Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2018:4048

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
21-03-2018
Datum publicatie
11-06-2018
Zaaknummer
C/10/520361 / HA ZA 17-148
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bevoegdheidsincident; arbitraal beding; artikel 1021 Rv; artikel 1022 Rv; artikel 10:166 BW; artikel II van het Verdrag erkenning en tenuitvoerlegging buitenlandse scheidsrechtelijke uitspraken (Verdrag van New York); arbitrage overeengekomen op grond van clausule 23 van de “Rider clauses” (totstandkoming, vormvereisten, uitleg); materiele en formele geldigheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
S&S 2019/2
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven

zaaknummer / rolnummer: C/10/520361 / HA ZA 17-148

Vonnis in incident van 21 maart 2018

in de zaak van

de vennootschap naar het recht van het land en de plaats van haar vestiging

[eiseres] ,

gevestigd te Brunsbüttel, Duitsland,

eiseres in de hoofdzaak,

verweerster in het incident,

advocaat mr. R.L. Latten te Rotterdam,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

INTERFEED B.V.,

gevestigd te Etten-Leur,

gedaagde in de hoofdzaak,

eiseres in het incident,

advocaat mr. K.H.L. van Waasbergen te Rotterdam.

Partijen zullen hierna [eiseres] en Interfeed genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 3 januari 2017 met producties

  • -

    de incidentele conclusie voor alle weren houdende exceptie van onbevoegdheid met

productie

  • -

    de conclusie van antwoord in het bevoegdheidsincident met producties

  • -

    de pleitnota van Interfeed

  • -

    de pleitaantekeningen van [eiseres]

  • -

    het proces-verbaal van de pleidooizitting van 21 september 2017.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2 De feiten in het incident

2.1.

[eiseres] en Interfeed hebben op 8 december 2015 middels een per e-mail verzonden “fixture” een overeenkomst van reisbevrachting ten aanzien van het m.s. “Ventura” gesloten. Bij het sluiten van deze overeenkomst is Reederei [eiseres] (hierna: RES) opgetreden als commercieel manager/“inhouse chartering broker” van [eiseres] en Vertom Shipping and Trading B.V. (hierna: Vertom) als bevrachtingsmakelaar voor de bevrachter Interfeed. In deze overeenkomst is onder meer het volgende opgenomen:
“gencon cp 4% otherwise as per fixture m.v. Newa”.

2.2.

RES is de “exclusive Shipbroker for the German Shipowner Reederei [eiseres] ”. Tot de door RES beheerde vloot behoren onder andere het m.s. “Newa” en het m.s. “Ventura”. [eiseres] is eigenaresse van laatstgenoemd schip.

2.3.

[eiseres] en Interfeed hebben eerder, op 11 november 2015, middels een per e-mail verzonden “fixture” een overeenkomst van reisbevrachting ten aanzien van het m.s. “Newa” gesloten. Bij het sluiten van deze overeenkomst is RES opgetreden als commercieel manager/“inhouse chartering broker” van [eiseres] en Vertom als bevrachtingsmakelaar voor de bevrachter Interfeed. In deze overeenkomst is onder meer het volgende opgenomen:
“gencon cp 4% as per att pro-forma”.

Aan de “Gencon” Charter is de “Rider to charter party” toegevoegd met daarin de clausules 18 tot en met 34. Clausule 23 luidt als volgt:

“General average and arbitration, if any, to be settled in Rotterdam.”

3 De beoordeling in het incident

3.1.

Interfeed vordert dat de rechtbank zich onbevoegd verklaart op grond van artikel 1022 Rv. Volgens Interfeed is zij met [eiseres] een arbitrageovereenkomst overeengekomen (clausule 23 van de “Rider clauses”) die voldoet aan de vereisten van artikel 1021 Rv en artikel II van het Verdrag erkenning en tenuitvoerlegging buitenlandse scheidsrechtelijke uitspraken (hierna: Verdrag van New York), met Rotterdam als plaats van arbitrage.

3.2.

[eiseres] betwist dat haar vordering is onderworpen aan arbitrage. Tussen [eiseres] en Interfeed bestaat geen wilsovereenstemming over arbitrage en clausule 23 van de “Rider clauses” voldoet niet aan de vereisten van artikel 1021 Rv en artikel II Verdrag van New York.

3.3.

De rechtbank overweegt als volgt. Partijen twisten over de materiele en formele geldigheid van de gestelde arbitrageovereenkomst (clausule 23 van de “Rider clauses”). In geschil is enerzijds of de gestelde arbitrageovereenkomst tot stand is gekomen en anderzijds of deze voldoet aan de vormvereisten. Tot slot is de uitleg van de arbitrageovereenkomst in geschil.

materiele geldigheid

3.4.

Allereest is de vraag aan de orde naar welk recht moet worden vastgesteld of de gestelde arbitrageovereenkomst tot stand is gekomen.

Ter zitting verklaren partijen eensluidend dat deze vraag moet worden beantwoord naar Nederlands recht. De rechtbank beaamt dit, gelet op het volgende.

