Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:4198

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
30-05-2018
Datum publicatie
18-06-2018
Zaaknummer
C/10/505706 / HA ZA 16-691
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek heroverweging afgewezen. Geen kennelijke misslag of onjuiste juridische of feitelijke grondslag. Verzoek tussentijds appel afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven

Vonnis in incident van 30 mei 2018

in de zaak met zaaknummer / rolnummer: C/10/505706 / HA ZA 16-691 van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

ROTTERDAM SHORT SEA TERMINALS B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

eiseres,

advocaat mr. R.L. Latten te Rotterdam,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

BONFIDE FACTS B.V.,

gevestigd te Den Haag,

gedaagde,

niet verschenen,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

BONFIDE HOLDING B.V.,

gevestigd te Den Haag,

gedaagde,

niet verschenen,

3. [gedaagde 3],

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde,

advocaat mr. O. Hammerstein te Amsterdam,

4. [gedaagde 4],

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde,

advocaat mr. O. Hammerstein te Amsterdam,

5. [gedaagde 5],

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde,

advocaat mr. O. Hammerstein te Amsterdam,

6. [gedaagde 6],

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde,

niet verschenen,

7. [gedaagde 7],

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde,

niet verschenen,

Eiseres zal hierna worden aangeduid met RST. Gedaagden zullen individueel worden aangeduid met Bonfide Facts, Bonfide Holding, [gedaagde 3] , [gedaagde 4] , [gedaagde 5] , [gedaagde 6] en [gedaagde 7] en gezamenlijk met Bonfide c.s.

[gedaagde 3] , [gedaagde 4] en [gedaagde 5] zullen gezamenlijk worden aangeduid met [gedaagden 3, 4 en 5]

1 Het verloop van de procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 24 januari 2018 (hierna: het tussenvonnis);

- de akte houdende verzoek heroverweging respectievelijk verlof tussentijds hoger beroep van RST van 21 februari 2018;

- de antwoordakte van RST van 7 maart 2018.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2 De beoordeling

2.1.

De vordering van RST in de hoofdzaak strekt tot veroordeling van – onder meer [gedaagden 3, 4 en 5] – tot betaling van schadevergoeding op grond van onrechtmatige daad.

In het tussenvonnis heeft de rechtbank [gedaagden 3, 4 en 5] toegelaten tot bewijslevering van feiten en omstandigheden die zij in het kader van het door hen gevoerde eigen schuldverweer hebben gesteld, te weten – kort gezegd – dat de rol van Verhoef en de bedrijfscultuur binnen RST hebben bijgedragen aan de (hoogte van de) schade en dat dientengevolge de schadevergoedingsplicht van [gedaagden 3, 4 en 5] verminderd moet worden.

het verzoek heroverweging

2.2.

RST stelt dat het tussenvonnis van 24 januari 2018 een kennelijke misslag bevat. RST voert aan dat de rechtbank ten onrechte een bewijsopdracht aan de wel verschenen gedaagden heeft verstrekt. Als wordt uitgegaan van hoofdelijke aansprakelijkheid van alle gedaagden tezamen, dan heeft dat tot effect dat een eigen schuldverweer van de verschenen gedaagden moet worden gepasseerd. De rechtbank heeft hieromtrent niets beslist, terwijl dat in dit stadium wel geraden is. Immers als het eigen schuldverweer behoort te worden gepasseerd, is er geen plaats voor bewijslevering door de wel verschenen gedaagden en kan de rechtbank aanstonds overgaan tot het wijzen van eindvonnis tegen alle gedaagden.

RST stelt voorts dat de rechtbank had moeten onderkennen dat de als onrechtmatige daad ingestoken vordering in ieder geval mede is gebaseerd op de

grondslagen onverschuldigde betaling c.q. ongerechtvaardigde verrijking. Bij deze laatste grondslagen past geen eigen schuldverweer.

2.3.

[gedaagden 3, 4 en 5] betwisten dat het tussenvonnis op een onjuiste juridische of feitelijke grondslag berust. RST heeft schadevergoeding gevorderd op grond van onrechtmatige daad en geen terugbetaling op grond van onverschuldigde betaling of ongerechtvaardigde verrijking. Voor ambtshalve toepassing van de bepalingen inzake

onverschuldigde betaling en ongerechtvaardigde verrijking heeft RST geen feitelijke grondslag gesteld.

2.4.

