummer.

46 DPC-360 en 361 betreft persberichten met betrekking tot de aanhouding en veroordeling van ‘ [naam ] ’ in de Verenigde Staten voor drugshandel.

47 De verdachte lijkt ervan uit te gaan dat bij het opstellen van DOC-724 (en dus ook van bijlage VI bij dit vonnis) rekening gehouden moet worden met het percentage besmetting van de bron-wallet (zie de laatste pagina van bijlage 6 bij de pleitnota). Toegepast op een concreet voorbeeld begrijpt de rechtbank zijn stelling aldus: op 3.1.2013 zijn er 1.210 bitcoins gekocht tegen een koers van € 10,17, met een waarde van € 12.309,57 (regel 1 van DOC-724). Dit komt uit een wallet die voor 51% is besmet (DOC-722), dus er zou in DOC-724 een waarde van € 6.277,89 moeten worden opgenomen. De rechtbank volgt die benadering niet. Bij bitcoins die zijn ontvangen vanuit wallets die uit meer dan beperkte mate besmet zijn, geldt dat de gehele bron verdacht is (in de zin van een vermoeden van witwassen), welk vermoeden niet is weerlegd door een verklaring omtrent een legale herkomst.

48 DOC-375 is een OVC gesprek waarin [naam medeverdachte 3] met een derde praat over ‘die hond, die Litouwer die in bitcoins handelt’ (de rechtbank begrijpt uit de context dat dit de verdachte zou betreffen).

49 De verdachte stelt dat hij meerdere klanten heeft geweigerd. Het dossier weerspreekt dit niet en de rechtbank gaat er dan ook vanuit dat ‘ [naam 5] ’ niet het enige voorbeeld is.

50 Proces-verbaal [nummer proces-verbaal 1] d.d. 31 maart 2015 houdende aangifte van [naam slachtoffer 1] , p. 1 en proces-verbaal [nummer proces-verbaal 2] d.d. 31 maart 2015 houdende aangifte van [naam slachtoffer 2] , p. 1 en 2

51 Proces-verbaal nummer 2015120412 houdende verhoor van verdachte d.d. 2 april 2015, p. 2 en 3

52 Geschrift houdende medische informatie/letselbeschrijving d.d. 29 april 2015, opgesteld door J.R. van Leeuwen, forensisch arts

53 Rechtbank Midden-Nederland d.d. 14 november 2017 (o.a. ECLI:NL:RBMNE:2017:5713) en Rechtbank Midden-Nederland d.d. 3 april 2018 (o.a. ECLI:NL:RBMNE:2018:1180, 1184 en 1191).

54 Rechtbank Rotterdam d.d. 7 december 2006 (ECLI:NL:RBROT:2006:AZ4159) en rechtbank Rotterdam d.d. 7 december 2006 (ECLI:NL:RBROT:2006:AZ4394)

55 Rechtbank Rotterdam d.d. 8 november 2017 (ECLI:NL:RBROT:2017:8989), rechtbank Rotterdam d.d. 8 november 2017 (ECLI:NL:RBROT:2017:8992) en Rotterdam d.d. 8 november 2017 (ECLI:NL:RBROT: 2017:8990).