De bestaande internationale regelingen op het terrein van het internationaal privaatrecht sluiten de rechtsgeldigheid van een arbitrageovereenkomst van hun toepassingsgebied uit. Ingevolge artikel 10:166 BW is een overeenkomst tot arbitrage materieel geldig als zij geldig is naar het recht dat partijen hebben gekozen of naar het recht van de plaats van arbitrage of, indien partijen geen rechtskeuze hebben gedaan, naar het recht dat van toepassing is op de rechtsbetrekking waarop de arbitrageovereenkomst betrekking heeft. De arbitrageovereenkomst is dus geldig als deze geldig wordt geacht naar het recht aangewezen door een van de drie verwijzingsregels. Er is geen onderlinge rangorde.

In het onderhavige geval staat vast dat de plaats van de gestelde arbitrageovereenkomst Rotterdam is. Clausule 23 van de “Rider clauses” luidt immers: “General average and arbitration, if any, to be settled in Rotterdam.” Dit brengt mee dat naar Nederlands recht moet worden vastgesteld of de arbitrageovereenkomst geldig is.

3.5.

Interfeed verwijst ter onderbouwing van haar stelling dat een arbitrageovereenkomst tot stand is gekomen, naar de op 8 december 2015 middels een fixture gesloten overeenkomst van reisbevrachting tussen RES en Vertom. In deze reisbevrachtingsovereenkomst zijn RES en Vertom overeengekomen: “gencon cp 4% otherwise as per fixture m.v. Newa” (2.1). Dit betreft een verwijzing naar een bevrachtingsovereenkomst tussen RES en Vertom van 11 november 2015, waarin de “Rider clauses” van toepassing zijn verklaard. Clausule 23 van deze “Rider clauses” luidt: “General average and arbitration, if any, to be settled in Rotterdam.” (2.3). Omdat RES optrad als commercieel manager/“inhouse chartering broker” van [eiseres] , de eigenaar van het m.s. “Ventura”, en Vertom optrad als bevrachtingsmakelaar voor Interfeed, heeft [eiseres] het vervoer van de lading onder de door RES namens [eiseres] gesloten reisbevrachtingsovereenkomst verricht. Wilsovereenstemming blijkt volgens haar onder meer uit de omstandigheid dat bij de onderhandelingen over de bevrachtingsovereenkomst van 11 november 2015 ten opzichte van het standaard Vertom contract (de “Gencon ’76 met “Rider clauses”) een aantal clausules zijn aangepast, maar de arbitrageclausule in tact is gelaten.

3.6.

[eiseres] voert aan dat in de bevrachtingsovereenkomst van 8 december 2015 geen arbitraal beding is opgenomen en dat partijen daarover ook niets hebben afgesproken bij het tot stand komen van die overeenkomst. Wilsovereenstemming ontbreekt. [eiseres] is niet gebonden aan eerdere overeenkomsten die met bemiddeling door RES tot stand zijn gekomen die betrekking hebben op andere schepen met een andere eigenaar, zoals de overeenkomst van 11 november 2015 van RES met Vertom. In die overeenkomst trad RES op voor Roland Ship Administration GmbH & Co KG, de eigenaar van het m.s. “Newa”. [eiseres] is geen partij bij die overeenkomst. In de overeenkomst tussen RES en Vertom van 11 november 2015 is overigens ook geen arbitraal beding opgenomen en in de standaard Gencon Charterparty voorwaarden evenmin.

3.7.

De rechtbank overweegt als volgt. Omdat [eiseres] niet heeft betwist dat zij bij de totstandkoming van de bevrachtingsovereenkomst van 8 december 2015 bevoegdelijk is vertegenwoordigd door RES, haar commercieel manager/“inhouse chartering broker”, en RES ook de overeenkomst heeft gesloten waarnaar wordt verwezen in de bevrachtingsovereenkomst van 8 december 2015 mocht Interfeed er gerechtvaardigd op vertrouwen dat [eiseres] instemde met de namens haar door RES vastgelegde fixture. Ook moet het voor [eiseres] , althans voor RES die voor [eiseres] optrad, voldoende duidelijk zijn geweest dat met “gencon cp 4% otherwise as per fixture m.v Newa” wordt bedoeld te verwijzen naar de bevrachtingsovereenkomst van 11 november 2015 en de daarin opgenomen zinsnede “gencon cp 4% as per att pro-forma”.

In de attached pro-forma wordt verwezen naar de ““Gencon” Charter (As Revised 1922 and 1976)”. Deze is genummerd tot en met 17. Daarachter zit de “Rider to charter party m.v.” (op briefpapier van Vertom) met daarin opgenomen de clausules 18 tot en met 34, waaronder clausule 23. Niet is gesteld dat [eiseres] niet op de hoogte was van de inhoud van de eerder op 11 november 2015 gesloten fixture en onderliggende stukken. Deze stukken zijn ook door [eiseres] in het geding gebracht. Niet, althans onvoldoende weersproken is dat RES namens [eiseres] bij de onderhandelingen over de bevrachtingsovereenkomst van 11 november 2015 ten opzichte van het standaard Vertom Contract een aantal clausules heeft aangepast, maar daarbij de arbitrageclausule in tact heeft gelaten. Tegen deze achtergrond heeft [eiseres] haar verweer dat wilsovereenstemming ontbreekt ten aanzien van de arbitrageovereenkomst dan ook onvoldoende onderbouwd. De stelling van [eiseres] dat RES kan worden vergeleken met een makelaar, gaat mank. Er is geen sprake van dezelfde makelaar, maar van dezelfde commercieel manager/“inhouse chartering broker” van [eiseres] die haar vertegenwoordigt bij het sluiten van bevrachtingsovereenkomsten ten aanzien van de schepen die behoren tot de door RES beheerde vloot. Handelingen van RES dienen dus aan [eiseres] te worden toegerekend. Dat de schepen andere eigenaars (“single ship companies”) hebben, doet daar niet aan af. Dit betekent dat de arbitrageovereenkomst rechtsgeldig tot stand is gekomen.