De eisen van een goede procesorde brengen mee dat de rechter, aan wie is gebleken dat een eerdere door hem gegeven, maar niet in een einduitspraak vervatte eindbeslissing berust op een onjuiste juridische of feitelijke grondslag, bevoegd is om over te gaan tot heroverweging van die eindbeslissing teneinde te voorkomen dat hij op een ondeugdelijke grondslag een einduitspraak zou doen (HR 25 april 2008 ECLI:NL:HR:2008:BC2800).

2.5.

Van een kennelijke misslag, zoals door RST gesteld, of van een onjuiste juridische of feitelijke grondslag is geen sprake. De hoofdelijke aansprakelijkheid van alle gedaagden heeft niet tot gevolg dat het eigen schuld verweer ten aanzien van de wel verschenen gedaagden gepasseerd moet worden. RST heeft haar vordering tot aan het tussenvonnis alleen gebaseerd op onrechtmatige daad. Feiten die leiden tot ambtshalve toepassing van de bepalingen van onverschuldigde betaling of ongerechtvaardigde verrijking zijn niet gesteld. RST heeft op grond van artikel 130 Rv het recht de gronden van haar eis schriftelijk te wijzigen maar heeft dat te laat (bij akte na het tussenvonnis) gedaan zodat de rechtbank deze grondslagwijziging in strijd acht met de eisen van een goede procesorde.

2.6.

Het verzoek tot heroverweging zal dus worden afgewezen.

het verzoek om tussentijds hoger beroep

2.7.

RST stelt dat het in de onderhavige zaak processueel doelmatiger is om tussentijds hoger beroep toe te staan. Immers op de gronden die hiervoor zijn aangedragen heeft de rechtbank ten onrechte een bewijsopdracht aan [gedaagden 3, 4 en 5] verleend. [gedaagden 3, 4 en 5] hebben een onafzienbare lijst aangedragen met te horen getuigen. Het zal enorm veel tijd en geld kosten om al deze getuigen te horen. Daarbij is er ook nog de mogelijkheid tot contra enquête en dienen er nog aktes genomen te worden. Indien de rechtbank niet was overgegaan tot het verlenen van een bewijsopdracht, kan van het horen van getuigen worden afgezien. De procedure ten gronde duurt dan aanzienlijk korter en er wordt naast tijd ook veel kosten bespaard.

2.8.

[gedaagden 3, 4 en 5] maken bezwaar tegen het verzoek van RST. Het verzoek tot verlof voor het instellen van hoger beroep heeft uitsluitend tot doel de onderhavige procedure verder te vertragen en te frustreren. Uitgangspunt van RST is evident dat zij met alle middelen wil voorkomen dat er getuigen worden gehoord hetgeen nogmaals onderstreept dat het horen van getuigen aan de waarheidsvinding onontbeerlijk is.

2.9.

Bij de beoordeling van het verzoek van RST moet worden voorop gesteld dat dit verzoek ertoe strekt een uitzondering te maken op de in artikel 337 lid 2 Rv neergelegde regel dat hoger beroep van tussenvonnissen slechts is toegestaan tegelijk met dat tegen het eindvonnis. Uit de wetsgeschiedenis van voornoemde bepaling kan worden afgeleid dat het de bedoeling is om bij het toestaan van tussentijds hoger beroep terughoudendheid te betrachten en dat de beslissing daartoe afhankelijk is van de vraag of in het voorliggende geval sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan afwijking van de in genoemd artikel neergelegde hoofdregel doelmatiger is. De rechtbank is van oordeel dat dergelijke bijzondere omstandigheden zich in deze zaak niet voordoen.

2.10.

Het verzoek om tussentijds hoger beroep toe te staan zal dus ook worden afgewezen.

2.11.

RST zal als de in het ongelijke gestelde partij worden veroordeeld in de door [gedaagden 3, 4 en 5] in het incident gemaakte proceskosten. De kosten worden begroot op

€ 1.605,50 (0,5 punt x tarief € 3.211) aan salaris advocaat.

3 De beslissing

De rechtbank

3.1.

wijst de verzoeken van RST af;

3.2.

veroordeelt RST in de proceskosten in het incident, tot op heden aan de zijde van [gedaagden 3, 4 en 5] begroot op € € 1.605,50.

Dit vonnis is gewezen door mr. C. Sikkel, mr. P.C. Santema en mr. J.A. Moolenburgh en in het openbaar uitgesproken op 30 mei 2018.

1573/32/45