Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:4255

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
14-05-2018
Datum publicatie
06-06-2018
Zaaknummer
AWB - 18 _ 2353
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Mondelinge uitspraak
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Mondelinge uitspraak. Openbare waarschuwing (Whc). De voorzieningenrechter is van oordeel dat er nu geen sprake is van een reëel en acuut risico op benadeling van consumenten en een redelijk vermoeden van een agressieve handelspraktijk, zodat het verzoek om voorlopige voorziening wordt toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 2

zaaknummer: ROT 18/2353

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 14 mei 2018 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[Onderneming], gevestigd te [vestigingsplaats], verzoekster ([onderneming]),

gemachtigde: mr. S.M. Peek en mr. E.N. Nordmann,

en

Stichting Autoriteit Financiële Markten, verweerster (AFM),

gemachtigde: mr. A.J. Boorsma en mr. C.A. Geleijnse.

Bij besluit van 19 april 2018 (het bestreden besluit) heeft de AFM besloten tot het uitvaardigen van een openbare waarschuwing, omdat [onderneming] vermoedelijk handelt in strijd met onder meer artikel 8.8 van de Wet handhaving consumentenbescherming (Whc) inhoudende agressieve handelspraktijken jegens consumenten.

[Onderneming] heeft tegen het bestreden besluit bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft met gesloten deuren plaatsgevonden op 14 mei 2018.

Namens [onderneming] zijn verschenen haar gemachtigden, vergezeld door [naam], bestuurder van [hoofdkantoor] en [naam], tolk. De AFM is ter zitting vertegenwoordigd door haar gemachtigden, vergezeld door N. Boonstra en W. Kelkensberg, werkzaam bij de AFM.

Na de sluiting van het onderzoek ter zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk mondeling uitspraak gedaan. De beslissing en de gronden van de beslissing luiden als volgt.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

  • -

    wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe en schorst het bestreden besluit tot één week na de datum van bekendmaking van het besluit op het bezwaar van [onderneming] tegen het besluit tot het uitvaardigen van een openbare waarschuwing

  • -

    bepaalt dat de AFM aan [onderneming] het door haar betaalde griffierecht van € 338,- vergoedt;

  • -

    veroordeelt de AFM in de proceskosten van [onderneming] tot een bedrag van € 1.503,-.

Overwegingen

1. Op grond van artikel 3.4, eerste lid, van de Whc kan de AFM een openbare waarschuwing uitvaardigen voordat zij een inbreuk of intracommunautaire inbreuk heeft vastgesteld, indien dat redelijkerwijs noodzakelijk is om consumenten snel en effectief te informeren over een schadeveroorzakende handelspraktijk van een ondernemer en daardoor schade te voorkomen. Artikel 2.23, tweede tot en met vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.

Op grond van artikel 2.23, tweede lid, van de Whc wordt een ondernemer uitsluitend met name genoemd in de openbare waarschuwing indien er sprake is van een reëel en acuut risico op benadeling van consumenten en van een redelijk vermoeden van overtreding.

2. De toets van de voorzieningenrechter is of er vandaag sprake is van een acuut en reëel risico op benadeling van consumenten en dus niet of dat er op 19 april 2018 was, omdat een openbare waarschuwing toekomstgericht is.

3. Door verloop van tijd, in dit geval de periode van 19 april tot 14 mei 2018, kan de situatie veranderd zijn. Daarvan is naar het oordeel van de voorzieningenrechter sprake.

Gelet op de jurisprudentie waarbij de zienswijze aangewezen wordt geacht, kan voor de zienswijze naar het oordeel van de voorzieningenrechter een zeer korte periode worden gegund. Vanwege de door [onderneming] genomen maatregelen waarbij ze zich voor de AFM controleerbaar opstelt, is er naar het oordeel van de voorzieningenrechter nu geen sprake van een reëel en acuut risico voor benadeling van consumenten. De voorzieningenrechter acht het daarbij van belang dat ter zitting is benadrukt dat het kantoor in [vestigingsplaats] bemenst wordt door een medewerker die customer support doet inhoudende het beantwoorden van algemene vragen over het werken van het platform, iemand die de back office doet, inhoudende het scannen van post en een compliance medewerker.

Dat accountmanagers vanuit [land] nog contact met klanten hebben, maakt nog niet dat daarmee sprake is van agressieve handelspraktijken of een redelijk vermoeden daarvan. Blijkens de toelichting ter zitting vinden de contacten slechts plaats op verzoek van de klanten en benaderen de accountmanagers de klanten dus niet zelf actief.

4. De voorzieningenrechter is van oordeel dat er nu geen sprake is van een reëel en acuut risico op benadeling van consumenten en een redelijk vermoeden van een agressieve handelspraktijk, zodat het verzoek om voorlopige voorziening wordt toegewezen zoals is vermeld onder “Beslissing”.

5. Omdat het verzoek wordt toegewezen, bepaalt de voorzieningenrechter dat de AFM aan [onderneming] het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

6. De voorzieningenrechter veroordeelt de AFM in de door [onderneming] gemaakte

proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit

proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand

vast op € 1.503,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het

verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 501- en wegingsfactor 1,5).

Dit proces-verbaal is ondertekend door mr. L.A.C. van Nifterick, voorzieningenrechter, en mr. E. Naaijen-van Kleunen, griffier.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.