formele geldigheid

3.8.

Aangezien het hier vanwege de vestigingsplaats van [eiseres] een internationale zaak betreft, moet de formele geldigheid van de overeenkomst tot arbitrage worden getoetst aan de vereisten van artikel II leden 1 en 2 van het Verdrag van New York waarbij Nederland partij is. Daaraan doet niet af dat als plaats van arbitrage Rotterdam is aangewezen.

3.9.

Ingevolge artikel II lid 1 Verdrag van New York erkent iedere Verdragsluitende Staat de schriftelijke overeenkomst waarbij partijen zich verbinden aan een uitspraak van scheidsmannen te onderwerpen alle of bepaalde geschillen welke tussen hen zijn gerezen of welke tussen hen zouden kunnen rijzen naar aanleiding van een bepaalde al dan niet contractuele rechtsbetrekking en betreffende een geschil, dat vatbaar is voor beslissing door arbitrage. Artikel II lid 2 Verdrag van New York bepaalt dat onder “schriftelijke overeenkomst” wordt verstaan een compromissoir beding in een overeenkomst of een akte van compromis, ondertekend door partijen of vervat in gewisselde brieven of telegrammen.

3.10.

De vereisten van artikel II dienen te worden gekwalificeerd als eenvormig recht en moeten verdragsautonoom (uniform) worden uitgelegd. Daarbij is de rol van het nationale recht in beginsel uitgespeeld als dat striktere of additionele eisen zou stellen. Of de arbitrageovereenkomst voldoet aan artikel 1021 Rv, wat volgens [eiseres] niet het geval is, is derhalve niet aan de orde. Beoordeeld moet worden of de gestelde arbitrageovereenkomst voldoet aan het in artikel II lid 2 Verdrag van New York vervatte vereiste dat sprake is van een compromissoir beding in een overeenkomst of een akte van compromis, ondertekend door partijen of vervat in gewisselde brieven of telegrammen. Dat is het geval, zoals volgt uit de vaststaande feiten (de per e-mail tot stand gekomen bevrachtingsovereenkomsten met daarin de verwijzingen naar de arbitrageclausule) en hetgeen in dit verband hiervoor onder 3.7. is geoordeeld. Naar het oordeel van de rechtbank kunnen e-mails gelijk gesteld worden met “brieven of telegrammen”.

Uitleg arbitrageovereenkomst

3.11.

De vraag is of partijen een geschil aanhangig hebben gemaakt over een onderwerp ten aanzien waarvan zij een arbitrageovereenkomst zijn aangegaan.

3.12.

Interfeed stelt dat clausule 23 een voldoende duidelijke clausule is waarmee partijen niet alleen geschillen met betrekking tot averij grosse, maar alle geschillen onder de bevrachtingsovereenkomst hebben willen onderwerpen aan arbitrage.

3.13.

Volgens [eiseres] volgt uit de clausule niet dat alle geschillen onder de bevrachtingsovereenkomst exclusief zijn onderworpen aan arbitrage. De clausule ziet alleen op geschillen inzake averij grosse. Alleen als daarvan sprake is dient arbitrage in Rotterdam plaats te vinden, aldus [eiseres] .

3.14.

De rechtbank overweegt als volgt. Omdat clausule 23 onderdeel uitmaakt van algemene voorwaarden die bestemd zijn voor meerdere overeenkomsten, dient daaraan een taalkundige uitleg te worden gegeven. In clausule 23 staat dat als sprake is van “General average” en “arbitration” dit dient te worden beslecht in Rotterdam. Uit deze tekst volgt op zichzelf onvoldoende duidelijk dat partijen al hun geschillen of het onderhavige geschil aan arbitrage hebben willen onderwerpen. De rechtbank zal zich dus niet onbevoegd verklaren. De incidentele vordering zal dan ook worden afgewezen.

proceskosten

3.15.

De rechtbank zal de beslissing omtrent de kosten van het incident aanhouden, totdat in de hoofdzaak zal worden beslist.

4 De beslissing

De rechtbank

in het incident

4.1.

wijst het gevorderde af,

4.2.

houdt de beslissing omtrent de kosten van het incident aan,

in de hoofdzaak

4.3.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 2 mei 2018 voor conclusie van antwoord.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.C. Santema en in het openbaar uitgesproken op 21 maart 2018.

615/32